" De omnibus dubitandum

Download Report

Transcript " De omnibus dubitandum

De omnibus dubitandum
Aan alles valt te twijfelen
Roman met een andere kijk op kunst, waarbij de auteur op zoek
gegaan is naar een definitie. (Waarvan een korte samenvatting te vinden is
in de laatste hoofdstukken 71, 73 en 74.)
Uit zijn privéleven en uit de praktijk van zijn beroep wist Dirk wel dat je
soms maanden en zelfs jaren in een stabiele, bijna onveranderlijke wereld kunt leven,
wat er ook gebeurt om je heen of ver van je bed, maar dat die routine opeens kan
worden doorbroken als door een deus ex machina, of door een schijnbare futiliteit die
ongemerkt belangrijker geworden is en het bestaande evenwicht verbreekt. Dan lijkt
de wereld opeens helemaal anders, bijna zoals er na een entr'acte in het toneel of de
opera, bij het opgaan van het doek een heel ander decor te voorschijn komt.
En toch drong het niet echt tot hem door toen er een eerste waarschuwing
kwam in een droom. Hij had tijdens zijn studententijd hele batterijen dromen
geanalyseerd en had er dus genoeg ervaring mee om te kunnen vermoeden dat het
geen gewone droom was, zoals we er elke nacht meerdere hebben. Maar 'omdat hij
er geen tijd voor had', trachtte hij bij het ontwaken niet te fixeren wat ervan overbleef
om er associaties mee op te roepen. Allicht een vorm van defensiemechanisme, een
weerstand om zijn huidig evenwicht te handhaven, realiseerde hij zich later.
Maar toen hij 's namiddags de patiënte terugzag, waarvan hij de vorige
dag de intake had gedaan, herinnerde hij zich opeens een paar beelden van die
droom en kwam er meteen wat latente inhoud naar boven. Het manifeste droombeeld
was een gesluierde vrouw die voor hem een poort opende van een paradijselijke tuin.
Dat herinnerde hem aan de overbuurvrouw uit zijn adolescententijd, toen hij nog bij
zijn ouders woonde. Elke avond opende ze aan de overkant van de straat de
tuinpoort voor haar man wanneer hij met de auto van zijn werk terugkwam. Ze was
altijd zeer net gekleed en hurkte bevallig neer om de onderste grendel van de poort
omhoog te schuiven. Bij mooi weer had ze meestal haar twee kleine kindjes mee. Ze
wandelde dan eerst wat rond in de voortuin met hen. Wanneer hij op zijn kamer aan
het studeren was kon hij haar zeer goed bespieden. Zodra hij haar de lawaaierige
oude garagepoort hoorde openmaken, ging hij naar het raam om te zien hoe ze de
toegang tot de oprit opende. Daarna bleef hij kijken hoe de auto binnenreed, ze de
tuinpoort dicht deed en daarna vlug in de ietwat verouderde villa verdween.
Was er een verband tussen haar en die patiënte, Karin? Die leek eerder
een vrijgevochten jongedame. Ze was afgestudeerd in de kunstgeschiedenis en had
een mislukte zelfmoordpoging gedaan. Toch was zij ongetwijfeld het stukje dagrest
dat de droom op gang had gebracht. Het was op zijn voorstel geweest dat het team
haar aan hem had toegewezen. Dat was niet ongewoon daar hij de intake had
gedaan en er blijkbaar geen ernstige psychiatrische verwikkelingen te vrezen waren.
De verplegers die haar in bewusteloze toestand hadden aangetroffen in
haar studio, met een halflege fles wodka en de rest van een doosje slaaptabletten,
hadden opgemerkt dat van de beide mannen die het eerst bij haar waren binnen
geraakt, één blijkbaar haar vriend of minnaar was. Hij had zeer emotioneel
gereageerd en leek nogal van de kaart door deze voor hem totaal onbegrijpelijke
daad. De andere man was een der bewoners van het pand, een schilder te oordelen
naar de verfvlekken op zijn hemd en jeans. Hij had geholpen om de grote sleutel te
verwijderen die langs binnen op het antieke slot zat, zodat de 'minnaar' met zijn
sleutel in de kamer binnen kon. Na een maagspoeling was het meisje vrij vlug bij
bewustzijn gekomen. Maar ze was niet erg spraakzaam geweest. Ze had alleen
verteld dat ze enig kind was van gescheiden ouders en ze wenste niet dat die
onmiddellijk verwittigd werden. Want haar moeder zou ongetwijfeld scènes maken.
Dirk vermeed eerst de meer persoonlijke vragen, om zo luchtig mogelijk
pratend een goed contact tot stand te brengen. ‘Jij bent de aangewezen persoon om
me eens duidelijk te maken wat kunst eigenlijk is’, zei hij op zeker ogenblik. En dat
bleek een schot in de roos. Misschien zou ze daar later kunnen op antwoorden,
reageerde ze, als ze de kans kreeg om het doctoraat waar ze mee bezig was, tot een
goed einde te brengen. ‘Misschien kan ik je daarbij een beetje helpen?’ stelde hij
spontaan voor. Toen ze hem met vragende ogen aankeek, verantwoordde hij dat
zonder veel nadenken met: ‘Freud heeft met zijn “Traumdeutung” mechanismen
uiteengezet die even goed bij kunst als bij dromen werkzaam kunnen zijn, en in een
cursus van semiologie heb ik indertijd ook wel wat opgestoken over tekens en kunst.’
Ze was vooral geïnteresseerd in wat hij haar over Freud kon bijbrengen.
Over 'semiotics' wist ze zelf ook wel een en ander, zei ze. Waar ze eerst nogal
terughoudend was, werd hun gesprek een prettige dialoog. Zodat hij het tenslotte
waagde een paar vragen te stellen over haar vriend om aan de weet te komen of ze
die al dan niet wilde terugzien. Hij leek helemaal persona non grata. Over een paar
dagen wilde ze wel haar vader zien. Maar eerst moest ze haar gedachten wat
ordenen en haar leven herbekijken. Dat leek heel erg positief. Het zou een
gemakkelijk klusje worden met wat interessante gesprekken over kunst en Karin zou
zichzelf wel over het voorbije incident heen helpen. Haar mislukte zelfmoordpoging
was ongetwijfeld een voorbijgaande opwelling van wanhoop, een kreet om aandacht
en misschien ook een uiting van agressie naar haar mogelijk ontrouwe minnaar toe.
Maar het feit dat ze sprak over doctoreren was een duidelijk teken dat ze de draad
van haar leven weer wilde opnemen en voldoende 'lebensbejahend' was om het aan
te kunnen. Een beetje rust en wat gesprekstherapie zouden haar een nieuw
evenwicht geven dat haar zou toelaten opnieuw op eigen benen te staan.
Toen Dirk 's avonds naar zijn appartement in de stad terugreed, kwam de
herinnering aan een hippe artiestenbar uit zijn studententijd bij hem op. Daar stond in
een nisje een ingewikkeld machientje waarmee men door middel van vele radertjes
en andere mechanismen op een vernuftig omslachtige wijze een lucifer kon
aansteken en een kaars doen branden. Dat was een leuke vondst die nieuwkomers
in de bar even deed glimlachen. Meer niet. Nu zet men in een museum een
vakkundig ineengestoken machine die stront produceert, associeerde hij er spontaan
bij. En die wordt nu niet meer als een curiositeit aanzien, maar met heel wat ambigue
en gerelativeerde ernst in de kunst binnengehaald. Er was zelfs belangstelling uit het
buitenland, want de clevere ontwerper had bestellingen voor zijn ‘creatie’ gekregen
en er nieuwe versies van geproduceerd. Men zou de lijst moeten publiceren van al de
'personaliteiten' en instellingen die een dergelijk pakje kopen, om hen met de vinger
te kunnen wijzen en hen te vragen wat ze er mee aanvangen.
Ze maakten inderdaad nogal dubieuze en kramakkelige gestalten, de
artiesten van tegenwoordig. Een echt kunstwerk wàs ongetwijfeld een 'Gestalt' 1. Dat
was zeker een hoek van waaruit het kon worden bekeken. Maar soms leken het
eerder wat disparate, op toevallige wijze bij elkaar gebrachte elementen waarmee
sommige artiesten tegenwoordig voor de dag durfden komen en waarmee de
toeschouwer dan maar zelf een gestalt moest zien te maken.
Soms ook beperkten hun 'creaties' zich gewoon tot het uitvergroten van
lichaamsdelen of doodgewone voorwerpen. Of ze zetten levensgrote koeien en
andere straatsculpturen in de stad, wat wellicht goed is om het vertier in de hand te
werken en om de makers ervan wat aan hun trekken te laten komen. Maar wat is
daar creatief aan? En wat is dat voor een gewauwel alsof die om aandacht
schreeuwende 'creatievelingen' het monopolie van creativiteit zouden bezitten? Ieder
mens is creatief op zijn manier. We hebben allemaal enorm veel creativiteit nodig om
van hulpeloze baby's op te groeien tot volwassenen en ons leven te organiseren, om
een partner te verwerven en er op de best mogelijke manier mee om te gaan, om ons
beroep uit te oefenen, ons huis en onze leefwereld te organiseren, onze vrije tijd door
te brengen, om op onze beurt kinderen op te voeden, en wat nog allemaal meer.
Kunstenaars leken hem eerder individuen die meestal van jongs af aan de
op het normale leven gerichte creativiteit verwaarloosd hebben of gedevieerd naar
bezigheden met lijnen en kleuren, vormen, klanken, woorden en tegenwoordig ook
naar allerlei mogelijke en onmogelijke vormen van 'bricolage'. Het zijn dikwijls
gewezen 'wonderkinderen' die een enorm ego gekweekt hebben doordat ze van een
vaak overwegend vrouwelijke omgeving al te veel bewondering kregen en daarna
niet meer zijn losgeraakt uit die sfeer. Ze blijven overdreven aandacht opeisen voor
en door hun 'begaafdheid'. En hun omgeving blijft verder 'wonderen' van hen
verwachten, waaraan ze moeten voldoen indien ze op hun verhoogje willen blijven
staan. In extreme gevallen kan het pathologisch worden, zoals dat bij enkele
bekende artiesten het geval is. Een kind dat opgroeit in een doorsnee gezin leert al
vlug zijn moeder kennen als een autonome persoon die wel heel veel liefde kan
geven, maar die ook allerlei relaties heeft met andere leden van het gezin. Wanneer
het echter om allerlei redenen of door allerlei oorzaken veel meer liefde en aandacht
krijgt, kan een blijvende behoefte aan ‘almacht’ ontstaan. Terwijl anderzijds kinderen
die niet voldoende blijken van toewijding krijgen een gevoel van onmacht kunnen
kweken, en kinderen die opgroeien in ‘double bindsituations’2 oscilleren tussen macht
en onmacht zodat ze later geen voldoende houvast krijgen op de relaties die ze
1
De gestaltpsychologie, ontstaan in Duitsland omstreeks 1910, leert dat
(psychologische) fenomenen slechts kunnen begrepen worden indien ze gezien
worden als gestructureerde gehelen, 'Gestalten'. Het waarnemen organiseert
het waargenomene, waarbij pregnante kenmerken domineren, en de structuur
als geheel is méér dan de optelling van de samenstellende delen.
2
Bij'Double bindsituations' maken één of meer personen herhaaldelijk
tegenover een zwakkere, afhankelijke persoon afwijzende, negatieve
suggesties, of blijken van gevoelskoelheid, gekoppeld aan een andere
communicatievorm die een tegengestelde betekenis of connotatie uitdrukt. Zo
kan een verbale boodschap gekoppeld worden aan een tegengesteld gebaar of
niet aangepaste intonaties.
aangaan. Sex, geld en sociaal prestige kunnen dan aangevoeld of verhoopt worden
wondermiddelen te zijn om relaties tot stand te brengen, of waarmee macht en
onmacht kunnen uitgedrukt en beleefd worden. Wanneer dit niet in de werkelijkheid
kan, blijft er nog de kunst om het in een virtuele droomwereld te beleven, om een
territorium uit te bouwen en ‘jalons’ uit te zetten om personen en situaties in de
gewenste richting te manipuleren.
Hij had inderdaad geen al te hoge dunk van sommige hedendaagse
artiesten en zelfs van andere, heel bekende kunstenaars waarvan hij een biografie
gelezen had: egotrippers die zich een veel groter territorium proberen aan te meten
dan ze verdienen. Persoonlijk had hij er een paar leren kennen doordat hun vrouwen
bij hem kwamen met relatieproblemen. Die hadden hem de achterkant van de kunst
laten zien als een supreme justificatie van schaamteloos egocentrisme. Een 'geniale'
verantwoording voor het niet moeten, want niet kunnen leven met praktische
afspraken, planning en wederzijdse verplichtingen. Dat kon allemaal genegeerd
worden mét het behoud van een zeer goed zelfgevoel: de inspiratie en het creatief
bezig zijn primeren en de omgeving moet daar maar mee leren leven. Wanneer de
muze hen bezoekt, mogen ze niet gestoord worden en wanneer die hen de rug
toekeert worden ze ongenietbaar. Zolang de partner zelf de muze is, is de situatie
nog leefbaar. Maar zodra dat voorbij is, is het beter weg te gaan uit dat soort
probleemrelatie. Tenzij men zich daar werkelijk kan bij neerleggen, of zelf wat
bohémienneigingen heeft en elders voldoende aan zijn trekken komt. Indien dat
toegelaten wordt.
Naar zijn gevoel werd er veel te veel aandacht besteed aan die would-be
filosofen die hun eigengereide waarheden aan de goegemeente probeerden op te
dringen. Voor degelijk onderbouwde visies kon men nu toch veel beter terecht bij
wetenschappers, sociologen, psychologen en bij echte filosofen, die op zijn minst de
denkfouten van amateurs kunnen vermijden om tot beter gefundeerde inzichten te
komen.
Voor een dialoog met Karin zou hij dat allemaal wat moeten milderen.
Trouwens, de wereld van de kunst beantwoordde toch ook aan allerlei behoeften. En
vele marginalen vonden er een sociaal aanvaarde rol en een manier van bestaan in,
een alternatief voor het gestoorde gedrag dat ze anders misschien zouden
ontwikkelen. Indien men Hitler had toegelaten tot de academie van Wenen, was de
wereld misschien van het extreme nazigeweld gespaard gebleven.
Hij zou zijn meningen wat bijschaven, zich documenteren en zijn ideeën
wat structureren om de discussie met haar aan te gaan. Dat leek hem een prettig
vooruitzicht. Ze was inderdaad een interessante patiënte, en ‘lebensbejahend’ spijt
die gelukkig niet gelukte wanhoopsdaad.
Voor het inslapen herinnerde hij zich vaagweg nog wat stukjes van zijn
droom. Hij was blijkbaar in die paradijselijke ingang binnengegaan en die werd
gaandeweg een soort spelonk. Of was hij met de buurvrouw meegegaan in haar
garage? De doorgang versmalde en via duistere doolhofgangetjes kwam hij in een
soort galerij waarin juist boven zijn hoofd lichtende cirkels hingen. Hij stak na enig
aarzelen zijn hoofd door zo’n cirkel en zag een mooi verlichte en versierde feesttafel
waarop allerlei hoofden op schotels stonden. De meeste grinnikten en spotten met
elkaar, terwijl er een paar wat beduusd lachten. Zijn hoofd stond ook boven op een
schotel. Dan werd de tafel opeens een reusachtige houten zitbank-wc met vele
openingen waarboven die koppen uitstaken. Hij wilde weg uit die ‘bekakte’ situatie,
zag nog in een glimp dat de gesluierde dame aan het uiteinde van de wc-tafel
troonde en daarna was het alsof hij in een beerput viel.
Stond dat alles voor een soort omslachtige penetratie die op een ‘bekakte’
manier eindigde? Zou hij zijn dromen van de komende nacht niet beter fixeren bij het
ontwaken om wat meer latente inhoud te achterhalen?
2
Hij zag eerst maar enkele losse flarden bij het ontwaken, maar
langzaamaan kreeg het geheel een meer samenhangende vorm.
Eerst was er een veld, eerder een kort gemaaid grastapijt, met margrietjes
die er hun kopjes boven uitstaken. Met gemengde gevoelens zweefde hij daar laag
overheen. Hij was bang daar neer te vallen, maar wilde er toch best blijven
rondhangen. Daarna trok een rododendronmassief aan de rand van een soort
bospartij met hoge kruinen hem aan met veelkleurige, sterk geurende bloemen. Het
was eerst alsof de hele oneindige natuur samengebald was in dat klein stukje bos,
maar dan werd het een in scène gezet decor als voor de verfilming van een
stationromannetje à la Courts-Mahler. Of was het voor een film van Rainer Werner
Fassbinder? Zou hij zich ergens boven op die rododendronstruik neerzetten? Zou hij
dan niet doorheen de wirwar van dunne twijgen wegzakken tot in de humus van de
vochtige bosgrond? Terwijl hij boven de rododendron rondcirkelde, zag hij dat de
einder afgesloten was door een oneindige rij klimplanten die op zeer hoge stengels
tot aan de wolken reikten. Het leken wel sperballonnen die met hun lange stalen
kabels zijn vleugels zouden doorsnijden wanneer hij probeerde langs daar weg te
komen.
Er was ongetwijfeld enige gelijkenis tussen de paradijselijke tuin van die
vorige droom en het bosje met de rododendron. En tussen het wegzakken in de
bosgrond onder de rododendronstruik en het neervallen in de beerput? Maar wat
betekenden die margrietjes?
In het stortbad bedacht hij nog dat het verband tussen beide dromen
waarschijnlijk meer was dan de herhaling van eenzelfde latente inhoud met andere
beelden. Het leek meer op de voortzetting van een zekere gedachtegang.
