01Be-Brief GS nadere informatie Deltaprogramma
Download
Report
Transcript 01Be-Brief GS nadere informatie Deltaprogramma
provinsje fryslân
provincie fryslân
b
postbus 20120
8900 hm leeuwarden
tweebaksmarkt 52
telefoon: (058) 292 59 25
telefax: (058) 292 51 25
www.fryslan.nl
[email protected]
www.twitter.com/provfryslan
Provinciale Staten van Fryslan
Postbus 20120
8900 HM LEEUWARDEN
Leeuwarden, 11 februari 2014
Verzonden,
12FEB. 2014
Ons kenmerk
: 01112294
Afdeling
: Stêd en Plattelân
Behandeld door : J. van der Wal / (058) 292 58 84 of [email protected]
R. Zijlstra / (058) 292 59 23 of [email protected]
Uw kenmerk
Bijlage(n)
:1. Brief waterveiligheid aan Tweede Kamer
2. Verslag AO Waterveiligheid
3. Werkwijze en Organisatie Deltaprogramma
Onderwerp
: toezeggingen Deltaprogramma in cie LLW 29 januari jI.
Geachte Statenleden,
Op 29 januari jI. is in de commissie LLW gesproken over het Deltaprogramma. Daarin is door
gedeputeerde Schokker-Strampel toegezegd u v66r de Statenvergadering van 19 februari
a.s. schriftelijk over de volgende onderwerpen te informeren:
1. afhandeling motie 581 over meerlaagsveiligheid (PS 20 maart 2013); onderbouw waarom
Gedeputeerde Staten van mening is dat deze motie is afgehandeld (FNP, dhr. Visser);
2. uitspraken van de Minister over waterveiligheid (FNP, dhr. Visser);
3. de Organisatie van het Deltaprogramma; wie doet wat en wanneer? En, hoe kan Provincia
le Staten van Fryslân daar nog op sturen (PvdA, mevr. Ottens)?
Onderstaand treft u de toegezegde informatie aan.
Uitvoering motie 581 over meerlaagsveiligheid
Conform de actuele lijst van moties/toezeggingen is motie 581 niet afgevoerd en dus nog in
behandeling. Op 10 september 2013 hebben wij u een brief (kenmerk 1074862) gestuurd
waarin u bent geïnformeerd over de ontwikkelingen in het waterveiligheidsbeleid en onze
inzet daarin. De discussie over dit onderwerp en onze betrokkenheid/inzet daarbij is nog niet
e
afgerond. Zo is waterveiligheid onderdeel van de 2
bestuurlijke consultatieronde en moet
o.a. nog bepaald worden wat de evacuatiefracties worden per gebied en wat de precieze
normering van de dijktrajecten wordt. Wij zullen u daarover blijven informeren; inhoudelijk en
over onze inzet.
-1 /4-
Ons kenmerk: 01112294
iiiiiii4
provinsje fryslân
provincie fryslân
b
In de informerende commissie van 15januari jI. bent u geïnformeerd over de huidige stand
van zaken waterveiligheid aan de hand van de Deltabeslissingen, de voorkeurstrategieën en
onze concept reactie hierop. In het kort lichten we dit graag nog een keer toe.
Het nieuwe waterveiigheidsbeleid
Het Deltaprogramma ontwikkelt nieuw beleid voor de waterveiligheid. Er zijn drie (nieuwe)
doelen:
het bieden van basisveiligheid voor iedereen achter de waterkeringen;
het zoveel mogelijk voorkomen van slachtoffers en schade;
het beschermen van kwetsbare en vitale functies.
-
-
-
Om deze doelen te bereiken wordt vooral gekeken naar de waterkeringen. Hiervoor worden
nieuwe normen afgeleid die passen bij deze doelen. Hiermee wordt de kans op overstromin
gen ook in de toekomst heel klein gehouden. Daarnaast kunnen maatregelen in de zo
e
e
genaamde 2 en 3
laag genomen worden. De maatregelen in de 2 en de 3
laag zijn aan
vullend en mogen niet ter vervanging van de eerste laag gebruikt worden.
Het gaat om:
een waterrobuuste inrichting zodat schade en slachtoffers zoveel mogelijk beperkt worden
in het geval het toch misgaat (de tweede laag);
goede evacuatie- en rampenplannen (de derde laag).
—
—
-
-
Nieuwe normen
Voor de waterkeringen worden nieuwe normen opgesteld. Dat wordt gedaan in lijn met het
advies van de commissie Veerman omdat de economische waarde en de inwoneraantallen
sinds het opstellen van de huidige normen fors zijn toegenomen. De nieuwe normen worden
gedefinieerd in termen van overstromingskansen van de waterkeringen. De huidige normen
zijn gedefinieerd als overschrijdingskansen van de waterstanden. Dat betekent dat de nor
men getalsmatig niet te vergelijken zijn met de oude normen. De nieuwe normen worden
niet langer per dijkringgebied vastgesteld maar per dijktraject (kortere eenheden). Voor Frys
lân worden dit waarschijnlijk vier trajecten voor de vaste wal (twee langs het IJsselmeer en
twee voor het Waddengebied) en 8 trajecten op de eilanden (dijk en duin op elk eiland).
—
—
Overal achter de waterkeringen moet de basisveiligheid gehaald worden. De normen voor de
waterkeringen worden daarom minimaal zodanig streng dat de kans om te overlijden als ge
volg van een overstroming overal kleiner zal zijn dan 1/1 00.000 per jaar. De norm kan stren
ger gekozen worden als dit nodig is om grote economische schade of grote groepen slacht
offers te voorkomen. Verder kan de norm strenger worden als in het achterliggende gebied
kwetsbare en vitale infrastructuur aanwezig is die extra beschermd moet worden.
Hoe hoog/streng de nieuwe normen voor de waterkeringen in Fryslân zullen worden is nog
niet bekend. Wel is het duidelijk dat in de huidige situatie voor een deel van Fryslân de nieu
we eis voor de basisveiligheid (van 1/100.000 per jaar) al gehaald wordt. Dat betekent dat de
primaire waterkeringen daar nu niet versterkt hoeven te worden en dat volstaan kan worden
met het goed onderhouden van de waterkeringen. Het is mogelijk dat in de toekomst wel
versterkingen nodig zijn als de zeespiegel verder stijgt en/of de bodem verder daalt.
Overstromingsrisico’s nu en in de toekomst
Vanuit het Deltaprogramma zijn voorlopige overzichten van de overstromingsrisico’s be
schikbaar gesteld. Op basis van deze resultaten is op te maken dat de risico’s om te overlij
den als gevolg van een overstroming in Fryslân met het nieuwe waterveiligheidsbeleid in
de toekomst aanzienlijk zullen afnemen. De onderstaande twee afbeeldingen laten achter
eenvolgens de huidige en toekomstige (jaar 2050) risico’s zien.
—
-2/4-
-
Onskenmerk:01112294
1 1
provinsje fryslân
provincie fryslân
b
LIR
nndei dan 10-7
tusser- 10-7 en 10-6
tucen 106 en 10 S
meer dan 10-5
1
1 dijknnggebieden
Afbeelding: inschatting
LIR
minder dn 10-7
tussen 10-7 en 10-6
tuceen 106 en
-
1
10 S
rneerdanlo5
1 dijknnggebeden
Afbeelding: voorlopig
risico 2050 (nieuwe normen)
Onze reactie op het nieuwe waterveiligheidsbeleid en de nieuwe normering leest u in de brief
die ter besluitvorming aan u voorligt.
Uitspraken van de Minister over waterveiligheid
In onze brief van 10 september 2013 (kenmerk 1074862) bent u geïnformeerd over stand
punten van Minister Schultz inzake waterveiligheid. Als bijlage hebben wij de brief van de
Minister aan de Tweede Kamer bijgesloten en het verslag van het Algemeen Overleg Waterveiligheid (13juni 2013), waar deze brief is behandeld.
-3/4
Ons kenmerk: 01112294
1
t
çr1
provinsje fryslân
provincie fryslân
b
Organisatie van het Deltaprogramma
Het Deltaprogramma is een nationaal programma. De uiteindelijke Deltabeslissingen worden
genomen door de Tweede Kamer (volgens planning in september 2014). Voor het verkrijgen
van breed draagvlak voor de beslissingen wordt nauw samengewerkt met provincies, ge
meenten en waterschappen met inbreng van maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en
kennisinstituten. De uitwerking van de Deltabeslissingen gaat volgens een trechteringspro
ces waarin de voorstellen steeds meer vorm krijgen. In het DP2O1 1 zijn de opgaven per
deelprogramma beschreven en zijn de Deltabeslissingen geïdentificeerd. In DP2012 volgde
een probleemanalyse met een eerste doorkijk naar mogelijke strategieën. In het DP2014 zijn
een aantal opties voor de Deltabeslissingen uitgewerkt en zijn de kansrijke strategieën ge
identificeerd, en uiteindelijk wordt in het DP2O1 5 een voorstel gedaan voor een coherente set
Deltabeslissingen. Het DP2015 wordt in september 2014 aan de Tweede Kamer aangebo
den. Via twee bestuurlijke consultaties hebben uw Staten invloed op de Deltabeslissingen;
de eerste consultatie was in het voorjaar van 2013 en de tweede consultatie loopt nu. In de
bijlage wordt de werkwijze en organisatie van het Deltaprogramma gedetailleerd toegelicht.
Vervolg
De Deltabeslissingen leiden in het najaar 2014 tot een herziening van het le Nationaal Wa
terplan (NWP1). Deze herziening zal zijn doorwerking krijgen in regionale water- en omge
vingsplannen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de ruimtelijke inrichting van Fryslân in relatie
tot waterveiligheid. Uw Staten hebben dus invloed op de wijze hoe de Deltabeslissingen re
gionaal vertaald worden.
De Deltabeslissingen zullen leiden tot het nemen van maatregelen, bijvoorbeeld op het ge
bied van waterveiligheid, natuurbescherming en zoetwater. De wijze waarop dit georgani
seerd gaat worden, is nog onderwerp van discussie. Hierbij gaat het o.a. over de rolverdeling
tussen Rijk en regio. Op het moment dat hier meer duidelijkheid over is, zullen wij u hier na
der over informeren. Onze inzet is dat te nemen maatregelen gefinancierd worden uit het
Deltaprogramma. Als zich bijvoorbeeld provinciale meekoppelkansen voordoen, die regiona
le financiering vereisen, zullen wij uiteraard met voorstellen naar uw Staten komen.
Staten van Fryslân,
secretaris
-4/4-
Ons kenmerk: 01112294
r1 1
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2012–2013
33 400 J
Vaststelling van de begrotingsstaat van het
Deltafonds voor het jaar 2013
Nr. 19
BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 april 2013
Met uw Kamer heb ik afgesproken om twee brieven te sturen met de
toegezegde informatie tijdens het Wetgevingsoverleg over «water» van
10 december 2012 (Kamerstuk 33 400 J, nr. 16): een brief in april en een
brief in juni.
In deze brief informeer ik u over het proces om te komen tot verbetering
van de normering voor waterveiligheid. Ik doe dit onder de vlag van de
Deltabeslissing Waterveiligheid en Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie.
We onderzoeken naast het toekomstige nieuwe normenstelsel ook of we
via de ruimtelijke inrichting de waterveiligheidsrisico’s kunnen beheersen
en hoe we ons beter kunnen voorbereiden op een watersnoodramp.
Tevens benut ik de brief om u te informeren over de deltabeslissing om te
komen tot een duurzame en economische doelmatige zoetwatervoorziening in Nederland.
Ik ga in op de toegezegde informatie over piping, waarbij ook het belang
van voldoende kennis over toetsen en ontwerpen van waterkeringen
wordt onderstreept. Vervolgens geef ik een terugmelding van het gesprek
met de waterschappen over hun juridische positie en gesloten
huishouding in relatie tot innovatie en sluit af met de gevolgen van de
bezuiniging op het Deltafonds.1
De brief in juni zal gaan over waterkwaliteit en de Zuidwestelijke Delta,
met aandacht voor de Kaderrichtlijn Water, de EU-Blueprint, de kier
Haringvlietsluizen en mogelijkheden voor zilte teelt.
Water is voor ons land ongelooflijk belangrijk en verdient mijns inziens
een stevige plaats op de politieke agenda. Ik wil deze brief beginnen met
mijn visie op het waterbeleid in Nederland en mijn inzet voor de komende
tijd.
1
kst-33400-J-19
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2013
Toegezegd in de brief over de invulling van de bezuinigingen op het Infrastructuurfonds van
13 februari 2013 (Kamerstuk 33 400, nr. 48).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
1
1. Visie op het waterbeleid
Nederland is een «nat» land. Ongeveer 60% van ons land zou regelmatig
onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied
wonen 9 miljoen mensen en wordt 70% van ons BNP verdiend. Aandacht
voor de waterveiligheid is dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en
de economie van Nederland.
Zelfs in droge tijden komt er via de Rijn en de Maas nog veel zoet water
ons land binnen. Een belangrijk concurrentievoordeel ten opzichte van
landen die deze rivieren niet hebben. Nederland heeft unieke kennis en
kunde op het gebied van de watersector en verdient daar veel geld mee.
Water is niet voor niets een Topsector.
Waterveiligheid en voldoende zoet water van goede kwaliteit zijn echter
geen vanzelfsprekendheden. Daar zijn we ons vaak onvoldoende van
bewust. We moeten er doorlopend aan blijven werken, ook vanwege de
steeds veranderende omstandigheden. Het aantal mensen en de te
beschermen waarde achter de dijk nemen toe, de bodem daalt en het
klimaat verandert. Dit is nu al gaande en in de toekomst zal dit zich
voortzetten. Zo verwachten we in de toekomst een hogere zeespiegel,
grotere piekafvoeren in de rivieren en meer extreem natte en droge
perioden.
De overheid heeft een belangrijke publieke taak op dit gebied, maar het
vereist ook een goede samenwerking tussen diverse overheden, kennisinstellingen en marktpartijen. In het Deltaprogramma en met het Bestuursakkoord Water werken we vanuit die gedachte aan het waterbeheer. We
gaan op volle kracht door met het uitvoeren van het Bestuursakkoord
Water, maar we kijken ook naar de organisatie en instrumenten op de
langere termijn. In het Regeerakkoord zijn enkele voornemens genoemd
die tot doel hebben de bestuurlijke drukte te verminderen en de overheid
slagvaardiger te maken. Voor mij staat daarbij de inhoud van het werk
voorop: structure follows strategy. Met de bestuurlijke partijen binnen het
waterbeheer (IPO, VNG, Unie van Waterschappen en Vewin) heb ik
afgesproken dat we vanuit een inhoudelijke invalshoek de gewenste
organisatie van taken op het gebied van het waterbeheer op de lange
termijn zullen bekijken. Hierbij is de policy dialogue die de OESO op dit
moment uitvoert een belangrijke bron. De aanbevelingen van de OESO
zullen begin 2014 gepubliceerd worden.
Met de instelling van het Deltafonds is een structurele en robuuste
financiering van het waterveiligheids- en zoetwaterbeleid geborgd. Het is
mijn streven om het gehele waterbeleid vanuit het Deltafonds te financieren. Daarvoor bezie ik op dit moment de mogelijkheden om waterkwaliteit over te hevelen naar het Deltafonds.
De volgende uitgangspunten zijn voor mij leidend:
• We moeten een ramp voor blijven. Het economisch en maatschappelijk
belang is eenvoudig te groot om een ramp te riskeren. In het verleden
kwamen we pas in actie nadat een ramp zich had voltrokken. Na de
watersnood van 1916 is de Afsluitdijk aangelegd en na de watersnood
van 1953 zijn de Deltawerken gerealiseerd. Na de bijna-ramp in 1993
en 1995 is het programma Ruimte voor de Rivier gestart. Nu werken
we in het Deltaprogramma aan een nieuw Deltaplan met nieuwe
normen, zonder een ramp als aanleiding.
• Het waterbewustzijn in Nederland dient te worden vergroot. Nederland
is de best beveiligde delta ter wereld, en we werken er continu aan om
dat zo te houden. Wel moeten alle Nederlanders weten wat te doen als
het toch mis gaat, hoe klein ook de kans. Ook het zuinig en bewust
omgaan met zoet water en het stimuleren van meer zelfvoorzienendheid bij sectoren die zoet water gebruiken is van belang.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
2
•
•
•
•
We moeten meer integraal en gebiedsgericht gaan werken en een
betere verbinding leggen tussen water en de ruimtelijke ordening. We
moeten meer waterbewust gaan bouwen en de ruimte in het dichtbevolkte Nederland zodanig inrichten, dat de kans op en de gevolgen van
een overstroming beperkt blijven.
Ik wil de sterke economische positie die het zoete water ons verschaft
behouden en waar mogelijk versterken, en tegelijkertijd zorgen dat
onze leefomgeving wordt verbeterd. En als we investeren in waterveiligheid en in zoetwatervoorziening is het van belang dat we andere
ambities, zoals op het gebied van natuur, economie, milieu, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit, laten meekoppelen, om zo meer
maatschappelijk rendement te behalen. Daar kunnen betere en
mooiere oplossingen uit voortkomen.
Ik wil werk maken van innovatie. Samen met het bedrijfsleven en
kennisinstellingen zijn innovatiecontracten opgesteld, gericht op
verbetering van de economische positie van Nederland. Ook stellen
het ministerie, het bedrijfsleven en de waterschappen een innovatiestrategie op voor het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma
(nHWBP), die ervoor moet zorgen dat projecten waar mogelijk
innovatief worden uitgevoerd.
Tot slot ben ik groot voorstander van het zoveel mogelijk meebewegen
met natuurlijke processen en het bouwen met de natuur. Dit maakt het
watersysteem meer flexibel en robuust, beter bestand tegen extreme
situaties en makkelijker in stand te houden.
Ik ben ervan overtuigd dat deze aanpak een sterke basis vormt voor de
toekomst van onze delta en dat we onze waterkennis en -ervaring nog
beter kunnen inzetten, ook in het buitenland. Er is in het buitenland veel
belangstelling voor programma’s als Ruimte voor de Rivier en het
Deltaprogramma. Dit kan de economie bevorderen door toename van de
export door Nederlandse bedrijven. De ambitie van de Topsector Water is
de toegevoegde waarde in 2020 te verdubbelen. Dit zal met name door
exportbevordering moeten gebeuren. Tegelijk levert dit een bijdrage aan
het oplossen van waterproblemen in andere landen. Als voorbeeld noem
ik de samenwerkingsovereenkomst die ik op 4 maart 2013 met de
Verenigde Staten heb afgesloten. Hierin zijn afspraken gemaakt over het
aanbieden van Nederlandse expertise en het adviseren van de Amerikaanse overheid bij de wederopbouw na de orkaan Sandy en het
opstellen van een lange termijnstrategie voor waterveiligheid.
2. Deltabeslissingen van het Deltaprogramma
Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijk, provincies,
gemeenten en waterschappen werken, met inbreng van maatschappelijke
organisaties, het bedrijfsleven, burgers en kennisinstellingen, samen om
Nederland nu en in de toekomst te beschermen tegen hoogwater en te
zorgen voor voldoende zoet water.
In 2014 doet de deltacommissaris voorstellen voor «deltabeslissingen»
aan het kabinet, waarop het kabinet in het Deltaprogramma 2015 een
eerste reactie geeft. In de opvolger van het Nationaal Waterplan (2015)
worden de deltabeslissingen verankerd. De deltabeslissingen omvatten de
hoofdkeuzes voor waterveiligheid, ruimtelijke adaptatie en zoetwatervoorziening en zijn daarmee structurerend voor de aanpak van de opgaven in
onder andere het IJsselmeergebied en de Rijn-Maasdelta en bepalend
voor de uit te voeren maatregelen.
Hieronder geef ik de hoofdlijnen aan die ik – in deze fase van het proces
op weg naar kansrijke strategieën – van belang vind. Daarmee geef ik
verder invulling aan het herijken van het waterveiligheidsbeleid zoals
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
3
aangekondigd door mijn voorganger in de brief van 7 mei 20122 en zoals
beschreven in het Deltaprogramma 2013. Dit kan richting geven aan de
verdere gebiedsgerichte uitwerking binnen het Deltaprogramma.
Deltabeslissing Waterveiligheid en Deltabeslissing Ruimtelijke
Adaptatie
De huidige normen voor de waterkeringen gaan al decennia mee. De
basis is grotendeels gelegd door de eerste Deltacommissie, na de
overstroming van 1953. Sindsdien is de economische waarde en het
aantal mensen achter de dijk toegenomen. Dit betekent dat de gevolgen
van een eventuele overstroming steeds groter zijn geworden en de
komende decennia ook groter zullen worden. Verder zijn er nieuwe
technische inzichten over de verschillende manieren waarop dijken
kunnen bezwijken en krijgen we een steeds beter beeld over de mogelijke
gevolgen van een overstroming. Dit alles is aanleiding voor een nieuwe
benadering van de waterveiligheid.
