COM(2016) 664 final
Download
Report
Transcript COM(2016) 664 final
Raad van de
Europese Unie
Brussel, 20 oktober 2016
(OR. en)
13519/16
EF 311
ECOFIN 939
BEGELEIDENDE NOTA
van:
ingekomen:
aan:
de heer Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, namens de secretarisgeneraal van de Europese Commissie
19 oktober 2016
de heer Jeppe TRANHOLM-MIKKELSEN, secretaris-generaal van de
Raad van de Europese Unie
Nr. Comdoc.:
COM(2016) 664 final
Betreft:
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende alternatieve instrumenten voor externe
kredietratings, de toestand op de ratingmarkt, de concurrentie en
governance in de ratingbranche, de toestand op de markt voor ratings voor
gestructureerde financieringsinstrumenten, en de haalbaarheid van een
Europees ratingbureau
Hierbij gaat voor de delegaties document COM(2016) 664 final.
Bijlage: COM(2016) 664 final
13519/16
sl
DGG 1B
NL
EUROPESE
COMMISSIE
Brussel, 19.10.2016
COM(2016) 664 final
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE
RAAD
betreffende alternatieve instrumenten voor externe kredietratings, de toestand op de
ratingmarkt, de concurrentie en governance in de ratingbranche, de toestand op de
markt voor ratings voor gestructureerde financieringsinstrumenten, en de haalbaarheid
van een Europees ratingbureau
NL
NL
Inhoudsopgave
INLEIDING ............................................................................................................................. 2
I. Het risico van overmatig vertrouwen op externe ratings - Beschikbare
alternatieven ....................................................................................................................... 3
1. Overmatig vertrouwen op externe ratings .......................................................................... 3
2. Alternatieven beschikbaar voor externe ratings ............................................................... 5
II. De situatie op de ratingmarkt - Beoordeling van bepalingen in de CRAverordening die concurrentie op de markt voor kredietratings moeten
bevorderen........................................................................................................................... 8
1. Analyse van de markt voor kredietratings ......................................................................... 8
2. Effect en beoordeling van bepalingen uit de CRA-verordening wat betreft
concurrentie .................................................................................................................................... 13
III. Effect en beoordeling van bepalingen uit de CRA-verordening wat
betreft governance ......................................................................................................... 17
1. Belangenconflicten ................................................................................................................. 17
2. Bepalingen met betrekking tot SFI's en de mogelijke uitbreiding ervan tot andere
financiële producten .................................................................................................................... 18
3. Alternatieve beloningsmodellen ......................................................................................... 19
IV. De vraag of het passend en mogelijk is steun te geven aan een Europees
ratingbureau..................................................................................................................... 20
CONCLUSIE......................................................................................................................... 21
2
INLEIDING
Met dit verslag wordt voldaan aan diverse verslagleggingsverplichtingen uit
Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (als gewijzigd) 1 (hierna
"CRA-verordening" genoemd). Met name wordt in dit verslag:
•
een analyse gemaakt van verwijzingen naar externe ratings in EU-wetgeving
en in onderhandse overeenkomsten tussen partijen op financiële markten. Ook
wordt een beoordeling gemaakt van mogelijke alternatieven voor externe
ratings die momenteel door marktpartijen in de EU worden gebruikt (deel I); 2
•
een analyse gemaakt van het effect en de doeltreffendheid van maatregelen uit
de CRA-verordening betreffende concurrentie in de ratingbranche (deel II); 3
•
een evaluatie gemaakt van de impact van de CRA-verordening op de
governance en interne procedures van ratingbureaus, met name het
voorkomen van belangenconflicten en het gebruik van alternatieve
beloningsmodellen. In dit verslag wordt voorts een analyse gemaakt van de
bepalingen betreffende gestructureerde financieringsinstrumenten (hierna
"SFI's" genoemd) en de mogelijke uitbreiding daarvan naar andere
activaklassen (deel III); 4
•
de haalbaarheid onderzocht van de oprichting een Europees ratingbureau voor
het beoordelen van overheidsschulden en een Europese stichting voor ratings
met betrekking tot alle andere ratings (deel IV) 5.
In dit verslag wordt onder meer een beoordeling gemaakt van de vele essentiële
bepalingen die met de laatste wijziging van de CRA-verordening zijn geïntroduceerd.
Hiervoor wordt gebruikgemaakt van het technisch advies van de Europese Autoriteit
voor effecten en markten (hierna "ESMA" genoemd) betreffende het uitsluitende en
mechanische vertrouwen op ratings 6, de studie van ICF Consulting Services over de
haalbaarheid van alternatieven voor ratings 7 , het technisch advies van ESMA
1
2
3
4
5
6
7
Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009
inzake ratingbureaus (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1), gewijzigd bij Verordening (EU) nr.
513/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 (PB L 145 van 31.5.2011, blz.
30), bij Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 (PB L 174
van 1.7.2011, blz. 1), bij Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad
van 21 mei 2013 (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1), en bij Richtlijn 2014/51/EU van het Europees
Parlement en de Raad van 18 april 2014 (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 1).
Artikel 39 ter, lid 1, van de CRA-verordening.
Artikel 39, leden 4 en 5, van de CRA-verordening.
Artikel 39, leden 4 en 5, van de CRA-verordening.
Artikel 39 ter, lid 2, van de CRA-verordening.
ESMA/2015/1471 – ESMA Technical Advice on reducing sole and mechanistic reliance on
external
credit
ratings,
beschikbaar
op:
https://www.esma.europa.eu/sites/default/files/library/2015/11/esma-20151471_technical_advice_on_reducing_sole_and_mechanistic_reliance_on_external_credit_ratings.p
df
MARKT/2014/257/F4/ST/OP-LOT1,
beschikbaar
op:
http://ec.europa.eu/finance/ratingagencies/index_en.htm
3
betreffende concurrentie, keuze en belangenconflicten in de ratingbranche 8 , en de
studie van Europe Economics over de toestand op de ratingmarkt 9. Stakeholders zijn
uitgebreid geconsulteerd via workshops, vragenlijsten en interviews tijdens de
voorbereiding van deze technische adviezen en studies. 10
I. Het risico van overmatig vertrouwen op externe ratings - Beschikbare
alternatieven
1. Overmatig vertrouwen op externe ratings
De internationale reactie op de wereldwijde financiële crisis omvatte onder meer
inspanningen om overmatig vertrouwen op externe ratings te reduceren, met name
met het oog op het "verminderen van kuddegedrag en cliff-effecten die de financiële
stabiliteit bedreigen en die momenteel voortvloeien uit ratingdrempels van
ratingbureaus die zijn verankerd in wet- en regelgeving en marktpraktijken" 11. De EU
heeft op deze inspanningen gereageerd met onder meer de goedkeuring van
aanpassingen van wetgeving (zie verder). Toch blijft het nodig om na te gaan in
hoeverre verwijzingen naar externe ratings in EU-wetgeving aanzetten tot overmatig
vertrouwen op die ratings. Bovendien kan dit overmatige vertrouwen ook ontstaan
doordat marktpartijen in onderhandse contracten externe ratings gebruiken.
In diverse EU-rechtshandelingen op het gebied van financiële diensten is sprake van
het gebruik van externe ratings. Een aantal daarvan (AIFM-richtlijn 12 , icbe's 13 en
IBPV's 14) is gewijzigd door Richtlijn 2013/14/EU 15, die bijkomende regels invoerde
voor beheer- of beleggingsondernemingen van icbe's en AIFM's die
8
9
10
11
12
13
14
15
ESMA/2015/1472 – ESMA Technical Advice on competition, choice and conflicts of interest in the
credit rating industry, beschikbaar op: https://www.esma.europa.eu/sites/default/files/library/esma2015-1472_technical_advice_on_competition_choice_and_conflicts_of_int.pdf
MARKT/2014/257/F/Lot
2,
beschikbaar
op:
http://ec.europa.eu/finance/ratingagencies/index_en.htm.
Zie, voor meer informatie in dat verband, blz. 5 van het technisch advies van ESMA betreffende
het uitsluitende en mechanische vertrouwen op ratings, blz. 5 e.v. van de ICF-studie, blz. 10 van
het technisch advies van ESMA betreffende concurrentie, keuze en belangenconflicten in de
ratingbranche, en blz. 7 van de studie van Europe Economics.
Zie met name blz. 1 van de Principles for Reducing Reliance on CRA Ratings van de Financial
Stability Board (FSB), beschikbaar op: http://www.fsb.org/2010/10/r_101027/. Zie ook de
Roadmap for Reducing Reliance on CRA Ratings van de FSB, beschikbaar op:
http://www.fsb.org/2012/11/r_121105b/.
Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders
van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en
2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van
1.7.2011, blz. 1).
Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve
belegging in effecten (icbe's) (herschikking) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de
werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235
van 23.9.2003, blz. 10).
Richtlijn 2013/14/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van
Richtlijn 2003/41/EG betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening, Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in
effecten (icbe's) en Richtlijn 2011/61/EU inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen
ter voorkoming van een overmatig vertrouwen in ratings (PB L 145 van 31.5.2013, blz. 1).