Maar hij besloot eerst zijn tijd besteden aan wat opzoekingswerk in
verband met kunst. Na het ontbijt ging hij in een oude reiskoffer tussen zijn vroegere
studieboeken de cursus semiologie zoeken. Nadat hij daar wat in had gebladerd kon
hij enkele elementen bijeen brengen en hij noteerde: 'het kunstwerk is een teken dat
heel wat culturele bagage meedraagt en waarvan de boodschap op een zeer
specifieke manier gecodeerd is door de zender. Het esthetische speelt daarin een
bijzondere rol.' Wat dat esthetische dan wel was, zou hij met Karin kunnen uitvissen.
'Die boodschap omvat blijkbaar meerdere betekenissen en richt zich op verschillende
wijze tot zeer verschillende personen. Ze kan in de eerste plaats tot de kunstenaar
zelf gericht zijn, van zijn onderbewustzijn naar zijn bewustzijn.' Dat laatste was
belangrijk: daar kwam Freud bij te pas met zijn ‘Traumdeutung’ om de ver-beeld-ing
van de onbewuste inhouden te decoderen.
Dat teken was ook duidelijk een gestalt waarvan alle onderdelen
meespeelden om het geheel zijn betekenis te geven en waarin dat geheel door
middel van de eigen code een specifieke connotatie gaf aan die componenten. Het
leek op een soort conglomeraat van gestructureerde betekenissen, net zoals de
betekenis van een zin tot stand komt door middel van de samenstellende woorden
die zelf een specifieke connotatie terugkrijgen van de overkoepelende zin. Wanneer
de kunstenaar zomaar wat ineenflanst, wat men bij voorbeeld van sommige films van
Jean-Luc Godard zou kunnen denken, is het aan iedereen die ermee geconfronteerd
wordt om er een gestalt van te maken, of niet. Slaagt iemand daarin, dan is de film
voor hem een kunstwerk. Anders blijft het alleen maar een samenraapsel van
toevallige elementen waartussen weinig of geen zinnig verband bestaat.
Zou het zo eenvoudig zijn? In elk geval konden deze enkele notities een
goede aanzet vormen voor een interessant gesprek met Karin. Hij keek er al naar uit
om haar terug te ontmoeten. Hij zou haar nu ook wat vragen stellen over wat haar tot
die zelfmoordpoging gebracht had en ook dat kon best een boeiend verhaal worden.
Was zij misschien de gesluierde jongedame van de paradijselijke tuin uit
die eerste droom? En de bloeiende rododendronstruik? Ze was een aantrekkelijke
jonge vrouw. Haar mussenkopje met de rafelig geknipte rosbruine haren leek wel te
vragen om gestreeld te worden.
Om zeker tijd genoeg te hebben voor het gesprek ging hij een kwartiertje
vroeger naar haar kamer dan in zijn agenda voorzien was. Haar apathie bleek
helemaal verdwenen. Maar de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen voor het
voorkomen van recidive bij zelfmoordpatiënten ergerden haar wat. Hij beloofde die
controles te laten verminderen. Verveelde ze zich ook niet een beetje?
‘Eigenlijk wel’, antwoordde ze onmiddellijk. ‘Een paar interessante boeken
zou ik best kunnen gebruiken.’
‘Dat is op te lossen via de sociale dienst van het ziekenhuis. Of misschien
kan ik je zelf wat lectuur bezorgen? Ik heb in mijn bibliotheek wel enkele boeken over
kunst. Catalogussen van tentoonstellingen en zo.’
‘Bent u zelf ook geïnteresseerd?’
‘Een beetje als amateur. Maar mijn interesse gaat meer naar literatuur en
film. Ik heb tijdens mijn studentenjaren zelfs wat gedichten geschreven’, voegde hij er
lachend aan toe.
‘En waarom nu niet meer?’
‘De bron is blijkbaar opgedroogd.’
‘Wat jammer!’
Hij had toen ook een dagboek bijgehouden, maar dat vertelde hij haar
liever niet. Hij was ermee opgehouden omdat hij vaststelde dat hij de waarheid een
beetje naar zich toe vertekende en dat hij poses aannam, net als in sommige van zijn
laatste gedichten. ‘Ik kan je ook mijn cursus semiologie van de universiteit
meebrengen om die te vergelijken met jij erover weet.’
‘Bij ons heette dat “semiotics”, volgens de meer recente Angelsaksische
richting’, merkte ze op. ‘De “semiologie” was daarvoor meer een Franstalige
aangelegenheid.’ Ze glimlachte even omdat ze een punt gescoord had en hij vond
het beter nog niet uit te pakken met zijn voorlopige definitie van kunst, om haar niet
de kans te geven nog meer corrigerende opmerkingen te maken. Hij veranderde vlug
van onderwerp. ‘Dat moet je me later eens verklaren. Maar misschien kunnen we nu
eerst je persoonlijke problemen eens bekijken?’
Na een paar vragen vertelde ze vrij spontaan hoe ze tot die
zelfmoordpoging gekomen was. De man die samen met de schilder in haar studio
was binnengedrongen en de hulpdiensten had gewaarschuwd, was inderdaad haar
minnaar. ‘Geweest!’ zei ze nadrukkelijk. Ze had hem ontmoet doordat ze af en toe
wat bijverdiende met gidsen in musea en bij culturele uitstappen. Zo kon ze blijven
werken aan haar doctoraat zonder onmiddellijk in het onderwijs te moeten gaan: ze
had een beetje schrik van de leeuwenkuilen die klassen tegenwoordig kunnen zijn.
Ze was ongetwijfeld wat timide, want ook aan de universiteit had ze zich heel intens
op de studie toegelegd en slechts sporadisch aan het studentenleven deelgenomen.
Die ex-minnaar, Karel, was al goed in de dertig. Hij betaalde haar om hem
wegwijs te maken in de hedendaagse kunst. Van de firma waar hij personeelschef
was, had hij de opdracht gekregen een kunstwerk aan te kopen waarmee reclame
kon gemaakt worden en om het als logo te gebruiken, zoals de Japanners die ‘de
Zonnebloemen’ van Van Gogh gekocht hebben. Hij zocht natuurlijk iets veel minder
duur en hij zou zodra hij er voldoende over afwist, proberen wat te vinden bij een
hedendaagse artiest. Ze zou hem daarbij eveneens raad mogen geven, want van
kunst en zeker van hedendaagse kunst 'had hij niet veel kaas gegeten’, bekende hij
zelf. Het leek allemaal erg bona fide. Hij was eerst heel voorkomend en galant
geweest, zonder opdringerig of te ondernemend te zijn.
Een gentleman volgens de Amerikaanse definitie, dacht Dirk, 'a wolf with
patience'.
Na enkele gesprekken en nadat ze samen al een paar musea bezocht
hadden, had ze hem voorzichtig gepolst over een belangrijke tentoonstelling in
Amsterdam, een retrospectieve van een der grote kanonnen van de hedendaagse
kunst, die ze heel graag zelf wilde gaan zien. Hij was daar na een paar dagen
bedenktijd op ingegaan en had dan zelfs voorgesteld in Amsterdam te overnachten
om voldoende tijd te hebben voor de tentoonstelling. Die overnachting in een prettig
hotelletje was heel onverwachts en heel spontaan een echte stoeipartij geworden.
Daarna had hij haar als een ervaren verleider helemaal naar zijn hand weten te
zetten. Tot ze er opeens achter kwam dat hij ook nog een relatie had met een wat
rijpere vrouw. Ze had zich misbruikt gevoeld als een jong naïef gansje. Wat ze
eigenlijk wel geweest was, bekende ze met een ietwat verlegen lachje.
Ze had er ook al geen bezwaar meer tegen dat haar vader op bezoek zou
komen. Dirk zou hem zo vlug mogelijk voorzichtig op de hoogte brengen. Hij wilde
graag bij die eerste ontmoeting aanwezig zijn om wat meer informatie op te doen
over de relatie met haar ouders. Misschien zou hij de begeleiding daarna wat langer
trekken om ook de problemen met haar moeder te behandelen, zei hij haar, zonder
daar echt over nagedacht te hebben. Dat zou inderdaad wat meer tijd kunnen vragen
dan de emoties om de ex-minnaar, waar ze nu al betrekkelijk luchtig over praatte.
Achteraf was Dirk wel een beetje verwonderd over zijn voortvarendheid. In
zijn wagen bedacht hij dat Karin heel wat oprakelde uit zijn verleden, zoals de
herinnering aan die buurvrouw en het schrijven van gedichten. Dat laatste was een
tijdlang als een bron geweest die soms vanzelf opborrelde en soms door een
trefwoord of een onderwerp dat hem aansprak, aangeboord werd. Er kristalliseerden
zich als vanzelf teksten rond een bepaald woord of beeld of onderwerp, en na wat
bijwerken en 'polieren' werden dat soms echte gedichten. Het was pas later dat er
wat pose bij kwam kijken. Misschien was de bron toen al aan het opdrogen, was de
goudader uitgeput. Dat deed hem vermoeden dat sommige dichters die er blijven
mee doorgaan wanneer en omdat ze naam gemaakt hebben, niet veel meer zijn dan
knutselaars met woorden. Hij was er, op enkele gelegenheidsgedichtjes na, mee
gestopt nadat hij op zeker ogenblik een soort schotschrift genoteerd had op een
bierviltje. 'Would-be Poet', had hij het als titel meegegeven. Was dat geen boodschap
geweest van uit zijn onderbewustzijn aan hem zelf? Na wat zoeken in zijn geheugen
herinnerde hij zich de hele tekst:
Hij kraakt de dorre takjes van zijn ziel,
en plukt het mos dat woekert in zijn darmen.
Hij ketst zijn kloten op elkaar
en slaat er gensters uit
van zelfbevrediging en welbehagen.
Hij schut die vonkjes voor de wind
en voert ze alles wat hij vindt,
dat branden kan of roken.
En wordt zijn ijver dan beloond
met kleine, kleine vlammetjes
en met een weinig rook,
dan veert hij recht
in voorbedachte indianendans
terwijl hij jubelt:
'Bos in brand! Bos in brand!'
3
Er kwamen tranen in haar ogen toen haar vader haar kwam bezoeken en
ze lachte daarbij wat verlegen alsof ze om verontschuldiging wou vragen. Hij kuste
haar en zei zo luchtig mogelijk: ‘Hoe je zo dom hebt kunnen zijn, Karinka!’
Ze deed moeite om haar emotie te bedwingen en dat belette haar te
spreken. ‘Liefdesverdriet’, antwoordde Dirk in haar plaats.
‘Je kunt er tien krijgen aan elke vinger’, keerde haar vader zich even om,
om Dirk beamend te doen knikken. Daarna nam hij haar hand en schudde die
zachtjes heen en weer. Dirk schoof een stoel bij zodat de man kon gaan zitten
zonder haar hand los te laten. Toen ze ten slotte kon spreken, zei ze: ‘Ik dacht dat ik
de grote liefde gevonden had ... Véél beter dan die van jullie ... ‘ Er klonk een beetje
verwijt door in haar stem en Dirk zag hoe de man even slikte. ‘Maar dat bleek opeens
toch een illusie.’ Daarna begon ze pas goed te huilen en ook bij haar vader rolden er
tranen over zijn wangen. Hij klemde de tanden op elkaar en bleef een hele tijd
zwijgend haar hand strelen. Dirk ging voor het venster staan om hen niet te storen in
hun emotie. Na een poosje vroeg haar vader of ze iets nodig had en of hij haar met
iets kon helpen. Ze antwoordde afwijzend: de sociale dienst van het ziekenhuis
zorgde voor alles. Hij stak toch wat bankbriefjes onder haar hoofdkussen: ‘Dat zal wel
niet alles gratis zijn.’ ‘Het ziekenfonds betaalt natuurlijk niet alles’, viel Dirk hem bij
toen ze een beweging maakte om het geld terug te geven.
Hij bleef nog een hele tijd, hoewel er niet veel meer gezegd werd. Het leek
alsof hij moeite had om van haar weg te gaan. Toen hij tenslotte opstond, deed hij
haar beloven niet te herbeginnen.
‘Ik heb mijn lesje nu wel geleerd’, zei ze op een ietwat eigenaardige toon.
‘Geen enkele man is waard dat je dat zou doen!’ En dan in een poging wat
grappiger te zijn: ‘Kies je de volgende maal een betere uit!’
‘Het is moeilijk om voldoende aandacht en zorg te besteden aan je
kinderen wanneer je jarenlang relatieproblemen hebt met je partner en tenslotte op
een echtscheiding afstevent’, zei hij nadat ze de kamer verlaten hadden. Dirk
beaamde dat en garandeerde hem een gunstig verloop van de behandeling. De man
leek blij dat zijn dochter in goede handen was en wilde een eventuele ambulante
therapie wel voor zijn rekening nemen indien dit zou nodig zijn na haar ontslag uit het
UZ. Dirk zei dat het misschien kon aangewezen zijn omwille van de blijkbaar wat
ambivalente relatie met haar moeder.
Ze had wel enkele moeilijke jaren doorgemaakt tijdens haar jeugd, vertelde
de man verder nog. Wanneer hij ruzie had met zijn vrouw, soms hele weekends lang,
vluchtte ze in haar kamer of achter in de tuin met een boek en sloot ze zich af in haar
eigen wereld om niets te moeten horen. Zo had ze stapels boeken verslonden. Het
was wellicht door haar lectuur dat ze belangstelling gekregen had voor kunst.
Voor dié kunst waarin de kunstenaar dingen kwijt kan zonder ze onder
woorden te moeten brengen, dacht Dirk daarbij: de hunker naar het preverbale
volmaakte geluk, de vroegste periode uit haar kindertijd. En alsof haar vader zijn
gedachten las, bevestigde hij: tijdens haar eerste kinderjaren waren er nog geen
problemen geweest met zijn vrouw, en toen die begonnen, had ze er waarschijnlijk
eerst niets van gemerkt. Ze was daarbij altijd wel een ietwat eigenzinnig kind geweest
dat erg emotioneel reageerde: ze was de eerste van de klas wanneer ze de leraar
graag had, en bijna de laatste toen een lerares en zij elkaar niet konden uitstaan. Ze
had er ook op gestaan alleen te gaan wonen toen ze naar de universiteit trok om
kunstgeschiedenis te studeren en had wat vakantie- en studentenjobs gedaan om
zoveel mogelijk onafhankelijk te zijn. Hij had niet geweten dat ze al een vaste partner
had: ze zagen elkaar niet zo vaak sinds zij van haar studentenkot naar die ietwat
ruimere studio verhuisd was en hijzelf een nieuwe relatie had. Tenslotte hadden ze
elk hun eigen leven en hij veronderstelde wel dat ze, zonder echt losbandig te zijn,
wat ervaring had opgedaan sedert ze alleen woonde. Daar had hij niets op tegen:
beter dan een kat in een zak te kopen.
4
Die kat in een zak kwam terug in de droom van de volgende nacht. De
gesluierde dame uit zijn eerste droom spoelde aan op de oever van een rivier terwijl
ze zich bevrijdde uit een zak waarin men haar blijkbaar had willen verdrinken. Ze leek
een grote kat met scherpe klauwen, die tegen de oever omhoog kroop en een grote
poort opende die als een sasdeur het water van de rivier had tegengehouden. Met
een onmetelijk gevoel van wellust en bevrijding stroomde het water door de nauwe
doorgang in een wijde vlakte, waar ze in het ondiepe water sprong om er allerlei
spartelende vissen te vangen. Ze nam de sluier weg om haar mond vrij te maken,
maar daarbij vervaagde het beeld van haar gezicht zodat het onmogelijk werd uit te
maken wie ze was.
Ongetwijfeld was ze én Milena, zoals hij de buurvrouw voor zichzelf
genoemd had, én Karin. Maar waarom riep Karin de herinnering op aan die reeds
lang vergeten vrouw? Voelde hij zich door allebei op eenzelfde manier
aangesproken? Wat had hem indertijd zo aangetrokken tot die bijna onbereikbare
buurvrouw, die opgesloten zat in haar huwelijk en in haar wereldvreemde
godsdienstbeleving? Ze behoorde namelijk tot een van die Amerikaanse
godsdiensten die zendelingen stuurt over de hele wereld. Haar man was hier
blijkbaar na zijn zendelingentijd gebleven en te oordelen naar zijn wagen en de villa
die ze huurden, had hij hier behalve een vrouw ook een vrij behoorlijke job gekregen
of gevonden.
Had hij die Milena toen niet willen bevrijden uit haar uiterst besloten
leventje? Maakte dàt haar niet begerenswaardiger dan de vele andere even
aantrekkelijke en gemakkelijker bereikbare jonge vrouwen?
Om haar te kunnen benaderen, terwijl ze vrijwel nooit alleen op straat
kwam, had hij contact gezocht met de zendelingen die af en toe pamfletten
uitdeelden in de stad en in vrij goed Nederlands probeerden een gesprek aan te
knopen. Hij was zelfs enkele videolessen gaan volgen om daarna de zondagse
religieuze plechtigheid te mogen bijwonen, waar hij haar zou zien en misschien zou
kunnen aanspreken. Maar zij zat met haar man en haar twee kindjes helemaal
vooraan, telkens op dezelfde plaats, terwijl hij helemaal achteraan plaats moest
nemen. Eenmaal was haar man naar voren gegaan om er een soort getuigenis af te
leggen over de manier waarop het geloof zijn hele leven reguleerde. Hij deed dat
zoals een verkoper van auto's zijn waar aanprijst en de objectieve voordelen van zijn
keuze uiteenzet. Met een ietwat Amerikaans accent en met die ergerlijk lang gerekte
'o' telkens hij er zijn 'G-o-o-o-d' bij haalde.