Ik ben voorstander van de risicobenadering. Daarbij wordt zowel gekeken
naar de kans op een overstroming, als naar de mogelijke gevolgen van
een overstroming. We kijken hierbij naar het hele gebied. Preventie, het
voorkomen van een overstroming, is en blijft de basis van het waterveiligheidsbeleid. Om de kansen op een overstroming verder te verkleinen
wordt in het kader van de Deltabeslissing Waterveiligheid gewerkt aan
een voorstel voor nieuwe normen voor de waterkeringen. Tegelijkertijd
wordt voor de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie gekeken of er ook
kansen zijn om de gevolgen van een eventuele overstroming te beperken.
Dat kan enerzijds door maatregelen te onderzoeken waar nu al sprake is
van een veiligheidsopgave, anderzijds door ook bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen beter rekening te houden met waterveiligheid, zodat
ons land waterrobuust wordt ingericht.
Vanuit de risicobenadering vind ik dat het waterveiligheidsbeleid gericht
moet zijn op de bescherming van burgers en het voorkomen van
maatschappelijke ontwrichting, rekening houdend met de motie Van
Veldhoven-Lucas3. De volgende drie principes zijn daarom voor mij
leidend bij de actualisering van het waterveiligheidsbeleid:
1. Een basisveiligheidsniveau voor iedereen achter de dijk
Ik wil ernaar streven dat iedereen die in Nederland achter een dijk
woont kan rekenen op een basisveiligheidsniveau. Dat kan bereikt
worden door de plekken met relatief grote individuele risico’s gericht
aan te pakken. Daarbij wil ik me richten op een individueel overlijdensrisico, waarbij de kans op overlijden voor een individu ten gevolge van
een overstroming niet groter mag zijn dan 1 op de 100.000 per jaar
(10-5). Uitgangspunt daarbij is wel dat de rampenbeheersing op orde
is, zodat ook de mogelijkheden die evacuatie biedt om overlijdensrisico’s te reduceren worden benut. De kans van 10-5 is kleiner dan de
kans om te overlijden ten gevolge van een verkeersongeval, maar
groter dan de kans op overlijden in het domein van externe veiligheid
(daar is de norm 10-6). Dat heeft te maken met de aard van de dreiging.
De risico’s uit het externe veiligheidsdomein komen voort uit menselijk
handelen, waardoor we er meer grip op hebben. De risico’s op het
terrein van waterveiligheid komen voort uit een natuurdreiging, die
bovendien speelt in heel laag Nederland en zijn daarom lastiger te
beperken. Aanscherping naar een basisveiligheid van 10-6 voor heel
Nederland is bovendien volgens de Maatschappelijke Kosten Batenanalyse (MKBA) niet kosteneffectief. De middelen die hiervoor nodig
2
3
Kamerstuk 31 710, nr. 26.
Kamerstuk 27 625, nr. 262.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
4
zijn, kunnen doelmatiger worden ingezet in gebieden waar ze
bijdragen aan het verkleinen van maatschappelijke ontwrichting.
2. Tegengaan maatschappelijke ontwrichting
Sommige overstromingen hebben een dermate grote impact dat dit
ons land langdurig kan ontwrichten, omdat er grote groepen slachtoffers vallen en/of de economische schade zeer omvangrijk is. Daarom
wil ik aanvullend op de basisveiligheid van 10-5gericht investeren in
extra bescherming van die gebieden waar nu een relatief grote kans is
op grote economische schade en op grote groepen slachtoffers.
3. Bescherming vitale en kwetsbare infrastructuur
Bepaalde voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen of ziekenhuizen, zijn
tijdens en na een ramp cruciaal voor het functioneren van het lokale
gebied, een hele regio of zelfs het hele land. Daarom is het nodig om
aandacht te besteden aan de gevolgen van een overstroming voor
vitale en kwetsbare infrastructuur.
In het kader van het Deltaprogramma worden voorstellen ontwikkeld om
het huidige stelsel van normen aan te passen aan de overstromingsrisico’s.
Om meer inzicht te krijgen in overstromingsrisico’s zijn twee soorten
analyses uitgevoerd: een analyse van slachtofferrisico’s en een economische analyse (MKBA), welke u eind 2011 heeft ontvangen.4 Hierbij is
rekening gehouden met toekomstige demografische en economische
ontwikkelingen, klimaatverandering en bodemdaling (tot 2050).
De analyses laten zien dat de kans voor een individu om te overlijden als
gevolg van een overstroming per gebied verschilt. Deze kans is vooral
relatief groot in het rivierengebied. Daarnaast zijn er drie gebieden waar
bij een overstroming grote groepen slachtoffers en omvangrijke economische schade te verwachten zijn terwijl er nu een relatief lage norm
geldt. Dit zijn het rivierengebied, delen van Rijnmond-Drechtsteden en,
afhankelijk van de stedelijke ontwikkeling, Almere. Hier moet
aanscherping van het beschermingsniveau overwogen worden. Daarom
zijn deze gebieden aangewezen als aandachtsgebied.
Figuur: facetten die bijdragen aan overstromingsrisico (bron: HKV en Deltares, 2012).
Maatregelen vanuit het concept «meerlaagsveiligheid»
Om deze risico’s te beheersen maken we gebruik van het concept van
«meerlaagsveiligheid», dat zich zowel richt op het beperken van de kans
op een overstroming als op het beperken van de gevolgen ervan. We
kijken hierbij naar drie manieren of «lagen», die een bijdrage kunnen
leveren aan het beperken van de overstromingsrisico’s:
– laag 1 = preventie: beperken van de kans op een overstroming, onder
andere door een stelsel van primaire waterkeringen met normen;
– laag 2 = ruimtelijke inrichting: duurzame ruimtelijke inrichting van een
gebied om de gevolgen van een overstroming te beperken;
4
Kamerstuk 31 710, nr. 22.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
5
–
laag 3 = rampenbeheersing: beperking van de gevolgen van een
overstroming doordat de organisatie voor rampenbeheersing (bv
evacuatie) op orde is.
Meerlaagsveiligheid is daarmee een zaak van alle betrokken overheden.
Meerlaagsveiligheid is als concept reeds geïntroduceerd in het Nationaal
Waterplan (2009) en krijgt in het Deltaprogramma concreet handen en
voeten.
Ik licht per «laag» mijn inzet voor het toekomstig waterveiligheidsbeleid
toe.
Laag 1: nieuwe normen voor de dijk
Ik wil de overstap maken van een norm voor de kering gebaseerd op een
overschrijdingskans van waterstanden naar een norm gebaseerd op een
overstromingskans. De eerste Deltacommissie had die ambitie al, maar de
technische kennis was destijds nog niet toereikend voor het bepalen van
een overstromingskans. De overschrijdingskans is een pragmatische
vereenvoudiging, die zijn waarde heeft bewezen. Inmiddels zijn er nieuwe
technische inzichten over verschillende manieren waarop een dijk kan
bezwijken (naast de dijkhoogte) en zijn we in staat een overstromingskans
te berekenen. Dat stelt ons in staat veel gerichter te investeren in de
zwakke plekken van de dijk.
De huidige aanpak gaat er verder vanuit dat een hele dijkring volledig
overstroomt als er ergens een bres ontstaat. We weten inmiddels dat veel
dijkringen niet functioneren als een «badkuip» die helemaal volloopt. Met
behulp van overstromingscenario’s en computersimulaties hebben we
een beter beeld gekregen van de omvang van overstroomde gebieden, de
waterdieptes en de mogelijke gevolgen. Het project Veiligheid Nederland
in Kaart zal eind 2014 de huidige overstromingsrisico’s in Nederland in
beeld hebben gebracht. De gevolgen van een overstroming zijn sterk
afhankelijk van de plek waarop de kering bezwijkt (zie Geldersche Vallei in
bijlage 15). Wanneer bijvoorbeeld de dijk breekt bij Stavoren, dan heeft dat
geen directe gevolgen voor de mensen in Delfzijl, hoewel beide plaatsen
in dezelfde dijkring liggen.
Aangezien de gevolgen van een overstroming zo afhankelijk zijn van de
locatie van de bres, wil ik toe naar een situatie waarbij voor verschillende
dijktrajecten binnen een dijkring ook verschillende normhoogten kunnen
gelden (differentiatie). Op deze manier wordt een duidelijke relatie gelegd
tussen de hoogte van de norm en de gevolgen van een overstroming.
De uitgevoerde studies tonen aan waar de slachtofferrisico’s en economische risico’s relatief groot en relatief klein zijn. Wanneer de risicobenadering en de bovenstaande drie principes worden toegepast, leidt dat in
de gebieden met grote risico’s tot strenge normen. In deze gebieden
kunnen de komende decennia aanzienlijke dijkaanpassingen noodzakelijk
zijn. In de gebieden waar de risico’s klein zijn zou een consequente
doorwerking van deze werkwijze leiden tot een minder strenge norm.
Daar zou dan de komende decennia, naast het handhaven van de
basisveiligheid, minder hoeven te gebeuren.
Op deze manier kan gericht geïnvesteerd worden in de plekken waar nu
de grootste risico’s gelden.
Ik vind het belangrijk dat binnen het Deltaprogramma alle consequenties
(financieel, ruimtelijk en landschappelijk) van opties voor normhoogten in
beeld worden gebracht en dat voldoende aandacht wordt besteed aan
maatschappelijk draagvlak. In de jaren zeventig en negentig zijn tenslotte
op advies van de commissies Becht en Boertien de eisen aan de keringen
voor het rivierengebied omlaag gebracht, omdat er geen draagvlak bleek
te zijn voor strengere normen en de bijbehorende impact van grote dijken.
5
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
6
Het in beeld brengen van de consequenties is onderdeel van het advies
dat de deltacommissaris in 2014 aan het kabinet uitbrengt.
Laag 2 en 3: ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing
Maatregelen in het ruimtelijk domein of in de rampenbeheersing kunnen
een aantrekkelijk alternatief zijn voor investeringen in de dijk. Met name in
gebieden waar de kosten voor dijkversterking heel hoog uitpakken, of
waar zwaarwegende maatschappelijke overwegingen om andere
oplossingen vragen, is het zinvol de mogelijkheden voor maatregelen in
laag 2 of 3 te verkennen. Ik verwacht dat in de eerstvolgende rapportage
van het Deltaprogramma (DP2014) de eerste regionale voorbeelden
hiervan worden beschreven. Het is belangrijk dat deze kansrijke situaties
voor meerlaagsveiligheid de komende tijd worden uitgewerkt. Wanneer
hier maatregelen uit volgen die adequaat geborgd worden, leidt dit tot
een kleinere opgave voor de waterkering. Ik vind het van groot belang dat
we langs deze weg ervaring opdoen met meerlaagsveiligheid. Op basis
van die ervaring wordt bezien of het wenselijk is om meerlaagsveiligheid
breder toepasbaar te maken.
Meerlaagsveiligheid biedt dus de mogelijkheid om te komen tot slimmere
oplossingen voor de waterveiligheidsopgave. Het nadrukkelijker
agenderen van meerlaagsveiligheid bij ruimtelijke planvorming is in mijn
ogen wenselijk om een grote opgave voor waterveiligheid in de toekomst
te voorkomen. Met waterrobuust inrichten kunnen de gevolgen van
overstromingen worden beperkt. Ook in buitendijkse gebieden is de
veiligheid gebaat bij een waterrobuuste inrichting en rampenbeheersing.
Ik vind het van groot belang dat waterveiligheid en waterrobuust inrichten
een volwaardige plaats krijgen in de ruimtelijke planvorming. Op dit
moment wordt binnen het Deltaprogramma met alle betrokken overheden
bekeken hoe de huidige werking van de Watertoets kan worden
bestendigd en versterkt met een afwegingskader (met o.a. een kaart met
relevante gebieden, een checklist met onderwerpen die in beschouwing
kunnen worden genomen en hulpmiddelen daarbij), dat inhoudelijk
richting geeft en keuzes op het lokale niveau faciliteert. Het waterveiligheidsbelang kan hiermee scherper worden afgewogen maar er blijft
ruimte voor lokale keuzes.
Zoals hierboven reeds vermeld vind ik het belangrijk om speciale
aandacht te geven aan vitale en kwetsbare functies. Lokale maatregelen
gericht op het specifiek beschermen van bepaalde vitale functies zijn
soms kosteneffectiever dan het verhogen van de norm voor de dijk ter
bescherming van die vitale functie. In het Deltaprogramma wordt dit de
komende tijd verder uitgewerkt en wordt bezien of eisen gesteld moeten
worden aan (toekomstige investeringsbeslissingen voor) vitale infrastructuur en kwetsbare objecten. Voor functies van bovenregionaal
belang, zoals de energievoorziening of de aardgaswinning, en voor
kwetsbare objecten, zoals de kerncentrale Borssele, wordt bekeken of
specifiek (sectoraal) beleid nodig is, waarbij het belangrijk is dat deze
functies «volledig kunnen doorfunctioneren». Met mijn collega’s en de
relevante sectoren wordt bezien of afspraken kunnen worden gemaakt.
Met deze aanpak wordt invulling gegeven aan de motie Van Tongeren.6
Met mijn collega van Veiligheid en Justitie, de deltacommissaris en in
overleg met de portefeuillehouder van het Veiligheidsberaad heb ik begin
april afgesproken om gezamenlijk en vanuit ieders eigen verantwoordelijkheid te werken aan een verdere verbetering van de voorbereiding op
6
Kamerstuk 27 625, nr. 264.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
7
overstromingen. Op landelijk niveau wordt door beide ministeries samen
met de veiligheidsregio’s en de waterschappen een «module evacuatie bij
grote overstromingen» opgesteld op basis van de meest actuele overstromingsrisico’s. Deze landelijke module, die op onderdelen een praktische
uitwerking is van de Strategie grootschalige evacuaties, richt zich onder
meer op bewustwording en voorbereiding van burgers en bedrijven om
zo onder andere de zelfredzaamheid bij grote overstromingen te
versterken. Ik heb Rijkswaterstaat opdracht gegeven om met de Stuurgroep Management Overstromingen tot deze landelijke module te komen.
Regionaal ligt de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding op
overstromingen bij de veiligheidsregio’s. De vertaling van de landelijke
module naar een regionale evacuatieaanpak, bijvoorbeeld via de
onderling afgestemde crisisplannen en specifieker «huis aan huis»
informatie, vindt plaats op het niveau van de veiligheidsregio’s. Het rijk zal
de veiligheidsregio’s bij hun activiteiten ondersteunen met actuele
inzichten en gegevens over overstromingen. De landelijke evacuatiemodule levert een palet aan ingrediënten die de veiligheidsregio’s kunnen
helpen om maatwerk te genereren in hun regio. Hiermee kunnen in het
Deltaprogramma 2015 gebiedsgerichte, samenhangende voorstellen
worden gepresenteerd voor de nieuwe normen en voor de bijdrage van
de ruimtelijke inrichting en de rampenbeheersing in de gevolgenbeperking.
Implementatie van het nieuwe waterveiligheidsbeleid
De risicobenadering biedt de kans om gerichter te investeren, en ook de
kans om meer rekening te houden met de omgeving. Maar ik realiseer me
terdege dat de overstap naar het werken met een overstromingskans in
plaats van een overschrijdingskans ook een verandering is waarvan we de
consequenties niet moeten onderschatten. De nieuwe methode vraagt
andere technische kennis van waterkeringbeheerders. En omdat voortaan
binnen een dijktraject gekeken moet worden waar en hoe versterking het
beste kan plaatsvinden is een zorgvuldig omgevingsproces nog belangrijker dan voorheen. Het is daarom van belang dat de implementatie
zorgvuldig wordt voorbereid en gerealiseerd.
Meteen na het kabinetsbesluit over de deltabeslissingen zal ik het traject
van juridische verankering inzetten, zodat de overstromingskans als
uitgangspunt gehanteerd kan worden bij de vierde toetsronde die naar
verwachting in 2017 start. Formeel gelden de nieuwe normen voor dijken
vanaf het moment dat ze juridisch zijn vastgelegd, maar het is mijn
ambitie om zoveel mogelijk te anticiperen. Dat vertaalt zich nu al in een
prioritering van het nHWBP, die met behulp van de risicobenadering
wordt gemaakt. Projecten die vanuit het oogpunt van de risicobenadering
niet urgent zijn, komen daardoor voorlopig achteraan in het programma,
zodat regretkosten worden voorkomen.
Ik wil voor de komende periode meerdere testcases benoemen, waarin de
nieuwe werkwijze wordt beproefd. De lessen die we daaruit trekken
worden onder andere benut bij de formele verankering van de nieuwe
normen.
Ook is er de komende periode voldoende ruimte om ervaring op te doen
met meerlaagsveiligheid in de situaties die hiervoor worden aangedragen
vanuit de gebiedsgerichte deelprogramma’s van het Deltaprogramma:
voor nieuwe situaties waar een aanscherping van het beschermingsniveau wordt overwogen, maar ook binnen de programmering van het
nHWBP en mogelijk ook binnen het HWBP-2.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
8
Het is mijn doel om, conform het Nationaal Waterplan, rond 2050 overal
aan het nieuwe beschermingsniveau te voldoen, via de nieuwe norm voor
waterkeringen en waar wenselijk in aanvulling met maatregelen in laag 2
en 3 (mits deze kunnen worden geborgd). Nergens in Nederland is sprake
van een acuut veiligheidsrisico. Immers, we reageren niet op een ramp
maar passen ons systeem aan de toekomstige ontwikkelingen aan. Door
mee te koppelen met de levenscyclus van een kering en de meest
risicovolle plekken als eerste aan te pakken bereiken we de nieuwe
normen op de meest doelmatige wijze.
Deltabeslissing Zoetwatervoorziening
Om de sterke economische positie die zoet water ons verschaft te
behouden en waar mogelijk te versterken, en tegelijkertijd goed te zorgen
voor onze leefomgeving is het nodig dat niet alleen overheden, maar ook
gebruikers van zoetwater hun verantwoordelijkheid nemen door te
anticiperen op sociaaleconomische en klimatologische ontwikkelingen.
Zoals in het Nationaal Waterplan is aangegeven, vind ik het belangrijk om
waar mogelijk mee te bewegen met natuurlijke processen.
Dit vraagt om een strategie die zowel gericht is op het oplossen van
knelpunten als op het benutten van de bijdrage die zoet water aan de
economie kan leveren. Als we Nederland willen voorbereiden op de
consequenties van warmere klimaatscenario’s waar we op de langere
termijn (2100) mee te maken kunnen krijgen, vraagt dit aanpassing van de
huidige strategie voor zoet water. Zelfs bij weinig klimaatverandering zijn
er op korte termijn (tot 2050) knelpunten (zoals tekort aan zoet water in
bepaalde gebieden, toenemende verzilting en uitzakken van grondwaterstanden).
Ik zie het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering als een
gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het Rijk, decentrale overheden en
watergebruikers, waarbij een zorgvuldige afweging wordt gemaakt hoe
het best met de gevolgen voor de zoetwatervoorziening kan worden
omgegaan. Er ligt dus nadrukkelijk ook een verantwoordelijkheid bij
gebruikers en regionale waterbeheerders om de mogelijkheden voor meer
zelfvoorzienendheid te vergroten. Dit betekent een koerswijziging ten
opzichte van de huidige strategie die is gericht op het zoveel mogelijk
bedienen van alle gebruiksfuncties. Ik ben verheugd over de bereidheid
die de sectoren tonen om zelf aan de slag te gaan via inzet op meer
zelfvoorzienendheid en innovaties. Via het Topsectorenbeleid zal ik de
mogelijkheden voor innovatie op het gebied van zoet water stimuleren en
faciliteren.
Zoals in het Regeerakkoord staat is de zorg voor het waterbeheer een
essentiële overheidstaak. De verwachting is dat er in de toekomst een
groeiend tekort is aan zoet water voor verschillende functies en de
overheid kan niet alles blijven faciliteren. Voor de gebruiker is het
belangrijk inzicht te hebben in waar hij wel en niet op kan rekenen en
waarop hij zijn investeringen kan baseren. Binnen het Deltaprogramma zal
helder worden gemaakt wie waarvoor verantwoordelijk is, nu en voor de
lange termijn en dit wordt vastgelegd in een voorzieningenniveau. Het
voorzieningenniveau definieert expliciet de taak van de overheid en de
daaraan verbonden inspanningen onder normale en extreme omstandigheden. Het markeert daarmee de kaders waarop de gebruiker zijn
investeringen kan baseren.
Omdat water niet overal even gemakkelijk beschikbaar is en niet overal
een even hoge toegevoegde waarde heeft, zal het voorzieningenniveau
deels nationaal zijn en deels gedifferentieerd zijn per regio. Dit met
inachtneming van de vitale functies. De uitwerking vraagt belangrijke
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
9
keuzes, bijvoorbeeld waar de grens ligt van het faciliteren van de
watervraag door overheden en in welke mate deze grens gekwantificeerd
kan en moet worden. Voor alle functies is het belangrijk om het tekort aan
zoetwater zoveel mogelijk te voorkomen, in plaats van reageren op een
watertekort met noodmaatregelen. Het volledig voorkomen van watertekort is echter onmogelijk en dus zal er af en toe waterschaarste zijn. In
dat soort gevallen wordt geprobeerd in ieder geval de vitale functies in
stand te houden en daarnaast voor alle functies de schade zoveel mogelijk
te beperken.