4
risicobeheersingsprocessen nodig hebben, zodat niet uitsluitend en mechanisch op
externe ratings hoeft te worden vertrouwd. Dit gebeurde om te vermijden dat bij het
meten van kredietrisico overmatig wordt vertrouwd op ratings. Een van die regels die
met Richtlijn 2013/14/EU werd ingevoerd, was de eis dat diende te worden verzekerd
dat bevoegde autoriteiten toezicht houden op de toereikendheid van
kredietbeoordelingsprocessen.
Onder EMIR 16 , de wetgeving betreffende centrale tegenpartijen (CCP's), is het
mogelijk dat door ratingbureaus beoordelingen worden uitgevoerd om het
risiconiveau te bepalen, maar er wordt niet geëist dat ratingbureaus dit doen, noch
worden zij daartoe noodzakelijkerwijs aangezet. Indien externe ratings worden
gehanteerd, moeten centrale tegenpartijen een vorm van tegenanalyse uitvoeren of
die beoordeling aanvullen met hun eigen analyse.
CRR 17 en CRD IV 18 bevatten diverse bepalingen op basis waarvan de aan een
blootstelling verbonden risico's verschillend mogen worden behandeld, afhankelijk
van de vraag of deze blootstellingen een rating hebben of niet. 19 Daardoor kunnen de
aan een blootstelling verbonden kapitaaleisen aanzienlijk verschillen, afhankelijk van
de vraag of deze blootstelling al dan niet een rating van een ratingbureau heeft
gekregen, en van de afgegeven rating. 20 Het Bazels Comité voor bankentoezicht
(BCBS) is momenteel doende de gestandaardiseerde benadering voor kredietrisico's
te herzien en heeft diverse alternatieven voor externe ratings onderzocht. 21 De
Commissie stelt voor om verwijzingen naar externe ratings te handhaven, terwijl het
gebruik ervan wordt aangevuld met due diligence-processen bij banken, en ook de
eisen worden aangescherpt die aan het gebruik van externe ratings worden gesteld,
zodat banken hun eigen due diligence en interne risicomanagement uitvoeren - en
niet mechanisch vertrouwen op externe ratings.
Een vergelijkbaar mechanisme wordt gehanteerd in Solvency II 22, dat verschillende
risicoafwegingen laat spelen afhankelijk van de beschikbaarheid van een externe
16
17
18
19
20
21
22
Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012
betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012,
blz. 1).
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013
betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot
wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende
toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de
Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
Die methodiek wordt in de wetgevingsteksten "de gestandaardiseerde benadering" genoemd en is
momenteel de in het kader van CRR en CRD meest gebruikte methodiek voor banken.
In het geval van bijvoorbeeld blootstellingen met betrekking tot ondernemingen is het zo dat indien
een rating van een ratingbureau beschikbaar is en de blootstelling de hoogste rating (bijv. AAA)
krijgt, een risicoweging van 20% wordt toegepast. Daardoor zal de bank een toetsingsvermogen
van 20% van de waarde van de blootstelling moeten houden. Indien echter geen rating beschikbaar
is, zal de gehanteerde risicoweging ten minste 100% bedragen.
Basel Committee on Banking Supervision, Second consultative document, Standards Revisions to
the Standardised Approach for credit risk, december 2015, termijn voor het indienen van
opmerkingen 11.3.2016, beschikbaar op: http://www.bis.org/bcbs/publ/d347.htm
Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende
de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)
(PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
5
rating (en de rating die aan die blootstelling is toegekend). Om het risico van
overmatig vertrouwen op ratings te ondervangen, is in Solvency II bepaald dat
verzekeraars, bij het gebruik van externe kredietbeoordelingen voor de berekening
van technische voorzieningen en het solvabiliteitskapitaalvereiste, de geschiktheid
van deze externe kredietbeoordelingen, als onderdeel van hun risicobeheer, moeten
beoordelen door, voor zover praktisch mogelijk, gebruik te maken van aanvullende
beoordelingen teneinde te voorkomen dat zij zich automatisch laten leiden door
externe beoordelingen. 23 Daarnaast worden in de gedelegeerde handeling van
Solvency II 24 nadere regels geformuleerd over het gebruik van externe
kredietbeoordelingen, zoals de eis om interne kredietbeoordelingen over te leggen
voor grotere of complexere blootstellingen, die ook bijdragen tot het verminderen van
het risico van overmatig vertrouwen.
Hoewel er regels zijn om te ondervangen dat uitsluitend en mechanisch op externe
ratings wordt vertrouwd, kan het gebruik van ratings in kritische sectoren van de
CRR- en Solvency II-raamwerken, met name waar het gaat om het berekenen van het
toetsingsvermogen of solvabiliteitseisen, voor financiële instellingen en
verzekeringsondernemingen een prikkel worden om te vertrouwen op beoordelingen
van ratingbureaus. Daarom zal de Commissie het effect van die voorwaarden blijven
monitoren en zal zij de betrokken instanties, zoals het Bazels Comité, input geven om
risico's van overmatig vertrouwen op kredietratings te ondervangen in het prudentiële
raamwerk voor kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen
Dat overmatig wordt vertrouwd op contractuele verwijzingen kan worden voorkomen
door verbodsbepalingen of verdere openbaarmakingseisen. Toch lijkt deze laatste
optie niet geschikt voor rating triggers die in beleggingsbeleidslijnen of -richtsnoeren
zijn vastgelegd, terwijl de eerste optie dan weer een beperking zou zijn op de
contractuele vrijheid en zou moeten worden gerechtvaardigd door dwingende
redenen van openbaar belang. Hoe dan ook mogen verwijzingen naar ratings geen
excuus zijn voor beheerders om te vermijden dat zij zelf een due diligence uitvoeren
voordat zij besluiten te beleggen. De Commissie zal de marktpraktijken blijven
monitoren om risico's in kaart te brengen die voortvloeien uit contractueel bepaald
overmatig vertrouwen op externe kredietratings.
2. Alternatieven beschikbaar voor externe ratings
De belangrijkste alternatieven die voor externe ratings beschikbaar zijn, zijn een
marktgebaseerde meting van het kredietrisico, instrumenten voor interne
kredietrisicobeoordeling en externe beoordelingen.
23
24
Artikel 44, lid 4 bis, van Solvency II en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2015 van de
Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met
betrekking tot de procedures voor de evaluatie van externe kredietbeoordelingen overeenkomstig
Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 295 van 12.11.2015, blz.
16).
De artikelen 3 tot en met 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10
oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf
(Solvabiliteit II) (PB L 12 van 17.1.2015, blz. 1).
6
Marktgebaseerde maatstaven (bijv. default swaps spreads en informatie over
obligatiekoersen) zijn objectief en transparant in termen van toegankelijkheid en
bieden de mogelijkheid om specifieke risicowegingen toe te kennen aan een bepaald
actief. Ze kunnen worden gebruikt om voor een brede reeks uiteenlopende
activaklassen (zoals overheidsschuld, zakelijke schulden en gestructureerde
producten) de waarschijnlijkheid van een wanbetalingsrisico te meten. Toch kunnen
deze meetinstrumenten aanzienlijke beperkingen vertonen. De twee belangrijkste
risico's die ESMA en de ICF-studie onderscheidden, zijn de grote volatiliteit van deze
meetinstrumenten en het feit dat daarmee geen genuanceerdere aanwijzingen kunnen
worden gegeven voor het risico dat aan een belegging is verbonden. Met name staan
marktgebaseerde maatstaven bloot aan het risico op manipulatie, d.w.z. het risico dat
marktdeelnemers koersen strategisch beïnvloeden om zo toezichtrechtelijke effecten
te veroorzaken en daarvan te profiteren.
Instrumenten voor interne kredietrisicobeoordeling worden gebruikt als een
instrument om het risico te beoordelen voor prudentiële doeleinden, met name om het
toetsingsvermogen te berekenen in het Basel III-raamwerk en in het CRR-raamwerk
(meer bepaald bij de interneratingbenadering) en in het Solvency II-raamwerk voor
verzekeringsondernemingen. De kans is groter dat interne methodieken correct het
risicoprofiel van een specifieke kredietnemer of specifiek effect weergeven en
kunnen worden toegesneden op de behoeften van iedere marktdeelnemer. Potentieel
kunnen ze ook worden gebruikt voor iedere categorie financiële instrumenten en
beleggingen.
Het grootste nadeel van het gebruik van interne kredietbeoordelingsmodellen als
alternatief voor externe kredietratings zijn de hoge kosten die eraan verbonden zijn.
Daarbij gaat het onder meer om de kosten voor het ontwikkelen van de analyseinstrumenten
en
het
verzamelen
van
data
(met
eventueel
ook
abonnementsvergoedingen voor de toegang tot databases met de betrokken financiële
data), alsmede het inhuren van gekwalificeerd personeel om de beoordeling in het
kader van de analyse te maken en om de modellen te valideren en daarop
kwaliteitszorg toe te passen.