Het was ook nogal grappig te vernemen dat de overblijvende stukjes van
het brood, waarover ze met enkele vooraanstaande leden van de gemeenschap een
gebed gezegd hadden, en dat samen met kleine bekertjes water rondgedeeld werd
als een soort communie, achteraf aan de honden werden gegeven. Totaal
tegengesteld aan de nadruk die de katholieken leggen op de tegenwoordigheid van
hun God in de geconsacreerde hostie en wijn en in alle deeltjes ervan na het breken
van de hostie en het ledigen van de kelk. Wat gebeurde er dan met de kleine
partikeltjes en de moleculen die bleven kleven in het doekje waarmee een en ander
werd gereinigd en dat wel ergens uitgewassen werd? Kwamen die dan in de riolen,
beken en rivieren en tenslotte in de zee terecht? In de vissen? Men had hem als kind
ook nooit een echt bevredigend antwoord gegeven op zijn vraag wat er met die God
gebeurde als de hostie in zijn maag en darmen werd verteerd. Om nog maar te
zwijgen over het verdere traject van zijn ontlasting en over de vele andere
onwaarschijnlijkheden in de leer die werden weggewuifd met allerlei theologische
spitsvondigheden. Waarover tegenwoordig wel wijselijk gezwegen werd.
Zijn pogingen om met Milena in contact te komen via de religie waren op
niets uitgelopen. Ze had wel een paar maal een glimlach van hem beantwoord met
een voorzichtig hoofdknikje, maar dat betekende blijkbaar niets meer dan het
herkennen van een buurman. Verder was hij niet geraakt. Bij gebrek aan respons van
harentwege haakte hij af voor de vijfde videoles, omdat hij daarna kleur had moeten
bekennen. En hij zag het niet zitten om zonder resultaat te boeken gedurende een
langere tijd komedie te spelen. Bovendien ergerde hem de sfeer van 'uitgelezen
elitaire kudde' bij die eerder ‘eenvoudigen van geest’, en werd hem de enorme
discrepantie duidelijk tussen het beeld van de almachtige goede vader dat gelovigen
van alle religies op hun God plakken en de wreedaardige 'schepping' waarin Hij hen
heeft losgelaten. Hij kreeg daardoor ook weer oog voor de ongeloofwaardigheden
van de godsdienst waarin hij zelf was opgevoed en telkens hij daarna nog
aangesproken werd door zeloten van om het even welke belijdenis vond hij er een
pervers genoegen in allerlei godslasteringen en verwensingen uit te braken aan het
adres van hun zogenaamde 'goede God'. Zodat ze meestal haastig opkraamden,
geschrokken en ietwat zuur glimlachend, soms nog pogend alle schuld op de
mensen zelf te steken.
Hij was dus nooit aan de weet gekomen of het leven van de lieve Milena
echt zo harmonieus was als het naar buiten toe leek. Had ze werkelijk genoeg aan
haar kinderen en die rollenspelende echtgenoot die haar in zijn villakooi gevangen
hield? En hielp dat religieuze sausje haar om het allemaal verteerbaar te maken?
Toen hij na de kandidaturen 'op kot' mocht omdat hij bewezen had een
goede student te zijn, en tijdens de zomervakanties op reis was of een vakantiejob
uitoefende, verloor hij haar uit het oog en vervaagde het beeld van het zonnige
figuurtje met het gebloemde kleed in de tuin en van de deftige jonge vrouw in
donkerblauwe tailleur, die meezong in de kerk of aandachtig luisterde naar de
uiteenzettingen en tussendoor af en toe haar kindjes wat bemoederde of tot
ingetogenheid vermaande. Ook de fantasieën die hij 's avonds rond haar spon, hoe
haar man zich aan haar bevredigde als aan een haremvrouw, werden langzaamaan
door andere fantasma’s vervangen.
Het eveneens besloten leventje van Karin zou ook beter wat meer inhoud
krijgen dan het monnikenwerk waar ze mee bezig was, en ze zou wel gemakkelijker
te veroveren zijn. Zijn dromen lieten uitschijnen dat zijn gevoelens voor haar verder
gingen dan de empathie die hij verwacht werd voor haar op te brengen. Was het
misschien daarom dat remmingen probeerden haar beeld te ‘verdringen-verdrinken’,
haar 'weg te moffelen in een zak’ en haar te 'verdrinken’?
Haar gezichtje deed hem denken aan een meisjesfiguur uit een schilderij
van Vermeer. Ze had mooie handen en een heel zachte huid. Wanneer hij haar bij de
pols genomen had en die even gestreeld had met zijn vingertoppen, had ze dit
blijkbaar niet abnormaal of onaangenaam gevonden. Zag ze ook niet méér in hem
dan een mogelijke bron van informatie voor haar doctoraat? Gesprekken over kunst
konden in elk geval een handige toegangspoort worden om 'bij haar binnen te
geraken'. Net zoals de 'poorten' uit zijn dromen, die ze zelf voor hem openzette.
Ze was ongetwijfeld een geschikt persoontje om er een lat-relatie mee aan
te gaan. Na de behandeling in het UZ kon een voortgezette ambulante therapie een
grotere toenadering toelaten zonder dat hij al te veel risico moest nemen. En daarna
zou hij kunnen laten blijken dat hij voor een meer intieme relatie met haar te vinden
was.
Aan de universiteit had hij een eerder traumatische ervaring meegemaakt
met een studente waarmee hij een relatie begonnen was zodra hij een eigen kamer
had en kon meedoen met wat daar allemaal rondom hem gebeurde. Terwijl zij meer
en meer verliefd werd door de aandacht die hij aan haar besteedde en de vele
gesprekken die ze samen voerden, ging hij na verloop van tijd beseffen dat Ludwina
hem probeerde in te kapselen in een leventje dat hem op allerlei manieren zou
beknotten. Hij zag zich al gevangen binnen een helemaal uitgetekende toekomst
waarvan zij krampachtig de grote lijnen zou bepalen. En terwijl hij probeerde van
haar los te komen, klampte zij zich meer en meer aan hem vast. Toen hij de
verkering ten slotte brutaal verbrak, werd het voor haar een drama dat ze niet wilde
te boven komen.
Na deze traumatische breuk had hij niet meer aan een ernstige relatie
willen denken. Wanneer hij daarmee zou beginnen, was hij het als psycholoog aan
zichzelf verplicht een modelrelatie te lukken, of vreesde hij in elk geval dergelijke
verwachtingen op te wekken. Met een mengsel van luciditeit en zelfspot gekte hij
soms dat dit hem een zekere vorm van faalangst bezorgd had. En daar hij elk jaar vrij
gemakkelijk een studente kon versieren die zelf ook geen definitieve binding op het
oog had, was het probleem voorlopig van de baan geweest. Een vaste relatie, vooral
als je gaat samenwonen, vraagt een hele investering, veel tijd en het afstaan van een
groot stuk territorium, rationaliseerde hij.
Zou dat alles nu zomaar op de helling komen te staan? Karin woelde
inderdaad niet alleen allerlei herinneringen naar boven, ze leek ook een deel van zijn
gedachtewereld te beïnvloeden. Tot nogtoe had hij zich over die 'studentenliefjes' niet
veel vragen gesteld of morele bezwaren gemaakt. Albert Camus, zijn geprefereerd
auteur en 'hoogstaand' filosoof, had zich in zijn meest succesvolle jaren, naast zijn
echtgenote nog een paar maîtresses en talrijke kortstondige avontuurtjes
gepermitteerd. Mocht hij dan ook niet af en toe een nieuwe flirt opzetten? Die 'pure
seks' was bovendien goed om hem te immuniseren tegen de verleiding van
aanhalige vrouwelijke patiënten. En daar de moraal niet meer vanuit de predikstoel
gedicteerd werd sinds de kerk haar ijzeren greep op de ziel van de jongeren én van
hemzelf was kwijt geraakt, 'was het geen doodzonde meer vijf minuten lang te
kussen'. Nu kon alles in onderling akkoord tussen de partners beslist worden. Dat gaf
heel wat stof voor lange ludieke cafégesprekken, waarbij de potentiële partners
duidelijk aan de weet kwamen wat ze van hem wel en niet te verwachten hadden.
En de nieuwe eerstejaars kwamen zich bij het begin van elk academisch
jaar zo enthousiast in 'het volle leven' storten. In de cafés en op fuiven waren ze zo
duidelijk te herkennen. Als sardientjes en jonge zalmen kwamen ze vol levensdrift de
stad binnenspoelen. Er waren er altijd genoeg die het experimenteren met de plotse
vrijheid ver genoeg durfden drijven. Zo was hij in het stadium blijven hangen waarin
hij ook het begin van die eerste verkering beleefd had: het sensationeel verkennen
en bespelen van het mysterieuze vrouwenlichaam en het speelse op elkaar
afgestemd geraken. Dat gaf zin en kleur aan de wintermaanden en zorgde voor het
nodige gezelschap om deel te nemen aan de vele culturele en andere activiteiten.
Zonder dat was de winter in de stad vrij onaangenaam en zelfs een beetje
deprimerend. Het aanbreken van de lente, wanneer de relatie goed gerodeerd was,
was altijd sensationeel. Daarna strooide de bloktijd wat roet in het eten en de
scheiding tijdens de zomervakantie vervreemdde hen voldoende van elkaar om in de
herfst weer plaats te kunnen maken voor nieuwe avonturen.
Maar daar hij nu al enkele jaren afgestudeerd was, werd het verschil in
leeftijd tussen de stoeipoezen en hem wat groter. Bovendien bleek een louter
seksuele, maar voldoende intense relatie, op de duur toch wel liefdevolle gevoelens
op te wekken. Met het laatste liefje had hij de relatie niet op tijd kunnen afbreken. Ze
was na de zomervakantie teruggekomen met duidelijk gestelde verwachtingen en
was wat blijven aanklampen. De onvoldaanheid over deze gang van zaken had het
hem de laatste tijd wat moeilijker gemaakt om op de versiertoer te gaan. Het had de
pret een beetje bedorven
Waren die studentenliefjes de margrietjes uit zijn droom, waarboven hij
bleef rondcirkelen om ze te m(n)aaien? De luchtacrobaten die met hun tweedekkers
en andere 'oude' vliegtuigjes soms zo laag over de grond scheerden dat ze bijna de
kopjes van de margrietjes afmaaiden, werden schertsend margrietjesmaaiers, 'des
faucheurs de marguerites' genoemd. Sommigen van hen braken daarbij wel hun nek.
Zijn droom beeldde blijkbaar op een treffende manier én de sensatie én het risico van
die optie uit. Maar zegden die droombeelden tussendoor ook niet dat hij een 'oud
vliegmachien' aan het worden was? Dat hij misschien toch beter voor een vaste
relatie koos? Karin was een geschikt grietje om er een lat-relatie mee te beginnen.
De gevoelens die zij bij hem opriep, waren ook anders dan wanneer het alleen maar
om pure seks ging. Hij keek op een heel andere manier naar haar dan naar die
interimgrietjes bij wie hij altijd vrij vlug boter bij de vis verwacht had, met wie hij vrij
zelfzeker en koel kon omgaan. De lichamelijkheid van Karin, haar manier van zijn
ontroerde hem. Ze was blijkbaar een stukje aantrekkelijke natuur, net als in zijn
droom de mysterieus bloeiende rododendronstruik in de schaduw van hoge bomen.
Een paradijselijke tuin … Een heel nieuw landschap.
Zoals de zedig verborgen vrouwelijke vormen van Milena, in haar losse
maar nauw aan de hals sluitende bloezen en kleedjes hem vroeger hadden doen
fantaseren, kon hij zich nu goed voorstellen hoe hij Karins gezicht zou aaien, haar
hals strelen en een schouder in zijn handpalm zou laten passen als een appeltje, om
daarna dieper af te zakken tot aan haar borstjes, waarvan hij de tepels zou
omcirkelen en hard maken met in haar mond bevochtigde vingertoppen. Hij stelde
zich voorlopig liever geen vragen over wat daarna zou komen, maar het werd hem
meer en meer duidelijk dat hij deze kans niet onbenut mocht laten. Hij zou het spel
wel heel voorzichtig en diplomatisch moeten spelen om de ethiek van het beroep wat
te ontzien.
Hij betrapte er zich zelfs op dat hij op zeker ogenblik een deuntje neuriede,
waarvan het een tijdje duurde vooraleer hij er woorden kon op plakken. Tenslotte
bleek het een Spaans liedje te zijn dat hij een koor had horen zingen op een
majestatisch aanzwellende manier: 'cuando se quiere de veras ...'3
3
Wanneer men oprecht bemint
5
Hij bracht Karin de volgende dag zijn cursus semiologie en een paar
catalogi van de grote tentoonstellingen van Magritte en Paul Delvaux die hij ooit in
Brussel was gaan bekijken, en ze babbelden meer over kunst dan over haar
problemen.
Zij had het vooral over de ‘tijdsgeest weergeven’ of ‘grenzen verleggen’, en
over 'een visie hebben', en over 'statements'. Voor Dirk wel allemaal mogelijke
aspecten van kunst, zoiets als het esthetisch aspect, maar die gaven geen antwoord
op de vraag wat kunst eigenlijk is. Die statements leken hem ook meestal vrij
simplistisch uitgebeeld, als rebussen waarvan de materiële uitvoering soms nog
overgelaten werd aan helpers of ambachtslieden. Een echt belangrijk artistiek
statement moest voor hem uit het onderbewustzijn komen, als een boodschap in de
eerste plaats aan het bewustzijn van de kunstenaar zelf en door hem uitgewerkt.
‘Anders is het niet veel meer dan een 'slimme' vondst, argumenteerde hij. Hij wou de
discussie graag op het terrein brengen waar hij zich het sterkst voelde: ‘Het vaagweg
aanvoelen van onbewuste inhouden dat aanzet tot creëren, inhouden die
langzaamaan bewust kunnen worden door het werken met het manifeste materiaal.
Maar wanneer die te bedreigend zijn, kunnen psychische mechanismen soms
beletten dat ze echt tot het bewustzijn doordringen. Dan kan het gebeuren dat ze
telkens weer onder nieuwe gecodeerde vormen naar boven komen. Dat
omzettingsproces van latente naar manifeste inhoud gebeurt grotendeels onbewust,
hoewel het gebruik maakt van herinneringen, ervaringen, kennis en symbolen, net
zoals een “bricoleur” zijn schat aan gerecupereerd materiaal gebruikt om iets nieuws
te vervaardigen.’
‘Dat materiaal zelf behoort toch tot het bewustzijn?’ onderbrak ze hem.
‘Ja, maar om de werkelijke betekenis ervan te achterhalen moet men een
beroep doen op de droomduiding en de psychoanalytische methode van Freud. De
mechanismen die hij bij de droomanalyse blootlegde, gaan blijkbaar evengoed op
voor de wisselwerking tussen latente en manifeste inhoud bij artistieke creaties.’
Ze gaf toe dat droom en fantasie inderdaad heel dicht bij elkaar lagen.
Maar die verdrongen inhouden waren vooral in vroegere periodes een belangrijke
bron van inspiratie en creativiteit geweest voor bepaalde kunstenaars. De huidige
statements waren nu meer rationeel, meer objectief. Aan het kunstwerk als 'signifier'
had men genoeg om zijn betekenis, zijn inhoud, dat wat was 'signified' af te leiden.
‘Er is heel wat informatie geïncorporeerd en gereorganiseerd in het kunstwerk. Veel
meer dan andere tekens kan het refereren naar alle mogelijke elementen uit alle
bestaande culturen. Dat is te achterhalen via de vormgeving en de symboliek, en
kunstkenners en critici kunnen daarbij helpen zoals schriftgeleerden de bijbel kunnen
verklaren voor leken. Het beeld, het manifeste teken is het enige zekere houvast voor
de toeschouwer’, besloot ze.
‘We treden als toeschouwer inderdaad het kunstwerk binnen langs de
manifeste inhoud', beaamde Dirk, ‘maar er is naast mijn freudiaanse manier van
duiden, of wat jouw kunstexegeten erover vertellen, zelfs nog een derde benadering,
namelijk de mogelijkheid om er dingen uit onszelf in te projecteren. We kunnen er
met onze eigen mythologie iets heel persoonlijks van maken en het kunstwerk als het
ware herscheppen voor eigen gebruik. Elke ontvanger kan er voor zichzelf om het
even wat van maken en kan misschien zelfs van om het even wat een kunstwerk
maken. Maar om de oorspronkelijke betekenis te achterhalen die het werk voor de
maker zelf heeft of had, moeten we de mythologie van de kunstenaar en de
onderliggende latente inhoud zien bloot te leggen door middel van een combinatie
van psycho- en socioanalyse. En jouw rationele exegese is daar, naar mijn mening
maar een onderdeel van.’
Uit haar lessen van 'semiotics' wist Karin wel een en ander over de
socioanalyse van de structuralisten, de manier waarop ze te werk gaan om mythen
en primitieve culturen te duiden, maar ze zag dat meer als het bewuste verband dat
kon gelegd worden tussen bestaande kunstwerken en creaties van kunstenaars
onderling, en de beelden, uitspraken, belangrijke gebeurtenissen en connecties met
tijd en milieu, kortom de stroom van tekens waarin ze zich situeren. Al het
onbewuste, of het nu het collectieve of het persoonlijke was, leek haar vaag en
moeilijk te objectiveren. Zelfs als het onbewuste van de kunstenaar de aanzet was
geweest tot creëren, dan nog was het resultaat een geobjectiveerd 'teken' dat de
oorspronkelijke persoonlijke betekenis van de maker oversteeg. Ze hechtte dan ook
vooral belang aan dat waarin de kunstenaar zijn inhouden uitdrukt en realiseert: het
resultaat van de technieken, de handigheden, het werken met de materie, de
symbolen of de 'taal' in de breedste zin van het woord.
‘Ik geloof dat we nog heel wat kunnen leren van elkaar’, resumeerde Dirk
om de tegenstelling in hun standpunten wat af te zwakken.
‘Over kunst kan men jaren discussiëren zonder het onderwerp volledig uit
te putten. Men heeft er hele bibliotheken over volgeschreven.’
‘Ik zou het wel prettig vinden om er een tijdje mee door te gaan … Om mijn
ideeën wat te ordenen.’ Dat laatste voegde hij eraan toe als om zich te
verantwoorden, besefte hij achteraf.