Er wordt in het Deltaprogramma gewerkt aan een investeringsprogramma
voor zoet water, met daarin maatregelen voor de korte en lange termijn.
Dit gebeurt in gezamenlijkheid met alle betrokken partijen: overheden,
bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De regionale bestuurders
hebben ambitie op het gebied van economische en duurzame ontwikkeling. Er is grote bereidheid om naar oplossingen te zoeken en zelf een
bijdrage te leveren met solidariteit als uitgangspunt.
Er wordt gekozen om de huidige knelpunten aan te pakken via kosteneffectieve maatregelen die het systeem flexibiliseren en minder kwetsbaar
maken voor extremen, zonder daarmee lange termijn ambities te
blokkeren en maatregelen te nemen die voor de lange termijn gewenste
opties openhouden. Voor de lange termijn worden ontwikkelpaden
beschreven, die het mogelijk maken adequaat te reageren op klimatologische ontwikkelingen. Belangrijke uitgangspunten bij het inzetten van
maatregelen en instrumenten zijn haalbaarheid, betaalbaarheid,
samenhang met veiligheid en waterkwaliteit en respect voor de basiswaarden solidariteit, flexibiliteit en duurzaamheid. Daarnaast houden deze
maatregelen rekening met natuur en ruimtelijke kwaliteit.
Het rijk heeft een directe beleidsverantwoordelijkheid voor kwantitatief en
kwalitatief (grond)waterbeheer, ruimtelijke ordening, kwaliteit van de
leefomgeving en de topsector Water. Beleidskeuzes in deze dossiers zijn
van belang voor de zoetwatervoorziening. Ik zal zorgen voor koppeling
tussen de relevante beleidsdossiers om samenhang te garanderen. Deze
koppeling geeft invulling aan de motie Jacobi7, waarin de regering wordt
verzocht bij de deltabeslissingen de kwaliteit van het zoete water een
volwaardige plaats te geven in relatie tot maatregelen in het kwantitatieve
waterbeheer.
Internationaal overleg in het kader van de Rijn- en Maascommissie
Mijn voorganger heeft toegezegd u te informeren over het internationale
overleg in het kader van de Rijn- en Maascommissie over de onderhandelingen over waterkwaliteit en -kwantiteit. Met de totstandkoming van de
EU Kaderrichtlijn Water (2000) en de EU Richtlijn Overstromingsrisico’s
(2007) hebben de Rijn- en de Maascommissie een belangrijke taak
gekregen in de coördinatie bij de uitvoering van beide richtlijnen in de
internationale stroomgebieden. Reeds na de hoogwaters van 1993 en
1995 is de bescherming tegen overstromingen onderdeel geworden van
het internationale Rijn- en Maasoverleg. Het Actieprogramma Hoogwater
Rijn werd aangenomen tijdens een Rijnministersconferentie in 1998 te
Rotterdam. Het Actieplan Hoogwater Maas is vastgesteld in 1998 te
Namen. Afspraken over de verdeling van het Maaswater in periodes van
lage afvoer zijn vastgelegd in een verdrag tussen Nederland en het
Vlaamse Gewest van 1995. Het Maasafvoerverdrag streeft bij lagere
debieten naar een afvoer van minimaal 10 m3/s in de Grensmaas. Het
onderwerp laagwater maakt ook onderdeel uit van het werkplan van de
Maascommissie. De informatieverstrekking bij lage afvoer vanuit Frankrijk
7
Kamerstuk 33 400 J, nr. 8.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
10
wordt door de Nederlandse waterbeheerders zeer gewaardeerd. Voor de
Rijn bestaat geen afvoerverdrag. De Internationale Rijncommissie heeft in
juli 2012 wel een rapport over de laagwaterperioden in het Rijnstroomgebied in 2011 vastgesteld. Naast meer aandacht voor laagwater gaat de
Rijncommissie onderzoeken op welke wijze er tot een verdeling gekomen
kan worden van de koelcapaciteit van het Rijnwater in perioden met een
verhoogde watertemperatuur en lage afvoer. Samen met andere gevolgen
van klimaatverandering voor het Rijnstroomgebied zijn dit onderwerpen
voor een Rijnministersconferentie die op 28 oktober 2013 is gepland.
3. Piping en kennis over toetsen en ontwerpen
Waterbeheerders moeten kunnen beschikken over voldoende kennis over
het toetsen en ontwerpen van waterkeringen8 en op de hoogte zijn van
nieuwe inzichten, zoals piping. Uit recent onderzoek blijkt dat piping een
grotere invloed kan hebben op de sterkte van waterkeringen dan tot nu
toe is aangenomen. Bij piping kan water dat onder de kering doorstroomt
zand meevoeren en de sterkte van de kering beïnvloeden. Hier wordt nu al
rekening mee gehouden bij het toetsen en ontwerpen van waterkeringen.
Om te zorgen dat deze nieuwe kennis op het gebied van piping
beschikbaar komt voor toepassing in de praktijk, wordt dit jaar een
werkwijzer ontwikkeld voor waterkeringbeheerders die komend jaar hun
ontwerpproces starten. Daarnaast zal een team van pipingexperts
beschikbaar zijn om bij lopende projecten te adviseren over maatwerkoplossingen. Zo voorkomen we dat we op korte termijn bij deze projecten
terug moeten komen vanwege nieuwe pipinginzichten of dat er onnodig
forse maatregelen worden getroffen. Tevens gaat het ministerie samen
met de waterkeringbeheerders innovatieve oplossingen voor piping
ontwikkelen en testen, met als doel om nauwkeuriger te kunnen bepalen
waar piping echt een gevaar oplevert en hoe de kans op piping doelmatig
is te reduceren. Een concreet voorbeeld is het toepassen van geotextiel bij
een dijkversterking binnen het programma Ruimte voor de Rivier.
Het systematisch toetsen van keringen aan de norm en vervolgens
versterken waar nodig, blijft de basis voor het beheersen van overstromingrisico’s. Ik wil de overstromingskansnormen zo spoedig mogelijk na
het kabinetsbesluit over de deltabeslissingen juridisch verankeren. Bij de
ontwikkeling van het nieuwe Wettelijke Toetsinstrumentarium staat de
overstromingskans centraal en wordt de meest recente kennis
opgenomen. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om
zogenaamde «voorlanden» mee te nemen in de toetsing op veiligheid,
worden de inzichten uit het (praktijk)onderzoek rond piping geïmplementeerd en wordt het toetsen van innovatieve oplossingen ingebouwd. Met
het gereedkomen van het Wettelijk Toetsinstrumentarium start vervolgens
de nieuwe toetsronde.
Naast het ontwikkelen van het Wettelijk Toetsinstrumentarium wordt
bekeken op welke wijze het toetsproces voor zowel de beheerder als de
toezichthouder het meest optimaal verloopt. Daarbij wordt nadrukkelijk
gekeken naar de manier waarop kennis kan worden gedeeld. Samen met
de Unie van Waterschappen zijn kennisplatforms georganiseerd voor
keringbeheerders en toezichthouder, om kennis van faalmechanismen en
van het toetsinstrumentarium met elkaar te delen en ervaring uit te
wisselen. Ook wordt jaarlijks op de landelijke toetsdag met alle partijen
ingegaan op de vele aspecten rondom het toetsen van waterkeringen.
Tevens streef ik ernaar dat kennis en nieuwe inzichten snel worden
meegenomen in het ontwerp van waterkeringen.
8
Dit sluit aan bij de motie Holtackers-De Mos (Kamerstuk 33 000 XII, nr. 98), waarin de regering
wordt verzocht om de mogelijkheden te onderzoeken tot vergroting van de kennis over
toetsing van waterkeringen bij de betrokken overheden.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
11
In het nHWBP, waarin de waterschappen en Rijkswaterstaat samen de
verbeteropgave aan de waterkeringen gaan realiseren, zal optimaal
gebruik worden gemaakt van elkaars kennis. Door de uitvoeringskennis te
bundelen kan ervoor worden gezorgd dat de opgave doelmatig en in een
goede prioriteitsvolgorde wordt uitgevoerd. Hierdoor kunnen kosten
worden bespaard, kennis en kunde ten volle worden benut en nieuwe
kennis worden ontwikkeld.
Dat borging van kennis bij de betrokken overheden belangrijk is bleek ook
vorig jaar toen als gevolg van de doorgaande verdieping van de ontgrondingskuilen in de nabijheid van de Oosterscheldekering op diverse
plaatsen afschuivingen werden geconstateerd. Voor de Oosterscheldekering zelf leidde dit niet tot problemen. Wel is schade ontstaan aan de
bodembescherming in de stroomgaten achter de Oosterscheldekering.
Daarnaast bleken door de afschuivingen de aangrenzende dijken op
Noord-Beveland niet meer te voldoen aan de hoge eisen die in het kader
van de stabiliteit aan deze dijken worden gesteld. Daarom zijn maatregelen uitgevoerd om de stabiliteit van deze dijken op het minimaal
vereiste niveau te brengen en verdere schade aan de bodembescherming
van de Oosterscheldekering te voorkomen. Dit jaar worden aanvullende
maatregelen getroffen om de stabiliteit verder te vergroten en de schade
te herstellen. Om in de toekomst dergelijke onverwachte gebeurtenissen
te voorkomen wordt het beheer rondom de Oosterscheldekering
aangescherpt.
4. Juridische positie van waterschappen bij innovatievraagstukken
Zoals toegezegd ga ik in op het gesprek met de waterschappen over hun
juridische positie en gesloten huishouding in relatie tot innovatie.
Waterschappen zijn erg actief in het zoeken naar mogelijkheden om hun
taken duurzamer te kunnen uitvoeren en zij hebben daarover met het Rijk
een aantal convenanten gesloten. Met name bij de zuivering van stedelijk
afvalwater worden processen zodanig innovatief ingericht, dat energie
kan worden opgewekt en grondstoffen kunnen worden teruggewonnen.
Voorbeelden zijn:
• De levering aan private partijen van reststoffen van het zuiveringsproces die voor hen als grondstof dienen;
• de levering aan woningen en bedrijven van energie uit (effluent)lozingen van gezuiverd afvalwater en uit slibvergisting.
De Unie van Waterschappen heeft mij gevraagd in hoeverre deze
activiteiten door waterschappen gelegitimeerd zijn, gezien hun wettelijk
vastgelegde gesloten huishouding. Ik heb aangegeven dat ik positief sta
tegenover deze innovaties, die bijdragen aan duurzaamheid en doelmatigheid. Ze zijn daarmee ook in lijn met de afspraken uit het Bestuursakkoord Water. Ik zie voor deze activiteiten geen wettelijke belemmeringen,
mits ze plaatsvinden in het kader van de uitvoering van de wettelijke taken
van de waterschappen, zoals het zuiveren van afvalwater en watersysteembeheer. Ook moet worden voldaan aan de mededingingsrechtelijke
regels. Andere mogelijkheden dan hierboven genoemd, worden samen
met de Unie van Waterschappen onderzocht.
5. Bezuiniging Deltafonds
In het Regeerakkoord is vastgelegd dat 80% van de resterende investeringsruimte in het Deltafonds vrijgegeven wordt. Dit betekent dat voor de
komende kabinetsperiode in totaal ruim € 1,1 mld. beschikbaar is voor
nieuwe investeringen (i.e. programmaruimte). Naast deze programmar-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
12
uimte resteert er tot en met 2028 nog ca. € 275 mln. als beleidsruimte,
waar dit kabinet niet over beschikt.
De korting op het Deltafonds ten gevolge van het Begrotingsakkoord is
fors. Er moet in de jaren 2013 tot en met 2028 in totaal een bedrag van
€ 605 mln. op het Deltafonds worden bezuinigd. In de Begroting 2013 is
voor het jaar 2013 hiervan reeds ruim € 17 mln. verwerkt door het vorige
kabinet. Tevens is in de Begroting 2013 € 203 mln. verwerkt ten laste van
de investeringsruimte. Hierdoor resteert er nog een opgave van € 385
mln. Deze is technisch als minregel verwerkt in de Begroting 2013 en
wordt bij Voorjaarsnota ingevuld.
Bij het invullen van de bezuinigingsopgave heb ik ervoor gekozen om het
budget voor beheer en onderhoud ongemoeid te laten. Het voornemen is
om de bezuinigingsopgave voornamelijk op te vangen door gebruik te
maken van de investeringsmiddelen die nog tot en met 2028 beschikbaar
zijn. Hierdoor hoeft er op de lopende en geplande projecten niet
budgettair gekort te worden. De belangrijkste consequentie van de korting
van het Begrotingsakkoord is dat er voor nieuwe investeringen minder
middelen beschikbaar zijn, bijvoorbeeld voor aanvullende investeringen
die voortvloeien uit de deltabeslissingen. Door de korting resteert er voor
dit kabinet slechts beperkte programmaruimte van circa € 0,8 mld. op het
Deltafonds tot en met 2028. Hier tegenover staat een forse
waterveiligheids- en zoetwateropgave. Hiervan zal een beter beeld zijn als
er een besluit is genomen over de deltabeslissingen. Omdat de financiële
ruimte beperkt is, zullen we langer over de uitvoering van deze opgave
gaan doen. Door het optimaal en innovatief combineren van de opgave
hoop ik met de beschikbare middelen de meeste noodzakelijke investeringen ook in de toekomst te kunnen financieren.
Omdat de investeringsmiddelen grotendeels pas na 2023 beschikbaar zijn,
zijn kasschuiven nodig voor de invulling van de kortingen. Door nieuwe
inzichten in de planningen van een aantal projecten kunnen deze
kasschuiven gefaciliteerd worden zonder gedwongen vertraging van
projecten. De nieuwe inzichten in de planningen betreffen de volgende
projecten. Voor de Markermeerdijken, een project uit het HWBP-2, is in
2011 bij basisrapportage besloten een innovatieve praktijkproef uit te
voeren om de sterkte van veenondergrond onder de dijken te testen. Dit
leidt tot een gewijzigde planning van dit project.
De projecten versterking van de Afsluitdijk en het inbouwen van pompen
in het bestaande sluizencomplex Den Oever (dit was project Extra
Spuicapaciteit Afsluitdijk, waarvoor in augustus 2012 een voorkeursbeslissing is genomen) worden vanwege de samenhang geïntegreerd. De
versterking van de Afsluitdijk is noodzakelijk om aan de wettelijke
veiligheidsnormen te voldoen. Om de waterafvoeropgave uit het
IJsselmeer te kunnen waarborgen is gekozen voor het inbouwen van
pompen in het bestaande sluizencomplex Den Oever. Volgens de meest
actuele planning vindt de realisatie van de Afsluitdijk plaats vanaf 2017.
De gereserveerde middelen voor ophoging van de zandsuppleties kust
voor de lange termijn waterveiligheidsopgave zullen verschuiven van
2021–2023 naar 2023–2025. Deze middelen waren nog niet in concrete
maatregelen vertaald. Dit heeft geen invloed op het onderhoud van de
Basiskustlijn. Deze wordt onderhouden conform de huidige praktijk.
De rijksbijdragen aan de waterschapsprojecten van het nHWBP zijn reeds
gereserveerd in het Deltafonds tot en met 2028. Naar aanleiding van de
vragen over voorfinanciering en bevoorschotting tijdens de Kamerbehandeling van het wetsvoorstel doelmatigheid en bekostiging hoogwaterbescherming wil ik graag benadrukken dat de jaarlijks beschikbare middelen
zijn begrensd. Er zal dus een uitvoeringsvolgorde worden vastgesteld
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
13
waarbij het uitgangspunt het optimaliseren van het veiligheidsrendement
is. Het programma zal jaarlijks worden vastgesteld. Waar beheerders
maatregelen eerder willen uitvoeren dan in het programma voorzien
kunnen zij maatregelen in beginsel voorfinancieren. Het waterschap schiet
feitelijk het benodigde budget voor en heeft daarmee niet zoals bij een
regulier project recht op bevoorschotting maar krijgt de subsidie later
betaald op het moment waarop het project gepland stond in het
programma. De rentekosten zijn dan voor rekening van de beheerder
zoals dat ook binnen het Infrastructuurfonds het uitgangspunt is.
In de brief van de minister van Financiën «Reactie op CPB-cijfers» van
1 maart 2013 staat voorts dat de prijscompensatie naar prijspeil 2013 niet
zal worden uitgekeerd. In de brief is aangegeven dat dit een besparing
oplevert van € 0,7 mld. in 2014 op de gehele Rijksbegroting. Het Deltafonds kent een planperiode van 2013 tot en met 2028. Hierdoor heeft het
niet uitkeren van de prijscompensatie een structureel effect. Naar
verwachting kan de impact voor het Deltafonds daarom optellen tot ca.
€ 270 mln. voor de totale periode tot en met 2028.
Zoals ik u al heb geïnformeerd in mijn brief van 12 april jl., is bij het
Sociaal Akkoord van 11 april afgesproken dat in augustus opnieuw wordt
bezien of het pakket van voorgenomen bezuinigingen van 1 maart
noodzakelijk is.
In totaal staat er in het Deltafonds circa € 9 mld. gereserveerd voor de
lopende realisatieprojecten en de projecten in voorbereiding in de periode
van 2013 tot en met 2028. In dat kader kan ik u nog melden dat mijn
voorganger op 2 november jl. een MIRT voorkeursbeslissing heeft
genomen om de waterveiligheid in het gebied Ooijen-Wanssum te
vergroten. Het Rijk trekt maximaal € 135 mln. uit voor waterveiligheid,
waarvan € 10 mln. uit het project Maaswerken en € 125 mln. uit het
Deltafonds vanaf 2021. De regio stelt € 75 mln. beschikbaar voor
gebiedsontwikkeling.
Tot slot
Ik hecht eraan om nogmaals te benadrukken hoe belangrijk het is dat we
ons er bewust van zijn dat we in een delta leven. Met alle betrokken
partijen werken we aan een leefbare en veilige delta. Dit werk stopt nooit;
we moeten samen blijven werken om onze delta goed beveiligd te houden
en te blijven zorgen voor voldoende zoet water, van een goede kwaliteit.
De minister van Infrastructuur en Milieu,
M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 J, nr. 19
14
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2012–2013
27 625
Waterbeleid
Nr. 306
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 25 juli 2013
De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft op 13 juni 2013
overleg gevoerd met minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van
Infrastructuur en Milieu over:
− de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, d.d.
25 maart 2013, Buitendijkse bescherming 13 kustplaatsen,
(Kamerstuk 30 195, nr. 32);
− de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, d.d.
26 april 2013, Verbetering van de normering voor waterveiligheid, (Kamerstuk 33 400- J, nr. 19);
− de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, d.d.
26 maart 2013, Derde voortgangsrapportage (VGR3) van het
tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2),
(Kamerstuk 32 698, nr. 9);
− de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, d.d.
22 mei 2013, Lijst van vragen en antwoorden inzake de Derde
voortgangsrapportage (VGR3) van het tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2), (Kamerstuk 32 698, nr. 10);
− de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, d.d.
26 maart 2013, 21ste Voortgangsrapportage Ruimte voor de
Rivier, (Kamerstuk 30 080, nr. 64);
− de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, d.d.
17 mei 2013, Antwoorden op vragen van de commissie over de
21e voortgangsrapportage Ruimte voor de Rivier en de ¾
evaluatie, (Kamerstuk 30 080, nr. 65);
− de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, d.d.
29 maart 2013, Aanbieding 23e Voortgangsrapportage
Zandmaas en Grensmaas, (Kamerstuk 18 106, nr. 217);
− de brief regering van de minister van Infrastructuur en Milieu,
d.d. 17 mei 2013, Antwoorden op vragen van de commissie
over de 23e voortgangsrapportage Zandmaas Grensmaas,
(Kamerstuk 18 106, nr. 219);
− de brief minister van Infrastructuur en Milieu, d.d. 14 mei
2013, Jaarlijkse voortgangsrapportage over het waterbeleid in
Nederland «Water in beeld», (Kamerstuk 27 625, nr. 290)
(Alleen de onderdelen uit de voortgangsrapportage «Water in
beeld» die betrekking hebben op waterveiligheid staan ter
kst-27625-306
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2013
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
1
bespreking voor dit algemeen overleg. De onderdelen ten
aanzien van waterkwaliteit zijn geagendeerd voor het algemeen overleg Waterkwaliteit op 27 juni 2013.);
− de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, d.d.
10 juni 2013, Scopewijziging bij het project Hoogwatergeul
Well-Aijen, onderdeel van het deelprogramma Zandmaas van
de Maaswerken (Kamerstuk 18 106, nr. 220).
Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu,
Paulus Jansen
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu,
Tijdink
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
2
Voorzitter: Paulus Jansen
Griffier: Blacquière
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Hachchi, Bosman, Geurts,
Jacobi, Van Gerven, De Graaf en Paulus Jansen,
en minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van Infrastructuur en
Milieu, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.
Aanvang 13.30 uur
De voorzitter: Ik open dit algemeen overleg over waterveiligheid. Ik heet
de minister, haar medewerkers en de gasten op de publieke tribune van
harte welkom. Ik heb van de heer Geurts en mevrouw Hachchi begrepen
dat zij eerder weg moeten vanwege een andere verplichting.