Bovendien bieden methodieken voor interne kredietrisicobeoordeling misschien niet
dezelfde mate van vergelijkbaarheid als externe ratings wanneer het gaat om diverse
types contractuele regelingen, terwijl ratingbureaus het aanvaardbare risiconiveau
objectief en duidelijk omschrijven (door met gestandaardiseerde categorieën zoals
AAA/AA enz. te werken)
Bovendien bieden ze evenmin een hoog niveau van transparantie ten aanzien van de
markt. Dit komt vooral doordat dit soort modellen niet publiek beschikbaar zijn en ze
duidelijk moeilijk te standaardiseren zijn omdat subjectieve risicofactoren en
businessmodellen die worden meegewogen bij de interne beoordelingen, kunnen
verschillen van marktspeler tot marktspeler. Daarom kunnen ze nuttig zijn voor de
individuele belegger die de analyse maakt, maar bieden ze de markt geen duidelijk
beeld en vooruitzicht voor bepaalde producten zoals overheidsschulden.
Externe beoordelingen worden uitgevoerd door partijen die niet bij de belegging
betrokken zijn. Voorbeeld daarvan zijn boekhoudkundige maatstaven, de OESO7
landenrisicoclassificatie, scorings door centrale banken en scorings door particuliere
ondernemingen op basis van computermodellen.
i.
Boekhoudkundige maatstaven
Boekhoudkundige maatstaven kunnen nuttige en eenvoudig te vergelijken informatie
verschaffen over eenvoudige financiële kengetallen, die kunnen helpen bij het
beoordelen van de kredietwaardigheid van een belegging. Toch hebben ze ook een
aantal belangrijke beperkingen en kunnen ze niet worden beschouwd als een
volwaardig alternatief voor externe ratings. Een van de nadelen van
boekhoudkundige maatstaven is dat ze weliswaar alle klassen bedrijfsactiva
bestrijken, maar dat ze niet geschikt zijn voor overheidsschuld en talrijke
gestructureerde producten. Bovendien is de toegang tot deze informatie, zoals door
een aantal van de in het kader van de ICF-studie geïnterviewde stakeholders, nog
steeds problematisch omdat boekhoudkundige maatstaven in sommige landen niet
eenvoudig beschikbaar zijn voor niet ter beurze genoteerde ondernemingen wegens
lagere of niet-geharmoniseerde verslagleggingsnormen of -verplichtingen.
Voorts zijn ook specifieke vaardigheden en sectorale ervaring vereist om deze
instrumenten doeltreffend te kunnen gebruiken en betrouwbare beoordelingen te
verkrijgen. Interpretatie en doorzicht spelen een sleutelrol bij boekhoudkundige
maatstaven, zeker wanneer vergelijkingen moeten worden gemaakt. Zo kunnen
bijvoorbeeld verschillende analisten andere ratio's hanteren voor dezelfde
onderneming, hetgeen dan weer uiteenlopende uitkomsten kan opleveren. Hoewel dit
op zich geen negatief punt is, betekent dit toch dat de interpretatie van kengetallen
zonder afdoende ervaring en kennis van de context lastig kan zijn.
ii.
Landenrisicoclassificatie van de OESO
De landenrisicoclassificaties van de OESO bestrijken niet alleen een groter
geografisch gebied, maar de betrokken data worden ook publiek beschikbaar
gemaakt. Toch hebben de OESO-beoordelingen een enge focus en houden ze alleen
rekening met specifieke risicocategorieën (politieke risico's en ander daarmee
rechtstreeks verband houdende risico's), terwijl ze andere relevante economische
risico-indicatoren die potentieel nuttig kunnen zijn voor beleggers en
beleggingsbesluiten, buiten beschouwing laten. Daarom kunnen OESOlandenrisicoclassificaties worden beschouwd als een bruikbaar instrument voor het
beoordelen van bepaalde soorten risico's. Ondanks dat deze classificaties aan
bepaalde beperkingen onderhevig zijn, kunnen ze toch ook een goede aanvulling zijn
op en mogelijk een middel voor het controleren van externe ratings van
overheidsschuld.
iii.
Scorings van centrale banken
Centrale kredietregisters (CCR's) en centrale databases voor financiële overzichten
(CFSD's) zijn goede voorbeelden van scoringinstrumenten die eigendom zijn van of
worden beheerd door centrale banken. CCR- en CFSD-technieken worden breed
toegepast voor schuldpapier van bedrijven, maar de geografische en sectorale
reikwijdte ervan verschilt van land tot land, afhankelijk van parameters zoals de
vraag of de instrumenten al dan niet beleenbaar zijn voor monetaire8
beleidstransacties. Het belangrijkste nadeel van CCR's en CFSD's is dat ze een
beperkt aantal landen en activaklassen bestrijken, maar ook dat data beperkt
toegankelijk zijn. Ook is de toepassing ervan op bedrijfsschulden beperkt en de
dekking van niet-financiële vennootschappen is in een aantal landen verwaarloosbaar.
Scorings kunnen een belangrijk instrument zijn voor kleinere ondernemingen, omdat
dit een goedkopere methode kan zijn om een kredietbeoordeling te krijgen
(vergeleken met ratings van ratingbureaus). Toch lijken scorings onvoldoende om als
volwaardig haalbaar alternatief voor externe kredietratingsstelsels te dienen. Ze
zouden eerder moeten worden gebruikt als een nuttige aanvullende bron van
informatie over de kredietwaardigheid van een financieel product.
De technische analyse die bij het voorbereiden van dit verslag werd gemaakt, laat
zien dat er op de markt momenteel geen haalbare alternatieven zijn die externe
ratings volledig kunnen vervangen. Een deel van de hierboven vermelde
instrumenten en maatstaven kan tot op zekere hoogte worden beschouwd als geldige
substituten voor beoordelingen van ratingbureaus, maar ze houden substantiële
kosten in, die met name voor kleinere spelers op de financiële markten prohibitief
kunnen zijn. Andere instrumenten kunnen alleen worden gebruikt als aanvulling bij
beoordelingen van ratingbureaus. Slechts enkele bepalingen in de EU-wetgeving die
betrekking hebben op externe ratings - zoals de desbetreffende bepalingen in
CRR/CRD IV en Solvency II - kunnen voor financiële instellingen en
verzekeringsondernemingen een prikkel worden om te vertrouwen op beoordelingen
van ratingbureaus. Daarom ook dient de verdere monitoring op deze beide
raamwerken te worden toegespitst.
II. De situatie op de ratingmarkt - Beoordeling van bepalingen in de CRAverordening die concurrentie op de markt voor kredietratings moeten
bevorderen
1. Analyse van de markt voor kredietratings
De actuele marktsituatie
De ratingbranche wordt momenteel gedomineerd door drie ondernemingen uit de VS
(S&P, Moody's en Fitch), met een mondiale geografische dekking 25 voor alle
activaklassen (bedrijfsobligaties, overheidsobligaties, SFI's en gedekte obligaties 26)
(zie ook tabel 1) en een gezamenlijk marktaandeel, gerekend naar inkomsten, van
ongeveer 92% in de EU (tabel 2) 27. Ook al zijn er nieuwe bedrijven toegetreden tot
de Europese markt voor kredietratings - die momenteel 26 geregistreerde en 4
gecertificeerde ratingbureaus omvat 28 - toch geven de meeste kleinere ratingbureaus
ratings af voor een beperkte groep activaklassen en hebben ze beperkte
grensoverschrijdende activiteiten en een beperkte geografische dekking.
25
26
27
28
Volgens de locatie van de emittent die of het instrument dat een rating krijgt.
Zie de categorieën activaklassen in de CEREP-database.
Marktaandelen berekend op basis van de financiële overzichten 2014.
Zie de geactualiseerde lijst van geregistreerde en gecertificeerde ratingbureaus, beschikbaar op:
https://www.esma.europa.eu/supervision/credit-rating-agencies/risk
9
Tabel 1: Categorieën kredietratings aangeboden door in de EU geregistreerde ratingbureaus - periode 2011-2015 (bron: ESMA, CEREP)
Ratingbureau
FI
IN CO
AM Best Europe-Rating Services Ltd (AMBERS)
ARC Ratings SA
ASSEKURATA Assekuranz Rating-Agentur GmbH
Axesor SA
BCRA-Credit Rating Agency AD
Capital Intelligence (Cyprus) Ltd
CERVED Group SpA
Creditreform Rating AG
CRIF SpA
Dagong Europe Credit Rating Srl (Dagong Europe)
DBRS Ratings Limited
The Economist Intelligence Unit Ltd
Euler Hermes Rating GmbH
European Rating Agency as
EuroRating Sp. z o. o.