‘Ik vind de confrontatie met uw opvattingen en ideeën ook heel
interessant.’
‘We moeten er de nodige tijd voor zien vrij te maken.’
‘Inderdaad’, bekeek ze hem met een mooie glimlach, zonder de ogen af te
wenden.
Om niet te hard van stapel te lopen verkoos Dirk, op zijn uurwerk kijkend,
de dialoog hier af te breken. ‘Het therapeutische gesprek zal voor een volgende maal
zijn, Karin.’ Ze lachten allebei. Terwijl hij naar zijn wagen liep, realiseerde hij zich dat
hij haar voor het eerst bij haar voornaam had genoemd.
6
Als een duivel uit een doosje kwam toen opeens de ex-minnaar op de
proppen. Karins wanhoopsdaad had ongetwijfeld wat schuldgevoelens veroorzaakt
en nu wilde hij zich blijkbaar beter voordoen dan hij was. Hij belde Dirk op en drong
aan om Karin te mogen bezoeken. Maar Dirk stelde dat bezoek liever zo lang
mogelijk uit. Misschien kon hij hem beter eerst eens ontvangen in zijn privépraktijk?
Ze maakten een afspraak en de man kwam hem een vrij verward verhaal vertellen
over een hostess met wie hij een relatie begonnen was na een opendeurdag bij de
firma waar hij verantwoordelijk was voor de public relations en het personeelsbeheer.
Die jongedame, Irina, zou hem helpen bij het zoeken naar een gepast kunstwerk dat
kon dienen als logo of embleem of symbool voor de firma. Ze had namelijk een vaste
partner, die een hoge functie bekleedde op het Ministerie van Cultuur, en die een
dikke vinger in de pap had bij het aankopen van kunstwerken. Ze woonde bij die
ambtenaar in en was nogal vertrouwd met hedendaagse kunst en met artistieke
middens. Ze wenste deze comfortabele situatie evenwel niet in te ruilen voor een
nieuwe fulltime relatie. Daarin kon ze niet meer investeren dan wat de schaarse
gelegenheden haar toelieten. En daar haar ambtenaar argwaan kreeg, was dat op de
duur frustrerend weinig.
Daarom was hij een avontuurtje begonnen met Karin, die hij op zijn
verdere zoektocht enkele maanden later in het museum voor Hedendaagse Kunst
ontmoet had. Het was eerst maar een toevallig slippertje met een aantrekkelijk jong
grietje dat nogal vrijgevochten leek en ook helemaal vrij was. En dat nog heel wat
meer wist over kunst dan Irina. Maar vrij vlug hadden ze beiden - en hij insisteerde op
beiden - vastgesteld dat het meer dan een avontuurtje werd en dat ze allebei een
permanente monogame relatie wensten. Hij had gedacht vrij gemakkelijk van Irina af
te geraken, vermits ze toch liever bij haar ambtenaar bleef. Maar nadat hij haar op de
hoogte had gebracht van zijn tweede relatie, bleef ze aanklampen, terwijl hij aan
Karin vaagweg iets gezegd had over een situatie die hij in de kortste keren zou
afbouwen. Wat zij aangenomen had zonder verdere vragen te stellen. Maar toen hij
er niet kon toe komen Irina brutaalweg af te schepen, was die vervelende situatie
blijven aanslepen tot ze Karin met leugens en halve waarheden op de hoogte had
gebracht. Waarop Karin zo’n excessieve en totaal onverwachte reactie had gehad.
Hij trachtte natuurlijk een zo mooi mogelijke versie van de feiten op te
hangen en zei van zichzelf dat hij helemaal geen vrouwenloper was, integendeel, dat
hij teveel tijd en energie in zijn werk investeerde. Maar zijn verhaal bevatte wat
onwaarschijnlijkheden waar Dirk liever niet op inging. Hij deed ook nogal emotioneel
voor iemand van zijn leeftijd en met die functie in een zo belangrijke onderneming. Hij
zag er ongeveer vijfendertig uit en had wel een onberispelijk voorkomen. Maar hij gaf
geen plausibel antwoord op de vraag waarom hij zeven jaar geleden gescheiden was
en waarom hij zolang gewacht had om terug uit te kijken naar een nieuwe relatie. Hij
haalde daar telkens weer het werk bij en het feit dat hij af en toe wel een
gelegenheidsliefje had gevonden, zonder daar echt op uit te zijn.
Dat alles bevestigde grosso modo het verhaal van Karin, maar die Karel
leek een ervaren verleider die grondig geprofiteerd had van het kippetje dat hem
zomaar in de mond gevlogen was. Dirk hield de boot af en stelde dat hij de
gelegenheid zou krijgen om zijn zaak bij Karin te bepleiten zodra ze uit het UZ
ontslagen was en in staat zou zijn om intense emoties te verwerken. Voorlopig was
dat niet het geval en kon hij het risico niet nemen om een bezoek toe te staan. Hij
zou verslag uitbrengen bij Karin over hun gesprek en indien er zich een nieuwe
wending voordeed in haar houding tegenover hem zou hij dat laten weten.
De man probeerde nog of ze niet beiden in een soort relatietherapie bij
hem konden komen. Maar Dirk wees dat af omdat de relatie duidelijk afgebroken was
en het niet gebruikelijk was dat een therapeut dan de twee partijen in behandeling
nam. Bovendien moest Karin er zelf over beslissen of ze nog met hem wilde praten.
Na de consultatie besloot Dirk Karin zeker niet terug in de armen van die
man te drijven, ook indien hij er zelf niet zou toe besluiten zijn eigen kans te wagen.
7
Toen hij aan Karin vertelde dat die Karel bij hem was geweest en gevraagd
had om met haar te praten, vroeg ze alleen maar: ‘Moet dat?’
Daar was natuurlijk geen enkele verplichting toe. Wellicht stelde ze zo’n
ontmoeting best uit tot na het beëindigen van de gesprekstherapie, tot ze opnieuw
volledig zichzelf was en een nieuw evenwicht had gevonden. Ze knikte, maar in
plaats van daarna in te gaan op een hint van Dirk over kunst, bleef zij met haar
gedachten bij die Karel. ‘Was ik maar nooit met hem naar bed geweest’, zei ze op
een afwezige toon.
‘Ben je daar inderdaad niet wat lichtzinnig mee begonnen?’
‘Ja, en nee’, aarzelde ze. ‘We hadden op de trein naar Amsterdam een erg
prettig gesprek. Het was voor het eerst dat we wat vertrouwelijk werden, zodat ik op
zeker ogenblik zelf voorstelde een gemeenschappelijke kamer te nemen, als er maar
“lits jumeaux” waren en een badkamertje waarin ik me kon omkleden. Ik wilde hem
niet teveel op kosten jagen, want hij had voorgesteld alle uitgaven van het weekend
op zich te nemen.’
‘Dat kon hij wel als een toenadering interpreteren.’
‘Ja, en daarom vertelde ik hem dat ik een onfeilbaar afweermechanisme
had.’
‘O ja?’
‘Ja. Ik was vroeger al een paar maal, zonder echt verliefd te zijn, naar bed
geweest met een van de jonge kerels die me na een fuif wilde versieren. En telkens,
na een stukje voorspel, wanneer de macho in kwestie aanstalten maakte, kreeg ik
een soort hinnikende lachbui die maar niet wilde stoppen. Pure zenuwen
waarschijnlijk. Het stopte echt niet, en dan lieten ze het daar maar bij.’
‘Eigenaardig. Een variant van vaginisme blijkbaar. Je had me beter al iets
verteld daarover.’
‘Maar Karel heeft me daarvan afgeholpen in Amsterdam.’
‘O ja?’
‘Nadat ik hem dat verteld had, dacht hij een ogenblik na en zei toen dat hij
daarvoor misschien wel een behandeling kende. Een echte paardenremedie, zei hij
lachend. Ik was natuurlijk erg sceptisch. Toch vertelde hij me hoe een “peerdepiet”,
een veearts die vooral paarden behandelt, te werk gaat om pasgeboren veulentjes
onmiddellijk te apprivoiseren.’ Ze zag Dirk zijn wenkbrauwen fronsen en antwoordde
daar onmiddellijk op: ‘Ik vroeg hem ook lachend of hij dacht dat ik een veulen was,
maar hij vertelde me heel ernstig hoe de dierenarts of de stalmeester of de man die
het paardje wil apprivoiseren - dat was een beter woord dan temmen, zei hij – bij de
geboorte op een kleine afstand gaat zitten en luidop begint te ademen op hetzelfde
ritme als het veulen. Hij blijft gewoon rustig zitten en ademt net zoals het beestje. Na
niet al te lange tijd komt het naar hem toe en likt zijn gezicht. “Se non è vero, è ben
trovato”, heb ik ongelovig gelachen, niet goed wetend wat ik met dat verhaal moest
aanvangen. Maar hij insisteerde: “Je kunt het in elk geval eens proberen en als je de
ware Jacob gevonden hebt, vragen of hij zijn ademhaling wil afstemmen op de jouwe.
Bij het vrijen is de ademhaling heel belangrijk. Het geluid dat je daarbij maakt. De
warme adem van je partner over je gezicht. Het wisselende ritme ...” “En dan?” vroeg
ik, nog steeds niet goed begrijpend. “Dan laat je hem proberen door zijn ademhaling
jouw ademhaling onder controle te houden. Misschien kan hij op die manier dat
hinniken onderdrukken.” Ik zei hem voor de grap dat ik bij hem zou komen
aankloppen indien het ooit mocht mislukken met een sekstherapie. En hij antwoordde
me even luchthartig dat ik altijd welkom was.’
Daarna werd ons gesprek meer en meer intiem. Hij vertelde me dat hij
gescheiden was. In zijn jonge jaren was hij een voorbeeldige student geweest zodat
hij na de universiteit een beurs kreeg om een jaar naar Amerika te gaan. En juist voor
zijn vertrek leerde hij een meisje kennen, waarmee hij trouwde onmiddellijk na dat
jaar Amerika. Zeven jaar later is hij gescheiden. Daarna had hij geprobeerd te
bewijzen dat het allemaal niet zijn schuld geweest was, maar het lieve kind waarop
hij toen verliefd werd, wilde absoluut kerkelijk trouwen. Dus werd het weer niks.
Sindsdien leefde hij een beetje van de hak op de tak, vooral voor zijn werk: vakantie
en vrije tijd waren er om wat uit te rusten en te ontspannen, om zich daarna weer
hals over kop op het werk te storten. Tot dan toe had hij dat allemaal met betrekkelijk
veel genoegen gedaan, omdat hij wist dat hij zijn werk goed deed en er ook goed
mee verdiende. Maar sinds hij zich voor dat zoeken naar een kunstwerk in de
hedendaagse kunst gestort had, was hij een beetje de pedalen kwijt geraakt.’
‘Alleen daardoor?’ vroeg Dirk ongelovig, denkend aan wat Karel over die
Irina had verteld.
‘Hij vertelde me later wel dat hij nog met iets in het reine moest komen,
maar niets over die vrouw met wie hij daarvoor een relatie begonnen was. Wellicht
was zij, veel meer dan de kunst, de oorzaak van zijn onrust. Hij zei me alleen maar
dat hij een beetje de vaste grond onder zijn voeten was kwijtgeraakt. Hij begon zich
vragen te stellen, onder andere over wat hij met de rest van zijn leven ging
aanvangen nadat hij dat kunstwerk gevonden had. Om de een of andere reden leek
het hem een beetje onwaarschijnlijk dat hij daarna terug in de tredmolen zou gaan
lopen. Blijkbaar had de kunst toch wat in hem veranderd.’
‘De tijger had vooral levend vlees en bloed geproefd’, kon Dirk niet nalaten
schamper op te merken. Maar Karin leek het niet te horen.
‘Toen hij zei dat hij vijfendertig was, beaamde ik dat het wel tijd werd om er
iets aan te doen indien hij zijn leven wilde veranderen.’ Ze zweeg een ogenblik en
Dirk had al een passe-partoutvraagje klaar om haar verder te doen praten, toen ze op
een gans andere toon hernam: ‘Het regende in Amsterdam en we liepen dicht tegen
elkaar aan onder zijn paraplu om een hotelletje te zoeken. Ik wilde graag een kamer
met uitzicht op de grachten en het duurde een poosje vooraleer we dat vonden. Toen
we tenslotte op zo’n kamer alleen waren, kreeg ik een eigenaardig gevoel, alsof de
werkelijkheid waarin ik tijdens de voorbije uren geleefd had, van me wegdreef. Erg
intens, bijna alsof ik in zwijm ging vallen. Ik probeerde uiterlijk zo normaal mogelijk te
doen, deed mijn mantel uit en ging op een van de bedden liggen. Hij merkte dat er
iets scheelde, zette zijn tas en paraplu tegen de muur, hing zijn jas in de kast en ging
op het andere bed zitten. “Ik zou eventjes willen blijven liggen voor we de stad
ingaan”, zei ik en hij antwoordde: “No problem”. Na een poosje kwam hij naast me op
de grond zitten. Hij begon hoorbaar zijn adem af te stemmen op de mijne. Ik voelde
me inderdaad rustiger worden en toen kwam hij geknield half recht, boog zich over
mij en kuste mij op mijn wang. Ik sloot de ogen en legde een hand in zijn nek. Hij
kuste mijn gesloten ogen en bleef nog steeds mijn ademhaling volgen. Hij streelde
mijn gezicht en mijn hals. Daarna kuste hij me op de mond. Dat kussen werd steeds
maar intenser, omdat ik inderdaad zijn kus beantwoordde. Hij streelde mijn borst
boven mijn dunne bloes en ook dat weerde ik niet af. “Zou je willen proberen?” vroeg
hij toen en ik beaamde met een hoofdknikje. Hij begon me uit te kleden terwijl hij me
bleef strelen en stimuleren. Pas toen ik helemaal naakt op het bed lag begon hij
zichzelf ook uit te kleden en ging hij in zijn toiletzak een condoom halen. Ik stelde
toen voor de matrassen tegen elkaar op de grond te schikken, om het wat
comfortabeler te maken dan op een smal eenpersoonsbed. We deden dat samen, en
toen hij na weer een poosje vrijen moeite had om het condoom over zijn penis te
ontrollen, ging het bijna mis. Ik wendde mijn hoofd af en begon luid hinnikend te
lachen. Hij greep me onmiddellijk met volle hand bij de haren en trok mijn hoofd
achterover zodat mijn hals en borst omhoog kwamen. Met de andere hand nam hij
me bij de kin en drukte dan zijn lippen op mijn open mond. Mijn adem stokte en ik
hield op met hinniken. Hij kwam met zijn tong onder mijn tong en ademde door zijn
neus over mijn gezicht. Zodra hij voelde dat hij me mee had, loste hij de greep in mijn
haren en streelde met de andere hand opnieuw mijn hals en mijn gezicht, en daarna
mijn borsten en mijn hele lichaam. Maar hij week niet meer weg van mijn gezicht en
bleef me voortdurend kussen en stimuleren tot ik allerlei geluidjes begon uit te stoten
en hij me vlug penetreerde.
Ik zei hem daarna een beetje voorbarig dat hij een heel flinke “peerdepiet”
geweest was en hij antwoordde dat ik een heel fijn veulentje was. Maar daarna stelde
ik vast dat er geen bloed op het laken was en hij me niet ontmaagd had. Toen was ik
eerder ontgoocheld: daar zat ik dus nog steeds mee en een volgende keer kon het
evengoed weer misgaan. Hij zei dat hij bang was geweest me pijn te doen. Hij had
geëjaculeerd vooraan in mijn vagina zonder dieper door te drukken. Maar hij vond het
natuurlijk helemaal geen probleem om alles nog eens over te doen. Hij stelde voor
een bad te nemen, even te gaan wandelen, een stukje te eten en daarna te
herbeginnen.’
‘De zelfzekere macho.’
‘Nee ... Niet echt. Hij wàs nogal zelfzeker, maar niet zonder tederheid. Een
deuntje van Dalida speelde een paar maal door mijn hoofd terwijl ik hem in het begin
een beetje passief liet begaan: “mais jamais sans tendresse ...” Een beetje gek, het
deed me inwendig glimlachen en hielp me om me te ontspannen. Hij was correct, zou
ik eerder zeggen. Het is pas later echt emotioneel geworden en dan is het tussen ons
zeer vlug in stijgende lijn gegaan.
In de badkamer zei hij dat ik ongetwijfeld een fantastisch koerspaardje zou
worden nu ik die eerste steeplechase succesvol doorgekomen was. Maar ik vond dat
de echte hindernis nog moest komen. We zijn lamskoteletjes gaan eten in een Grieks
restaurantje en hij bestelde er een niet goedkope Franse wijn bij. Ik begon hem met
andere ogen te bekijken terwijl we aan tafel zaten. Met die vreemde man zou ik
straks terug naar bed gaan. Maar eigenlijk viel hij wel mee. Hij bleek betrouwbaar en
voldoende ervaren en had zonder dat ik er moest om vragen een condoom gebruikt.
Ik mocht de dingen rustig op hun beloop laten. De brandende kaars op tafel, de
lekkere wijn en het feit dat hij me nu duidelijk als een vrouw bekeek en niet meer als
een werkloze licentiate in de kunstgeschiedenis, gaf me meer en meer een knus
gevoel. Zodat ik op de terugweg naar het hotelletje zelf zijn arm nam, hoewel het niet
meer regende en we dus niet dicht bijeen onder de paraplu moesten lopen.
Terug op de kamer zei hij dat we, om bloedvlekken op het beddengoed te
vermijden, beter een ander standje deden dan de klassieke missionarishouding. Hij
ging in de badkamer een handdoek halen en een sliert toiletpapier en plaatste een
stoel op korte afstand van een vrije muur. “Jij komt zo tussen de muur en mij
schrijlings over mijn knieën zitten”, zei hij terwijl hij de handdoek en het papier en een
condoom klaarlegde op de stoel. Ik haalde ook nog papieren zakdoekjes uit mijn tas.