Ik stel voor in eerste termijn zes minuten spreektijd per fractie te nemen
en ik geef gelegenheid voor twee interrupties.
Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Ik moet inderdaad om 15.00 uur naar
een ander debat. Dit neemt niet weg dat ook voor mijn fractie waterveiligheid een belangrijk onderwerp is. Mijn medewerker zal dan ook het hele
debat volgen en het antwoord van de minister voor mij bijhouden.
Waterveiligheid is een actueel onderwerp. In Duitsland en Tsjechië zijn
rivieren buiten hun oevers getreden. Veel mensen zijn gevlucht voor die
overstromingen en de schade is groot. In Nederland is er weinig aan de
hand. Wij mogen dan ook trots zijn op onze waterkeringen. Wij moeten er
echter wel voor zorgen dat wij onze dijken op peil blijven houden. Daar
hangt een prijskaartje aan, maar wij moeten vandaag werken aan de
veiligheid van morgen. Dat is lastig in deze tijd van economische crisis,
want het is verleidelijk te snijden in het budget voor de toekomst. Je mag
bezuinigingen echter niet zomaar doorschuiven, zeg ik tegen deze
VVD-minister, in het kader van aanpakken en niet doorschuiven.
Mijn partij is altijd duidelijk geweest over waterveiligheid. Zij is van
mening dat wij daarin moeten investeren, maar het kabinet denkt daar
blijkbaar anders over. Het bezuinigt flink op het Deltafonds vanwege het
regeerakkoord. Ik benadruk dit vandaag, omdat in de brieven nog vaak
wordt verwezen naar het Lenteakkoord. Het moet echter helder zijn dat de
bezuinigingen op het Deltafonds voortvloeien uit het regeerakkoord. Het
fonds moet meer dan 600 miljoen inleveren. De minister heeft gisteren het
eerste deel van de nieuwe programmering van het Hoogwaterbeschermingsprogramma ontvangen. Kan zij aangeven hoe de nieuwe wateropgaven zich verhouden tot de ingeperkte investeringsruimte? In welk
tempo kunnen de projecten worden uitgevoerd? Welke projecten worden
op de lange baan geschoven? Welke veiligheidsrisico’s ontstaan
daardoor?
Volgens een bericht in De Telegraaf gaan de minister en de waterschappen jaarlijks 360 miljoen extra uitgeven voor de dijken. Is dit geld
afkomstig uit het Deltafonds? Zo ja, uit welk programma? Zo nee, waar
komt het geld dan vandaan?
De minister wil de financiering van het gehele waterbeleid bij het
Deltafonds onderbrengen. Het klinkt mooi «integrale plannen», en
dergelijke plannen hebben ook zeker voordelen, maar wat betekenen zij
voor de afweging tussen waterveiligheid en waterkwaliteit? Zal een
overheveling van taken leiden tot een verkapte bezuiniging via de
achterdeur? Wat betekent integraliteit van waterkwaliteit en waterkwantiteit voor de weging van de verschillende belangen? Op welke manier
worden er bijvoorbeeld prioriteiten gesteld voor natuur en milieu? Wil de
minister waterkwaliteit budgetneutraal in het Deltafonds onderbrengen of
is dit nog een bezuiniging op waterbeleid? Ik krijg graag heldere
antwoorden van de minister.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
3
In het kader van de nieuwe normering is mijn fractie voorstander van de
risicobenadering waarbij niet alleen wordt gekeken naar de kansen op,
maar ook naar de gevolgen van een overstroming. Verder steunt zij de
meerlaagse veiligheid in kwetsbare gebieden. Door die ruimtelijke
inrichting waterveilig te maken, blijven de gevolgen van een overstroming
beperkt. Ik heb echter nog wel vragen over de implementatie van deze
nieuwe normering. Welke uitvoeringsproblemen voorziet de minister?
Waar gaat zij de testcases uitzetten en wanneer wordt de Kamer daarover
geïnformeerd? Welke kosten zijn verbonden aan de implementatie van de
normering? Wanneer zal de minister de investeringen doen die nodig zijn
om de nieuwe normering te halen, met name in de aandachtsgebieden?
2050 is immers een verre stip op de horizon.
Als zand aan de onderkant van een dijk wordt meegesleurd, heeft dit
gevolgen voor de sterkte van de kering. Vooral bij rivierdijken is deze
zogeheten piping een groot probleem. Ik heb dit probleem al tijdens een
wetgevingsoverleg over water naar voren gebracht. De minister schrijft
dat de kennis over piping ter beschikking wordt gesteld aan waterkeringbeheerders. Het ministerie zal verder nieuwe oplossingen voor piping
ontwikkelen en testen. Wanneer wordt de Kamer over de voortgang van
deze ontwikkelingen geïnformeerd? Heeft de minister inmiddels een beeld
van de financiële gevolgen van piping voor de lopende en komende
projecten?
Het is een groot goed als wij door innovaties tot een duurzamer en
doelmatig waterbeheer komen, dat wij met waterlozingen energie kunnen
opwekken en dat wij grondstoffen uit het afvalwater kunnen terugwinnen.
De vraag is echter of hierdoor oneerlijke concurrentie kan ontstaan. Aan
welke voorwaarden moet worden voldaan? Waar liggen de grenzen bij de
verkoop van producten aan private partijen?
De heer Bosman (VVD): Voorzitter. Ik stel vast dat er een mooi stukje werk
is geleverd in Nederland met het waterbeheer, de waterbeheersing en de
waterveiligheid. De minister heeft ons een goede brief geschreven. Dit
geldt zeker voor de basisveiligheid, de veiligheidsnormering en de
risicobenadering. Ik heb echter de indruk dat er niet veel nieuws onder de
zon is, met name bij de risicobenadering. Ook op dit moment is er sprake
van differentiatie in de veiligheid. Mensen vragen mij wel eens of het
veiliger of minder veilig wordt. Dat is naar mijn mening een vergelijking
van appels en peren, maar ik hoor graag wat de zienswijze van de
minister is.
Volgens mij is nu een strakke normering neergezet die voor iedereen geldt
en die helder en traceerbaar is. Dat is belangrijk, want hierdoor hebben
mensen meer mogelijkheden om in te zetten op veiligheid. Zeker in het
kader van de meerlaagse veiligheid moeten wij echter wel zorgen voor
heldere communicatie. Het moet duidelijk zijn dat de basisveiligheid voor
iedereen geldt, maar dat daarnaast extra aandacht nodig is voor gebieden
die een potentieel financieel, economisch of menselijk risico lopen. Ik
noem bijvoorbeeld de kerncentrale in Borsele, gasvelden in Groningen of
de havengebieden in Rotterdam. Wij moeten erop inzetten dat die zo
veilig mogelijk zijn, zonder afbreuk te doen aan de rest. Hoe wordt de
voorgestelde risicobenadering ingezet bij de aanbesteding en uitvoering
van projecten die nu op de rol staan? Klopt de prioritering nu nog?
2,5% van het budget voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma zal
worden gebruikt voor innovatie. Hoe wordt dit budget verdeeld? Als het
aan allerlei kleine onderdelen wordt besteed, zijn er maar kleine bedragen
beschikbaar waardoor de innovatie niet echt van de grond kan komen. Als
daarentegen wordt gekozen voor een lumpsum, is een goed bedrag
beschikbaar voor innovatie en nieuwe mogelijkheden. Dan krijgt het
beleid echt body.
In dit kader is het de vraag hoe wordt omgegaan met Bouwen met de
natuur. In hoeverre is de innovatie uit die hoek beschikbaar? Worden die
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
4
resultaten gebruikt om op een andere manier aan de slag te gaan bij de
bouw en versterking van de dijken en de bevordering van de waterveiligheid? Ik heb een aantal mensen van waterschappen en bedrijven
gesproken en ik heb gehoord dat dit niet altijd even goed op het netvlies
staat.
De nadruk op innovatie is belangrijk, want wij hebben innovatie nodig
voor de toekomst. In andere landen en andere delta’s wordt actief gewerkt
aan onderwijs en vernieuwingen. Als Nederland stilstaat, wordt het
ingehaald door die kennis en kunde. Dan verliest ons land het potentieel
om de bedrijven die hier zijn gevestigd, overal in de wereld in te zetten.
In de brief wordt ingegaan op bedrijfsactiviteiten van waterschappen en
waterbedrijven. Dat is prima, maar de primaire inzet van waterschappen
en waterbedrijven moet zijn gericht op waterveiligheid, waterkwaliteit,
drinkwater en dijken in Nederland. Die andere activiteiten kunnen een
meerwaarde hebben in gebieden waar zij hun kennis en expertise kunnen
gebruiken, maar ook veel kunnen leren van de basisprincipes die daar
opgeld doen. Vragen als: «hoe bouw ik mijn eigen pomp» of «hoe zorg ik
voor water vanaf scratch» zijn daar voorbeelden van. Belangrijker is
echter dat deze bedrijven, die eigenlijk overheidsbedrijven zijn, geen risico
lopen met belastinggeld. Er moet dus sprake zijn van een echt goede
businesscase, om te voorkomen dat belastinggeld klakkeloos wordt
ingezet.
Het is goed dat de minister inzet op zoet water. Ik heb een aantal getallen
op een rijtje gezet. 97% van het oppervlaktewater is zout en 2,5% is zoet.
Van die 2,5% zit 2% vast in ijs, ijskappen en gletsjers. Daardoor blijft
ongeveer 0,6% zoet water over en dat is nog geen drinkwater. Drinkwater
moet uit de grond worden opgepompt of uit oppervlaktewater worden
gewonnen. Dat is naast voedsel het volgende strategische probleem
waarmee wij zullen worden geconfronteerd. Voor de productie van
voedsel is ook water nodig. Het is dus essentieel om zoetwater te
beschermen. Wij moeten ons daarvan bewust zijn. Ook dat vraagt om
heldere communicatie, want nu denken nog te veel mensen dat zoet water
gewoon uit de kraan komt. Zij hebben geen enkel besef wat daarvoor
moet worden gedaan.
De minister stelt voor om de waterkwaliteit onder te brengen in het
Deltafonds. Mijn voorgangers hebben eerder laten weten dat mijn fractie
hier andere gedachten over heeft. Zij wil geen vermenging van waterkwaliteit en waterveiligheid, om te voorkomen dat bijvoorbeeld druk uit
Europa om extra in te zetten op waterkwaliteit ertoe leidt dat een
onevenredig deel van het fonds daarvoor wordt gebruikt. Ik snap de
beweegredenen van de minister en ik zie de synergievoordelen, maar kan
zij duidelijk aangeven hoe die bedragen worden gescheiden, opdat wij die
kunnen traceren en onze controlerende taak kunnen uitvoeren? Als het
antwoord van de minister bevredigend is, zal mijn fractie zich nog
beraden op dit voorstel.
Ik las in de krant een bericht over verzekeringen; er komt een nattevoetenpolis. De VVD is mordicus tegen een verplichte verzekering tegen
overstromingen. Het staat iedere verzekeringsmaatschappij vrij een
verzekering aan te bieden en het staat iedereen vrij om een dergelijke
polis af te sluiten. Een dergelijk product mag echter niet verplicht worden
opgelegd aan mensen die dat zelfstandig kunnen regelen. Daarnaast wil
een verzekeringsmaatschappij winst maken. Als mensen dan toch geld
willen investeren in hun veiligheid, geef ik er de voorkeur aan dat het naar
de waterschappen of het Rijk gaat die daarvan een dijk kunnen bouwen.
De heer Geurts (CDA): Voorzitter. Waterveiligheid is niet vanzelfsprekend.
De overstromingen in grote delen van Centraal-Europa, Duitsland,
Oostenrijk en Tsjechië, in de afgelopen weken, zijn een verschrikkelijke
gebeurtenis. De gevolgen zijn groot. Er zijn mensenlevens te betreuren en
de materiële schade is gigantisch. Wij wensen de mensen in de
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
5
overstroomde gebieden veel sterkte. Daarnaast maak ik van de
gelegenheid gebruik om onze complimenten over te brengen aan alle
Nederlanders die zijn gaan helpen. Ik hoop en ik neem aan dat de minister
bij gelegenheid die complimenten van mijn fractie aan betrokkenen wil
overbrengen. Ik ga ervan uit dat zij ter plekke gaat kijken.
Wij spreken vandaag over waterveiligheid, maar wij ontkomen er niet aan
om ook over waterkwaliteit te spreken. De minister heeft vorig jaar laten
weten dat projecten om de waterkwaliteit te verbeteren, ook betaald
moeten kunnen worden uit het Deltafonds. Het Deltafonds is volgens de
wet alleen bedoeld voor projecten om Nederland tegen water te
beschermen en om de voorraad zoetwater veilig te stellen. In een
interview zei de minister die splitsing tussen veiligheid en kwaliteit een
gekke aangelegenheid te vinden waarover zij weleens met de Kamer wilde
spreken. Daarvoor heeft zij vandaag de gelegenheid.
In een van de brieven die wij vandaag bespreken, geeft de minister haar
visie op het waterbeleid weer. Daarin komt de overheveling van waterkwaliteit naar het Deltafonds ook naar voren. Voor Nederland is waterveiligheid van bovengemiddeld belang. De CDA-fractie maakt zich zorgen dat
het geld dat beschikbaar is voor het behoud van onze veiligheid en het
voorkomen van overstromingen, moet concurreren met het geld dat
nodig is om te kunnen voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water.
Gezien de bezuiniging op het Deltafonds, is verbreding van het fonds met
waterkwaliteit extra nijpend. Ik heb daarom de volgende vragen aan de
minister. Komt er landelijk extra geld in het fonds ten behoeve van
waterkwaliteit? Zo ja, hoeveel? Waarop is het kwaliteitsbeleid van het
kabinet gericht? Welke kosten moeten volgens de minister worden
gemaakt om uitvoering te geven aan de Kaderrichtlijn Water? Hoeveel
geld blijft in het Deltafonds over als waterkwaliteit ook daarin wordt
ondergebracht? Hoe voorkomt de minister dat de uitgaven voor waterkwaliteit concurreren met de uitgaven voor waterveiligheid en zoetwaterkwantiteit? Komen er schotten tussen het budget en het Deltafonds?
Ik kom nu bij de meerlaagse veiligheid en de mogelijke achteruitgang van
de huidige veiligheid. In de motie-Van Veldhoven/Lucas is sprake van het
voorkomen van achteruitgang van het huidige waterveiligheidsniveau. De
minister spreekt echter over een basisveiligheidsniveau. Dit is naar mijn
mening een slechte benaming die betere veiligheidsniveaus doet
vermoeden. Bij de uitwerking die nu volgt, wordt uitgegaan van een
basisveiligheid met een kans van 1:100.000 bewoners per jaar dat iemand
overlijdt als gevolg van een overstromingsramp. In sommige gebieden
ligt de werkelijke veiligheid op dit moment hoger. Wat betekent deze inzet
voor een meerlaagse veiligheid concreet? Gaan mensen erop achteruit
wat veiligheid betreft? Zo ja, wil de minister daarover dan ook duidelijk
zijn? Is zij bereid om minimaal het huidige veiligheidsbeleid te
handhaven?
In brieven en interviews spreekt de minister steeds vaker over evacuatie
en evacuatieplannen. Ik zet hier vraagtekens bij. De situatie in Duitsland
laat zien dat evacuatie niet zo eenvoudig is. Mijn fractie is van mening dat
evacuatie alleen een aanvullende maatregel kan zijn om het restrisico te
verminderen. Waarom is de minister er zo zeker van dat evacuatie deels
kan dienen ter vervanging van investeringen in waterkeringen?
De heer Bosman (VVD): Ik hoor niet echt een keus. Is de CDA-fractie voor
die risicobenadering, voor de huidige manier van werken of voor een
mengeling van beide?
De heer Geurts (CDA): Ik heb vragen gesteld over de bedoeling van de
minister. Die is uit haar brief niet af te leiden. Mijn fractie ziet ook dat er
investeringen nodig zijn, maar er is niet onbeperkt geld beschikbaar voor
alle investeringen. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt. We
moeten echter eerlijk zijn. Het beleid lijkt erop gericht om in gebieden
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
6
waar de veiligheid nu hoger is, de eisen wat lager te stellen. Ik kan niet op
voorhand zeggen of mijn fractie daar voor of tegen is. Ik vraag de minister
om een duidelijk antwoord, ook voor de mensen die in die gebieden
wonen.
De heer Bosman (VVD): Het is jammer dat dit soort termen worden
gebruikt. Ik heb de stukken ook gelezen en volgens mij wordt nu gekozen
voor een andere manier van berekenen en voor een andere manier om
hiermee om te gaan, omdat het een totaalpakket is. Het verhaal is dus niet
dat er veilige en minder veilige situaties ontstaan. Nee, iedereen krijgt
dezelfde veiligheid: 1:100.000. Dat is volgens mij de kern van het verhaal.
Door iedere keer te zeggen dat de situatie veiliger wordt of minder veilig,
wordt afbreuk gedaan aan de inzet van Nederland voor de veiligheid van
iedere inwoner van ons land.
De heer Geurts (CDA): Wij kunnen de discussie niet ontlopen. Een aantal
provincies heeft een brief geschreven waarin zij stellen dat het veiligheidsniveau in hun provincie nu hoger is dan de minister voorstelt. Wij moeten
daar eerlijk over praten.
Een volgende vraag is of de basisveiligheid alleen met de waterkeringen
gewaarborgd moet worden.
De minister schrijft in haar brief van 26 april over de juridische verankering van deze nieuwe risicobenadering. Wordt deze nieuwe benadering
in de Omgevingswet ondergebracht?
De CDA-fractie steunt de koers voor de scopewijziging Zandmaas die in de
brief van 10 juni jongstleden wordt beschreven. Dit betreft de uitbreiding
van het project Zandmaas en Grensmaas ter compensatie van de
vertraging van de reeds voorziene Noordgeul. De waterveiligheid in
Limburg moet echter nog beter worden. 30% van de oppervlakte van
Limburg is op dit moment onvoldoende beschermd tegen overstromingen. Hoe wordt de waterveiligheid van Limburg verder verbeterd?
De heer Bosman sprak zojuist al over de collectieve overstromingsverzekeringen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft hierover een
informele zienswijze gepubliceerd. Deze wekt de indruk dat de compensatie voor overstromingsschade in het kader van de Wet tegemoetkoming
schade bij rampen en zware ongevallen niet langer of slechts gedeeltelijk
mogelijk is. Ik realiseer mij dat dit een heel technisch verhaal is. Is de
minister bereid hier in een brief op in te gaan om de onduidelijkheid weg
te nemen? Heeft de Wet tegemoetkoming rampen en zware ongevallen
nog wel betrekking op toekomstige schade als gevolg van overstromingen?
Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Er staat veel op de agenda en daarom
trek ik geen tijd uit voor een inleiding. Ik begin onmiddellijk met mijn
inbreng en wel met een aantal opmerkingen over de kustveiligheid. Ik heb
een werkbezoek gebracht aan Castricum, op uitnodiging van bezorgde
mensen die mij rondleidden langs het strand en de duinen. Op de lijn
tussen het strand en de duinen en zelfs daarvoor wordt massaal
gebouwd. Nu weet ik wel dat buitendijks bouwen af en toe kan, maar in
mijn beleving kan dit niet. Wij moeten hiernaar kijken, want het gaat hier
niet om kustveiligheid, maar om mooie gebouwen voor toeristen waar
geld aan kan worden verdiend. In hoeverre wordt de kustveiligheid hierbij
betrokken? Hoeveel ruimte hebben provincie en gemeente zich hier
toegeëigend? Is er wel een goede toets geweest? Laten wij dit alsjeblieft
niet op meer plaatsen doen, want dit komt echt niet goed.
Ik ben het eens met de aanpak van de minister van de meerlaagse
veiligheid. Dit is een goede manier om te voorkomen dat ons land achter
een grote muur verdwijnt, terwijl een gezamenlijke en integrale aanpak
ook tot veiligheid kan leiden. Deze nieuwe methode vraagt echter om een
andere manier van denken over waterkeringbeheer en om andere
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
7
technische kennis. Mijn fractie is van mening dat aan dit principe meer
aandacht moet worden geschonken, in samenwerking met de Technische
Universiteit Delft. Wij staan aan het begin van deze ontwikkeling en wij
moeten de discussie niet nu al sluiten en voor een methode kiezen, omdat
er nog veel vraagtekens zijn. Dat is niet erg, maar het is wellicht een
goede gedachte om een leerstoel meerlaagse veiligheid in te stellen. Ik
heb laatst een lange discussie gevoerd met iemand van de TU Delft en
toen bleek dat wij in twee totaal verschillende werelden leven. Dat was
een waterkeringbeheerder die alleen in nog hogere dijken denkt, anders
zou er geen veiligheid mogelijk zijn. Ik ben van mening dat wij elkaar
moeten helpen. Misschien is het een goede gedachte dat de minister aan
het begin staat van deze leerstoel.
De fractie van de Partij van de Arbeid dringt erop aan dat een aantal grote
projecten wordt benoemd die als pilot kunnen dienen voor dit principe. Al
lerende kunnen wij ervaring opdoen en wij mogen niet de fout maken dit
allemaal vanaf de tekentafel te willen regelen. Wij zijn er niet met
evacuatieplannen en laag 2 en laag 3.