Feri EuroRating Services AG
Fitch Ratings Limited
GBB-Rating Gesellschaft für Bonitätsbeurteilung mbH
ICAP Group SA
INC Rating Sp. z o. o.
modeFinance Srl
Moody's Investors Service Ltd
Rating-Agentur Expert RA GmbH
Scope Ratings AG
Spread Research SAS
Standard & Poor's Credit Market Services Europe
2011
2012
2013
2014
2015 (eerste halfjaar)
IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB
IN
FI
FI
FI
FI
FI
FI
FI
FI
IN CO
CO
FI
IN CO
SS
CO SV
CO
CO
CO
IN CO SV SS PE
CO
SS
IN
CO
CO
FI IN CO
SS
FI
CO SV
CO
CB
CO
CO
SF CB FI
FI
SV
IN CO SV SS PE SN SF CB FI
CO
FI
CO
IN CO
IN
CO
CO
FI IN CO
SS
FI
FI
CO SV
FI
CO
SF CB
CO
SF CB
CO
FI
FI
IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI
SV
CO
FI
CO
FI
SS
SS
FI
SV
FI
CO SV
FI
IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI
CO
FI
CO
FI
CO
CO
IN CO
IN
CO SV
IN CO
IN
CO SV
CO
CO
IN CO SV SS
FI IN CO SV
CO SV
FI
CO SV
CO
CO
CO
SF CB
CO
CO
CO
IN CO
FI IN CO
IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV
SV
SV
CO
FI
CO
SS
CO
FI
CO
CO SV
FI
CO SV
IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV
CO
FI
CO
CO
CO
IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI
FI
CO
CO
CO
SF
FI
CO
SF
FI
CO
CO
IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI IN CO SV SS PE SN SF CB FI
SF
SS
SF
SF CB
SS PE SN SF CB
SS
SF
SS PE SN SF CB
SS
CO
IN CO SV SS PE SN SF CB
IN CO SV
PE
CO
SF
CO
IN CO SV SS PE SN SF CB
Verklaring:
FI
Bedrijven - Financieel
SN
Supranationaal
IN
Bedrijven - Verzekeringen
SF
Gestructureerde
financiering
CO
Bedrijven - Niet-financieel
CB
Gedekte obligaties
SV
Overheden
SS
Lagere overheden
PE
Openbare lichamen
Niet-geregistreerd
10
Tabel 2: Berekening marktaandeel op basis van omzet uit kredietratingactiviteiten en
nevendiensten op groepsniveau in de EU
Geregistreerd ratingbureau
AM Best Europe-Rating Services Ltd (AMBERS)
ARC Ratings SA
ASSEKURATA Assekuranz Rating-Agentur GmbH
Axesor SA
BCRA-Credit Rating Agency AD
Capital Intelligence (Cyprus) Ltd
CERVED Group SpA
Creditreform Rating AG
CRIF SpA
Dagong Europe Credit Rating Srl
DBRS Ratings Limited
Euler Hermes Rating GmbH
European Rating Agency as
EuroRating Sp. z o. o.
Feri EuroRating Services AG
Fitch Group 29
GBB-Rating Gesellschaft für Bonitätsbeurteilung mbH
ICAP Group SA
INC Rating Sp. z o. o. 30
modeFinance SA 31
Moody's Group 32
Rating-Agentur Expert RA GmbH 33
Scope Credit Rating GmbH
Spread Research SAS
Standard & Poor's Group 34
The Economist Intelligence Unit Ltd
Totaal
Marktaandeel
0,79 %
0,02 %
0,21 %
0,61 %
0,02 %
0,12 %
1,20 %
0,50 %
0,33 %
0,02 %
1,47 %
0,20 %
0,00 %
0,00 %
0,64 %
16,80 %
0,32 %
0,55 %
0,00 %
0,00 %
34,67 %
0,00 %
0,14 %
0,11 %
40,42 %
0,87 %
100 %
Bron: ESMA
De oligopolide en sterk geconcentreerde structuur van de ratingbranche - zowel
algemeen als op het niveau van individuele productcategorieën - lijkt er op te wijzen
dat de grootste ratingbureaus die wereldwijd actief zijn, in beginsel in staat kunnen
zijn marktmacht uit te oefenen, hetgeen het voor hen winstgevend maakt om
mettertijd hun tarieven op te trekken tot boven het concurrerende niveau, dan wel de
keuze of de kwaliteit van de aangeboden diensten te beperken.
Elk ratingbureau functioneert als een platform dat toegang biedt tot een netwerk van
emittenten en beleggers en waar vraag en aanbod onderling van elkaar afhankelijk
29
30
31
32
33
34
Fitch France SAS, Fitch Deutschland GmbH, Fitch Italia SpA, Fitch Polska SA, Fitch Ratings
España SAU, Fitch Ratings Limited en Fitch Ratings CIS Limited.
Geregistreerd per 27.10.2015.
Geregistreerd per 10.7.2015.
Moody's Investors Service Ltd, Moody's France SAS, Moody's Deutschland GmbH, Moody's Italia
Srl, Moody's Investors Service España SA, Moody's Investors Service Ltd, en Moody's Investors
Services EMEA Ltd.
Geregistreerd per 1.12.2015.
Standard & Poor's Credit Market Services Europe SAS, Standard & Poor's Credit Market Services
Italy Srl, en Standard & Poor's Credit Market Services Europe Limited.
11
zijn: emittenten verkiezen om een beroep te doen op de ratingbureaus die worden
erkend door het grootste aantal relevante beleggers, terwijl beleggers ratingbureaus
willen inschakelen die de grootste dekking kunnen bieden voor de emittenten en
instrumenten waarvoor ze belangstelling hebben.
Ondanks de wijzigingen aan de CRA-verordening in 2013 viel toch een lichte
toename van de concentratie op de totale ratingmarkt waar te nemen, waarbij de
berekening uitsluitend is gebaseerd op inkomsten uit ratingactiviteiten.
Marktaandelen op basis van totale inkomsten (inkomsten uit ratingactiviteiten en
nevendiensten) geven lagere concentratieniveaus te zien vergeleken met metingen op
basis van uitsluitend ratingactiviteiten. Toch wordt de berekening van marktaandelen
op basis van de totale inkomsten verder gecompliceerd doordat het ontbreekt aan een
universele definitie en behandeling van "nevendiensten". Een en ander kan er op
wijzen dat nevendiensten een belangrijke activiteit vormen voor kleinere
ratingbureaus, terwijl grotere ratingbureaus meer vertrouwen op inkomsten uit
ratings. Voorts is, wat het soort rating betreft, de concentratie toegenomen voor
bedrijfsobligaties (de sterkst geconcentreerde markt), terwijl ze is afgenomen bij de
ratings voor overheidsschuld en bij SFI's.
Het merendeel van de emittenten gebruikt doorgaans één of twee ratingbureaus (en
geen hele reeks) en de keuze ervan is grotendeels ingegeven door de mate waarin een
ratingbureau acceptabel is voor beleggers, toezichthouders en centrale banken. 35
Daarbij komt dat er een sterke voorkeur lijkt te zijn voor ratingbureaus die een
mondiale dekking hebben, hetgeen laat zien dat in de kredietratingbranche reputatie
sterk meespeelt. Vermoedelijk is de keuze voor ratingbureaus dus sterk afhankelijk
van hun naamsbekendheid.
Een sterk geconcentreerde markt vormt een risico voor de financiële stabiliteit indien
ratingbureaus elkaars gedrag observeren en reageren door vergelijkbare adviezen
over de kredietwaardigheid van emittenten uit te brengen, zoals is gebleken tijdens de
jongste financiële crisis en staatsschuldencrisis.
Barrières voor markttoetreding
Markttoetreding kan worden afgeremd door de aanwezigheid van barrières in
verband met wet- en regelgeving en markten.
Wat de barrières in wet- en regelgeving betreft, heeft de European Association of
Credit Rating Agencies (EACRA) zich bezorgd uitgelaten over de uitsluiting van de
meerderheid van de geregistreerde ratingbureaus van de lijst van externe
kredietbeoordelingsinstellingen
(ECAI's)
binnen
het
Eurosysteemkredietbeoordelingskader (Eurosystem Credit Assessment Framework ECAF) voor het aanvaarden van zekerheden, omdat dit de mededinging kan
verstikken. 36 Externe kredietbeoordelingsinstellingen moeten inderdaad aan diverse
operationele criteria voldoen en de nodige dekking bieden: met name moeten ze
35
36
Zo heeft bijvoorbeeld DBRS, sinds het besluit van de ECB om dit ratingbureau op te nemen in de
lijst van externe kredietbeoordelingsinstellingen (ECAI's) in het ECAF, betere toegang tot de
markt gekregen.
EACRA, Position Paper, Reference: ECB criteria for acceptance of Credit Rating Agencies as
ECAI sources for ECAF purposes, 26.12.2016.
12
voldoen aan de minimale dekkingsvereisten die door het Eurosysteem zijn bepaald in
termen van activa, emittenten en volumes die een rating krijgen, verspreid over de in
aanmerking komende activaklassen en eurozonelanden. Daardoor zijn momenteel
alleen ratingbureaus met systemische relevantie voor het financiële bestel door de
ECB erkend als externe kredietbeoordelingsinstellingen – nl. S&P, Moody's, Fitch en
DBRS - en kan deze situatie de mededinging op de ratingmarkt beperken. Zoals
aangestipt in het technisch advies van de ESMA, "blijven ratings een belangrijke
factor binnen de beoordelingsraamwerken voor zekerheden van bepaalde centrale
banken in de EU die aanzienlijke afgeleide effecten kunnen hebben voor de eigen
interne beoordelingsprocedures van marktdeelnemers op financiële markten". Een
middel om deze barrière voor markttoetreding te ondervangen zou erin kunnen
bestaan
om
het
vertrouwen
op
ratings
binnen
het
Eurosysteemkredietbeoordelingskader (ECAF) van de ECB te verminderen.