Het leek wel of we repeteerden voor een toneelstuk. Hij begon zich uit te kleden,
maar ik bleef nog wat dralen. “Waarop wacht je, Pelirroja?” vroeg hij. Dat was zijn
Spaans troetelnaampje voor me, omwille van de rossige glans in mijn haar. Hij
gebruikte het toen voor de eerste keer. Ik zei hem dat het prettiger zou zijn indien hij
me hielp bij het uitkleden. Ik heb zelf nog mijn jasje uitgedaan, de riem van mijn rok
losgemaakt en mijn schoenen uitgeschopt. De rest deed hij terwijl hij me kuste en
streelde. Dan ging hij zelf eerst zitten op de handdoek en hielp hij me om een been
over zijn knieën heen te tillen en op zijn schoot te gaan zitten. Mijn gezicht kwam juist
op de hoogte van het zijne. “Ready for action, Pelirroja?” vroeg hij en ik zei heel stoer
terug: “Ready for action.”
Hij zei me ook nog dat ik best het condoom over zijn penis zou ontrollen
zodra ik me voldoende opgewonden voelde, omdat hij me geen seconde uit het oog
wilde verliezen. Ik vond dit nogal ongewoon maar durfde niet weigeren. Ik
antwoordde met een voorzichtig grapje dat ik het zou zeggen indien hij aan mijn haar
moest trekken.
Het was een goede houding. Hij kon me beurtelings een beetje achterover
laten leunen op zijn voorarm tegen de muur, of me stevig omarmen en tegen zich
aantrekken. Het was prettiger zo dan de eerste keer, blijkbaar ook voor hem want hij
liet het heel lang duren. En ik was zelf ook niet gehaast om met dat rubbertje te
beginnen. Toen hij het me gaf sukkelde ik er mee. Ik had nog nooit de penis van een
man in mijn handen gevoeld. Ten slotte lukte het en we lachten allebei heel
ontspannen. Ik voelde dat ik deze keer niet zou hinniken. Toen liet hij me recht staan
en met beide handen voelend tussen mijn benen bracht hij mijn kutje voorzichtig over
zijn penis. Het leek wel een koppeling van ruimtetuigen. Dan trok hij me opeens bij de
heupen naar beneden. Ik slaakte een gil, meer van het schrikken dan van de pijn. Hij
hield me daarna heel fel tegen hem aangeklemd terwijl hij me kuste en op mijn adem
lette. Ik voelde zijn penis schokken, vlugger en vlugger, tot hij klaar kwam en zijn
greep verzwakte. Daarop begon ik te schommelen met mijn heupen want ik had het
nog niet gehad. Hij herpakte zich na een poosje en begon me vrij onzacht te
stimuleren tot ik ook mijn orgasme kreeg.
Daarna streelde hij nog een hele tijd mijn hals en mijn rug en met zijn
nagels in mijn lenden en langs mijn ruggengraat. Omdat ik met mijn hoofd op zijn
schouder bleef liggen en bleef zwijgen, probeerde hij me wat van zich af te duwen
om me aan te kijken. Maar ik klampte me aan hem vast. Ik wilde liever nog wat
bekomen.
Hij vroeg of het misschien niet goed geweest was. Ik antwoordde: “toch,
toch”. Maar hij hoorde dat er iets scheelde. Hij vroeg of ik er spijt over had. Maar dat
was het niet. Alles was opeens heel anders geworden dan ik me voorgesteld had. Ik
vroeg me af hoe het nu verder moest. Wat als die man zou proberen beslag op mij te
leggen? Of als ik hem voortaan voor mij alleen zou willen en hij me zou afwijzen? Ik
vond de gedachte dat hij mij hierna zou afwijzen niet erg prettig, maar wilde toch ook
niet dat hij me voortaan als zijn eigendom zou beschouwen. “Het is toch iets ernstiger
dan ik dacht”, zei ik. “Hadden we het beter niet gedaan?” vroeg hij na een ogenblik
stilzwijgen. Ik vond het lief van hem dat hij zich medeverantwoordelijk voelde. “Het
moest toch eens gebeuren”, zei ik zo luchthartig mogelijk. Ik ging voorzichtig
rechtstaan. Er liepen twee straaltjes bloed langs de binnenkant van mijn dijen. Zijn
balzak en het condoom waren rood gemarmerd. Dat viel nog mee, maandstonden
zijn soms erger, dacht ik. Ik nam een zakdoekje en begon mijn dijen af te wrijven.
Karel borg het condoom in het toiletpapier en wreef zijn balzak droog. Hij schoof de
stoel wat achteruit zodat ik naar de badkamer kon.
Ik had gedacht dat we daarna de bedden terug zouden opmaken, maar hij
stelde voor de matrassen te laten liggen en er samen op te slapen als in een
tweepersoonsbed. “Het is lang geleden dat ik echt bij een vrouw geslapen heb”, zei
hij. Voor mij was het de eerste keer dat ik bij een man sliep. Onder voorwaarde dat er
niet meer geneukt werd, wilde ik wel. Hij streelde alleen nog wat mijn haren en mijn
gezicht en zei dat ik een lieve, dappere Pelirroja was. Na een lange, mooie
goedenachtkus zijn we allebei vrij vlug ingeslapen.
Toen ik wakker werd lag ik op mijn zij tegen hem aan, met mijn rug naar
hem toe, bijna in foetushouding. Hij had ook de knieën wat opgetrokken zodat we
mooi in elkaar pasten. “Lepeltje-lepeltje slapen” noemden we dat als kind, wanneer ik
bij vriendinnetjes bleef overnachten. Dat gaf me een erg prettig gevoel en ik bleef stil
liggen om het nog een poosje zo te houden. Ik had in lange tijd niet meer zo goed
geslapen. Karel ademde rustig en regelmatig in mijn nek en ik dacht dat hij nog sliep,
tot ik merkte dat er af en toe iets duwde onderaan tegen mijn rug. Misschien had dat
mij wel wakker gemaakt. Ik tastte daar voorzichtig naar en had opeens zijn penis in
mijn hand. Ik draaide me met een ruk om en maakte hem daarmee echt wakker. “Die
kwast heeft me wakker gemaakt”, zei ik een beetje verrast. “Hij stootte me
voortdurend in de rug.”
“Niets aan de hand: morgenstijfheid”, lachte hij. “Jij hebt hém wakker
gemaakt!”
Ik protesteerde natuurlijk en hij verduidelijkte: “de geur van je huid en de
aanraking ervan ... Je lichaam ... Je aanwezigheid bij hem in bed.”
“En dan?” vroeg ik. “Wat moet daar nu mee gebeuren?”
“Een koude douche”, lachte hij. “Je kunt er ook gebruik van maken voor
een vluggertje, maar als je hem gewoon met rust laat, ebt het vanzelf weg.”
“Is dat dan elke morgen zo?” vroeg ik en hij beaamde: “Als jij bij mij in bed
zou liggen, allicht wel.” Dat leek me wel een prettig vooruitzicht, zo 's morgens
wakker worden en een fijn stukje speelgoed bij de hand te hebben. Het was ook zo
heel anders bij een man in bed te liggen dan alleen te slapen. Ik zei hem dat ik in
lang niet zo goed geslapen had, heel diep. “We hebben daarvoor ook tweemaal
geneukt”, zei hij. “Ja, maar er is precies meer. Het is alsof ik me rustiger, veiliger
voelde, met een goede waakhond naast me.” Hij naderde gemaakt dreigend mijn
gezicht met opengesperde mond alsof hij me wou bijten en ik rolde me terug op in
foetushouding met mijn rug naar hem toe. Hij beet me zachtjes in mijn oor en
streelde daarna mijn hals met zijn lippen. Ik voelde weer zijn penis duwen in mijn rug.
Daarvoor had ik af en toe gewenst een jonge vrouw te zijn als al die
andere, die naar bed konden met elke man die hen beviel, wanneer ze dat maar
wilden. Mee te tellen in het spel. En nu was het zover... Maar wat ermee aanvangen?
Er wordt gezegd dat vrouwen een speciale emotionele band hebben met de man die
hen ontmaagd heeft. Moest hij nu mijn minnaar worden? Een beslissing daarover
wilde ik liever zolang mogelijk uitstellen, tot ik voldoende zekerheid had. Ik toonde
hem mijn polshorloge en zei: “Weet je dat we hier om tien uur buiten moeten? En dat
het de bedoeling was naar Sigmar Polke te gaan kijken?” “Wàs”, antwoordde hij
alleen maar. Blijkbaar was hij liever op de kamer gebleven om opnieuw te beginnen
vrijen. Ik zou het ook wel prettig gevonden hebben, maar ik vreesde dat mijn vagina
daar voorlopig niet erg op gesteld was. Op voorwaarde dat het daarbij zou blijven,
heb ik hem nog een beetje laten kussen en liefkozen, zodat ik tenslotte zelf als
eerste, met tegenzin, opgestaan ben om naar de badkamer te gaan. Na een vlug
ontbijt zijn we dan toch naar die tentoonstelling gegaan. Maar geen van beiden was
er erg met zijn gedachten bij.’
Dirk had haar verhaal niet meer onderbroken en zij was bijna als in trance
alles gaan herbeleven. Het was werkelijk meer herbeleven dan vertellen wat ze
gedaan had. Of had ze haar verhaal wat extra kleur gegeven om hem te laten horen
hoe sensueel ze wel kon zijn? Om hem wat uit te dagen? Hij wist niet onmiddellijk
wat hij ermee moest aanvangen en zei dan maar: ‘Dit is wel een heel lang en
belangrijk therapeutisch gesprek geweest. We zullen er in de toekomst zeker moeten
op terugkomen. ‘
In de auto op weg naar huis en ook 's avonds in zijn appartement moest hij
herhaaldelijk aan haar verhaal denken. Daar kwam een heel andere Karel uit naar
voren dan de man die hij zelf had leren kennen. En ook een andere Karin. Er stak
een echte courtisane in dat ogenschijnlijk schuchter licentiaatje. Maar ze was
momenteel te broos en kwetsbaar om haar aan die man over te laten. Ze was op een
naïeve manier onder zijn invloed geraakt, en nu de betovering verbroken was, moest
hij er als therapeut voor zorgen dat ze zich niet opnieuw liet vangen. Het beste
middel daartoe zou zijn de vrijgekomen plaats zelf in te nemen.
8
Maar die Karel liet niet af. Hij belde de volgende dag weer met een
argument om Karin van zijn liefde en oprechtheid te overtuigen. Hij wou een schilderij
dat Karin enorm goed vond en dat hij voor haar gekocht had, naar haar kamer
brengen in het ziekenhuis. Dat wees Dirk natuurlijk onmiddellijk af omdat het niet
alleen zeer ongebruikelijk was, maar vooral ook te gevaarlijk met het oog op
eventuele diefstal. Hij wilde wel over dat schilderij spreken met Karin en stemde er
ook in toe hem daarna een tweede maal te ontvangen om hem op de hoogte te
brengen van haar antwoord. Op de vraag naar Karins eerste reacties antwoordde hij
ontwijkend dat ze, zolang ze in behandeling was, liever niet geconfronteerd werd met
emotionele scènes, dat ze eventueel later met hem zou afspreken. Over haar verhaal
van de ontmaagding repte hij geen woord. 'Informatie is macht', dacht hij
onwillekeurig. Het was beter dat die Karel niet te veel wist. Het intrigeerde hem zelf
wel erg wat er nog meer uit de bus kon komen door dat schilderij.
Toen hij haar vertelde dat Karel een schilderij voor haar gekocht had, wist
Karin onmiddellijk waarover hij het had. ‘O, dan heeft hij dat toch kunnen krijgen’, zei
ze een beetje verwonderd. Ze had in Deweer Art Gallery een reeks vervreemdende,
bijna surrealistische werken gezien van een Duitse schilder, Thomas Lange: een
soort wazige landschappen waarin af en toe vage menselijke figuren te onderkennen
waren. Enkele werken uit die reeks hadden haar bijzonder aangesproken.
Toen Dirk haar om wat meer uitleg vroeg, had ze het eerst over de galerie
in Otegem, een dorp in de buurt van Kortrijk, die periodiek tentoonstellingen van
hedendaagse kunstenaars organiseerde en daarbij kleine zeer verzorgde catalogi
publiceerde. Jo Coucke, die er de teksten voor schreef, had voor Thomas Lange echt
zichzelf overtroffen, zei ze. Bepaalde zinnen kon ze bijna woordelijk citeren: 'De
reflexieve, rituele en procesmatige karakteristieken van de schilderkunst kwamen erin
tot uiting in vlekkerige kleurpartijen, druipende verflijnen, ostentatieve toetsen, brede
borstelbewegingen, getekende en herhaalde lijnen en een korstige verfhuid. Zodat
het hele oppervlak van die doeken zelf tot een soort picturaal landschap geworden
was. Een bepaald soort landschap was het uitgangspunt geweest en via het
schilderkundige proces werden de doeken zelf als het ware landschappen. Daarin
waren menselijke gedaanten gesitueerd, als verdwaald en zonder veel zicht op de
eigen situatie. Zoekend als het ware naar de zin en reden van hun zijn en handelen,
verward in al hun existentiële, sociale, ecologische, seksuele en materiële
bekommernissen.'
Ze had zelfs aan Jo Coucke gevraagd om zijn tekst te mogen gebruiken
voor haar thesis om er mee te illustreren hoe verschillende scholen en 'ismen' in en
door het landschap hun visie op de werkelijkheid uitdrukten en illustreerden. ‘Zoals
andere kunstenaars daarvoor ook soms afbeeldingen van vrouwen gebruiken’,
voegde ze er terloops aan toe. Met zijn toelating zou ze een heel deel van het artikel
overnemen. ‘De doeken van Thomas Lange’, citeerde ze opnieuw, 'waren eerder een
soort vitalistische benadering, terwijl het landschap voor de romantische schilders
een subliem gegeven was dat perfect aansloot bij de diepgang van hun gevoelens en
het tekort van de rede omtrent hun situatie. De zee, het gebergte, het woud, de zon,
de hemel en de sterren illustreerden de nietigheid van de mens én de grootsheid van
zijn gedachten en gevoelens in dat hele bestel.' Daar voegde ze blijkbaar een
persoonlijke opmerking aan toe: ‘als je in een latere periode de “Goddelijke
Schepper” daaruit weghaalt, val je bijna vanzelfsprekend in het zwarte gat van het
absurde.’
‘Voor het probleem van het absurde moet je bij Camus zijn. Ik heb “La
Peste” gelezen en herlezen en er telkens nieuwe ideeën uit geput.’
Maar Karin luisterde blijkbaar niet. ‘Dat zal hem heel wat gekost hebben’,
zei ze. ‘Toen ik nog smoorverliefd was, zou ik zo’n geschenk met open armen
ontvangen hebben. Maar nu kan ik me tevreden stellen met de reproducties in de
catalogus.’
Dirk hoorde toch een ietwat spijtige ondertoon. Die Karel was niet te
onderschatten. Het was duidelijk dat hij besefte wat hij had kwijtgespeeld en dat hij
daar nu spijt over had.
Met een paar voorzichtige vragen bracht Dirk haar ertoe wat verder uit te
weiden. Ze had Karel op zeker ogenblik de kleine catalogus van Deweer Art Gallery
getoond met die werken van Thomas Lange. Dat was toen hij al de halve week bij
haar inwoonde en het de bedoeling was dat zij voor de overige dagen bij hem zou
intrekken. Ze hadden de matras van de duplex boven haar keukentje naar beneden
gehaald ter herinnering aan die eerste keer in Amsterdam. En ze hadden de dikke
gordijnen die het keukentje en de duplex konden afsluiten dichtgetrokken om wat
meer geluidsisolatie te krijgen voor de dunne binnenmuur. Want hun esbattementen
waren soms nogal luidruchtig. ‘We liepen ‘s avonds dikwijls naakt rond in mijn studio’,
zei ze, terwijl ze Dirk strak aankeek. ‘Naakt samenzijn ... Zo’n naakte man op je kot ...
Het is echt bewustzijnsverruimend als je jarenlang wat verkrampt hebt geleefd, wat
teveel in jezelf teruggetrokken bent geweest.’ Dat had haar doen begrijpen dat pure
seks voor sommige mensen een manier kan zijn om zichzelf te vinden, zich te
realiseren.
‘Het is goed dat eens mee te maken. Maar het is zoals vele overdreven
“specialisaties” een straatje zonder eind’, probeerde Dirk wat te relativeren.
Al bakkeleiend had ze gekkend op Karel gescholden 'dat hij niet moest
denken bij haar de pasja uit te hangen'. Waarop hij haar uitdagend gevraagd had of
hij dat wel zou mogen als hij haar zo’n schilderij van Thomas Lange cadeau deed.
Zonder nadenken had ze geantwoord dat hij zich dan werkelijk àlles zou mogen
permitteren. Hij had daarop zijn secretaresse laten informeren en er bleek een heel
klein kansje te bestaan dat iemand bereid zou zijn afstand te doen van de optie die
hij had genomen op een van de werken die na de tentoonstelling in de galerie
gebleven waren. Mits er voldoende financiële tegemoetkoming tegenover te stellen.
Blijkbaar was dat nu gelukt. Ofwel had Karel eerst niet genoeg over de brug willen
komen, ofwel had die eerste koper wat bedenktijd nodig gehad.
Als toemaatje vertelde ze nog dat ze daarna ook had gedroomd van die
schilderijen van Thomas Lange: Ze was verdwaald in zo’n landschap en niemand kon
haar eruit weghalen. Dat was waarschijnlijk toen ze al vermoedens begon te krijgen
van zijn ontrouw en Karel weinig enthousiast reageerde op haar suggestie samen
een wereldreis te ondernemen. Ze had daarop aangedrongen om zekerheid te
krijgen over hun relatie en een beter zicht op wat ze met hun leven en hun toekomst
zouden aanvangen. Maar dat was toen wel iets teveel gevraagd. Dat zou zijn ganse
financiële en sociale situatie op de helling zetten.