In onze lage delta hebben wij veel nutsvoorzieningen in laag 2. Daarvoor
staan wij met onze ruimtelijkeordeningsprincipes nog aan het begin.
Water komt nog niet eens voor in de Omgevingswet, dus er is nog een
lange weg te gaan. Die weg moeten wij met elkaar afleggen en wij
moeten waar mogelijk verbindingen zoeken.
Mijn medewerker stuitte op een heel leuk proefschrift met de titel De
mythe van droge voeten; het is van Heems en Kothuis van september
2012. Het heeft betrekking op de herkenning en erkenning van deze mythe
en de beleving van veiligheid, maatschappelijk solide oplossingen en het
serieus nemen van emoties. Dit kan dienend zijn voor dit traject. Als wij
nu kijken naar de watersnood bij onze oosterburen die ons dicht nadert,
zal duidelijk zijn dat de mythe van droge voeten bij ons allen tussen de
oren moet zitten.
Wat vertel je in buitendijkse gebieden waar nu meer dan basisveiligheid is
gegarandeerd? Waarom geldt die basisveiligheid niet voor iedere
inwoner? De verantwoordelijkheid voor de buitendijkse gebieden wordt
overgedragen aan de gemeenten. Een groot deel van Rotterdam zal er
dan slecht vanaf komen. Ik denk dat specifieke situaties als in Rotterdam,
Dordrecht en Almere erom vragen dat de minister nog eens contact
opneemt met betrokkenen over de vraag hoe wij hiermee omgaan. Het is
te gemakkelijk om te zeggen dat buitendijks niet meer meedoet. Volgens
mij vraagt dit om een zorgvuldig traject. Zal de minister verder van
gedachten wisselen over de vraag hoe een en ander kan worden
aangepakt?
Ik ben benieuwd wat de minister intussen heeft besproken met de
Veiligheidsraad. Welke voorwaarden stelt zij aan de veiligheidsregio’s?
Welke criteria worden toegepast voor de meerlaagse veiligheid?
Is de minister van plan om het wettelijk instrumentarium van de watertoets aan te scherpen en dit juridisch te verankeren?
Uit de notitie Water in beeld blijkt dat er minder zal worden uitgegeven.
De doelmatigheidswinst is echter niet inzichtelijk. Er wordt een visitatiecommissie ingesteld, maar de vraag is met welke normen die commissie
aan het werk gaat.
De heer Bosman heeft al gesproken over de nieuwe activiteiten van de
waterschappen, maar hij heeft er ook op gewezen dat zij geen risico’s
mogen nemen met publiek geld. Hij heeft daarmee een punt.
In het kader van de verdrogingsproblematiek heb ik op 20 december een
motie ingediend over de topgebieden. Daarin pleit ik ervoor om de
zoetwatervoorziening, waterbeheer en natuur zo veel mogelijk te koppelen
en zodoende verbeteringen aan te brengen. Ik verwijs bijvoorbeeld naar
de vennen in Brabant waarvoor dit een goed traject zou zijn. Is de
motie-Lucas van tafel, nu er een ander waterbeleid is geformuleerd?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
8
De heer Van Gerven (SP): Mevrouw Jacobi sprak over de buitendijkse
gebieden. Ik constateer dat het kabinet die problematiek over de dijk
gooit, om het zo maar eens te zeggen. Wat vindt haar fractie daarvan?
Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik denk dat het verstandig is dat wij eerst goed
in beeld krijgen over welke buitendijkse gebieden wij spreken. Ik heb het
voorbeeld van Rotterdam genoemd waar minstens vier grote gebieden –
Katendrecht, de Wilhelminapier, de Kop van Zuid en de stadshaven – niet
langer in de veiligheidszone zouden liggen. Dat lijk mij onverantwoord.
Misschien heeft de minister dat niet bedoeld, maar ik lees het als:
buitendijks is buitendijks en daar ga ik niet meer over. Wij moeten op z’n
minst die gebieden goed in beeld krijgen en dan moet er een zorgvuldig
traject worden afgelegd met de verantwoordelijken voor die gebieden,
opdat de basisveiligheid daar ook goed is geborgd, hetzij door inspanningen van gemeenten en provincies, hetzij door samenwerking met het
Rijk. Je kunt dit echter niet zomaar over de schutting gooien.
De heer Van Gerven (SP): De minister zegt dat het aan de gemeenten
wordt gelaten. Die moeten het nu maar uitzoeken. Wie betaalt de rekening
als het misgaat? Dan geeft de gemeente waarschijnlijk ook niet thuis. Is
mevrouw Jacobi van mening dat er bij dat soort beslissingen op
rijksniveau moet worden meegekeken en dat uiteindelijk ook op dat
niveau beslissingen moeten worden genomen?
Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb al twee keer gezegd dat er een zorgvuldig
en inzichtelijk traject moet worden afgelegd. Het Rijk is, in sommige
gebieden meer en in andere gebieden wat minder, medeverantwoordelijk
om in het hele traject van de meerlaagse veiligheid van buitendijkse
gebieden zorgvuldig te handelen en goede afspraken te maken.
De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Wij wachten het antwoord van de
minister over de buitendijkse gebieden af. Dit wordt zeker vervolgd.
De schade in New York is ten gevolge van het shabby veiligheidsbeleid
opgelopen tot 35 miljard dollar. Dat bewijst toch maar weer dat met
veiligheid niet mag worden gemarchandeerd, zeker niet in een land als
Nederland, waar 60% van het oppervlak onder NAP ligt en steeds meer
economische activiteiten onder het Amsterdams Peil plaatsvinden.
De heer Bosman (VVD): De heer Van Gerven zegt dat wij niet met
veiligheid mogen marchanderen. Dit is misschien niet het aangewezen
onderwerp om daarnaar te vragen, maar is de SP dan ook voor een betere
defensie?
De heer Van Gerven (SP): Het vraagstuk van defensie moeten wij niet
nationaal oplossen, maar in collectief verband. De heer Bosman moet dat
debat maar voeren met mijn collega’s die het woord voeren over
defensie. We hebben het hier over waterveiligheid en dat is een nationale
aangelegenheid.
Ik sprak over de financiële kant van de waterveiligheid. Een derde van
onze belangrijkste dammen en dijken voldoet volgens de laatste inspectie
niet aan de veiligheidsnormen van 1960. Nu wordt in de discussie gezegd
dat deze normen weer een factor 10 hoger moeten zijn. Als wij dat doen,
wat betekent dat dan? Leidt dat ertoe dat bijvoorbeeld 40% niet aan de
normen voldoet? Hoe ziet de minister dit in relatie tot het geld dat
beschikbaar is voor deze problematiek? Er wordt geen inflatiecorrectie
doorgevoerd en alles is dichtgetimmerd. Alles ligt vast en tot 2028 kan er
nog nauwelijks iets worden gedaan. Hoe ziet het kabinet dat?
Ik heb wel een suggestie voor de minister. Ik geef haar in overweging om
te kijken naar de bypass bij Kampen. Daar gaat 200 miljoen in het putje,
want er is geen woningontwikkeling meer voorzien. Het is toch een beetje
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
9
idioot om dat plan uit te voeren voor jachthavens en voor dure vergezichten van ambitieuze wethouders die al vertrokken zijn als het gerealiseerd is? Dit is naar mijn mening een slechte keuze en een onnodige en
dure variant. Wil de minister dit opnieuw bezien?
Een andere keuze is de heroverweging van de buitendijkse bescherming
van dertien kustplaatsen. Vindt de minister dit een rijkstaak? Wij moeten
dit niet alleen bij gemeenten en provincies leggen, want die keuren hun
eigen vlees en ook hun eigen financiële vlees. Dat lijkt mij niet verstandig.
Ik vraag ook aandacht voor de plannen voor meerlaagse veiligheid. De
SP-fractie is van mening dat de veiligheidsnorm moet worden behaald
met de eerste laag. Met andere woorden, de primaire waterkering moet
het aantal overstromingen beperken. Die tweede en derde laag zijn extra
en dat is mooi, maar de primaire laag moet het uitgangspunt zijn. De Unie
van Waterschappen is ook benieuwd naar de borging bij het uitblijven van
beslissingen over meerlaagse veiligheid, de ruimtelijke inrichting en de
rampenbeheersing.
De minister heeft ongetwijfeld ambities, maar welke gevolgen hebben de
nieuwe bezuinigingsrondes voor het Deltafonds? Hoe hard zal zij zich voor
het Deltafonds maken? Nederland is toch echt een waterland. Daarom
moet bij ruimtelijke plannen de bestaande watertoets worden verbeterd,
door landelijk standaard eisen te stellen aan de inhoud van de toets. Zo
zorgen wij er ook voor dat ruimtelijke ontwikkelingen geen risico
opleveren voor de waterveiligheid en zo veel mogelijk leiden tot verbetering van de waterkwaliteit.
Ik begrijp dat de waterkwaliteit nu ook onder het Deltafonds wordt
gebracht. Klopt dat? Als dat praktisch en pragmatisch is, is het goed om
dingen samen te voegen, maar de vraag is of dit tot gevolg heeft dat met
minder geld meer moet worden gedaan. Of komt er geld bij?
Ik heb de indruk dat de aangekondigde koerswijzigingen vooral zijn
ingegeven door geldgebrek en verdergaande bezuinigingen. Naar mijn
mening moet de langetermijnvisie uitgangspunt van beleid zijn en niet het
feit dat de budgetten knellen. Geluk is niet te koop, maar voor veiligheid is
veel te kiezen en niets te laten.
De heer De Graaf (PVV): Voorzitter. Ook ik begin namens mijn fractie met
een compliment voor alle mensen van Hunze en Aa’s die de afgelopen tijd
hebben geholpen in Duitsland om weerstand te bieden tegen de overstromingen. Wil de minister die complimenten overbrengen?
Ik citeer uit het regeerakkoord: «Het kabinet zet zich in voor de export van
producten, kennis en kunde van de watersector.» Is deze passage ook van
toepassing geweest op de ramp die onze oosterburen en de Tsjechen
heeft getroffen? Er is fysieke hulp geboden en wij hebben gisteren in het
Journaal zelfs een Nederlandse zandzakkenvulmachine aan het werk
gezien. De verbazing dat men daarover niet in Duitsland beschikt, zegt iets
over de voorsprong die Nederland heeft, ook al gaat het soms om heel
simpele oplossingen.
De problemen waren natuurlijk al een week gaande. Als wij onze kennis
en kunde willen exporteren, is het de vraag hoeveel communicatie er met
Duitsland is geweest. De PVV is voorstander van hulp als mensen in nood
verkeren. Als dat op twaalf uur vliegen van Nederland gebeurt, zijn wij
dertien uur later ter plaatse. Nu is hulp nodig bij onze oosterburen en
duurt het een week, terwijl er vijftien doden zijn gevallen. In Cobouw las ik
dat de Nederlandse waterbouw geen pasklare oplossingen heeft voor de
ondergelopen gebieden in Duitsland. In hoeverre strookt dit met de
doelstellingen in het regeerakkoord?
Ik zie nog meer kansen voor de Nederlandse waterkennis en wel in het
aloude Nieuw Amsterdam, tegenwoordig New York geheten. Daar wil
men 20 miljard uitgeven aan waterveiligheid. Daarbij is in ieder geval één
groot Nederlands bedrijf betrokken. Hoe bevordert de minister dat Nieuw
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
10
Amsterdam met zo veel mogelijk kennis en kunde wordt geholpen en dat
Nederland daarmee centjes kan verdienen?
Met de meerlaagse veiligheid kom ik terug bij het Nederlandse beleid. Een
integrale aanpak klinkt mooi, maar de vraag is hoe de financiële verhoudingen over de drie lagen zijn verdeeld. Wordt daarbij uitgegaan van vaste
percentages of wordt de financiering per project geregeld? Wat gaat er
naar preventie, wat naar crisismanagement en wat naar ruimtelijke
inpassing? De verhouding zou 5% preventie, 5% crisis en 90% ruimtelijke
inpassing kunnen zijn. Bestaat deze verhouding ook? Kan de minister
uitleggen hoe dit in zijn werk gaat?
De Unie van Waterschappen heeft de Kamerleden een brief gestuurd. De
unie pleit voor enkele pilots met de meerlaagse veiligheid om te bezien
hoe dit in de praktijk werkt. Mijn fractie heeft daar geen moeite mee, maar
ik hoor graag met welke kaders er wordt gewerkt.
Tijdens het wetgevingsoverleg Water in december hebben wij gezegd dat
wij ons meer moeten richten op de communicatie over waterveiligheid.
Dit gebeurt naar onze mening nog onvoldoende. Welke stappen zijn er
sindsdien gezet? Welke rol spelen de media? Hoe worden zij aangestuurd
door het ministerie?
In de brief staat dat de kans op overlijden van een individu ten gevolge
van een overstroming niet groter mag zijn dan 1:100.000 per jaar. In
Nederland wonen negen miljoen mensen in de potentiële overstromingsgebieden. Wat betekent dit? Hoeveel mensenlevens worden er per jaar
ingecalculeerd? Eén keer op de hoeveel jaar mag in Nederland een dijk
doorbreken als dit wordt omgerekend naar het overlijdensrisico? Kunnen
wij een risico van één keer in 100 jaar accepteren of wordt het 1:10.000 of
1:100.000?
Onder ambtenaren en waterspecialisten is discussie ontstaan over nut en
noodzaak van de watertoets. Mijn fractie is van mening dat sommige
gebieden in Nederland niet aan een watertoets hoeven te voldoen. Zal de
minister een verplichte watertoets opnemen in de Omgevingswet? Wij
zien dit liever niet en pleiten ervoor dat de toets wordt opgenomen in een
decentrale doelstelling, opdat decentrale overheden per keer kunnen
bekijken of die watertoets nodig is of niet. Het zou zonde zijn als een
hooggelegen gemeente zonder waterissue geld besteedt aan een
watertoets.
Schorsing van 14.11 uur tot 14.16 uur.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Ik zie dat
er nog een paar Kamerleden ontbreken, maar mijn antwoord zal hen wel
via andere lijnen bereiken.
Ik begin met de basisveiligheid en de discussie die ik met de aprilbrief
over nieuwe normen heb aangewakkerd. Die discussie loopt vooruit op
het Deltaprogramma dat in de zomer van volgend jaar wordt uitgebracht.
Nu deze discussie al in de regio’s wordt gevoerd en bij andere
bestuurders en waterschappen wordt afgetast hoe over dit beleid wordt
gedacht, lijkt het mij goed om niet tot volgend jaar te wachten met de
presentatie van het nieuwe beleid. Anticiperend daarop heb ik de Kamer
willen informeren.
In de brief schrijf ik dat het mijn voornemen is om met de Deltacommissaris te komen tot een nieuwe normering. In die normering wordt meer
rekening gehouden met economische belangen en overlijdensrisico’s en
niet alleen met het overschrijdingsrisico – het risico dat het water over een
dijk stroomt – maar ook met de gevolgen daarvan. Bij de ene dijk heeft dat
immers totaal andere gevolgen dan bij de andere dijk. De Deltacommissaris zal daarover een advies uitbrengen. Daarnaast kijken wij niet alleen
naar de vraag hoe je dit technisch oplost, maar zoeken wij ook naar
oplossingen door de ruimtelijk inbedding en naar de mogelijkheden van
evacuatie.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
11
De leden hebben over alle punten gesproken en ik zal deze daarom
langslopen. Het Deltaprogramma komt volgend jaar. Dan komt ook de
precieze invulling ervan.
Ik begin met de vragen over de communicatie over basisveiligheid. Naar
aanleiding van een motie van de leden Lucas en Van Veldhoven is het
uitgangspunt dat de basisveiligheid op 10–5 wordt vastgesteld. Dit
betekent dat voor iedere Nederlander een gelijk basisniveau voor
veiligheid wordt gegarandeerd. Dit kennen wij ook voor andere zaken als
tunnelveiligheid of het risico dat een vliegtuig op je hoofd valt. Dit leidt
ertoe dat ieder individu gelijke veiligheid heeft, maar in sommige
gebieden wonen nu eenmaal meer mensen en dan is het groepsrisico vele
malen hoger. Waarom zouden wij dan niet in gebieden waar die risico’s
relatief groot zijn en veel mensen wonen of veel economische schade kan
ontstaan, een extra veiligheidsniveau toevoegen? De basisveiligheid per
individu is dus hetzelfde geregeld, maar voor een groep willen wij soms
wat extra bescherming bieden. Hierover zullen wij goed moeten communiceren.
In diezelfde motie-Van Veldhoven/Lucas wordt gesteld dat er geen
achteruitgang mag plaatsvinden. Ook in dit geval is communicatie
belangrijk. Er zijn nu inderdaad regio’s waar het basisveiligheidsniveau
hoger ligt, als je het omrekent naar het uitgangspunt 10–5. Dit is bijvoorbeeld het geval in het noorden van het land. Ik ben niet van plan om de
dijken daar te gaan afbreken tot zij die norm van 10–5 hebben bereikt,
maar het basisveiligheidsniveau moet overal 10–5 zijn en dat betekent dat
ik de komende jaren niet blijf investeren tot overal de norm van 10–7 is
bereikt waar die dijken nu aan voldoen. Ik laat de huidige fysieke
constructie in stand. De dijken zullen daardoor nog veel jaren boven de
norm van 10–5 zitten, maar ik zal ze niet verder ophogen. Waarom zou in
het noorden 10–7 moeten gelden terwijl in de rest van het land 10–5
geldt? Ik zorg dat er in fysiek opzicht geen achteruitgang is ten opzichte
van de huidige situatie en daarmee voldoe ik naar mijn mening aan de
motie-Van Veldhoven/Lucas. De communicatie is natuurlijk belangrijk,
want mensen zullen erop wijzen dat zij er in de normstelling op achteruitgaan. Wat mij betreft gaat het echter om de feitelijke situatie.
Op sommige terreinen ga ik extra dingen doen. In antwoord op de vragen
wat ik waar zal doen, verwijs ik naar het Deltaprogramma. In dit kader
wordt nu bekeken waar de grote gevaren voor Nederland zijn. Waar
komen bijvoorbeeld zee en rivieren bij elkaar en wonen ook nog eens heel
veel mensen? Dat kan natuurlijk al een beetje worden voorzien. De leden
hebben ook al regelmatig gesprekken gevoerd met de Deltacommissaris;
zij weten ook wel een beetje welke kant het opgaat. Een paar locaties in
Nederland hebben extra bescherming nodig, omdat de economische
schade en het aantal mensenlevens dat daar in het geding is, vele malen
groter kunnen zijn dan elders.
De heer Van Gerven (SP): Ik moest dit even op mij laten inwerken en ik
weet niet of ik het goed heb gehoord. Zegt de minister nu dat de normen
niet zo veel uitmaken, maar dat het gaat om de feitelijke situatie?
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De norm is voor mij
heel belangrijk. Wij garanderen ieder individu een basisveiligheid van
10–5. De discussie die is ontstaan, gaat over de vraag wat dit betekent
voor de regio’s nu het ene systeem wordt omgebouwd tot een ander.
Iedereen kijkt natuurlijk wat dit betekent voor zijn huidige situatie. De
discussie gaat ook over de vraag of er sprake is van achteruitgang of niet.
In een gebied dat zo goed is beveiligd dat de norm 10–7 is, zal er de
komende jaren niet worden geprobeerd aan die norm vast te houden.
Uiteindelijk zal in de loop van misschien wel een eeuw, een situatie
ontstaan van 10–5, gelijk aan de situatie in andere regio’s. Het is echter
absoluut niet mijn bedoeling om op plaatsen waar het veiligheidsniveau
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
12
nu 10–7 is, dijken te gaan afbreken en het niveau terug te brengen tot
10–5. Men houdt daar dus heel lang een hoger niveau dan de standaard.
Er is dus geen achteruitgang in de feitelijke situatie. Wel heeft men de
indruk dat er sprake is van achteruitgang ten opzichte van de norm die in
het verleden gold, maar wij maken nieuwe normen. Hieruit blijkt hoe
gevaarlijk die discussie is. Het is bijna een definitiekwestie, maar mensen
gaan er feitelijk niet op achteruit.
De heer Van Gerven (SP): De norm van 10–5 is inclusief rampenbestrijding. De dijk voldoet dan aan een norm van 10–3. Is dat voldoende?
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Dit heeft te maken
met de opmerking dat de eerste laag moet prevaleren en de vragen naar
evacuatie en ruimtelijke inrichting. Het moet een robuuste bescherming
zijn. Daarom kijk je vaak in eerste instantie naar technische of ruimtelijke
oplossingen. Ruimte voor de Rivier is bijvoorbeeld ook een ingreep met
ruimtelijke consequenties. Dit wordt lang niet in alle gebieden gewaardeerd. Niet iedereen wil een steeds hogere dijk voor zijn neus. Daarom
wordt op sommige plaatsen gesproken over de vraag of een andere
oplossing mogelijk is om tot hetzelfde beschermingsniveau te komen. Een
ruimtelijke ingreep biedt wellicht die mogelijkheid. Zo moeten in
Dordrecht op een bepaalde plaats de dijken worden verhoogd. Men wil
daar ook graag bouwen en daarom is gevraagd of er misschien een pand
kan worden gebouwd op een hoge terp. Die terp kan het hele jaar voor
recreatie worden gebruikt en als er dan eens extra hoog water is, geldt hij
ook als dijk. Dan heb je het over een andere laag. Ik ben van mening dat
dergelijke oplossingen ook moeten kunnen, maar dan moet je het er wel
over eens zijn.