Daarnaast wordt in sommige standpunten in de Call for Evidence 37 gemeld dat
compliancekosten een andere barrière vormen voor nieuwkomers, inzonderheid voor
kleinere ratingbureaus. Om als ratingbureaus te kunnen worden geregistreerd, moeten
ondernemingen kunnen aantonen dat ze voldoen aan de voorwaarden van de CRAverordening. Ondanks ontheffingen van bepaalde vereisten voor kleinere
ratingbureaus, zijn stakeholders uit de sector van oordeel dat de eisen in de wet- en
regelgeving de dominante ratingbureaus begunstigen, omdat het voldoen aan
compliance-eisen 38 bijzonder duur is voor kleine ratingbureaus. Bovendien worden
wanneer drempels bestaan waarboven bijkomende voorschriften gelden, deze
drempels gezien als potentiële barrières voor de groei van kleine ratingbureaus (met
name in het kader van bedrijfsobligaties, maar ook voor SFI's). Alles welbeschouwd
moet een evenwicht worden gevonden tussen de evenredigheid van de normen die
zouden moeten gelden voor kleinere ratingbureaus, en de noodzaak om de kwaliteit
en transparantie te borgen van de ratings die ze afgeven.
Nu de Commissie, na technisch advies van de Europese toezichthouders, recentelijk
de technische uitvoeringsnormen (ITS) voor ECAI-mapping heeft vastgesteld 39 ,
zullen Europese banken en verzekeraars eindelijk in het kader van de raamwerken
voor toetsingsvermogen een beroep kunnen doen op kleinere ratingbureaus. Met deze
37
38
39
Het consultatiedocument en de uitkomsten van de Call for Evidence zijn beschikbaar op:
http://ec.europa.eu/finance/consultations/2015/financial-regulatory-frameworkreview/index_en.htm
Zo moet er bijvoorbeeld een onafhankelijk toetsingscomité zijn bestaande uit voltijdse
medewerkers, een voltijdse compliance officer, verslagleggings- en openbaarmakingseisen, de eis
dat beoordeelde entiteiten worden geïnformeerd voordat ratings formeel worden vrijgegeven.
Uitvoeringsverordening (EU) van de Commissie tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen
met
betrekking
tot
de
mapping
van
kredietbeoordelingen
van
externe
kredietbeoordelingsinstellingen voor kredietrisico in overeenstemming met artikel 136, leden 1
en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad;
Uitvoeringsverordening (EU) van de Commissie tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen
met
betrekking
tot
de
verdeling
van
kredietbeoordelingen
van
externe
kredietbeoordelingsinstellingen over een objectieve schaal van kredietkwaliteitscategorieën in
overeenstemming met Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad, en
Uitvoeringsverordening (EU) van de Commissie tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen
met
betrekking
tot
de
mapping
van
kredietbeoordelingen
van
externe
kredietbeoordelingsinstellingen
voor
securitisaties
in
overeenstemming
met
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad.
13
mapping ontstaat misschien een aantal nieuwe mogelijkheden om een beroep te doen
op kleinere ratingbureaus en kan de ontwikkeling van de markt worden gestimuleerd.
Wat betreft de barrières voor marktdynamiek is het grootste obstakel voor
nieuwkomers - naast het feit dat er onvoldoende vraag lijkt te zijn naar bijkomende
ratingbureaus - het feit dat reputatie een grote rol speelt op de markt voor
kredietrating. Daarom hebben nieuwkomers (die doorgaans weinig of geen reputatie
hebben bij beleggers) het moeilijk om voor hun gebrek aan historisch trackrecord en
hun ontoereikende geografische dekking te compenseren. Bovendien moeten
nieuwkomers een klantenbasis opbouwen om de netwerkeffecten in de branche te
overwinnen, die grotere ratingbureaus begunstigen ten koste van kleine
ratingbureaus, omdat de ratings van de grootste ratingbureaus de toegang tot de markt
voor beoordeelde producten bevorderen.
Vergoedingen
Een van de aanpassingen die in 2013 aan de CRA-verordening is doorgevoerd, is de
introductie van een bepaling dat vergoedingen die cliënten van ratingbureaus worden
berekend voor het uitvoeren van kredietratings en nevendiensten niet discriminatoir
mogen zijn en op de werkelijke kosten moeten zijn gebaseerd.
In hun antwoord op de Call for Evidence heeft een aantal verzekeraars aangevoerd
dat ratingbureaus marktdeelnemers bijkomende kosten lijken te berekenen (tot 80%
meer) voor het gebruik van kredietratinginformatie in hun verslaglegging aan
nationale bevoegde autoriteiten, hetgeen tot een toename van de uitvoeringskosten
van Solvency II heeft geleid (zoals gemeld door The Association of Mutual Insurers
and Insurance Cooperatives in Europe).
Volgens de CRA-verordening heeft de ESMA de bevoegdheid toezicht uit te oefenen
op ratingbureaus om te garanderen dat vergoedingen die cliënten worden berekend,
niet-discriminerend zijn en op werkelijke kosten zijn gebaseerd. De Commissie
verzoekt de ESMA ervoor te zorgen dat de CRA-verordening strikt wordt nageleefd
wat betreft de aan verzekeraars berekende vergoedingen.
Op de markt voor ratingbureaus verwachte ontwikkelingen
De komende jaren zal een aantal maatregelen worden ingevoerd die voor meer
concurrentie moeten zorgen op de markt voor ratingbureaus, met name het Europees
Ratingplatform (hierna "ERP" genoemd), dat de zichtbaarheid van door kleinere
ratingbureaus afgegeven kredietratings moet verbeteren en ratings van verschillende
ratingbureaus voor hetzelfde instrument beter vergelijkbaar moet maken. De
mappings van externe kredietratings die recentelijk zijn vastgesteld in het kader van
CRR en Solvency II, moeten ook zorgen voor een billijke behandeling van ratings
afgegeven door alle ratingbureaus, ongeacht hun grootte, terwijl de prudentiële
toezichthouders toch kunnen borgen dat voor systeemrelevante ratingbureaus de
nodige beveiligingsmaatregelen gelden.
14
2. Effect en beoordeling van bepalingen uit de CRA-verordening wat betreft
concurrentie
De algemene doelstelling van de aanpassingen die in 2013 aan de CRA-verordening
zijn doorgevoerd wat betreft concurrentie, was het vergroten van concurrentie tussen
ratingbureaus en het aanmoedigen van het inzetten van kleinere ratingbureaus. Meer
bepaald werd met deze wijzigingen een verplichte dubbele rating ingevoerd voor
SFI's (artikel 8 quater), een prikkel om ten minste één klein ratingbureau aan te
stellen in het geval van een dubbele rating (artikel 8 quinquies), algemene en
periodieke openbaarmaking van informatie (artikel 11, lid 2), en de oprichting van
een Europees Ratingplatform (ERP) (artikel 11 bis).
Artikel 8 quater
Volgens artikel 8 quater moeten emittenten voor SFI's dubbele kredietratings
aanvragen, om een onafhankelijke tweede rating te krijgen.
Deze bepaling kan alleen effect hebben op de markt indien de tweede rating wordt
bekendgemaakt of bekend is bij beleggers. In dat geval zouden beleggers en
emittenten ratings van hetzelfde financiële instrumenten kunnen vergelijken en
zouden daardoor de reputatiekosten van ratingbureaus toenemen omdat grote
verschillen tussen ratings van verschillende ratingbureaus twijfel kunnen doen rijzen
over de kwaliteit van de ratings zelf.
Bovendien zouden beleggers, wanneer ze weten dat emittenten een tweede rating
moeten vragen, zelfs indien er geen wettelijk vereiste is om deze bekend te maken,
deze toch kunnen vragen. Daarom zouden financiële instrumenten, waarvoor de
tweede rating niet wordt openbaargemaakt, kunnen worden gepercipieerd als zijnde
van lagere kwaliteit.
Al bij al is het aantal ratingbureaus dat SFI's beoordeelt, toegenomen, hetgeen
betekent dat emittenten wel degelijk bijkomende ratings vragen, niet alleen bij grote
ratingbureaus - die voordien al SFI's beoordeelden - maar ook bij kleine
ratingbureaus. Bijgevolg lijkt deze maatregel gunstig te zijn voor het marktsegment
van de gestructureerde financiering.
Artikel 8 quinquies
Volgens artikel 8 quinquies moet de emittent of een gelieerde derde, indien deze
voornemens is ten minste twee ratingbureaus aan te stellen voor het afgeven van een
rating voor dezelfde emissie of entiteit, overwegen om ten minste één ratingbureau
aan te stellen met een marktaandeel van maximaal 10%, op voorwaarde dat de
emittent of gelieerde derde dit ratingbureau in staat acht voor de desbetreffende
emissie of entiteit een rating af te geven en dat een van deze kleinere ratingbureaus
beschikbaar is voor het afgeven van een rating. Bovendien moet, wanneer een
emittent of gelieerde derde niet voornemens is ten minste één kleiner ratingbureau
aan te stellen, een en ander worden gedocumenteerd.