Uit haar droom had ze ook een tekst gedistilleerd, helemaal in de sfeer van
Thomas Langes schilderijen. Ze had die naar Karel gestuurd als een gedicht. Maar
hij had er niet veel aandacht aan besteed.
Tijdens haar relaas had Dirk af en toe glinsteringen in haar ogen gezien.
Verdrongen emoties? Maar toen hij haar zegde dat het natuurlijk onmogelijk was dat
schilderij in haar kamer van het UZ op te hangen, had ze als vanzelfsprekend
geknikt. En hij had verder niets gezegd over een mogelijk bezoek van Karel. Ze had
er ook niet om gevraagd.
9
Bij het tweede bezoek van Karel nam Dirk onmiddellijk zelf het woord. Hij
vertelde hem eerst wat over Karins jeugdervaringen en de angst in de steek gelaten
te worden die haar daarvan was bijgebleven. Daardoor had ze een meer dan normale
behoefte om aanvaard en bemind te worden en konden tekenen van afwijzing haar in
paniek brengen. Wat dus inderdaad gebeurd was.
Karel was het daarmee volledig eens, maar dacht nog steeds dat hij alle
misverstanden zou kunnen wegpraten, zodra hij daartoe de kans kreeg. Dat laatste
was duidelijk met enige bitterheid gezegd, maar Dirk deed alsof hij het niet merkte.
De gebeurtenissen hadden Karin in een soort isolement gebracht waarin ze maar
moeilijk te benaderen was, insisteerde hij, om de man wat voor te bereiden op de
ontgoocheling die hem te wachten stond. Om haar toestand te illustreren, las hij hem
een paragraaf voor uit 'Terre des Hommes' van Antoine de Saint-Exupéry, 'een
auteur die vele jaren geleden op Zuid-Amerika gevlogen had voor postdiensten, en
die op het einde van de laatste wereldoorlog ergens in de Middellandse Zee
neergestort was'. Karel kende die auteur maar had geen enkel boek van hem
gelezen.
‘J'ai atterri dans la douceur du soir. Punta Arenas. Je m'adosse contre une
fontaine et regarde les jeunes filles. A deux pas de leur grâce, je sens mieux encore
le mystère humain. Dans un monde où la vie rejoint si bien la vie, où les fleurs dans
le lit même du vent se mêlent aux fleurs, où le cygne connaît tous les cygnes, les
hommes seuls bâtissent leur solitude. Quel espace réserve entre eux leur part
spirituelle! Un songe de jeune fille l'isole de moi, comment l'y joindre? Que connaître
d'une jeune fille qui rentre chez elle à pas lents, les yeux baissés et se souriant à ellemême, et déjà pleine d'inventions et de mensonges adorables? Elle a pu des
pensées, de la voix et des silences d'un amant se former un royaume, et dès lors il
n'est plus pour elle en dehors de lui, que des barbares. Mieux que dans une autre
planète je la sens enfermée dans son secret, dans ses coutumes, dans les échos
chantants de sa mémoire."4
Hij sloot het boek een beetje theatraal en legde het zwijgend voor zich op
de tafel. Karel benutte deze pauze vlug om erop te wijzen dat hij toch die enige nietbarbaar was en dat het zou volstaan met haar te praten. Dirk repliceerde dat Karin
wellicht niets anders meer zag dan barbaren, maar hij begon te beseffen dat de
keuze van die tekst misschien wat ongelukkig was. Zijn manier van doen was ook
niet helemaal volgens het boekje. Karel bleef argumenteren en Dirk kon zich
uiteindelijk niet permitteren verder te discussiëren als twee honden die vechten om
een been. Hij gaf toe, bedenkend dat het wellicht beter was Karin zelf te laten zeggen
aan haar ex-minnaar dat het gedaan was met hun relatie. Dan was ze zelf
verantwoordelijk voor haar keuze en was zijn eigen houding wat meer verantwoord.
Misschien kon hij dat risico nu toch al nemen. Bovendien was hij zelf ook
nieuwsgierig geworden om te zien hoe ze zou reageren op de confrontatie. Na wat
aarzelen belde hij tenslotte de hoofdverpleegster van de psychiatrische afdeling en
vroeg haar Karin voor te bereiden op een kort bezoek van haar 'vroegere vriend'. Hij
insisteerde op 'kort' terwijl hij Karel betekenisvol aankeek. Die knikte instemmend,
alsof hij al een eerste overwinning had behaald.
Karel drong aan om eerst langs de hall van het UZ te passeren en wat
bloemen te kopen. Dirk volgde hem met tegenzin. Karel kocht er een enorme tuil rode
rozen en daarna gingen ze door een paar gangen en met de lift enkele verdiepingen
hoger naar de kamer van Karin.
Ze zat rechtop in haar bed, met een zedig slaapkleedje aan en de dekens
netjes tot aan haar middel. Ze glimlachte heel even toen ze binnenkwamen.
Karel gaf haar de rozen en wilde haar kussen, maar ze hield de bloemen
zo voor zich uit dat hij niet over of om de grote bos heen kon. Toen hij een beetje
achteruit week, gaf ze de rozen aan Dirk. Deze beduidde Karel te gaan zitten, terwijl
hij de tuil onder de vensterbank neerlegde en daarna aan de andere kant van het bed
4
Ik ben geland in het zachte avonduur. Punta Arenas. Ik zet me met de rug
tegen een fontein en kijk naar de jonge meisjes. Op twee passen van hun
bevalligheid voel ik nog beter het menselijke mysterie. In een wereld waar
het leven zich zo goed verstrengelt met het leven, waar bloemen zich
vermengen met bloemen in het bed van de wind, waar de zwaan alle zwanen
kent, bouwen alleen de mensen hun eenzaamheid. Welke afstand schept hun
geestelijke component niet tussen hen! Een meisjesdroom zondert haar af van
mij. Hoe kan ik haar daarin benaderen? Wat kan men weten van een meisje dat
met trage stappen naar huis terug gaat, met neergeslagen ogen, glimlachend
bij zichzelf en reeds vol uitvindsels en bekoorlijke leugentjes? Van de
gedachten, de stem en de stiltes van een minnaar heeft ze zich een
koninkrijk weten te maken. Daarna zijn er voor haar buiten hem alleen nog
maar barbaren. Ik voel haar opgesloten in haar geheim, in haar gewoontes,
in de zingende echo's van haar herinnering, nog minder bereikbaar dan op
een andere planeet.
ging staan. Hij nam een hand van Karin in de zijne en toen Karel niet onmiddellijk
begon, maar deed alsof hij verwachtte dat Dirk hen alleen zou laten, zei hij: ‘Karel
zou je graag eens zijn versie van de feiten vertellen, Karin.’
‘Is dat wel nodig? De feiten spreken toch voor zichzelf?’
Karel leek door deze gang van zaken wat uit zijn lood geslagen. Zijn
welbespraaktheid was verdwenen. Vermoedde hij dat er iets was tussen Karin en
haar therapeut? ‘Ik hou van je, Karin’, was alles wat hij uitbrengen kon.
‘Op jouw manier, ja’, glimlachte ze een beetje meewarig. ‘Waar ik dacht dat
we samen een heel nieuw leven zouden opbouwen, wilde jij me alleen maar een
plaatsje toekennen in dat vrolijke leventje van jou. En ik maakte mezelf graag leugens
wijs om dat te kunnen geloven. Maar toen ik opeens geconfronteerd werd met de
werkelijkheid, werd alles me duidelijk.’
‘Er is niets meer tussen Irina en mij!’
‘Waarom dan al die leugens? Hoe zou ik je ooit nog kunnen geloven, als
dàt allemaal leugens waren?’
‘Zij is het die gelogen heeft! Indien we erover gepraat hadden, had ik je
alles kunnen verklaren.’
‘Waarom heb je het dan niet gedaan? Waarom dat zwijgen? Hoe zou ik je
ooit nog kunnen vertrouwen?’
‘Ik hoopte vlug van haar af te geraken, maar ze klampte aan.’
‘Ik wilde haar eerst niet geloven, maar vond bewijzen voor alles wat ze zei.
Zelfs de catalogi van Deweer Art Gallery, waar je met haar geweest was, terwijl je
deed alsof je die galerie niet kende. Hoe heb je me dat kunnen aandoen? Ik was zo
helemaal zonder argwaan. Indien ze me niet opgebeld had, had dat vrolijke leventje
van jou nog heel lang kunnen duren.’
‘Dat was volledig afgesloten en gedaan sinds de laatste afspraak met haar
de dinsdagnamiddag daarvoor. Ik had haar alles verteld en ze was kwaad
weggelopen.’
‘Na alles wat er gebeurd is, ben je misschien wel enigszins veranderd,
Karel, maar zij zei dat ze nog steeds heel veel van je hield en dat het niet gedaan
was tussen jullie, wat je ook tegen mij zou beweren.’
‘En dat schilderij van Thomas Lange? Bewijst dat niet hoeveel ik van je
hou, Karin?’
‘Jij kunt je dergelijke folies permitteren, Karel. Je hebt geld genoeg. Maar ik
heb die mandala's nu niet meer nodig.’ Ze glimlachte naar Dirk die eventjes haar
hand streelde en haar glimlach beantwoordde. 'Punta Arenas', dacht hij. Ze zat voor
Karel inderdaad op een andere planeet. Maar zou ze niet weer bereikbaar worden
voor hem wanneer ze terug was in haar studio, in haar vroegere omgeving?
Die wederzijdse glimlach en de manier waarop Dirk haar hand streelde,
deden Karel blijkbaar begrijpen dat het zinloos was verder aan te dringen. Na een
poosje stilzwijgen zei Dirk: ‘Ik geloof niet dat het nog veel zin heeft ...’
Met een paar kussen op haar wangen, waaraan Karin nu niet kon
ontsnappen, nam Karel afscheid. Het was een hele opluchting voor Dirk dat de man
zich zo goed had weten te beheersen. Met enige moeite weliswaar. Terwijl hij hem
zwijgend tot aan de uitgang begeleidde, besefte hij dat hij zelf teveel van zijn
gevoelens voor Karin had laten blijken. Karel negeerde zijn uitgestoken hand en zei
dat hij niet meer naar het ziekenhuis zou komen, maar dat hij terug contact zou
opnemen met Karin zodra ze ontslagen was.
‘Dat is misschien het beste.’
‘Maar ik neem desnoods een jaar vakantie, koop een mobilhome en ga met
haar op wereldreis als het moet!’ Het klonk als een bedreiging.
Een vaag gevoel van ontevredenheid met zichzelf belette Dirk onmiddellijk
terug te gaan naar haar kamer. Hij had Karel de loef afgestoken, maar was niet erg
gelukkig met de manier waarop. Zelfs die tekst van Saint-Exupéry leek hem nu
gekunsteld en inexact. De zwanen schijnen wél trouwe en zelfs levenslang durende
paren te vormen. En het was toch niet abnormaal vanwege die Zuid-Amerikaanse
meisjes dat hun 'solitude', die toch een 'solitude à deux' was met hun minnaar, hen
afschermde voor de hunkerende Antoine, die zelf een vrouw had in het verre Parijs.
Was hij het niet die Karin voor Karel onbereikbaar maakte? En had hij
daarbij niet ongewild in zijn kaarten laten kijken? Hij probeerde het allemaal van zich
af te zetten met een spreuk die een ietwat oudere speculant in immobiliën hem ooit
geleerd had: 'In het kopen en het vrijen, moet je niemand nie(t) mij(d)en.' Hij had daar
toen een eerder bedenkelijk gezicht bij getrokken, maar blijkbaar zat er toch heel wat
waarheid in. Hij was zelf ongetwijfeld de beste pretendent voor Karin. Zijn inzicht en
zijn ervaring zouden hem in staat stellen tegemoet te komen aan haar verwachtingen,
aan haar behoeften. Door de ambivalente band met haar moeder en met haar vader
die nu een relatie had met een andere vrouw, en vooral na die breuk met Karel, had
ze ongetwijfeld nood aan ondersteuning. Nu was het vooral belangrijk dat die man uit
haar omgeving wegbleef. Hij moest zichzelf ook niets meer wijs maken en doen alsof
alles vanzelf kwam of buiten hem om geregeld werd. Het was duidelijk dat hij erop uit
was haar te veroveren, hoewel er wellicht remmingen en weerstanden voorkwamen
in zijn dromen die probeerden het hem te ontraden.
10
Hoe zou hij die Karel op afstand kunnen houden? Zo’n wereldreis met een
mobilhome kon hij zich natuurlijk niet veroorloven. En haar aandacht in voldoende
mate binden met gesprekken over kunst leek hem niet echt overtuigend. Maar
voorlopig was dat zijn enige wapen, naast de therapie die hij zo lang mogelijk kon
zien te rekken.
Daarom concentreerde hij zich die avond opnieuw op de kunst. In de
gestalt die het kunstwerk was, begon hij verschillende niveaus te onderscheiden, met
eigen specifieke functies waartussen blijkbaar allerlei wisselwerkingen mogelijk
waren.
Er was eerst de latente inhoud die diep verborgen zat als in een
kelderverdieping. Zoals hij Karin al verteld had, moest men om dat te onderzoeken
onvermijdelijk een beroep doen op Sigmund Freud en de mechanismen die hij bij de
droomanalyse heeft blootgelegd. Droom en fantasie liggen heel dicht bij elkaar en de
onbewuste inhouden zijn altijd al een belangrijke bron van inspiratie en creativiteit
geweest, hoezeer dit in de huidige kunstmode ook miskend wordt.
De overgang naar het tweede niveau, het omzettingsproces van latente
naar manifeste inhoud, gebeurt meestal vrij onbewust hoewel de kunstenaar daarbij
gebruik maakt van zijn herinneringen en kennis, ervaringen en symbolen, net zoals
een knutselaar put uit zijn schat van gerecupereerd materiaal om iets nieuws te
vervaardigen. Die 'wisselstukken' krijgen daarbij meestal een heel nieuwe functie en
betekenis. De toeschouwer benadert de kunstwerken langs dat 'gelijkvloerse’ tweede
niveau en wordt ermee geconfronteerd als met zeer onconventionele 'tekens' door de
kunstenaar uitgezet in zijn eigen 'taal', verwijzend naar 'betekenissen' die veel
etherischer en glibberiger zijn, veel moeilijker te vatten en te begrijpen dan die van
onze conventionele communicaties. Ze zijn beladen met allerlei connotaties,
informatie en culturele bagage waarvan de mogelijke betekenissen zelfs de maker
gedeeltelijk kunnen ontgaan. Dat was ongetwijfeld het niveau waarop Karin zich het
best thuis voelde, maar hij zou haar toch een en ander kunnen bijbrengen over de
socioanalyse van de vele artistieke en maatschappelijke invloeden die op de
kunstenaar inwerken en die in zijn ‘tekens’ verwerkt worden. Door de moderne
communicatiemogelijkheden konden die tegenwoordig uit de verste uithoeken van
onze planeet of uit een heel ver verleden komen. Indien men de werkelijke betekenis
van die niet-conventionele artistieke ‘tekens’ zo goed mogelijk wilde achterhalen,
moest men samen met de psychoanalyse van de maker ook die socioanalyse van
zijn werk maken.
Op het derde niveau tronen de kunstenaars als in een beschermende
ivoren toren, of als op een uitvalsbasis van waaruit ze bewust of onbewust een
zekere relatie beogen, een welbepaalde vorm van contact met hun omgeving en
soms zelfs met de hele wereld. Met hun werk situeren ze zichzelf en trachten ze
invloed uit te oefenen op de werkelijkheid. Velen onder hen zitten verstrikt in
paradoxen. Hun creativiteit kan dan dienstig zijn om te leven of te leren leven met die
tegenstrijdigheden of om de werkelijkheid naar hun hand te zetten. Ze bouwen heel
dikwijls een microkosmos rond zich op, waarbij ze mensen aantrekken én op een
zekere afstand houden. Het creëren van kunstwerken speelt daarbij een grote rol. In
extreme gevallen bepaalt de kunstenaar soeverein de aard van de communicatie, de
spelregels van de relatie en de sociale omgang met diegenen die hij heeft weten aan
te trekken.
Daar bovenop, op een vierde niveau, kan de toeschouwer zelf spontaan
zijn eigen emotionele of onbewuste inhouden projecteren in die tekens, en ook
verbanden leggen met alle mogelijke informatie en hem bekende cultuurelementen,
waardoor hij er geheel nieuwe betekenissen aan geeft. Daarin is hij zelf creatief en in
zekere zin ook kunstenaar.
Dirk was nogal tevreden over dat mooie model. Vaagweg zag hij nog
allerlei randbemerkingen die hij er kon aan toevoegen, vooral over de onderlinge
wisselwerking tussen die verschillende niveaus. Hij besloot zoveel mogelijk op papier
te zetten opdat Karin het eerst rustig zou kunnen lezen vooraleer de discussie aan te
gaan.
11
De volgende morgen was er alweer een nieuwe droom die om aandacht
vroeg. Een nare droom, bijna een nachtmerrie.
Een bom ontplofte zonder lawaai, in een soort schemerduister. Het was
een dure bom. Ze deed een schrale zuil stof omhoog gaan. 'Vreemder dan een
moorden zonder gil', reciteerde iemand. De stofzuil werd een soort boom met weinig
of geen bladeren. De zon leek laag boven de horizon te zweven en er zou veel geld
nodig zijn om haar hoger te laten klimmen. Pas dan zou de boom echt bladeren
krijgen.
Het was een droom zonder menselijke personages en gesitueerd in een
desolaat landschap. Zoals schilderijen van Thomas Lange? Of zoals de Hardanger
Vidda in Noorwegen? Had zijn droom iets te maken met Noorwegen en met de
akelige reis die hij enkele jaren geleden in het najaar ondernomen had? Een tocht
waar hij liever niet aan terug dacht. Hij was tot aan de poolcirkel geraakt, maar had
dan rechtsomkeer gemaakt en was langs Zweden zo vlug mogelijk teruggekeerd. De
rest van zijn vakantie had hij in het helder verlichte Kopenhagen doorgebracht. Was
zijn reiservaring enigszins te vergelijken met die schilderijen van Thomas Lange?