Bij evacuatie is de vraag vooral in welk gebied je woont en hoe groot de
kans is op een evacuatie. Evacuatie in een rivierengebied werkt anders uit
dan in de Randstad. Evacuatie is in de Randstad complexer doordat er een
kortere tijd beschikbaar is, het gebied dieper ligt en de inwoners de
snelweg niet op kunnen doordat die ook onder water staat. Daar kun je
dus minder maatregelen nemen die de veiligheid verhogen door middel
van evacuatie. Of je dan kiest voor evacuatie, fysieke maatregelen of een
ruimtelijke invulling is afhankelijk van de vraag waar je per dijk of dijkring
uitkomt.
Met die dingen willen wij in de komende periode oefenen. Wij gaan nu
pilots opzetten om eruit te komen en vast te stellen hoe wij dat kunnen
doen. Verder moeten wij vaststellen hoe het zit met de bekostiging.
Ruimtelijke maatregelen komen vaak terecht bij een gemeentebestuur,
terwijl het Rijk en de waterschappen verantwoordelijk zijn voor technische
dijkmaatregelen.
Ik probeer een systeem op te bouwen dat ieder individu basisveiligheid
biedt, maar ik wil tegelijkertijd flexibiliteit inbouwen om in ons drukbevolkte land een situatie te creëren waarin wij kunnen blijven ontwikkelen
terwijl de veiligheid is gegarandeerd. Ik vind de boulevard in Scheveningen een mooi voorbeeld daarvan. Daar is het duin gecombineerd met
de boulevard. Een ander voorbeeld is de duin-/dijkconstructie die in
Katwijk komt; daarin wordt een parkeergarage gerealiseerd. Aan die
dingen moeten wij in de toekomst gaan denken.
Mevrouw Hachchi (D66): Het is goed dat de minister alvast iets meer
beeld en geluid geeft bij het traject dat zij doorloopt en bij de pilots. De
Kamer wordt hierover volgend jaar geïnformeerd in het Deltaprogramma.
Wanneer kan zij dat verwachten?
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Volgend jaar zomer
wordt het aan mij aangeboden en ik ga ervan uit dat ik het dan snel kan
doorsturen. Ik weet niet of er dan meteen een kabinetsreactie komt of
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
13
later, maar de Deltacommissaris heeft een eigenstandige rol en hij kan
ervoor zorgen dat wat hij aan mij aanbiedt, ook direct inzichtelijk is voor
de Kamer. Ik heb met hem afgesproken dat wij niet tot die tijd wachten,
want dit zijn belangrijke trajecten. Ik wil weten hoe de Kamer hier in zit.
Gelukkig hoor ik in meerderheid steun voor die ontwikkeling, anders heeft
het niet zo veel zin om het nu met alle regio’s te bespreken.
Dit vergt zeker een andere manier van denken. Dit heeft immers tot gevolg
dat er niet alleen traditionele toetsrondes zijn met traditionele technische
oplossingen. In het kader van het Deltaprogramma wordt gewerkt aan een
kennisplatform om het principe van meerlaagse veiligheid uit te werken.
Daarin wordt samengewerkt met onder andere de heer Bas Jonkman van
de TU Delft, met Deltares en met het Expertisenetwerk Waterveiligheid
(ENW). Er zijn dus diverse spelers met dit vraagstuk bezig.
Ik ga ook maar meteen in op de andere vraag. Bouwen met natuur hangt
er ook mee samen. Ik vind dat zelf heel belangrijk en ik zie er zelf op toe,
maar in het beleid van Rijkswaterstaat is er ook een interne push om te
proberen buiten de bestaande kaders na te denken over nieuwe methodes
die dit kunnen versterken. De zandmotor vind ik een heel goed voorbeeld,
ook al is er wel wat gedoe mee geweest. Er was onlangs een minister uit
Singapore op bezoek, die heel graag naar onze zandmotor wilde kijken en
die wilde zien hoe wij polderen. Hij kreeg altijd zand van de omliggende
buren om het land in stand te houden, maar die hielden ermee op of zij
vroegen te veel geld en nu wilde hij graag onze methodieken bekijken.
Sowieso is alle technologie rond het water volgens mij heel belangrijk als
exportproduct, niet alleen omdat ons bedrijfsleven daarmee kan
verdienen, maar ook omdat je in alle landen waar je actief bent, ervaring
opdoet. Als onze mensen daar ervaring opdoen, kunnen zij ook innovaties
toepassen waarvoor wij zelf misschien op dat moment even geen plek
hebben. Dat betekent dat we die kennis ook weer kunnen gebruiken in
eigen land.
Daarnaast ben ik met Rijkswaterstaat aan het bekijken of we een soort
proefdijk kunnen krijgen, waar je van alles en nog wat zou kunnen
toepassen, zonder dat het onmiddellijk risico gaat opleveren. Zo moet je
volgens mij blijven investeren in de nieuwste technologie en de nieuwste
activiteiten.
De discussie over basisveiligheid hangt samen met de discussie over
buitendijks bouwen. Ik heb daarin geen enkele beleidsverandering
ingezet. In Nederland heeft altijd gegolden dat buitendijks bouwen voor
de verantwoordelijkheid is van de gemeenten. Het Rijk heeft altijd gezegd
binnendijks de volledige verantwoordelijkheid te nemen om ervoor te
zorgen dat mensen beschermd zijn en dat men niet buiten de dijken moet
bouwen. Als men dat toch wil doen, om redenen zoals toerisme of wat
dan ook, dan is dat voor de eigen verantwoordelijkheid. Dat zeggen we
altijd en dat blijven we nadrukkelijk zeggen, omdat we altijd de angst
hebben dat als er een zekere hoeveelheid buitendijks wordt ontwikkeld,
iedereen zegt dat het toch wel zielig is en dat we daar ook maar een ring
omheen moeten leggen. Dat brengt gigantische kosten met zich. Er wordt
vaak rekening mee gehouden dat het buitendijks ligt, ook door de
gemeenten die het betreft. Zij hebben dat bewust gedaan.
Er is ook gevraagd of we er dan helemaal niet naar omkijken. Dat is niet
zo, want soms veranderen we de legger. Op Vlieland en Terschelling zijn
we bezig om die legger te veranderen. Bij de 13 kustgemeentes hebben
we gekeken of we een oplossing konden bedenken, en uiteindelijk is
zandsuppletie daar het beste gebleken. In het kader van het Deltaprogramma zijn we ook in gesprek met steden als Rotterdam en Dordrecht
over de vraag wat zij kunnen doen aan ruimtelijke inrichting of andere
dingen om buitendijks beter te beschermen. Als men mij zou vragen om
daar ook 10–5 te doen, zou dat gigantische consequenties hebben in het
hele land. Dat zou ook een beleidswijziging zijn ten opzichte van wat altijd
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
14
de afspraak was. In het laatste Deltaprogramma van 2011 staat volgens
mij expliciet vermeld dat buitendijks behoort tot de gemeentelijke
verantwoordelijkheden.
Ik ben onlangs weer in New York geweest. Daar heb ik gezien wat er kan
gebeuren als industrieterreinen overstromen en als dat water vervolgens
weer woonwijken instroomt. Op zulk soort momenten ben ik ook actief
aan het kijken wat dat bij ons voor consequenties zou hebben, maar dat is
nog iets anders dan om het naar me toe te trekken en er ook een dijk
omheen te leggen. Dat is ook niet overal gewenst.
Er is ook gevraagd of men kan bouwen in Castricum en of dat gevolgen
heeft voor de kustveiligheid. Als het in de duinen is of in het beschermingsgebied, is het waterschap altijd degene die zegt of het kan of niet.
Als het niet kan of niet mag, omdat het een gevaar is voor de kustveiligheid, dan wordt het ook niet toegestaan. Het gaat bijna altijd om
strandtenten die weer afgebroken worden. Als het flats zijn, dan moet het
zijn op plekken waar het toegestaan is.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb niet voor niets dit bezoek aan Castricum
genoemd als een voorbeeld, want het zijn geen strandtenten, maar hoge
gebouwen die daar vast blijven staan en wel zodanig dicht bij de zee dat ik
mij afvraag of wij daar normen voor hebben en of daar zorgvuldigheid
betracht wordt. Ik ben toch niet helemaal een leek, maar ik kijk daar echt
wel naar met het idee dat we dat niet moeten willen.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik krijg net een
spiekbriefje over de specifieke situatie in Castricum. In algemene zin
bepaalt het waterschap of iets kan of niet. Er zijn veel meer aanvragen en
veel daarvan worden afgewezen in het kustgebied. Ik begrijp dat de
bebouwing op het strand bij Castricum tijdelijk is. Er is een vergunning
voor vijf jaar, die loopt tot 2014, waarbij de provincie haar fiat heeft
gegeven voor de ruimtelijke consequenties en waarbij Rijkswaterstaat
heeft bekeken of het consequenties heeft voor het onderhoud van de kust.
Kennelijk heeft dat niet geleid tot bezwaren. Ik begrijp dat het een tijdelijk
project is, maar ik houd even een slag om de arm, want ik ken de
specifieke situatie niet. In algemene zin kan men niet zomaar aan de kust
bouwen.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik vind het toch wel boeiend dat we het hebben
over kustveiligheid, waarbij er miljoenen worden besteed aan de
zandmotor, terwijl er op cruciale plekken echt dure gebouwen staan. Ik
kan mij niet voorstellen dat je dat risico neemt als deze er maar voor vijf
jaar mogen staan. Ik zou het erg op prijs stellen als we nog een brief
zouden krijgen van de minister waarbij Rijkswaterstaat deze situatie nog
eens beoordeelt in relatie tot de algehele kustverdediging. Ik weet niet of
de provincie hierover contact heeft gehad met Rijkswaterstaat, maar het
lijkt mij toch wel een beetje cowboygedrag wat daar gebeurt.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voordat mevrouw
Jacobi allerlei beelden de wereld in slingert, lever ik graag een brief aan,
want ik wil even kijken hoe het daar feitelijk zit. Er zijn natuurlijk wel vaker
gebouwen dichtbij zee, zoals het Kurhaus in Scheveningen, waar je zo het
strand op loopt. In principe kan dat ook op een aantal plekken.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Het is veel dichterbij.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik moet even de
specifieke situatie zien, maar nogmaals, je kunt niet zomaar iets bouwen.
Je moet altijd eerst langs de kustverdedigers en dat zijn wij en de
waterschappen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
15
Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik vind het ook heel bijzonder dat het voor vijf
jaar is, als het allemaal zo zeker is.
De voorzitter: Ik neem aan dat de minister dat aspect in haar brief zal
meenemen.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik kom er graag op
terug.
Er is ook gevraagd of deze koerswijziging is ingezet uit geldgebrek. Dat is
niet het geval. De vorige Deltacommissie, in de jaren zestig, had eigenlijk
al de wens om het risico veel meer mee te nemen. Alleen had men toen
niet de modellen ter beschikking die wij nu wel hebben om dat inzichtelijk
te maken. Heel lang hebben wij gedacht dat er als een dijkring doorbreekt,
overal meteen water in staat, maar dat is niet het geval. Op sommige
plekken gebeurt er meer dan op andere plekken. Na het project Veiligheid
Nederland in Kaart, dat enkele jaren geleden is gestart, hebben wij daar
veel meer zicht op en kunnen wij veel concreter toerekenen waar de
risico’s zitten.
Het is dus niet ingegeven door geldgebrek, maar dit traject is al veel
eerder gestart. De heer De Graaf heeft gevraagd of er een verhouding is
tussen de lagen. Daarover is nog niets afgesproken. Er is alleen gezegd
dat je niet alleen moet kijken naar de technische aspecten, maar ook of
een ruimtelijke of andersoortige oplossing soelaas biedt, zodat je mensen
in een gebied niet alleen met één oplossing opzadelt. Ik denk dat het toch
heel vaak eerst gaat om preventie en waarschijnlijk minder om evacuatie,
maar hierover is geen percentage afgesproken. Ik denk dat dit in de
toekomst ook niet zal gebeuren, maar dat altijd per project wordt bekeken
wat verstandig is.
De heer De Graaf had het over een pilot en dat lijkt mij ook goed. Hij heeft
ook gevraagd hoe vaak een dijk mag doorbreken. Dat berekenen we niet,
want eigenlijk is dat helemaal niet interessant. Een dijk kan doorbreken
zonder gevolgen of met kleine of grote gevolgen. We hebben ooit in de
zomer een dijkdoorbraak in Wilnis gehad, als gevolg van droogte. Ik moet
het niet onderschatten, maar daardoor gleed één huis weg en nog een
paar hadden schade. Dat is natuurlijk een totaal ander effect dan wanneer
je echt ernstige overstromingen in een gebied hebt. Daarom kijken wij niet
naar de kans dat een dijk doorbreekt, maar naar het risico voor een
gebied. Als de communicatie beter wordt, kun je bijna op postcodeniveau
zien of het doorbreken van de dijkring op de plaats waar je woont, effect
heeft of dat je rustig kunt blijven zitten.
De heer Bosman (VVD): Dan krijg je toch het volgende. Als je moet
bezuinigen op je primaire kering en daarmee het risico legt bij de
infrastructuur die erachter zit, bij de provincies, zijn dat dan communicerende vaten of niet? Je kunt het risico verleggen van het Rijk naar
provincie en gemeenten. Dan zeg je: wij doen wat minder, maar het
probleem ligt dan bij jullie, dus regel dat.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Je hebt natuurlijk
een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Rijkswaterstaat en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Zoals ik het zie, is er in de toekomst een nieuw systeem op
grond van die nieuwe normering. Dat wordt dan ook in een nieuw
programma omgezet. Er wordt bekeken hoe dat wat nu is afgesproken, de
komende jaren via dat nieuwe programma wordt gedaan. Je hebt een
gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar er zijn duidelijke afspraken over
wie wat doet. Nu komt er een extra opgave bij, namelijk wat je doet met
ruimtelijke vraagstukken. Dat lukt alleen als je samen met zo’n gemeente
of provincie gaat afspreken wie de kosten draagt en verantwoordelijk is.
Stel dat het waterschap zegt dat het met die technische oplossing lekker
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
16
klaar is, terwijl de gemeente het graag anders wil, dan zou er misschien
eerder worden meebetaald dan wanneer het precies andersom gaat en
het waterschap liever een ruimtelijke maatregel wil, omdat die goedkoper
is. Dan kan de gemeente zeggen: wij zitten er niet op te wachten, maar als
u het zelf betaalt, vinden wij het prima. Daarover moet per project
onderhandeld worden. De vraag is dan wie de beste belanghebbende is.
Uiteindelijk worden er een businesscase en afspraken gemaakt.
Dat is ook het leuke van het project Ruimte voor de Rivier in de afgelopen
jaren. Wij hebben bedacht hoeveel waterstandsverlaging er moet zijn. Nu
zeggen wij: wat moet de basisveiligheid zijn. Vervolgens is op basis van
die waterstandsverlaging afgesproken dat in sommige gebieden de rivier
wordt verruimd en dat in andere gebieden de dijken worden verhoogd. Bij
ander gebieden is dat in combinatie met woningbouw of allerlei toeristische ontwikkelingen. Dan zegt zo’n gemeente of provincie dat zij er
graag aan meebetalen, want daar hebben zij ook wat aan. Dat is dus een
heel mooi programma. Dat geldt ook voor de burgers. De ene burger
woont net in een dijkhuis en wil wel uitgekocht worden en ergens anders
opnieuw beginnen, en de volgende zegt: zet mij op een terp en ik ben ook
tevreden. Uiteindelijk is dat proces heel goed gegaan.
Er zijn ook vragen gesteld over de financiering van de waterveiligheid in
relatie tot de waterkwaliteit. Wij hebben op 27 juni een algemeen overleg
over waterkwaliteit en daarvoor kom ik nog met een brief, dus ik zal alleen
op de hoofdlijn ingaan. Ik heb al aangekondigd in deze commissie dat
mijn idee is om waterkwaliteit uiteindelijk ook een plek te geven in het
Deltafonds, omdat de ingrepen die je doet met betrekking tot waterveiligheid, waterkwaliteit en zoet water heel vaak met elkaar samenhangen.
Als je dat wilt koppelen, is het gewoon handiger om dat vanuit hetzelfde
fonds te doen. Bovendien heeft een fonds een langjarige werking. Als het
op onze begroting blijft staan, heb je altijd maar voor vier jaar geld en dan
kan iedere nieuwe bewindspersoon er weer over nadenken hoe hij aan
geld voor waterkwaliteit komt.
Er is de zorg uitgesproken dat dit ten koste gaat van waterveiligheid. Daar
kan ik het volgende op zeggen. Het is mijn intentie om geld voor
waterkwaliteit te vinden om dat toe te voegen aan het Deltafonds. Dat is
er nu niet. Dat is ook complex. Ik kan het misschien ook pas voor een deel
vinden en nog niet helemaal, maar mijn intentie is om toe te voegen en
dus niet om af te doen aan het waterveiligheidsbudget. Dat wordt
vervolgens in dat fonds gestopt.
Dan is de volgende vraag hoe je in de toekomst in de gaten houdt dat het
niet door elkaar gaat lopen. In het Infrafonds kennen we ook budgetten
voor spoor, wegen en waterwegen. Volgens mij moet je ook zo naar het
Deltafonds kijken; dat je daarin schotten hebt zitten, waarbij duidelijk is
wat waarvoor is bedoeld. Als je een project doet, kun je dan wel een
beetje hieruit en een beetje daaruit halen, voor beide aspecten. Daarmee
moet de Kamer dan ook haar controlerende rol kunnen waarmaken.
Mevrouw Hachchi (D66): Ik luister goed naar de minister. Zij zegt letterlijk
dat het haar intentie is om waterkwaliteit daarbij onder te brengen. Ik snap
het belang van de integrale benadering van die twee, maar onderaan de
streep gaat het om de vraag of het ten koste gaat van waterveiligheid, als
waterkwaliteit binnen het budget van het Deltafonds moet. Intenties zijn
mooi, maar duidelijkheid is geboden. Komt er geld bij en is er dan een
integraal budget dat genoeg is voor beide belangen? Of zegt de minister
dat zij dat wel zou willen, maar dat het er nu even niet is?
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik ben op zoek naar
budget vanaf 2015, want tot die tijd staat het op de begroting en vanaf die
tijd is het een soort leeg gat, terwijl er wel wat moet gebeuren op het
gebied van waterkwaliteit. Ik ben nu aan het zoeken binnen de eigen
budgetten hoe ik daarvoor wat kan vinden. Ik kan niet toezeggen dat ik dat
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
17
meteen structureel kan vinden tot 2028, wat de looptijd is van het
Infrafonds, maar ik kan het misschien voor de komende paar jaar vinden.
Als ik dat heb, kom ik met een voorstel om waterkwaliteit toe te voegen
aan het Deltafonds. Met andere woorden, het is niet mijn bedoeling om
het beleidsveld waterkwaliteit toe te voegen om dat vervolgens ten koste
van waterveiligheid te laten gaan. Nee, ik wil graag dat het beleidsveld
waterkwaliteit ook een plek krijgt in het Deltafonds, omdat ik denk dat je
dat veel beter kunt koppelen, maar wel met een eigen budget.
Mevrouw Hachchi (D66): Bedoelingen zijn mooi, maar ik wil graag van de
minister weten hoe de bedragen zijn verdeeld voor het komende jaar. De
minister zegt dat dit al is geregeld. Ik begrijp dat het vanaf 2015 nog niet is
geregeld en dat de Kamer wordt geïnformeerd in hoeverre de minister
haar intentie ook echt kan waarmaken. Ik hoor graag concrete bedragen
voor wat er nu al is geregeld.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Het Deltafonds is
bedoeld voor waterveiligheid en zoetwater. Dat staat ook in de Deltawet.
Het budget voor waterkwaliteit staat op de I en M-begroting. Ik weet de
bedragen niet allemaal uit mijn hoofd, maar dat zit in de begroting die de
Kamer heeft goedgekeurd. Daar heb ik helemaal niets aan veranderd. Ik
kijk gewoon vooruit. Ik denk niet: misschien zijn we er niet meer in 2015.
Mijn opvolgers moeten ook een beetje een leuke tijd hebben. Na 2015
moet er gewoon budget komen voor waterkwaliteit, gezien alle opgaven
die we hebben. Ik heb ook meteen gezegd: wat gek dat er ooit is besloten
om dat apart te begroten; zou je dat niet bij elkaar moeten zetten? In de
eerste discussie die ik met deze commissie had over water, heb ik dat idee
geopperd en ik ben nu aan het zoeken waar ik dat vandaan moet halen.