Deze maatregel moet op nationaal niveau nog volledig ten uitvoer worden gelegd en
gehandhaafd. Bijgevolg is het nog niet mogelijk om het effect van artikel 8 quinquies
te beoordelen. Voorts kan het aantal entiteiten en instrumenten dat meerdere ratings
15
heeft, nog niet worden bepaald via de CEREP-database 40 (maar in het ERP zullen
beleggers wel kunnen zien welke ratingbureaus een kredietrating hebben afgegeven
voor een specifieke entiteit of een specifiek instrument).
Kleine ratingbureaus beschikken misschien niet over voldoende ervaring en reputatie,
zodat emittenten niet vrijwillig op hen een beroep doen voor de tweede rating (en dit
soort tweede rating is niet verplicht tenzij het de emissie van SFI's betreft). Het effect
is afhankelijk van de vraag of emittenten ervoor zouden opteren om de tweede rating
bij een kleiner ratingbureau te vragen, dan wel of ze ervoor zouden kiezen om uit te
leggen waarom ze dat niet doen.
Bovendien zijn er misschien onvoldoende prikkels voor individuele emittenten om in
het kader van ratingbureau te veranderen op grond van het beginsel "pas toe of leg
uit", aangezien artikel 8 quinquies niet verplicht is. Om deze bepaling meer
slagkracht te geven, heeft de ESMA het mandaat goedgekeurd voor een tijdelijke
taskforce met betrekking tot te documenteren en te rapporteren informatie wanneer
wordt overwogen om meerdere ratingbureaus aan te stellen, om sectoraal bevoegde
autoriteiten te helpen bij hun toezichtstaken op grond van artikel 8 quinquies en
artikel 8 quater van de CRA-verordening 41.
Ten slotte heeft het gebruik en de doeltreffendheid van de door dat artikel vereiste
berekening van het marktaandeel bezwaren doen rijzen, omdat deze berekeningen
niet alleen op inkomsten uit kredietrating zijn gebaseerd, maar ook op de inkomsten
uit nevendiensten. Dit soort berekeningen kan ook misleidend zijn omdat er geen
duidelijke definitie is van "nevendiensten". Kleine ratingbureaus en nieuwkomers
voerden aan dat het aan kennis van de uitvoering van dit artikel ontbrak en
verzochten om handreikingen op het niveau van de EU of de lidstaten.
Artikel 11, lid 2
Op grond van artikel 11, lid 2, moeten ratingbureaus data rapporteren over de
kredietratings die ze afgeven - met inbegrip van niet-verlangde ratings - aan de
centrale ESMA-databank (de CEREP-databank). Hiermee moeten beleggers in staat
worden gesteld om data van ratingbureaus onderling te vergelijken en om de
prestaties van door één ratingbureau afgegeven ratings te onderzoeken.
Artikel 11, lid 2, kan ten goede komen aan geavanceerde beleggers, meer dan aan
minder kritische beleggers omdat, zelfs indien alle informatie publiek beschikbaar is,
het vergelijken van de prestaties van ratingbureaus nog steeds tijd en ervaring vergt.
De publicatie van dit soort data kan de zichtbaarheid van kleine ratingbureaus
vergroten en kan hen helpen om de toegangsbarrière in verband met reputatie te
overwinnen.
40
41
Met de CEREP-database worden data verzameld over door geregistreerde en gecertificeerde
ratingbureaus afgegeven kredietratings en kredietratings die zijn bekrachtigd door geregistreerde
ratingbureaus, alsmede over kredietratings die in een derde land zijn afgegeven door ratingbureaus
die niet in de EU gecertificeerd of geregistreerd zijn, maar die wel tot dezelfde groep behoren. Een
deel van de informatie in de CEREP-database is via de ESMA-website voor het publiek
beschikbaar.
Zie ook de vragen en antwoorden, de handvatten en andere ESMA-instrumenten, alsmede een
gemeenschappelijke verslagleggingstemplate en de daarbij behorende instructies.
16
Artikel 11 bis
Krachtens artikel 11 bis wordt CEREP geïntegreerd in het ERP, een door de ESMA
geopereerde website die alle beschikbare ratings die geregistreerde en gecertificeerde
ratingbureaus hebben afgegeven, zal bekendmaken.
Het ERP is opgericht om de hoeveelheid voor beleggers beschikbare informatie te
vergroten en om kleinere ratingbureaus meer zichtbaarheid te geven, omdat de
bekendmaking van alle ratings op een website de bekendheid met en het vertrouwen
in kleine ratingbureaus kan doen toenemen. Toch maakt het gebruik van
verschillende methodieken, afhankelijk van de ratingbureaus, een eenvoudige
vergelijking van ratings niet mogelijk.
Aangestipt moet worden dat "door beleggers betaalde ratings" - die uitsluitend tegen
een vergoeding voor beleggers worden vervaardigd en openbaar worden gemaakt niet in het ERP zijn opgenomen, om zo niet het succes van dit soort bedrijfsmodellen
te ondermijnen.
Het ERP is nog niet volledig operationeel en daarom is het te vroeg om het effect
ervan op de concurrentie te beoordelen. Aangezien zichtbaarheid en reputatie in de
ratingbranche zeer belangrijk zijn, dienen de effecten van deze bepaling op de
mededinging verder te worden gemonitord zodra het platform volledig is
geïmplementeerd.
3. Algehele beoordeling
Kennelijk geven kleine ratingbureaus en nieuwkomers nog niet voor alle
activaklassen een aanzienlijk aantal kredietratings af en lijkt er weinig concurrentie te
zijn tussen ratingbureaus, gelet op de frequente verhogingen van vergoedingen en de
hoge vergoedingen die door de grootste ratingbureaus worden geëist.
Toch dient ook te worden beklemtoond dat de markt voor kredietrating een
bijzondere markt is, waar vooral de reputatie bij beleggers en emittenten bepalend is.
Gezien de grote rol van reputatie op deze markt kunnen maatregelen die de keuze van
ratingbureaus sterker sturen dan emittenten zelf zouden willen en beleggers op prijs
zouden stellen, onbedoelde gevolgen hebben, terwijl het effect op het bevorderen van
bijkomende markttoetreding beperkt blijft.
De CRA-verordening zorgde voor een positief raamwerk dat concurrentie in de markt
voor kredietrating moet versterken.
Al met al kan artikel 8 quater, gelezen in samenhang met artikel 8 quinquies, artikel
11, lid 2, en artikel 11 bis, leiden tot een toename in de vraag naar SFI-ratings van
kleine ratingbureaus. Bovendien kan de toepassing van artikel 11 bis en artikel 11, lid
2, - die de informatie over de tweede rating publiek beschikbaar maken - gunstig
uitpakken voor het effect van artikel 8 quater, waarmee beleggers meer druk kunnen
uitoefenen op ratingbureaus om te concurreren op kwaliteit.
Daarnaast heeft de CRA-verordening meer zichtbaarheid gegeven aan in de EU
actieve ratingbureaus, bijvoorbeeld door registratie bij de ESMA en door de
17
openbaarmaking van informatie over afgegeven kredietratings. Voorts hebben
maatregelen die voor meer transparantie moeten zorgen, meer bekendheid gegeven
aan het bestaan van kleine ratingbureaus. Ten slotte lijkt de uitgifte - en
bekendmaking - van ongevraagde ratings een doeltreffend instrument te zijn om de
zichtbaarheid van kleine ratingbureaus te vergroten en hen in staat te stellen een
reputatie op te bouwen.
Concluderend verwacht de Commissie, ondanks dat bepaalde maatregelen in
uitvoering zijn, geen snelle veranderingen in de oligopolide ratingbranche. Toch laat
de analyse en het technisch advies van de ESMA zien dat meer tijd nodig is voor een
volledige beoordeling van de impact van de recentelijk doorgevoerde maatregelen uit
de CRA-verordening wat betreft concurrentie op de markt voor ratingbureaus.
III. Effect en beoordeling van bepalingen uit de CRA-verordening wat betreft
governance
Aangezien de kredietratingmarkt momenteel nog steeds wordt gedomineerd door drie
grote ratingbureaus en nieuwe ratingbureaus te maken hebben met meerdere
toetredingsbarrières, is het van het grootste belang te borgen dat ratingbureaus, en
met name gevestigde ratingbureaus, zich correct gedragen en dat ratings van hoge
kwaliteit zijn. Een en ander kan alleen worden bereikt wanneer het toezicht de nodige
krijtlijnen trekt, hetgeen uiteindelijk ook gunstig zal uitwerken voor het produceren
van ratings van hoge kwaliteit - en dus voor de stabiliteit van de markt.