Dat 'moorden zonder gil' stond ergens in verband met het klotsen van
water tegen een staketsel. Een associatie die hij niet goed kon thuis wijzen. Maar het
klotsende water deed hem denken aan de vaargeul naar de haven van Göteborg en
de overzetboot van Denemarken naar Zweden. De lage zon had ongetwijfeld te
maken met de donkere dagen rond de poolcirkel.
Hij had die reis halsoverkop aangevat om definitief met Ludwina te breken
na het beëindigen van zijn studies. Hij wilde een tijdje alleen zijn in het donkere
najaar van Scandinavië om zich te bezinnen, had hij haar gezegd. Maar hij wist toen
al dat hij met haar zou breken. Dat hij hun kwakkelende relatie definitief zou
beëindigen.
Hij was bijna in één ruk naar Frederikshavn gereden, tot in het topje van
Denemarken. Daar had hij een paar uur liggen slapen in zijn wagen, wachtend op de
overzetboot naar Göteborg. Van de boot herinnerde hij zich vooral de rijke
zelfbedieningstafels waarvan hij veel en lekker gegeten had voraleer weer een paar
uurtjes te slapen. En daarna was er die vaargeul naar de haven van Göteborg
geweest, met de lichtjes op het land links en rechts en het water dat klotste tegen de
boeg van het schip en tegen het staketsel van de haven. Het moorden zonder gil
sloeg ongetwijfeld op het gevoel dat hij had toen hij in Zweden voet aan wal zette: hij
had Ludwina definitief achter zich gelaten.
Van de granieten rotskust in Zuid-Zweden had hij niet veel gezien omdat
hij onmiddellijk doorgereden was en tegen de morgen de Noorse grens had bereikt.
In het vriendelijke Oslo had hij een paar dagen rondgelopen en enkele musea
bezocht. En dan was hij naar de Hardanger Vidda gereden, die enorme eenzame
hoogvlakte met kale, troosteloze landschappen. Tijdens de vakantieperiode liepen
daar vele wandelaars en trekkers rond, wist hij. Maar hij ontmoette er omzeggens
geen kat. De mist en het vroege schemerduister begonnen hem daar al parten te
spelen. Hij herinnerde zich de slagbomen, die hier en daar private, kilometerslange
landwegen afsloten en waar je moest betalen in een onbewaakt geldbusje vooraleer
de slagboom omhoog te zetten en te passeren. Slagboom... 'Bom' in het Noors,
waartegen hij had opgekeken als tegen een bladerloze boom vooraleer hij die terug
neerliet. Elke 'bom' van Hardanger Vidda had hem meer en meer geconfronteerd met
het alleen zijn. Alsof niemand hem nog achterna zou kunnen komen telkens hij een
slagboom achter zich neergelaten had.
Gelukkig was er daarna het lieflijke Lillehammer en de lange brede vallei
van de Lågenrivier. Daar logeerde hij al liever in de gastenkamers die overal
aangeboden werden, in plaats van in hotelkamers of in blokhutjes van campings. Hij
kwam wel meestal terecht in ietwat aangepaste kamers van uitgehuwde of
weggetrokken kinderen. De ouderen spraken soms een beetje Duits en de jongeren,
als die er waren, vrij goed Engels. Maar de meeste bewoners van die huizen hielden
zich erg discreet afzijdig. De lange avonden alleen en de nachten bevielen hem
minder en minder. Hij had wat boeken mee, maar het waren, behalve zijn trouwe
Camus, allemaal studieboeken en daar kon hij zijn zinnen helemaal niet op zetten. Hij
herlas dus nog maar eens ‘La Peste’ en kreeg wat meer begrip voor mensen die een
stapel lectuur meenemen op reis: dat zijn de echte boekenwurmen die hun cocon met
zich meeslepen naar het buitenland om zich te beschutten tegen de vervreemding.
'Dat ze dan verdomme thuis blijven', had hij vroeger gedacht. ‘Je moet toch niet op
reis gaan om boeken te lezen’. Zijn eigen tocht naar het noorden was, naast het
excuus om van Ludwina weg te geraken, een soort psychologisch experiment. Maar
na enige dagen had hij er ook liever een cocon of een dikke huid gehad die hem
tegen de confrontatie met het alleenzijn kon beschermen.
Op weg naar Jotunheimen waar hij enkele van de vele gletsjers wilde gaan
zien, begon ook de koude zich te laten voelen. Nadat hij had staan bibberen in een
natte mistwolk bij een paar van die plaatsen waar het koude water van onder de
blauwachtige ijskorst uitstroomde, besloot hij vlug naar het hoge noorden door te
reizen.
Aan de mooie baai van Trondheim had hij een dag gerust en wat
rondgewandeld in de straten waar halfweg de namiddag de lichten al aangingen. En
in een soort grootwarenhuis had hij voor het eerst een ragout van rendiervlees
gegeten. Goedkoper dan de visschotels in de restaurants of de dagschotels in
eethuisjes langs de weg. Men waarschuwde hem daar dat er aan de poolcirkel al
sneeuw-en-ijzel lag en dat hij in het schemerduister moest oppassen voor rendieren
die over de weg liepen. Daar gebeurden elk jaar ongelukken mee en de aanrijder was
daarbij in fout: die beesten hadden geen koplampen of achterlichtjes.
Tot dan toe hadden de meestal korte maar hevige regenbuien hem niet al
te veel gehinderd. En hij had sneeuwkettingen bij. Maar nu begon hij toch te twijfelen
of hij het wel zou wagen om door te rijden tot aan de Noordkaap. Sneeuw zou nog te
doen zijn, maar voor ijzel zouden zijn kettingen minder efficiënt zijn.
Hij herinnerde zich niet meer hoeveel dagen hij er over had gedaan om
van Trondheim naar Narvik te rijden. Hij vorderde er niet meer zo vlug. Langs fjorden
waar hij een paar maal moest overgezet worden, langs bergen waarvan hij alleen de
voet zag onder de laag hangende wolken, of waarvan soms een besneeuwde top wit
glinsterde in het schemerduister. Af en toe was er wat oponthoud omdat
vrachtwagens allerlei manoeuvres moesten uitvoeren om te kruisen op smalle
wegstroken. Kort voor Narvik begon het te sneeuwen. Hij geraakte toch zonder
problemen in het stadje dat vooral een industriële haven bleek te zijn voor het
overladen van ijzererts uit het Zweedse Kiruna. Hij bleef er een dag besluiteloos
rondhangen en zag er die avond voor het eerst de groene waaierende gordijnen van
het noorderlicht. Het was majestatisch mooi, maar er bekroop hem een bijna
beangstigend gevoel. Iets dat hem nog meer deed hunkeren naar menselijk contact.
Toen de weersvoorspellingen allesbehalve gunstig bleken, besloot hij af te draaien
naar Kiruna, om vandaar naar de Botnische golf en verder langs de hopelijk meer
beschutte kustweg van de Baltische zee terug naar het Zuiden te rijden.
Op de lange eenzame weg naar Kiruna, waar hij traag en voorzichtig een
ganse dag over deed, fantaseerde hij wat er zoal kon gebeuren als hij van de weg af
geraakte. Maar de weg werd goed open gehouden door sneeuwruimers. Kiruna leek
op een Far Weststadje uit een cowboyfilm. Van de mijnactiviteiten was er niet veel te
zien. Je mocht gewoon niet binnen op het omheinde terrein. Op zijn kamer in het
hotelletje waar hij de enige gast was, had hij wat meer wodka gedronken dan het
slaapmutsje van vorige avonden. Hij had er twee liter van mee in flessen van
Spawater omdat alcohol in Scandinavië zo duur was. De deprimerende indruk van
het stadje maakte dat hij behoefte had aan wat meer. Wat deden al die mensen daar
in godsnaam, in dat verlaten gat gedurende die ellendig lange donkere winter? Zelfs
zonder pest zaten ze hier maandenlang in een soort quarantaine. Wat doe je dan al
die tijd anders dan werken, eten en slapen? Neuken? Tv-kijken? Boeken lezen? ’s
Avonds door het venster naar de grillige slierten noorderlicht kijken? Je moet een
ijzersterke relatie hebben met een bijzonder goede partner om het daar jarenlang uit
te houden, had hij gedacht. Na één dag hield hij het er voor bekeken en hij deed er
twee dagen over om tot in Luleå aan de Botnische golf te geraken. Een paar maal
kwam hij enkele rendieren tegen die braaf op een rijtje achter elkaar langs de rand
van de weg liepen. Vooral omdat de weg hier en daar toch glad was, reed hij er heel
voorzichtig.
Het brakke zeewater boven in de Botnische golf was al bevroren, en het
was er niet minder koud dan in Kiruna. Maar hij begon zich toch wat meer op zijn
gemak te voelen en stopte zelfs af en toe eens om een landschap of een mooie baai
te bewonderen. ’s Avonds zag hij nog een paar maal boven verre bergen wat
heimelijke restjes noorderlicht. 'Grand consommateur de paysages' dacht hij van
zichzelf. In het vervolg zou hij proberen meer te reizen, om landschappen en steden
te zien en om mensen te ontmoeten. Maar dan in minder barre streken en
omstandigheden. Om mensen te ontmoeten viel Scandinavië hem toen wat tegen.
Misschien lag dat voor een deel aan hemzelf. Hij was eerst niet in stemming geweest
om echt toenadering te zoeken na dat wegvluchten van bij Ludwina. Maar daarna
had hij toch wat meer gezelschap gewenst. Door de dikke winterkleren die ze
droegen, had hij in het Noorden ook nauwelijks de vrouwen opgemerkt. Het zou nog
duren tot in Kopenhagen vooraleer ze echt weer opdoken in zijn wereld.
Hij reisde vlug terug naar het Zuiden. De universiteitsstad Uppsala reed hij
gewoon door en hij bleef ook maar één nacht in Stockholm. Hij wilde zo rap mogelijk
in Kopenhagen zijn. De reputatie en het uitgangsleven van de stad trokken hem aan.
De meisjes lagen er ’s zomers topless te zonnen in de parken, wist hij. Daarvoor was
het nu wel te laat op het jaar. Maar er werd onder studenten die het konden weten
gezegd dat de meisjes van Kopenhagen gemakkelijk in bed te krijgen waren en dat
wilde hij wel eens uittesten. In elk geval was de wereld er opeens overvloedig bevolkt
met vrouwen.
Hij was bij het herlezen onderweg van ‘La Peste’ ook tot de bevinding
gekomen dat het vrouwelijke bijna helemaal ontbrak in dat boek. Eigenaardig dat het
hem nu pas opviel. Camus stuurt inderdaad de vrouw van dokter Rieux voor het
uitbreken van de pest naar Zwitserland ‘omdat ze tbc heeft’. Het hele boek door leeft
Rieux als een castraat, met zijn moeder die opdraait voor de materiële behoeften. En
wanneer de pest voorbij is laat Camus die echtgenote zelfs sterven, waarna hij in de
onmiddellijk volgende paragraaf beschrijft hoe ‘de hemel opentrekt en het belooft een
mooie dag te worden’. Dat moest voor Camus misschien het absurde nog wat meer
onderlijnen, want waartoe dient het mooie weer in die omstandigheden? Maar hij had
het beter laten regenen, om te vermijden dat een structuralistische lectuur van de
tekst er een heel andere betekenis in zou zoeken. Die zin kon immers evengoed een
hele opluchting uitdrukken bij het definitief verdwijnen van de echtgenote. Verraadde
Camus hiermee niet zijn ingesteldheid tegenover zijn eigen huwelijk?
Waarom was de afwezigheid van echte man-vrouwrelaties in zijn lijfboek
hem nooit vroeger opgevallen? Had de bevrijding van de drukkende relatie met
Ludwina én zijn eenzaamheid tijdens de voorbije dagen hem nu ineens oog laten
krijgen voor wat de wereld voortaan te bieden had?
Zijn verwachtingen werden in Kopenhagen niet teleurgesteld. Er waren
nog heel wat toeristen in de stad, maar het was niet op die buitenlanders dat hij het
gemunt had. De eerste avond al geraakte hij in een restaurantje aan de praat met
een jonge serveerster. Ze had in zeer goed Engels gevraagd vanwaar hij kwam en
toen hij 'Belgium' zei knikte ze alsof ze België heel goed kende. Ze had inderdaad
vrienden die er geweest waren en ze had veel interessante dingen gehoord over
'Bruges, Ghent, Brussels and Antwerp'. Om tussendoor nog wat met haar te kunnen
praten, had hij een dessert en daarna ook nog een koffie besteld en ze had blijkbaar
begrepen dat ze in zijn smaak viel. ‘Je moet zelf ook eens afkomen?’ had hij een visje
geworpen en ze had onmiddellijk geantwoord dat ze dat wel graag wou doen. Hij had
haar zijn adres en telefoonnummer gegeven en gezegd dat hij haar inviteerde. Ze
was welkom 'any time'. Hij was pas afgestudeerd als psycholoog en zou de volgende
maand beginnen werken. Ze stak het visitekaartje zorgvuldig weg en toen ze het
schoteltje met de rekening bracht, bleef ze een ogenblik naast hem zitten.
Ze heette Borghild, maar hij noemde haar daarna Hildeke omdat die naam
beter paste bij het fijne grietje dat ze was. Ze studeerde informatica en moest wat
jobben om haar studies en haar kamer te betalen. Haar ouders woonden dicht bij de
Duitse grens. Hij had toen een ogenblik geaarzeld of hij haar onmiddellijk zou
uitnodigen voor een avondje uit, of dat hij de volgende dag daarvoor zou terugkomen.
Maar hij riskeerde liever niet dat er ‘s anderendaags een ander meisje van dienst kon
zijn. Hij waagde het haar te inviteren 'om wat nader kennis te maken' en het lukte.
Om tien uur zou ze op hem wachten aan de overkant van de straat.
Ze gingen eerst samen naar een bioscoop. Hij herinnerde zich niets meer
van de film, maar wel dat haar schouder af en toe erg prettig tegen de zijne drukte.
Daarna gingen ze nog wat dansen in een nachtclub en bracht hij haar tenslotte naar
haar studiootje. Het was een dure avond geworden, maar het loonde ruimschoots de
moeite. Hij was lang bij haar gebleven en was daarna nog verscheidene nachten met
haar uitgegaan. Geldverslindende nachten waren dat, maar hij bleef er tot zijn budget
ver op was en hij ‘dringend terug naar huis moest’. Ze verzekerde hem bij het
afscheid met veel kussen en lieve blikken dat ze volgende zomer zékér naar
'Flaenderen', zoals ze hem probeerde na te zeggen, op bezoek zou komen.
Ze hadden inderdaad wat gecorrespondeerd en getelefoneerd. Maar
naarmate het jaar vorderde waren hun contacten zeldzamer en meer afstandelijk
geworden. En in juni kreeg hij een kort briefje dat ze een jongen had leren kennen die
niet wilde dat ze alleen naar België kwam en het leek haar niet erg zinvol samen met
hem te komen. Dirk had haar vriendelijk geantwoord dat hij daar begrip voor kon
opbrengen en dat hij haar het allerbeste wenste. Dat hij altijd een heel goede en
aangename herinnering aan haar zou bewaren.
Kopenhagen en Hildeke waren niet alleen een keerpunt geworden in zijn
leven, ze wijzigden ook zijn kijk op Camus. De levensstijl van die vrouwenversierder
leek Dirk opeens belangrijker dan zijn filosofie, en dat liet hem toe heel normaal te
vinden dat hij daarna zelf ook elk jaar een vriendinnetje aan de haak sloeg.
Zag het er nu naar uit dat hij op het punt stond zijn geweer van schouder te
veranderen? Ondanks de donkere, bijna dreigende sfeer van die laatste droom zag
hij er een suggestie in om met Karin op reis te gaan. Naar Scandinavië dan nog.
Tijdens het zomerseizoen zou daar wel een heel andere wereld te zien en te beleven
zijn. Aan de Noordkaap zouden ze de middernachtszon laag over de zee zien
schuiven zonder dat ze onderging. Karin kon een tweede Hildeke worden.
Hoeveel risico’s er ook aan verbonden waren, hij moest nu een keuze
maken. Hij moest haar zien te winnen vooraleer die Karel met zijn wereldreis voor de
dag kwam.
En zou hij daarmee Camus niet helemaal in het ongelijk kunnen stellen?
Een wereld met vrouwen, paren, relaties voelt heel wat minder absurd aan dan zijn
filosofie ons wil laten geloven. Zijn extreem individualisme is absurd. Als sociale
wezens, met onze behoefte aan de anderen en onze mogelijkheden om hen iets
terug te geven, zijn we kleine radertjes in een reusachtig geheel. Kuddedieren
geïntegreerd in de grote kudde. Al weten we helemaal niets over onze oorsprong en
het waarom van ons bestaan, noch hoe het zal eindigen, toch is het avontuur van
onze soort belangrijk genoeg om alle mogelijkheden voor de toekomst open te
houden, om te proberen die evolutie veilig te stellen en door te geven. Bovendien is
het doorlopen van de verschillende stadia van kinderjaren, jeugd, volwassenheid,
kinderen krijgen en opvoeden, hen op hun beurt zien opgroeien en daarna toekijken
hoe de wereld verder evolueert, boeiend genoeg om het absurde te vergeten.
In een relatie kun je daarbij sensaties beleven die even sterk zijn als bij het
beklimmen van hoge bergen of het besturen van formulewagens. Je moet alleen
maar een partner zien te vinden die interessant genoeg is om er een heel leven mee
te vullen. Of indien nodig tijdig te veranderen.