Dat is geen gemakkelijke opgave. Het is schrapen, maar het is wel mijn
intentie om dat te doen. Ik zal binnenkort laten weten of ik dat gedeeltelijk
of al geheel bij elkaar heb geschraapt. Ik weet dat de commissie vraagt
om het niet te vermengen. Als ik het gedeeltelijk vind, kan ik het maar
voor enkele jaren erin zetten en dan zal het daarna verder geregeld
moeten worden. De commissie wil geen vermindering van het veiligheidsbudget ten bate van waterkwaliteit, dat is mij helder.
Mevrouw Hachchi had een heel betoog dat de korting op het Deltafonds
toch echt op grond van het regeerakkoord was en niet op grond van het
Lenteakkoord. Ik moet het echt hartgrondig met haar oneens zijn. In het
Lenteakkoord is een korting neergelegd die zowel naar het Infrafonds als
naar het Deltafonds is doorgerekend. Daarna is er een korting van 250
miljoen gekomen in het regeerakkoord voor Rutte II. Die heb ik niet op het
Deltafonds laten rusten, maar alleen op het Infrafonds, juist omdat er al
een korting was via het Lenteakkoord. In het Lenteakkoord werd gezegd
dat er voor één jaar niet werd gekort op het Deltafonds, maar in de jaren
daarop moest dat toch zijn plek krijgen. Die 600 miljoen waar mevrouw
Hachchi op doelt, is dus een gevolg van een besluit in het Lenteakkoord.
Het maakt mij niet uit of het door het Lenteakkoord of door het regeerakkoord is, maar het gaat erom dat er geld af is gegaan. Dat betekent dat je
langer over projecten moet doen dan voorheen. Een van de leden heeft
gevraagd wat de gevolgen zijn van die kortingen, nu en in de toekomst.
Elke korting heeft tot gevolg dat je langer over de projecten doet dan je
had gepland. Dat is het bijzondere aan de Waterwet. Er staat wel hoe je
keuringen moet doen. Er staat wel dat iets wordt afgekeurd, maar er staat
niet binnen welke termijn het om zo te zeggen gerepareerd moet zijn.
Soms is dat heel simpel. Een sluis kan worden afgekeurd omdat er geen
handleiding ligt. Daarmee is die sluis niet ineens onveilig, maar dan is er
wel een veiligheidsprobleem. Maar het kan ook veel complexer zijn. Wat
doen we bij dat Hoogwaterbeschermingsprogramma? We bekijken eerst
wat het meest prioriteit heeft en wat je heel simpel en snel kunt oplossen.
Daarna bekijk je wat ook op de langere termijn kan, omdat het nu geen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
18
probleem is, maar wel in de toekomst. Zo werken we met het Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Als het budget kleiner wordt, doe je er gewoon meer jaren over om die
doelstellingen te halen. Daarover is gediscussieerd toen vorig jaar werd
besloten om de keuring van 6 naar 12 jaar te laten gaan en om er een
eindtermijn aan te stellen. Door de Kamer is daar uiteindelijk niet voor
gekozen. Op zichzelf ben ik daar ook wel blij om, want dat geeft ons ook
de flexibiliteit om in te spelen op de vragen die er zijn.
Er komt 360 miljoen voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma uit het
Deltafonds. De helft daarvan wordt door ons betaald en de andere helft
door de waterschappen.
Het is moeilijk om te zien of de nieuwe normering extra kosten met zich
zal brengen. Je zult op een aantal gebieden extra activiteiten moeten
ondernemen, maar in andere gebieden hoef je niet verder op te hogen,
omdat het al voldoet voor de komende jaren. In de komende jaren zal in
beeld gebracht moeten worden of dat budgettair neutraal gedaan kan
worden of niet. Inderdaad is 2050 een stip op de horizon. Niet omdat we
het allemaal lekker lang vooruit willen schuiven, maar in de berekeningen
is rekening gehouden met de economische waarde en het aantal mensen
dat er woont in 2050. In het waterbeleid gaat het niet alleen om vandaag,
maar wordt er altijd toekomstgericht gedacht. Daarom kun je ook langer
over die projecten doen.
Door het CDA zijn nog specifieke vragen gesteld over de waterkwaliteit,
maar die kunnen we volgens mij beter op 27 juni bespreken in het AO
over waterkwaliteit.
De heer Geurts (CDA): Het klopt dat ik daar specifieke vragen over heb
gesteld. Ik hoop dat u die meeneemt in de brief die u nog gaat sturen aan
de Kamer over waterkwaliteit.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Als u dan geen
vragen meer hebt, doe ik dat graag van tevoren.
De heer Geurts (CDA): Dat kan ik u niet beloven, maar in ieder geval heb
ik die vragen dan niet meer, als zij beantwoord zijn.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De SP heeft
gevraagd naar de nieuwe normen. Nu wordt er X% afgekeurd, hoe gaat
dat er dan uitzien? Wordt er dan veel meer afgekeurd? De heer Van
Gerven noemde de factor 10 van de commissie-Veerman, maar deze is
allang losgelaten. Daarvan is gezegd dat deze echt veel te hoog is. Het is
extreem om ons met een factor 10 hoger te beschermen. We zitten al op
ongeveer het hoogste beschermingsniveau ter wereld. Dan zouden we
wel een heel erg hoog beschermingsniveau moeten hebben. Daarbij ging
men uit van de meest extreme klimaatverandering. Je moet er toch een
beetje realistisch in zitten. Wat betekent die nieuwe norm? Dit betekent dat
er in sommige gebieden extra moet worden geïnvesteerd en dat je het in
andere gebieden kunt laten zoals het is. Daar hoef je geen extra investeringen te doen in de komende jaren. Het is nog niet te zeggen hoeveel er
straks zal worden afgekeurd of goedgekeurd, omdat we niet weten in
welke gebieden dat precies gaat plaatsvinden.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Dat is de uitdaging van dit traject. Ik heb gepleit
voor een leerstoel. Daar hebben we het nog niet over gehad, maar wel dat
het een platform wordt. Betekent het zoeken naar die normen ook dat je
niet alleen naar de dijkhoogte kijkt, maar ook naar de breedte? Ik ben een
aanhanger van de Vellingadoctrine. Ik denk dat het interessant is voor de
omgeving om de dijken veel sterker te maken. Dan kun je er meer functies
aan koppelen, ook voor recreatie. Ik hoor hierop graag een reactie. In het
vorige AO hebben we ook gesproken over de veendijken. Er zou bijvoor-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
19
beeld een bezoek plaatsvinden aan de Kwade Zwaan. Wat zijn de
conclusies daarover?
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Volgens mij zijn de
laatste veendijken een project waarbij wordt bekeken of je dat op een
andere manier kunt oplossen, bijvoorbeeld met een pilot, maar ik weet dat
niet precies. Ik noemde al twee voorbeelden aan de kust van brede of
multifunctionele dijken, zoals wij dat noemen. Ik heb onlangs de eerste
schop in de grond gestoken bij Slot Loevestijn, voor een heel brede dijk,
waar bomen op komen en waar mensen kunnen zitten, als er toneelstukken of lichtshows op het kasteel zijn, en waar dieren kunnen lopen,
anders dan nu, want nu staat zo’n koe of schaap altijd scheef op die
dijken. Die dijk kan ook een evacuatieterp zijn bij hoogwater, en ga zo
maar door. Het wordt echt een multifunctionele dijk, die minder als een
heel hoge puist in het landschap domineert, maar meerdere functies
vervult.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb nog geen reactie gehad op mijn vraag
over hoe het zit met het onderzoek naar veendijken, in het bijzonder de
Kwade Zwaan.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik gaf daar eigenlijk
net antwoord op. Volgens mij zijn de veendijken een van de projecten
waarbij wordt bekeken hoe ze op een andere manier opgelost kunnen
worden, dus een beetje pilotachtig. Houd mij ten goede, ik weet dat niet
precies. Er wordt even gekeken of deze daarvoor geschikt is.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Mijn vraag is wat de stand van zaken is. Kunnen
we daar binnenkort een reactie op krijgen?
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Het is nog niet zo
ver. Er wordt even bestudeerd of deze daar geschikt voor is. Dan de vraag
over de leerstoel. Er wordt op allerlei manieren kennis uitgewisseld. Ik
neem aan dat het erom gaat dat het gebeurt en niet om de vorm. Daarom
heb ik niet meteen een leerstoel toegezegd. Laten we eerst even kijken
hoe al deze instellingen dat gaan doen.
De VVD zegt dat zij tegen een verplichte verzekering is en het CDA vraagt
om een brief over het advies van de Autoriteit Consument en Markt, onder
andere over de betekenis daarvan voor de Wet tegemoetkoming schade
bij rampen en zware ongevallen (WTS). Samen met de minister van
Veiligheid en Justitie, die verantwoordelijk is voor de WTS, zal ik de
Kamer informeren over hoe het precies zit met dat advies van ACM en de
WTS.
Ik ben als liberaal ook geen voorstander van verplicht verzekeren, maar ik
denk wel dat het goed is als er een soort verzekering komt. Dat zie je ook
in andere landen en bijvoorbeeld in New York. Daar moet een projectontwikkelaar ook nadenken over hoe hij bouwt. Er worden ook eisen gesteld
met het oog op de verzekerbaarheid van zo’n pand. In Lower Manhattan
zag je dat er allerlei panden onder water liepen. Dat betekent dat je in de
toekomst meer moet nadenken over wat je precies gaat doen. Dat is nog
een ander soort verzekerbaarheid dan de individuele verzekering. Volgens
mij zeggen verzekeraars ook dat je een brandverzekering moet hebben,
want anders heb je geen recht op een algemene vergoeding als er een
keer wat gebeurt. Ik geloof dat mijn schoorsteen een keer per jaar moet
worden geveegd, wil ik recht hebben op een tegemoetkoming. Het lijkt mij
ook een goede ontwikkeling dat verzekeraars zelf nadenken over de
producten die zij aanbieden, maar ik vind niet dat het Rijk dat verplicht
moet stellen.
D66 vroeg wanneer er informatie komt over piping. Ik heb in deze brief
aangegeven wat de stand van zaken is. Dat wordt nu allemaal uitgewerkt
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
20
en onderzocht. Ik vind het prima om er over een jaar op terug te komen, of
eerder, als dat nodig is.
Wat betreft innovatie heeft de fractie van D66 gevraagd wat het gevaar is
van verkoop van producten aan de private sector. Ik moet zeggen dat ik
niet precies weet wat de essentie daarvan is, dus daar kan ik geen
antwoord op geven. De VVD-fractie heeft gevraagd of er innovatie
plaatsvindt door middel van Bouwen met natuur. Die vraag heb ik al
beantwoord.
Met betrekking tot investeringen van waterschappen en drinkwaterbedrijven in het buitenland heeft de VVD opgemerkt dat we geen risico
moeten lopen met belastinggeld. Dat vind ik ook. Ik heb ook gezegd dat ik
voor die mogelijkheid ben, maar dat het niet ten koste mag gaan van de
kerntaken. Ik ben niet bang dat dit gebeurt, omdat zowel de waterbedrijven als de waterschappen publieke toezichthouders hebben. Die
publieke toezichthouders zullen eerst kijken of de publieke taak geborgd
is, voordat er een andere activiteit kan plaatsvinden. Aan wat voor
activiteiten moet je dan denken? Ik kwam laatst iemand tegen van Evides
in Birma, die daar namens de watersector bepaalde goede doelen
nastreeft, waarvan sommige wel bekostigd worden en andere niet. Er zit
ook een budget in die sector dat daarvoor bedoeld is. Daar moet je aan
denken. Soms wordt er een beetje kennis verkocht, maar het is niet zo dat
ze daar ineens heel grote projecten gaan opzetten.
Dan kom ik bij de overige vragen. Een vraag van het CDA is hoe we de
waterveiligheid in Limburg gaan verbeteren. Binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma is een bedrag van 170 miljoen gereserveerd voor
de veiligheid in Limburg tot 2020. Daarnaast is er 135 miljoen gereserveerd voor het project Ooijen-Wanssum. Verder loopt er een heel
programma Maaswerken om de veiligheid in Limburg te borgen.
Er is ook gevraagd wat de visitatiecommissie precies gaat doen. Deze
moet verbeteringen in de waterketen bekijken. Er zijn al een heleboel
verbeteringen. De visitatiecommissie kan misschien de achterblijvers
aanjagen en de voorlopers belonen. Er wordt nog vastgelegd wat zij
precies gaat beoordelen. We hebben net de commissie aangewezen.
Mevrouw Peijs zal de voorzitter ervan worden. Zij krijgt een aanjaagfunctie om verdere verbeteringen in de waterketen te realiseren.
Er is gevraagd of de watertoets wordt opgenomen in de Omgevingswet.
De Omgevingswet is eigenlijk een wet waar je zo min mogelijk specifieke
dingen in opgenomen wilt hebben, dus ik ben er zeer terughoudend in. Ik
denk erover om deze een plek te geven in een AMvB of op een andere
manier. Dit loopt ook mee in de toetsronde. Er zijn ook partijen die dat
juist wel willen, dus ik heb er nog geen definitief besluit over genomen. Er
zijn altijd sectorale instrumenten waarvan iedereen zegt dat zij heel
belangrijk zijn. Dat geldt ook voor het rioleringsplan, dat straks nog komt.
De vraag is dan hoe een instrument zoals de Omgevingswet eruit moet
zien en wat je erin stopt. Stop je het in de wet zelf of in een AMvB? Daar
kom ik op terug bij de Omgevingswet.
Ik zal de complimenten van de hele commissie via de dijkgraaf doorgeven
aan de medewerkers van Hunze en Aa’s en aan anderen die geholpen
hebben, voor zover ik dat kan achterhalen.
Wat doen wij? Rijkswaterstaat biedt altijd binnen een paar dagen hulp aan
die landen, in de vorm van pompen en dergelijke, maar dan moeten ze
zelf zeggen dat zij die willen hebben. In dit geval hebben zij er geen
belangstelling voor getoond. Ik heb dat afgelopen maandag nog
persoonlijk tegen mijn collega minister Ramsauer gezegd. Zij zijn er heel
blij mee, maar zij hebben er nog niet om gevraagd. Inmiddels is het water
aan het zakken. De schade betreft vooral de infrastructuur. De vraag is wat
je daaraan gaat doen.
Natuurlijk hoop ik dat zij ook weer komen kijken naar ons systeem en onze
manier van werken, net als in New York. De heer De Graaf vroeg hoe we
daar centjes voor Nederland gaan regelen. Ik heb in januari een bezoek
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
21
gebracht aan New York. Ik heb daar ook met een minister gesproken die
verantwoordelijk is voor het post-Sandy-programma, dat breder is dan
alleen New York. Ik heb daar mijn dg Ruimte achtergelaten, die samen
met die minister en zijn mensen aan dat programma schrijft. Wij zitten
niet alleen aan tafel om dat werk te doen, maar wij schrijven ook mee. Ik
ben heel blij dat zij zo veel vertrouwen hebben in de Nederlandse aanpak
dat zij ons ook aan tafel hebben gevraagd. Het gaat om een nationaal
programma dat op 2 augustus klaar moet zijn. In de tussentijd heeft
burgemeester Bloomberg een programma voor New York in het leven
geroepen. Het zou goed kunnen dat ik daar in september weer zal zijn,
want dat is mij gevraagd, maar we zijn nog aan het kijken of die data ons
uitkomen. Dan wil ik ook graag het specifieke New Yorkse programma
zien, om te zien wat wij daarin kunnen betekenen. Wij zijn langs geweest
met allerlei bedrijven en we zitten daar ook ambtelijk. Al met al hebben
we een flinke voet tussen de deur, niet alleen omdat we die ertussen
steken, maar ook omdat er vertrouwen is dat de Nederlanders oplossingen kunnen bieden. Zij noemen dat: «bring in the Dutch» en ik denk dat
dit een heel mooie term is. Dat was het, mijnheer de voorzitter.
De voorzitter: Dank u wel. Ik zie dat er nog enkele vragen zijn, voordat
wij overgaan naar de tweede termijn.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb goed opgelet, maar mijn vraag is nog niet
beantwoord volgens welke normen de visitatiecommissie die in de brief
van 26 april wordt genoemd voor Water in beeld, gaat visiteren. Ik heb
opgemerkt dat de doelmatigheid tussen waterschappen en gemeenten
heel onduidelijk is. Bij zo’n visitatie moet ook de slag worden gemaakt om
duidelijke criteria te gebruiken.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik zei net dat we de
commissie bij elkaar hebben gezocht en dat nu de spelregels voor de
visitatie worden gemaakt. Die heb ik nog niet voor u beschikbaar. Zodra
deze er zijn, zal ik ze u graag doen toekomen, als u daar behoefte aan
hebt.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Wanneer zijn ze dan beschikbaar? Dat klonk wat
vaag allemaal.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Volgens mij gaat die
commissie na de zomer starten, dus we hebben gewoon nog tijd om dat
te maken.
De voorzitter: We hebben twee keer per jaar een overleg over waterveiligheid. Ik stel voor om dat voor het volgende overleg in december aan de
Kamer te doen toekomen.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Eind juni hebben we
het AO over waterkwaliteit. De waterketen hangt daar ook heel erg mee
samen. Ik zal even bekijken hoe ver men ermee is.
De heer Bosman (VVD): Er was nog een vraag van mij overgebleven over
2,5% uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Wordt dat als lumpsum
ergens geregeld of gaat dat mee bij deelprojecten? Wordt daar nog iets
mee gedaan? Het gaat om innovatiegeld.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Innovaties die
zichzelf terugverdienen binnen een project, worden altijd gesubsidieerd.
Daarnaast zijn er ook experimenten en praktijkproeven die worden
gesubsidieerd als zij in de toekomst besparingen kunnen opleveren.
Binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma-2 is hiervoor 5 miljoen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
22
gereserveerd. In het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma wordt
hiervoor ook geld gereserveerd. Het bedrag is nog niet vastgelegd, maar
het moet dus 2,5% zijn.
De heer Bosman (VVD): Dat is wat anders dan de experimenteerruimte.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ja. Ik zal overigens
in juni nog terugkomen op de motie over verdroging.
De heer Van Gerven (SP): Ik had nog een vraag over de bypass bij
Kampen.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Dat geld wilde u
gaan inleveren, maar we hebben 39 projecten in het kader van Ruimte
voor de Rivier. Ik ben zelf wel een fan van de bypass. Het is niet zo dat er
alleen maar wat woningen gerealiseerd worden met die bypass, maar
deze is juist heel belangrijk voor de verlaging van de waterstand. De
kortetermijndoelstelling van de PKB Ruimte voor de Rivier is de bypass
Kampen. Ik weet niet meer waarvoor u dat geld wilde inzetten. Ik was dat
sowieso niet van plan, daarom ben ik dat weer vergeten. Als ik dat niet
meer ga doen, heb ik een probleem bij de waterstandsverlaging.
De heer Van Gerven (SP): Voor zover mijn informatie reikt, is het een
overbodige actie. Het had ook te maken met plannen voor woningontwikkeling en dergelijke. De bedoeling is om die 200 miljoen nuttiger te
besteden. U hoeft dat van mij niet in te leveren, dat begrijpt u wel. Dat is
mijn concrete vraag. Ik weet dat er vooral draagvlak voor is bij
bestuurders, maar de vraag is of het nuttig en nodig is en of dat geld niet
beter kan worden besteed.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik verwijs de heer
Van Gerven naar de PKB Ruimte voor de Rivier, waar dit gewoon in zit als
kortetermijnmaatregel. De Kamer is hiermee in totaliteit akkoord gegaan.
Het wordt zodanig ingericht dat er ook kansen voor gebiedsontwikkeling
worden gerealiseerd. Het gaat niet alleen om waterstandsverlaging in
verband met de bedreiging door het water, maar het wordt zo ingericht
dat er kansen ontstaan en woningbouw kan plaatsvinden. Dat is het effect.
Het is voor ons van belang om dat te doen voor de waterveiligheid en de
waterstandsverlaging. Dat er vervolgens allerlei andere dingen in
meeliften die deels door de provincie, deels door anderen worden
betaald, dat is prima. Het lijkt mij alleen maar goed als zo’n gebied ook
een beetje mooier achterblijft. Ik verschil hierover echt van mening met de
heer Van Gerven, want ik vind dit geen overbodig project.
De voorzitter: Ik constateer dat er behoefte is aan een tweede termijn. De
spreektijd is maximaal twee minuten per persoon.