Een van de pijnpunten die de recente financiële crisis aan het licht bracht, zijn
problemen met de kwaliteit en de onafhankelijkheid van kredietratings. Met name
waren er zorgen over potentiële belangenconflicten tussen emittenten en
ratingbureaus door het beloningsmodel waarbij de emittent betaalt, en over de nauwe
en langlopende relaties tussen emittenten. Een ander punt van zorg was de
onafhankelijkheid van ratingbureaus wanneer ze een rating moesten afgeven voor
door hun aandeelhouders uitgegeven instrumenten, en de onafhankelijkheid en
kwalificaties van ratinganalisten. Bovendien was er na de financiële crisis behoefte
aan meer transparantie over gestructureerde financieringsproducten, zodat beleggers
hun eigen beoordeling konden maken van de kredietwaardigheid van deze complexe
producten. Om deze pijnpunten aan te pakken is bij de laatste herziening van de
CRA-verordening een aantal bepalingen ingevoerd over belangenconflicten (1), SFI's
(2) en beloningsmodellen (3). In dit deel wordt nagegaan of deze bepalingen
doeltreffend zijn gebleken, dan wel of ze verder dienen te worden verbeterd.
1. Belangenconflicten
De CRA-verordening bevat diverse bepalingen met betrekking tot het vermijden en
het beheren van situaties van belangenconflicten. De algemene doelstelling is het
garanderen van de onafhankelijkheid van ratingbureaus - en dus de kwaliteit van hun
ratings -, maar ook het versterken van het vertrouwen van beleggers in het
functioneren van de financiële markt in zijn geheel.
De invoering van niet bij het dagelijkse bestuur betrokken bestuurders (INEDS) in de
CRA-verordening is een cruciale factor gebleken om de doeltreffendheid van interne
controlesystemen te verzekeren en om belangenconflicten in kaart te brengen. Bij de
18
aanstelling van personen in deze functie is het zeer belangrijk om minimumnormen
inzake kennis en goede reputatie te garanderen. De ESMA heeft aangegeven op dit
punt proactiever te willen zijn om steeds hoge niveaus van governance bij
ratingbureaus te verzekeren.
In de CRA-verordening zijn interne regels en procedures bepaald voor analisten en
andere personen die bij het kredietratingproces betrokken zijn, om eventuele
belangenconflicten die zich tijdens het ratingproces voordoen, in beeld te krijgen en
te kunnen beheren. Deze bepalingen worden in bijlage I bij de CRA-verordening
aangevuld met nadere eisen. Vrijstellingsregels voor kleine ratingbureaus helpen
ervoor te zorgen dat het effect van de CRA-verordening op ratingbureaus van
verschillende grootte evenredig is.
De druk van aandeelhouders op ratingbureaus kan het risico inhouden dat de
onafhankelijkheid van ratingbureaus wordt ondermijnd wanneer een ratingbureau een
beoordeling moet maken van zijn eigen aandeelhouders of van door zijn
aandeelhouders uitgegeven financiële instrumenten. Dit risico wordt ondervangen
door bepalingen ter beperking van deelnemingen die de onafhankelijkheid van
ratingbureaus en de kwaliteit van hun ratings moeten borgen. De praktische
toepassing van deze bepalingen blijft echter onduidelijk, omdat er momenteel op
Europees niveau geen gemeenschappelijke definitie is van het begrip
"aandeelhouder".
De CRA-verordening bevat een aantal eisen wat betreft kennis, kunde en gedragingen
van ratinganalisten en andere medewerkers van een ratingbureau die bij het
ratingproces zijn betrokken. Door een mechanisme op te zetten voor het geleidelijk
rouleren van die personen kan de onafhankelijkheid van ratings worden geborgd.
Door de roulatie van personeel kan het overhevelen van een analist naar een ander
portfolio evenwel kosten met zich meebrengen.
Momenteel werkt de ESMA aan richtsnoeren voor het valideren en doorlichten van
methodieken van ratingbureaus 42. Deze kunnen voor meer duidelijkheid zorgen over
de interne compliance- en risicoprocedures van een ratingbureau - en dus voor een
duidelijkere definitie van het begrip "ratingmethodiek", rekening houdende met de
definitie uit de ISOCO Code van 2015 43.
De bestaande hoogte van sancties lijkt niet evenredig aan de omzet van
ratingbureaus, zeker de grotere. De geldboeten die de ESMA momenteel kan
opleggen, hebben in de praktijk geen afschrikwekkend of ontradend effect 44. Daarom
zal de Commissie verder reflecteren over de sanctieregeling van de CRAverordening, die afwijkt van de regelingen op grond van recentere Europese
wetgeving.
42
43
44
Zie het consultatiedocument op de ESMA-website: https://www.esma.europa.eu/press-news/esmanews/esma-consults-validation-and-review-cras%E2%80%99-methodologies-guidelines.
IOSCO Code of Conduct Fundamentals for Credit Rating Agencies Final Report 2015,
beschikbaar op: http://www.iosco.org/library/pubdocs/pdf/IOSCOPD482.pdf
Ter vergelijking: in januari 2015 legde de U.S. Securities and Exchange Commission (SEC) voor
in totaal 77 miljoen USD aan geldboeten op voor een reeks inbreuken van Standard & Poor's op
het federale effectenrecht; zie https://www.sec.gov/news/pressrelease/2015-10.html
19
2. Bepalingen met betrekking tot SFI's en de mogelijke uitbreiding ervan tot
andere financiële producten
De bepaling in de CRA-verordening over verplichte roulatie tussen een ratingbureau
en een emittent (artikel 6 ter) blijft beperkt tot de uitgifte van hersecuritisaties,
aangevuld door een afkoelingsperiode van maximaal vier jaar waarin een
ratingbureau geen ratings mag afgeven over hersecuritisaties met onderliggende
activa van dezelfde initiator. Potentieel negatieve effecten voor kleine ratingbureaus
worden afgezwakt door een vrijstelling.
Krachtens artikel 8 ter van de CRA-verordening moet de ESMA een website opzetten
met het oog op de openbaarmaking van informatie over SFI's. Recentelijk heeft de
ESMA aangekondigd dat het, als gevolg van een reeks problemen waarmee zij
tijdens de voorbereidende werkzaamheden voor het opzetten van de website werd
geconfronteerd, weinig waarschijnlijk is dat deze website tegen de wettelijke termijn
van 1 januari 2017 beschikbaar zal komen voor verslaggevende entiteiten.
Zowel artikel 6 ter als artikel 8 ter zijn nog niet ten uitvoer gelegd en in de praktijk
toegepast. Samen met de bepaling inzake de verplichte dubbele kredietrating voor
SFI's van artikel 8 quater, lijkt er momenteel onvoldoende keuze te zijn tussen
ratingbureaus die verschillende activaklasse beoordelen, om de concurrentie
daadwerkelijk te laten spelen. Gelet op het bovenstaande lijkt een eventuele
uitbreiding van het verplichte roulatiemechanisme en de bepalingen inzake de
openbaarmaking van informatie tot andere financiële producten in dit stadium
voorbarig, omdat er onvoldoende data beschikbaar zijn om het effect van die
bepalingen op de kredietratingpraktijk te analyseren. De Commissie zal de
ontwikkelingen op de markt blijven monitoren naarmate de bewuste bepalingen van
de CRA-verordening van toepassing worden.
3. Alternatieve beloningsmodellen
Sinds de tenuitvoerlegging van de CRA-verordening valt er in de ratingbranche
weinig verandering te bespeuren wat betreft beloningsmodellen, met name voor
ratings van bedrijfsobligaties en SFI's. Het dominante en vaakst gebruikte
beloningsmodel op de markt voor ratingbureaus is het "Issuer pays"-model, waarbij
de ratingbureaus worden betaald door emittenten die een kredietrating voor hun
beleggingsproducten willen krijgen.
Andere voorbeelden van beloningsmodellen zijn het "Skin-in-the-game"-model waarbij beleggers ratings opstellen voor projecten die zij gedeeltelijk financieren
door het houden van de uitgegeven instrumenten of waarbij ratingbureaus worden
vergoed in de instrumenten die ze tot de vervaldatum aanhouden 45 - en het "Platformpays"-model waarmee een intermediair op de markt wordt geïntroduceerd om de
rating te financieren en op te stellen. In het "Pay-for-performance"-vergoedingsmodel
moet elk ratingbureau een vast percentage van zijn inkomsten aan een
gemeenschappelijk fonds betalen, dat vervolgens wordt uitgekeerd aan het best
presterende ratingbureau, hetgeen voor ratingbureaus een prikkel is om de
45
Dit model is gebaseerd op de aanname dat de entiteit die de rating opstelt - en die ook in de te
beoordelen effecten belegt - een duidelijk belang heeft bij de accuratesse van de rating.
20
accuratesse van hun ratings te verbeteren, terwijl een en ander potentieel kan leiden
tot onzekerheid over de doeltreffendheid van het stimuleringsmechanisme.
Kredietratings zouden ook door non-profitorganisaties kunnen worden opgesteld of
door overheden worden gefinancierd. De betrokkenheid van de overheid bij het
toewijzen van ratingbureaus aan emittenten zou het risico in zich kunnen dragen dat
markten volgens nationale lijnen worden gecompartimenteerd en zou potentieel ook
tot belangenconflicten binnen de branche kunnen leiden, met name wat betreft de
afgifte van ratings voor overheden en lagere overheden.
Zoals aangegeven in de effectbeoordeling van de Commissie van 2011, kunnen alle
mogelijke beloningsmodellen potentieel belangenconflicten veroorzaken. Daarom
schrijft de CRA-verordening niet het gebruik van één specifiek beloningsmodel voor
omdat er geen fundamentele behoefte is om één model te begunstigen boven een
ander.
Momenteel worden alternatieve beloningsmodellen in de praktijk nauwelijks gebruikt
als op zich staande oplossingen, omdat ratingbureaus meestal in plaats daarvan
hybride modellen gebruiken. Kredietratings worden aan sommige cliënten afgegeven
volgens het "Issuer-pays"-model en aan anderen op basis van het "Investor-pays"model of op abonnementsbasis. De conclusie van de analyse van de ESMA is dat
deze flexibiliteit bij de keuze van het beloningsmodel behouden dient te blijven,
zodat marktspelers vrij blijven het model te kiezen dat het beste geschikt is voor hun
marktstrategie.
4. Algemene beoordeling
In het licht van de analyse die hier is gemaakt, lijken de bepalingen van de CRAverordening wat betreft governance in hoofdzaak preventief van aard te zijn, terwijl
ze een belangrijke rol spelen om de onafhankelijkheid van ratingbureaus te borgen.
Ook al is er, volgens het technisch advies van de ESMA, een aantal bepalingen die
uitvoeringkosten voor ratingbureaus met zich kunnen meebrengen omdat
aanpassingen aan IT-systemen, opleiding, complianceprocedures en juridische
procedures vereist zijn, toch is de verwachting dat het recente governancekader voor
ratingbureaus alles samengenomen voordelen op lange termijn zal opleveren.
De veranderingen zijn misschien niet onmiddellijk zichtbaar in de
kredietratingpraktijk, maar met deze bepalingen krijgen toezichthouders wel meer
slagkracht doordat ze nu over de nodige instrumenten beschikken om toezicht te
houden op ratingbureaus die zich niet aan de governancebepalingen van de CRAverordening houden. De sanctieregeling in de CRA-verordening is misschien aan
herziening toe, wil zij een geloofwaardig en evenredig afschrikkend effect hebben.
IV. De vraag of het passend en mogelijk is steun te geven aan een Europees
ratingbureau
Door problemen die tijdens de recente EU-staatsschuldencrisis aan het licht zijn
gekomen met betrekking tot het procyclische karakter van de bekendmaking van
ratings, is de CRA-verordening in 2013 gewijzigd en zijn nieuwe maatregelen
ingevoerd die ratings van overheidsschulden transparanter moeten maken. Krachtens
artikel 8 bis van de CRA-verordening moeten ratingbureaus nu jaarlijks een kalender
21
bekendmaken waarop de data voor het bekendmaken van hun respectieve
kredietratings voor overheidsschulden moeten worden vastgelegd.
Daarnaast heeft de Commissie in een verslag van 2015 46 onderzocht in hoeverre het
passend is een Europese kredietwaardigheidsbeoordeling te ontwikkelen en of er
voldoende en adequate informatiebronnen voor beleggers zijn om hun eigen
kredietrisicobeoordeling van overheidsschulden uit te voeren. In haar verslag kwam
de Commissie tot de conclusie dat de introductie van dit soort Europese
kredietwaardigheidsbeoordeling weinig toegevoegde waarde zou opleveren voor de
reeds bestaande informatie die afkomstig is van diverse bronnen van het budgettaire
en macro-economische toezichtskader (bijv. de verslagen die worden bekendgemaakt
in het kader van het Europees Semester). Ook zou hiermee niet de informatie worden
verbeterd die institutionele beleggers krijgen omdat ze al via openbare en particuliere
kanalen over voldoende data beschikken. Voorts vertrouwen beleggers die actief zijn
op de internationale markt voor overheidsobligaties, doorgaans meer op informatie
afkomstig van internationale instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds
(IMF) of de Wereldbank.
CONCLUSIE
Externe kredietratings blijven in een aantal delen van het EU-reguleringskader voor
de financiële sector een belangrijke rol spelen, met name voor banken en
verzekeringsondernemingen. Niettemin is de Commissie van mening dat er
momenteel geen haalbare alternatieven zijn die externe kredietratings volledig
zouden kunnen vervangen. Tegen deze achtergrond dienen toezichthouders het
mechanische vertrouwen op kredietratings te ondervangen door ervoor te zorgen dat
marktdeelnemers alternatieve instrumenten gebruiken, zoals die vermeld in deel I.2,
als aanvulling op externe kredietratings. Zelf zal de Commissie de ontwikkelingen op
de markt blijven monitoren.
Wat concurrentie betreft, zal de Commissie ook blijven monitoren hoe de markt zich
ontwikkelt in reactie op de tenuitvoerlegging van de CRA-verordening, voordat zij
overweegt verdere maatregelen vast te stellen. Dit is met name relevant omdat een
deel van de bepalingen momenteel nog worden ten uitvoer gelegd en enige tijd
vergen om die op hun voordelen te beoordelen.
Zorgen voor een evenredig reguleringskader en geen nodeloze kosten opleggen, is
een noodzakelijke voorwaarde om markttoetreding en grotere concurrentie op de
markt voor ratingbureaus te bevorderen. Als follow-up op haar Call for Evidence zal
de Commissie de toepassing van de CRA-verordening op kleinere ratingbureaus
blijven monitoren, met name op het punt van de evenredigheid.
Meer algemeen zal de Commissie proberen te voorkomen dat er vanuit de
regelgeving barrières voor markttoetreding oprijzen en zal zij deze barrières verder
46
Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de
gepastheid
van
de
ontwikkeling
van
een
Europese
faciliteit
voor
de
kredietwaardigheidsbeoordeling van overheidsschulden, COM(2015) 515 final van 23.10.2015,
beschikbaar op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52015DC0515
22
afbouwen, zoals zij recentelijk deed door het aanpassen van de ontwerpen voor
technische uitvoeringsnormen over mapping van kredietratings die de Europese
toezichthouders hadden voorgesteld. Ook zal zij bijdragen tot een zo ruim mogelijke
acceptatie van kleinere ratingbureaus, mede in het kader van het
Eurosysteemkredietbeoordelingskader (ECAF) van het Europees Stelsel van centrale
banken (ESCB).
Niettegenstaande deze inspanningen om meer concurrentie te stimuleren, lijken
recente ontwikkelingen er op te wijzen dat de markt voor kredietratings ook in de
voorzienbare toekomst een sterk geconcentreerde oligopolide markt kan blijven. In
dat verband is het van essentieel belang ervoor te zorgen dat gevestigde ratingbureaus
onderworpen zijn aan een robuust reguleringskader dat wordt geschraagd door een
geloofwaardige sanctieregeling met evenredige geldboeten die een daadwerkelijk
afschrikwekkend effect hebben. Voorts spelen doeltreffende interne governance- en
complianceprocedures een bijzonder belangrijke rol bij het borgen van de kwaliteit
van externe kredietratings op een markt die wordt gekenmerkt door beperkte
concurrentiedruk. Met de CRA-verordening zijn belangrijke voorwaarden ingevoerd
die deze regelingen aanscherpen.
Wat betreft SFI's is het nog te vroeg om het effect van de CRA-verordening te
beoordelen, omdat een aantal van de betrokken bepalingen in de praktijk nog niet zijn
toegepast. In dat verband lijkt het momenteel niet passend om te overwegen de
bewuste bepalingen van de CRA-verordening uit te breiden tot andere financiële
producten.
Wat betreft de rapportageverplichting van artikel 39 ter, lid 2, tweede alinea, van de
CRA-verordening en, mede gelet op het verslag van de Commissie van 2015 met
betrekking tot de gepastheid van de ontwikkeling van een Europese faciliteit voor de
kredietwaardigheidsbeoordeling van overheidsschulden, is de Commissie van oordeel
dat er momenteel geen behoefte is aan een in het beoordelen van de
kredietwaardigheid van de overheidsschuld gespecialiseerd Europees ratingbureau,
noch aan een Europese stichting voor ratings met betrekking tot andere ratings.
Bovendien zou het oprichten van dit soort gemeenschappelijke agentschappen in de
praktijk waarschijnlijk meer kosten met zich meebrengen dan toegevoegde waarde
voor de ratingmarkt.
Algemeen gezien is de verwachting dat de bepalingen van de CRA-verordening op
lange termijn een positief effect hebben op de markt voor kredietratings. Momenteel
zijn er geen bewijzen voor mogelijke negatieve gevolgen voor ratingbureaus of
emittenten. Aangezien nog niet alle bepalingen van de CRA-verordening ten uitvoer
zijn gelegd, dient de markt voor kredietratings verder te worden gemonitord om een
beoordeling te kunnen maken van het volledige effect van dit wetgevingskader.
23