De heer Bosman (VVD): Voorzitter. De minister heeft heldere en duidelijke
antwoorden gegeven, en daar ben ik zeer blij om. Een essentieel punt bij
de risicobenadering en de meerlaagse veiligheid is de communicatie. Ik
kijk ook even naar mijn collega’s. Er wordt heel vaak gezegd: wat gaat de
overheid dan doen aan communicatie, maar ik denk dat wij als Kamerleden ook zelf onze communicatie helder moeten hebben. De VVD is er in
ieder geval heel stevig mee bezig om te benadrukken dat de risicoloze
samenleving niet bestaat. We moeten heel eerlijk zijn over de mythe van
de droge voeten, zoals collega Jacobi al zei. We moeten serieus nadenken
over wat wel of niet kan. We moeten stimuleren dat mensen erover
nadenken waar zij gaan wonen en wat dat voor consequenties heeft. Ik
woon zelf in Zeeland. Als inwoner van Zeeland moet ik ook goed
nadenken over wat er gebeurt en wat er wordt gedaan. Hetzelfde geldt
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
23
voor iemand die dichtbij een kerncentrale woont of bij een gasveld, bij de
Hoogovens of op de Veluwe. Dat zijn allemaal dingen die voor- en nadelen
hebben, maar daar moet je dan ook de consequenties van nemen. Ik denk
dat het essentieel is om niet iedere keer als er wat gebeurt aan de
overheid te vragen om dat even te regelen. We moeten hierover eerlijk
communiceren en zeggen: prima als u op de uiterwaarden wilt gaan
wonen, dat is een keus van de gemeente, maar besef wel dat u dan iedere
keer onder water staat. Dat kan een keus zijn, maar wees u daarvan
bewust. We moeten niet alleen naar de overheid kijken, maar ook naar de
mensen zelf.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Dank aan de minister voor de vele
reacties en antwoorden. Ik kan er wel mee leven dat we de leerstoel nog
even uitstellen, maar ik denk dat er gezien de vele reacties van de minister
nog veel wetenschappelijke uitdagingen zijn, ook met betrekking tot de
lagen 1, 2 en 3. Het is wel boeiend om de wetenschap er nauw bij te
betrekken. Wie weet wordt de minister ooit nog professor voor
meerlaagse veiligheid bij de TU Delft. Dat zou mooi zijn.
Ik dank de minister voor de toezegging dat er een brief komt over de gang
van zaken bij het strand van Castricum. Misschien is het nog te vroeg of is
het in het grote verhaal terechtgekomen, maar ik weet niet precies welke
voorwaarden er worden gesteld aan de veiligheidsregio’s. Wat is er
afgesproken met de Veiligheidsraad? De criteria voor meerlaagse
veiligheid zijn volgens mij een continuing story, zoals ik begreep uit de
beantwoording. Daar zullen wij nog wel vaker over spreken.
Ik hoorde de minister zeggen dat de watertoets sectoraal is, maar ik ben
ervan overtuigd dat water essentieel is voor het omgevingsbeleid, met
een integrale benadering van alle geledingen, dus ik zou dat niet als
sectoraal willen wegzetten. Naar mijn mening zou water een prominente
plek in de Omgevingswet moeten krijgen.
Volgens mij was er nog een evacuatieplan toegezegd voor de Randstad. Is
dat er al? Hebben alle veiligheidsregio’s inmiddels ook getekend?
De minister heeft toegezegd dat er nog normen opgesteld worden met
betrekking tot Water in beeld. Ik denk dat het wel verstandig is om dat met
de sectoren te doen. Ik heb juist vragen gekregen van het waterschap over
hoe de visitatiecommissie met hen gaat communiceren.
De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Allereerst nog even over de bypass
Kampen. Als je aftakt, wordt het risico groter bij een hoge rivierafvoer van
de IJssel en bij noordwesterstorm, is mij verzekerd. Dan lijkt het mij toch
een heel dure investering. De SP heeft al eerder om nog een second
opinion gevraagd, want het is toch wel veel geld.
De minister zegt dat we de norm van de factor 10 niet gaan doen. Dan
weten we dat, maar nog steeds is een derde van de dijken niet op orde.
Die dijken worden niet spontaan hoger. Ik weet niet of ze lager worden of
inklinken, maar de zeespiegel stijgt wel. Moet er dan toch niet meer
gebeuren? Hoe zit het met het groepsrisico? De minister heeft het over
een individueel risico, maar als het groepsrisico substantieel hoger wordt,
wordt het probleem groter.
De SP is ook niet zo voor die horecacowboys die buitendijks van alles
doen, al of niet tijdelijk. Als je er langsloopt, zoals in Castricum, denk je:
hoe is dat toch allemaal mogelijk, maar de minister weet waarschijnlijk
ook niet hoe dat allemaal tot stand komt.
De heer Bosman (VVD): Ik maak even bezwaar tegen de term «horecacowboys», want er zijn ook ondernemers aan de kust die zorgvuldig met
van alles en nog wat bezig zijn. Ik zou graag een andere term willen horen
dan horecacowboys.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
24
De heer Van Gerven (SP): Waarvan akte. De minister zegt dat er geen
heroverweging heeft plaatsgevonden over het buitendijks bouwen, maar
in de brief (30 195, nr. 32) van 25 maart 2013 staat dat zij dit wel heroverweegt: «De uitkomsten vormen voor mij aanleiding het beleid voor de 13
kustplaatsen te heroverwegen en een nieuw besluit te nemen.» Hoe zit dat
precies?
De heer De Graaf (PVV): Voorzitter. Heel kort. Een aantal jaren geleden
hebben we afgesproken, ook met instemming van de Deltacommissaris,
om met z’n allen als overheid heel veel te doen aan waterveiligheid in
Nederland. Ik denk dat de minister hier een compliment kan krijgen voor
de uitvoering daarvan. Dat mag ook weleens vanuit de oppositie worden
gezegd. Ik zou willen dat ook bij de klimaatportefeuille deze nuchterheid
wat meer wordt uitgestraald. Daarover zal ik nu mijn mond houden, want
daarover hebben we weer een ander AO. Uit de uitvoering blijkt dat de
eigen verantwoordelijkheid van mensen meer voorop staat, zoals de heer
Bosman ook zegt. De overheid doet genoeg. De conclusie is gewoon: van
leven ga je dood. Dat komt ook in deze portefeuille tot uiting. Dat
bedoelde ik ook met de nuchterheid die wij bij de klimaatportefeuille wat
meer mogen uitstralen. De mensen hebben een heel grote eigen
verantwoordelijkheid voor wat zij doen en voor waar zij willen wonen,
werken en recreëren.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Het
merendeel betreft opmerkingen en niet zozeer vragen, dus die loop ik heel
snel even langs. Communicatie wordt inderdaad heel belangrijk. Hoe gaan
we dat vertellen? Geen risicoloze samenleving. De afsluiter vond ik ook
mooi: van leven ga je dood. Ik denk dat het inderdaad belangrijk is om
enerzijds te communiceren over wat de risico’s zijn en om anderzijds
mensen een handelingsperspectief te geven. We hebben een heel hoog
preventieniveau, maar we moeten ook communiceren over de vraag: wat
nu als er toch een keer iets gebeurt? Daarmee kom ik ook op de vraag van
mevrouw Jacobi, die ik niet goed had beantwoord, over de veiligheidsregio’s. Ik heb het er met mijn collega van Veiligheid en Justitie over gehad
en gezegd dat de veiligheidsregio’s ook moeten weten wat zij moeten
doen, als wij willen communiceren met de burgers. Zij moeten weten wat
er anders is bij een waterramp dan bij een gasramp of een kernramp. Wat
anders is, is dat al je hulptroepen dan onder water staan. Je kunt wel
bedacht hebben hoe je iedereen gaat redden, maar als je ambulances en
vliegtuigen onder water staan, zoals in New Orleans het geval was, wordt
dat toch lastig. Het kan ook zijn dat de pompen onder water staan, zodat je
niet meer zelf kunt gaan pompen, maar ergens anders iets moet gaan
halen. Je kunt mensen ook niet over de weg afvoeren, als de weg 4 of 5
meter onder zeeniveau ligt. Ik heb afgesproken dat we bij het Deltaprogramma in het najaar van 2014 ook duidelijkheid zullen krijgen over wat
dit betekent per veiligheidsregio, zodat deze weet wat zij moet doen. Ik wil
ervoor zorgen dat er dan ook een handelingsperspectief is op een site of
een app of hoe dan ook, zodat niet alleen de veiligheidsregio’s, maar ook
individuele mensen kunnen zien wat zij moeten doen in het gebied van
hun postcode; moet je driehoog gaan zitten, de weg op of naar de duinen,
want dat is vaak ook nog wel een veilige plek. Dat wil ik volgend jaar
opleveren. Waarom? Ik vind dat ik alles moet doen aan preventie om aan
de voorkant te voorkomen dat er iets gebeurt. Als er iets gebeurt, zou ik
mijzelf niet in de ogen kunnen kijken als ik mensen er niet op zou hebben
gewezen wat zij kunnen doen en hoe zij dat kunnen doen. Er worden
weleens grapjes gemaakt over een ton, maar daar gaat het helemaal niet
om. Het gaat erom dat je een handelingsperspectief hebt en dat je zelf
nadenkt over de vraag of je daarop voorbereid wilt zijn, en daar komt
weer de eigen verantwoordelijkheid.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
25
Er komen normen voor de waterketen. Het bevreemdt mij wel dat de
waterschappen mevrouw Jacobi dat ingefluisterd zouden hebben, want zij
hebben deze week nog met mij aan tafel gezeten over de benoeming van
de commissie en dergelijke.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Misschien was dat op een andersoortig niveau.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Als je een visitatiecommissie het land in stuurt, moet deze natuurlijk altijd spelregels hebben
op grond waarvan zij toetst. Dat zal met diverse partijen worden
vastgelegd.
De heer Van Gerven vraagt mij om mij nog een keer te beraden over de
IJsseldelta, maar het is al werk in uitvoering. De zomerbedverdieping
waarover is gedacht, bood niet voldoende soelaas. Daarom is die bypass
ontstaan. Ik ken de discussie in Kampen. Men heeft het gevoel dat het in
bepaalde situaties onveiliger kan worden. Daar staan veel technische
meningen tegenover dat dit niet het geval is. In ieder geval is het werk in
uitvoering en ik wil dat niet terugdraaien. Ik heb daar geen redenen voor.
Ik heb al gesproken over het groepsrisico. Het individueel risico is 10–5 en
vervolgens ga je op basis van groepsrisico in sommige gebieden wat
extra’s doen. Om het maar heel simpel te zeggen, als je kijkt naar water
van de zee en water van de rivier kom je in het gebied rond Dordrecht
voor de vraag te staan of je daar niet wat meer moet doen. Daar zit heel
veel bedrijvigheid en er wonen heel veel mensen. Het zou goed zijn om
daar wat te doen.
Horeca op het strand. Ik was juist zo blij dat het er is, want ik heb deze
week mijn eerste vergadering in een strandtent gehad. Het zal wel
ongeveer de enige zijn dit jaar, want dat soort uitstapjes zijn schaars.
Nogmaals, ik ben van de generatie die dingen mogelijk wil maken en niet
onmogelijk wil maken, maar ik wijs wel op de verantwoordelijkheden en
de risico’s. Die moeten dan ook zelf gedragen worden. Die strandtenthouders weten gewoon dat het weg kan waaien of kapot kan gaan als er
een flinke storm komt. Dat is dan het ondernemersrisico.
Het algemene beleid bij de 13 kustgemeenten is dat buitendijks niet wordt
beschermd. Ik heb als staatssecretaris een paar jaar geleden een brief
gestuurd aan de Kamer omdat ik wilde bekijken of ik dat voor die 13
kustgemeenten op een andere manier kon vormgeven. Nu ik weer terug
ben en water weer in mijn portefeuille heb, is de conclusie van dat
onderzoek dat dit niet op een goede manier ingericht kan worden, want
dat zou ertoe leiden dat er verschillende normen zouden zijn voor
verschillende gemeenten. Zandsuppletie geeft voldoende bescherming.
Om die reden heb ik gezegd dat ik wat ik toen voorstelde, heb heroverwogen. Daarmee is het oorspronkelijke beleid voor heel Nederland
hetzelfde gebleven: buitendijks mag en kan, maar dan is het wel de eigen
verantwoordelijkheid. De uitspraak van de PVV «van leven ga je dood»
heb ik nog steeds staan en die blijf ik mooi vinden.
De voorzitter: We hebben een vijftal toezeggingen genoteerd.
– De minister zal de Kamer per brief informeren over de situatie van
buitendijks bouwen bij Castricum in relatie tot kustveiligheid en zal daarbij
het aspect van tijdelijke vergunningen meenemen. Is daarvoor een termijn
te noemen?
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Die brief over
Castricum moeten we vrij snel kunnen sturen, maar we moeten nog
informatie van het waterschap krijgen. Laten we zeggen: een maand.
De voorzitter: Dat is bij dezen genoteerd.
– De minister zal samen met de minister van Veiligheid en Justitie de
relatie tussen de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en de verzeker-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
26
baarheid van overstromingsrisico’s in kaart brengen en de Kamer hierover
informeren. Is daar een termijn voor te geven?
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ook een maand.
De voorzitter: Dat is genoteerd.
− De minister zal in het kader van de Omgevingswet terugkomen op de
juridische verankering van de watertoets.
− De minister zal de Kamer nader informeren over welke normen
gevisiteerd zullen worden door de visitatiecommissie, zo mogelijk voor
het AO Waterkwaliteit op 27 juni aanstaande.
− De minister zal in de junibrief terugkomen op de uitvoering van de
motie-Jacobi/Lucas inzake verdroging.
Heeft een van de leden nog behoefte aan een VAO?
Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb geen behoefte aan een VAO, maar ik heb
hier het rapportje «De mythe van de droge voeten». Dat wil ik aanbieden
aan de minister. Het is misschien ook wel leuk als de griffier een setje
maakt voor de leden. Het is wel het lezen waard.
De voorzitter: Dat stuk dat mevrouw Jacobi eerder in haar bijdrage heeft
genoemd, wordt gereproduceerd voor de andere leden en de minister
krijgt er meteen een mee. Dat doen wij bij dezen, met dank aan mevrouw
Jacobi. Een laatste nabrander voor de heer Van Gerven.
De heer Van Gerven (SP): Nog een nabrander over dat «van leven ga je
dood». Als ik dat als huisarts zou hanteren, denk ik dat ik daar niet mee
weg zou komen.
Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Als huisarts moet je
er ook altijd eerlijk over zijn dat er uiteindelijk toch een einde aan komt.
De voorzitter: Na deze filosofische ontboezeming sluit ik dit mooie
beraad af.
Sluiting 15.25 uur.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 27 625, nr. 306
27
Werkwijze Deltaprogramma
Het Deltaprogramma is een nationaal programma waarin Rijksoverheid (de ministeries van Infrastruc
tuur en Milieu en Economische Zaken), provincies, gemeenten en waterschappen samenwerken met
inbreng van maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en kennisinstituten.
Samenwerking
Voor het zoeken naar oplossingen en het uitvoeren van maatregelen is veel kennis en ervaring nodig.
Betrokkenheid op alle niveaus is van belang. Ook kennis van een gebied of omgeving is onmisbaar.
Rijk en regio kunnen niet zonder elkaar. Daarom gaat het Deltaprogramma uit van samenwerking en
participatie. Ministeries, provincies, gemeenten, waterschappen, bedrijfsleven, maatschappelijke orga
nisaties en burgers werken daarom samen.
Kennis en innovatie
In het Deltaprogramma wordt gezamenlijk kennis ontwikkeld, om de besluitvorming te ondersteunen.
Ook altematieve en innovatieve oplossingen worden bekeken.
Tot de kennisproducten van het Deltaprogramma behoren:
•
•
•
een set scenario’s voor klimaatverandering en economische groei die voor alle onderzoeken in
het Deltaprogramma de basis vormt (deltascenario’s);
een systematiek om oplossingsrichtingen goed met elkaar te kunnen vergelijken en afwegen
(vergelijkingssystematiek);
een model voor het Deltaprogramma om de onderliggende berekeningen te kunnen uitvoeren
(Delta-instrumentarium).
Nederland neemt een leidende positie in de wereld in als het gaat om deltatechnologie. Innovatie dient
niet alleen het Deltaprogramma, maar stimuleert ook onze economie en bevordert de export. Het ad
vies over de Topsector Water heeft de kansen nog eens duidelijk over het voetlicht gebracht.
Organisatie
Bij de uitvoering van het Deltaprogramma spelen verschillende opdrachtgevers en medeopdrachtge
vers een rol.
De opdrachtgevers van de deelprogramma’s zijn 2 ministeries:
•
•
Infrastructuur en Milieu (IenM)
Economische Zaken (EZ)
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu is trekker van 7 deelprogramma’s:
•
•
•
•
•
•
•
Veiligheid
Zoetwatervoorziening
IJsselmeergebied
Rivieren
Rij nmond-Drechtsteden
Kust
Nieuwbouw en Herstructurering
Het ministerie van Economische Zaken trekt 2 deelprogramma’s:
•
•
Zuidwestelijke Delta
Waddengebied
Bij de gebiedsgerichte deelprogramma’ s zijn provincies, gemeenten en waterschappen medeopdracht
gevers. Zij werken samen met de Rijksoverheid aan de uitwerking en uitvoering van de deelprogram
ma’s. Elk deelprogramma heeft een eigen programmaorganisatie, waarin medewerkers van het Rijk en
de regio werkzaam zijn onder leiding van een programmadirecteur.
Uitvoeringsprogramma ‘S
De lopende uitvoeringsprogramma’s worden aangestuurd door het ministerie van Infrastructuur en
Milieu, met uitzondering van het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) wat in geza
menljkheid door het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de Waterschappen wordt aangestuurd.
Bestuurlijk overleg
Om Rijk en regio te verbinden en regionale en nationale opgaven aan elkaar te koppelen zijn per deelprogramma stuurgroepen ingesteld. Elk deelprogramnia heeft een plan van aanpak gemaakt. De voort
gang wordt besproken in de stuurgroep en voor advies voorgelegd aan maatschappelijke partijen.
De deelprogramma’ s werken met breed samengestelde programrnaorgani saties en maatschappelijke
participatie staat centraal. Opdrachtgevers, programmaorganisaties, bestuurlijk overleg en Tweede
Kamer krijgen advies van maatschappelijke organisaties, die zijn vertegenwoordigd in gebiedsgerichte
overlegorganen en het Overlegorgaan Infrastructuur en Milieu (OIM).
Over de 3 landelijke deelprogramma’s vindt bestuurlijk overleg plaats in landelijke stuurgroepen.
Over de 6 regionale deelprogramma’s wordt in regionale stuurgroepen overlegd. Het HWBP wordt
aangestuurd door de stuurgroep HWBP.
De voorstellen uit de 9 deelprogramma’s en het HWBP komen samen in de stuurgroep Deltapro
gramma en vervolgens in het Nationaal Bestuurlijk Overleg, waar ministers en bestuurders samen om
de tafel zitten. De deltacommissaris coördineert de verschillende bestuurlijke overleggen en vervult
ook een spilfunctie bij het voorbereiden van de besluitvorming in de ministerraad, op grond van over
eenstemming in het Nationaal Bestuurlijk Overleg.
De Tweede Kamer heeft het laatste woord. Na besluitvorming in de ministerraad wordt het Deltapro
gramma bij de Rijksbegroting voorgelegd aan de Tweede Kamer.
Gemeenteambassadeurs Deltaprogramma
Voor de 6 gebiedsgerichte deelprogramma’s zijn ‘gemeenteambassadeurs’ voor het Deltaprogramma
aangesteld. De rol van deze ambassadeurs is om gemeenten hij het Deltaprogramma te betrekken door
te informeren, te stimuleren en waar nodig te ondersteunen. Ze fungeren als verbindingsofficier tussen
de prograrnmaorganisatie en de gemeenten. Kijk voor een nadere ioeliehiin op de eemeenteamhasa
deur\ en de ledenbrief Gemeenten en het Deliaproeramma op de website van de VNG.
Participatie
Om maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de uitvoering van het Deltaprogramma te creëren,
te behouden of te vergroten, is overleg en samenwerking met alle overheden, maatschappelijke organi
saties en bedrijfsleven van groot belang. Participatie is een belangrijk instrument om belangen en
mensen te betrekken bij het ontwikkelen van de plannen en te profiteren van hun deskundigheid en
zienswijze, zodat de kwaliteit van beleid en beslissingen wordt vergroot en hierdoor draagvlak te ver
krijgen. Vertegenwoordigers van organisaties, zoals landbouw- en natuurorganisaties, bedrijfsleven,
kennisinstituten, sociale partners, worden al vroeg in het proces uitgenodigd mee te denken. Dat ge
beurt voor het Deltaprogramma als geheel, maar ook voor de afzonderlijke deelprogramma’s.
Ook kunnen burgers participeren in onderdelen van het deelprogramma die bij gemeenten of provin
cies voor inspraak aan de orde zijn. Verder kunnen belangstellenden hun betrokkenheid laten zien door
hun mening te geven via de website van de deltacommissaris. Daarnaast kan iedereen officieel volgens
de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze indienen voor een formeel ontwerpbesluit.
Extern advies
Extern advies en een onafhankelijke blik van buiten zijn belangrijk voor het Deltaprogramma. De
Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur adviseert het Deltaprogramrna over ruimte, natuur, mobili
teit en water. De Adviescommissie Water heeft het Deltaprogramma geadviseerd over waterveiligheid
en zoetwater.
Staf deltacommissaris
De deltacommissaris moet zorgen voor samenhang en voortgang van het Deltaprogramma. De delta
commissaris wordt ondersteund door een staf van ongeveer 15 medewerkers.