Hij zou zijn reisplan best zo vlug mogelijk bij Karin aankaarten om de kleine
voorsprong die hij op Karel had maximaal te benutten. Indien ze toestemde en er
geen bezwaar tegen had om ook af en toe te kamperen, zou hij zijn ruime iglotent
meenemen, met de dubbele luchtmatras en de slaapzakken die met de ritssluiting
aan elkaar konden gezet worden. Het was al een hele tijd geleden dat hij er nog eens
een aangenaam weekendje mee beleefd had.
Maar wat als ze op het laatste ogenblik afzegde? Zou hij dan opnieuw die
hele tocht alleen doen? Dan kon hij nog altijd naar Kopenhagen, Oslo en Stockholm
gaan, om in de wereld van de vrouwen te blijven.
12
Toen hij de volgende dag in haar kamer binnenkwam, begroette hij haar zo
luchtig mogelijk. ‘Hoelang denk je nog gebruik te maken van onze gastvrijheid,
Karin?’
‘Niet langer dan strikt noodzakelijk!’ zei ze terwijl ze vlug een bladzijde
omdraaide. Ze zat in de zetel met een van de kunstboeken op haar knieën maar keek
naar de lucht achter het raam of naar de rozen van Karel die in een vaas op de brede
vensterbank stonden.
Hij gaf haar een hand en draaide met de andere de bladzijde terug. Het
was een schilderij van Magritte: op de voorgrond een vrouwentors van op de rug
gezien met de rest van het lichaam verborgen in een cilinder en daar tegenover een
sensueel vrouwelijk naakt met het lichaam in een net gevangen en de opgeheven
armen samen met het hoofd verborgen in eenzelfde soort cilinder. En verder nog een
plankenvloer, een gordijn en een achtergrond zonder veel diepte, met bergen onder
een lage wolkenhemel. Het heette: 'Medeplichtigen van de Magiër'.
‘Een mooi werk’, zei hij en dacht eraan toe te voegen: ‘zou Magritte hier
niet zijn eigen dualiteit op de vrouw geprojecteerd hebben?’ Maar Karin was hem
voor. ‘Dat ben ik’, zei ze een beetje uitdagend, wijzend op het vrouwenlichaam in het
net. ‘Zo ben ik nu.’
‘En wie is dat dan?’ Dirk legde een vinger op de andere figuur.
‘Dat wàs ik. Zo was ik vroeger en ben ik in bepaalde omstandigheden
misschien nog.’ Ze sloeg vlug de bladzijde om alsof ze van onderwerp wou
veranderen. Maar Dirk wilde haar niet zo gemakkelijk laten ontsnappen: ‘Hoe komt
het dat er nu twee verschillende Karins zijn?’
‘Ik was eerst als die figuur met het verborgen onderlijf: wat bang voor seks
en niet gelovend in de liefde na alles wat ik thuis gezien en gehoord had. En nu gelijk
ik heel erg op dat ander lichaam in het net, zonder hoofd en armen’, antwoordde ze
zonder te moeten nadenken. Maar dan veranderde ze vlug van onderwerp: ‘Wanneer
zal ik terug naar mijn studio mogen? Naar het schijnt moet u daarover beslissen?’
‘Niet helemaal alleen. Daar moet over vergaderd worden. Maar het is waar
dat mijn stem daarbij nogal doorweegt.’
‘En?’
‘Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan ik stellen dat er geen
gevaar bestaat voor recidive’, lachte hij gemaakt officieel. ‘Maar er is het probleem
van de nazorg. Met je ouders, vooral met je moeder heb je een beetje een
probleemrelatie en dat kan je in bepaalde omstandigheden opnieuw uit je evenwicht
brengen. We zouden een gesprekstherapie moeten kunnen opzetten met jullie drieën
samen.’
‘Dat is onmogelijk’, zei ze onmiddellijk.
‘Dat vreesde ik al. Dan blijft de mogelijkheid van een individuele therapie,
om die twee delen van je lichaam terug aan elkaar te zetten.’ Hij wees naar de
cataloog. ‘Om je opnieuw te laten geloven in relaties. Misschien ook om te vermijden
dat die eigenaardige vorm van vaginisme de kop weer opsteekt.’
‘Daar ben ik toch van af, dacht ik?’
‘Misschien wel. Maar zolang je niet wat positiever naar relaties kijkt, is het
mogelijk dat het zich opnieuw voordoet.’
‘Maar daarvoor moet ik niet langer hier blijven?’
‘Inderdaad niet. Het was de bedoeling je wat af te schermen voor te grote
emoties die kunnen voortvloeien uit de confrontatie met Karel. Hoe kijk je daar nu
tegenaan, nu je hem terug gezien hebt?’
‘Dat is volmaakt verleden tijd’.
‘Ik heb je een ietwat eigenaardig voorstel te doen’, waagde hij voorzichtig.
‘Ik zou je de eerste weken van dichtbij willen volgen.’
‘Komt u bij me inwonen?’ deed ze een beetje ironisch, maar niet echt
onvriendelijk.
‘Eerder omgekeerd. Ik ben van plan een reis naar Scandinavië te
ondernemen, tot aan de Noordkaap. Indien je me daarbij wilde vergezellen zou dat
een ietwat originele, maar praktische vorm van cognitieve gedragstherapie kunnen
worden.’
‘Dan moet ik daarbij geen medicatie meer nemen, als ik die term goed
begrijp?’
‘Je hebt hier alleen sedativa moeten nemen om wat tot rust te komen en
het gevaar voor recidive te beperken. Daar mag je nu al mee stoppen. We zouden
wat temesta of valium kunnen meenemen voor eventueel stresserende situaties.
Maar aangezien we voortdurend samen zouden zijn, zouden we die ongetwijfeld tijdig
kunnen neutraliseren indien ze zich mochten voordoen. Het zou in feite een heel
gewone reis zijn met wat gesprekstherapie tussendoor.’
‘U bent wel een heel ongewone therapeut. Nog ongewoner dan de
verpleegsters hier vermoeden.’
‘Je bent voor mij ook geen gewone patiënte.’
‘Is het dé voorwaarde om onmiddellijk vrij te komen?’ vermeed ze met een
lachje hierop in te gaan.
‘Je doet alsof je hier gevangen wordt gehouden!’
‘Het is toch bijna alsof!’
‘Laat ons zeggen dat ik je dan binnen een paar dagen “vrij” kan krijgen. Er
moet wel nog eerst vergaderd worden.’
‘Krijg ik wat bedenktijd, terwijl jullie vergaderen?’
‘Natuurlijk. Indien je niet mee gaat zal ik die reis een paar maanden
uitstellen, om je niet onmiddellijk aan je lot over te laten. Maar het is nu de beste tijd
om naar de Noordkaap te gaan. Binnenkort zal de zon er gedurende enkele nachten
over de zee voorbijschuiven zonder onder te gaan en dat is nogal sensationeel.’
‘Scandinavië zegt me wel iets. Er is een zeer bekend schilderij van Edvard
Munch dat ik zou kunnen gaan bekijken in een museum van Oslo.’
‘Je krijgt één dag bedenktijd! Intussen kan je ook het model eens bekijken
dat ik bedacht heb om kunstwerken op een wat analytische manier te benaderen.’ Hij
gaf haar een uitgeprinte kopie van zijn notities.
Ze legde de blaadjes boven op het boek zonder ze te bekijken. ‘U gaat
toch niet speciaal voor mij naar de Noordkaap?’ vroeg ze een beetje argwanend.
‘Helemaal niet. Ik ben er enkele jaren geleden naartoe gegaan in de late
herfst en zou Scandinavië nu eens in de zomer willen zien. Ik ben toen ook niet tot
aan de Noordkaap geraakt. Door weersomstandigheden.’ Hij vertelde liever niet dat
zijn terugkeer meer op een vlucht had geleken.
‘Maar steken er niet ook nog andere bedoelingen achter deze...
uitnodiging?’ insisteerde ze.
‘Om heel eerlijk te zijn wil ik wel bekennen dat het, wat mij betreft, ook
meer mag worden dan een soort therapeutische reis'.
‘Een uitvergrote uitstap naar Amsterdam?’
‘Daarmee zou ik het liever niet vergelijken. Elke ietwat belangrijke reis is
een gelegenheid om dingen te relativeren, om met een zekere afstand te kijken naar
dat waar je mee bezig bent, om de horizon wat te verruimen. Je kunt er misschien
zelfs een beetje een rituele betekenis aan toevoegen hier, als een tocht naar de niet
ondergaande zon ... Hoe het daarna verder gaat, hangt evenzeer af van jou als van
mij.’ Na een korte aarzeling voegde hij eraan toe: ‘maar wat mij betreft kan het
inderdaad alle kanten uit.’
‘Dat is, voor zover ik weet, niet helemaal volgens het boekje?’
‘Niet helemaal, inderdaad. Relaties met patiënten worden door de meeste
therapeuten onorthodox gevonden, maar ze komen meer voor dan officieel
toegegeven wordt.’ Audrey Hepburn was zelfs getrouwd met haar psyciater,
herinnerde hij zich, maar dat zegde hij nu beter niet. ‘Bovendien zou de reis in de
plaats komen van ambulante nazorg en zou de therapie na jouw ontslag uit het UZ
officieel beëindigd zijn.’
‘We zouden ook heel veel gelegenheid hebben om over kunst te praten’,
ontweek ze een duidelijk antwoord. ‘Het lijkt inderdaad een voorstel om over na te
denken. Indien het financieel haalbaar is.’
‘Dat is altijd wel op te lossen.’
‘Eventueel kan ik mijn vader een beetje laten helpen. Als we de klemtoon
leggen op het feit dat het een therapeutische reis is’, lachte ze.
‘Ik heb er zelf ook wel wat voor over, indien nodig. Want zo zou ik de beste
tijd van het jaar niet moeten laten voorbijgaan en zou ik bovendien aangenaam
gezelschap hebben.’
‘Het zou in elk geval een interessant experiment kunnen worden.’
‘Dat zeer zeker. Zorg dus maar dat je morgen een positief antwoord hebt,
Karin!’ Hij nam haar hand en drukte die zeer stevig. Met nog een klopje op haar
schouder nam hij afscheid. Toen hij bij de deur even omkeek, zag hij dat ze hem
glimlachend nakeek.
Op weg naar huis bedacht hij dat er van eigenlijke therapie nog niet veel
sprake was geweest. Ze was eerder een verpozing geweest tussen de andere
patiënten in. Ze had ook zelf het nodige gedaan om de ziekmakende relatie waar ze
mee zat te verbreken en nu volstond het haar wat te begeleiden, haar te helpen een
nieuw evenwicht te vinden. En indien ze met hem een heel nieuw leven kon
beginnen, was die moeilijke relatie met haar moeder wellicht niet zo belangrijk of
bedreigend.
In het begin van zijn praktijk had hij wat problemen gehad met het zich
moeien in de zeer intieme aangelegenheden van patiënten, met de ‘pretentieuze’
therapeutische opstelling hen daarbij te kunnen helpen. Eigenlijk was hij die studies
van psychologie vooral begonnen om wat inzicht te krijgen in zijn eigen problemen en
de mens in het algemeen. Toen hij daarna geconfronteerd werd met de
verantwoordelijkheid in te grijpen in het leven van patiënten schrok hij daar eerst wat
voor terug. Maar het werd hem gauw duidelijk dat hij in de eerste plaats hun
ziekmakende relaties of hun vastgeroeste gewoontes moest doorbreken met
paradoxale opdrachten of andere bewustmakende interventies en dat de patiënten
daarna zelf verantwoordelijk waren voor het opbouwen van een nieuw evenwicht,
weliswaar onder zijn begeleiding.
13
Met spanning keek hij uit naar haar beslissing. Waarschijnlijk ging zijn
bange droom van de volgende nacht ook daarover. Hij reed in het schemerdonker
over een gevaarlijke weg en moest opeens hard remmen voor een groot stuk wild dat
voor zijn wagen sprong. Hij kon gestraft worden als hij het omver reed. Was het een
eland of een rendier?
Op een eland mocht hij jagen, maar niet op rendieren: die waren van de
Lappen, de Laplanders. Elanden liepen altijd alleen rond, in het wild, als waren ze ‘op
de lappen’ …
Het dier verdween in de struiken vooraleer hij wist wat het was. Hij wilde er
achter aan gaan, maar een slagboom viel voor zijn neus naar beneden.
Langs een zijdelings sluikpaadje kon hij het toch achterna rijden. Het bleek
kleiner en eleganter dan een eland en liep niet zo sloom. Het was een rendier. Hij
bleef er achteraan rijden hoewel hij wist dat het niet mocht. Hij reed weg van Finland,
weg van de Lappen, die zichzelf Samen heten. Weg van ‘op de lappen gaan’ of op
weg naar ‘samen-zijn’? Langs kanalen die bevroren waren. Dat bleek Sint
Petersburg, een ander ‘Venetië van het Noorden’. Het dier liep verder en verder
doorheen Siberië. Hij bleef het volgen tot aan een laatste zeer brede rivier die niet
helemaal dicht gevroren was. Was hij het noorden kwijt? Letters van het alfabet. A, a,
Amur. Was dat de naam van de rivier? Het rendier sprong gezwind van ijsschots naar
ijsschots. Hij kon het niet achterna gaan omdat hij door het ijs zou zakken.
Daarna reed hij toch over ijs. Was hij op de terugweg, of was het gewoon
een andere weg? Het ijs was al aan het smelten en er stond een laagje water op. Hij
vreesde voortdurend door het ijs te zakken maar bereikte toch de andere oever van
het uitgestrekte meer. Schilderijen, een kunstkabinet, dit moest terug Sint Petersburg
zijn. Het geheime erotische kabinet van tsarina Katharina?
Hij nam een stortbad en ontbeet met wat muesli en melk om zich zo vlug
mogelijk naar het UZ te spoeden. Karins antwoord zou hem van alle muizenissen
verlossen, hoopte hij. Anders zou hij de plannen die hij rond haar opgebouwd had
beter laten varen.
Maar dan bedacht hij zich. Hij had de vorige dag al te veel in zijn kaarten
laten kijken. Hij wist natuurlijk wel dat men zich in de liefde kwetsbaar moest durven
opstellen. Maar hij wist ook dat wanneer men teveel aandrang vertoont, de potentiële
partner kan afgeschrikt worden, of in een veel sterkere positie komt te staan, wat ook
niet ideaal is. Had hij niet wat langer moeten wachten vooraleer te laten merken dat
hij uit was op een relatie? Indien haar antwoord negatief was, zou hij nu wel verplicht
zijn de reis naar Scandinavië uit te stellen tot de minder interessante nazomer of tot
volgend jaar en zou hij onmiddellijk met een erg strikte therapie moeten beginnen.
Geen prettig vooruitzicht. Hij besloot dan toch maar te wachten tot het voorziene uur,
in plaats van ‘vlug even bij haar binnen te lopen’.
De dag duurde bijzonder lang. Hij had af en toe moeite om zich te
concentreren en luisterde zonder veel aandacht naar wat andere patiënten hem te
vertellen hadden. Bij een oude alcoholicus moest hij op zeker ogenblik een
sarcastisch lachje onderdrukken toen opeens de gedachte bij hem opkwam dat ze
beter samen een stevige borrel konden gaan drinken. De vereenzaamde man had
niets anders meer in zijn leven en moest alleen maar afkicken omdat hij anders
dreigde van ellende te vergaan, terwijl hij eigenlijk niet onbemiddeld was.
Over de middag ging hij om de tijd zo goed mogelijk door te komen,
uitgebreid eten in een van de betere restaurants van de stad in plaats van de
gebruikelijke sobere maaltijd te nemen in het ziekenhuis. Hij voelde zich als een
visser die een grote vis aan de lijn heeft en bang is die nog te verliezen terwijl hij hem
binnenhaalt.
Karin had een lijstje met vragen opgesteld waarop ze eerst de antwoorden
wilde horen vooraleer een beslissing te nemen. Dat leek geen slecht begin. Ze
gingen tegenover elkaar aan het kleine tafeltje zitten dat er sinds een paar dagen op
haar aanvraag bijgekomen was en dat liet hem toe alle uitdrukkingen van haar
gezicht goed te observeren.
Haar voornaamste vraag zou ongetwijfeld een meer precieze omschrijving
zijn van 'wat hij van haar verwachtte'. Maar heel tactisch wachtte ze daar mee tot het
laatst. Op haar eerste vraag: ‘het wanneer precies?’ was zijn antwoord zeer
eenvoudig: ‘zodra ze daar allebei klaar voor waren, maar wel zo vlug mogelijk’. Dat
maakte hem zelfzeker genoeg om meteen verder door te gaan: ze zouden in één ruk
naar Frederikshavn in het noorden van Denemarken te rijden om vandaar over te
zetten naar Göteborg. Daarna konden ze langs Oslo en enkele interessante
natuurgebieden van Noorwegen, zoals de Hardanger Vidda en de gletsjers van
Jotunheimen passeren om rond 21 juni aan de Noordkaap aan te komen en de niet
ondergaande zon te zien. ‘En de fjorden?’ onderbrak ze hem. Daarvan zouden ze er
op de weg naar het noorden meer dan genoeg te zien krijgen. ‘En het noorderlicht?’
‘Daarvoor moet je in het voorjaar of het najaar naar Scandinavië gaan.’
Voor de terugweg konden ze over Kiruna evengoed langs Rovaniemi in
Finland terugkeren of de Baltische kust van Zweden volgen terug naar het zuiden. In
beide gevallen konden ze langs Stockholm en Kopenhagen passeren. In totaal zou
hij hiervoor vier weken vakantie nemen.
‘En je patiënten?’ vroeg ze.
‘In het UZ worden die tijdelijk door een collega van het team overgenomen
en sommige ambulanten moeten ook een paar weken “vrij” nemen. We zijn nog niet
zò erg aan onze job gebonden als de boeren’, lachte hij.
‘Nee, de koeien moeten élke dag gemolken worden.’ Ze schrok zelf een
beetje van haar opmerking, maar Dirk grinnikte even zodat ze er dan allebei om
konden lachen.
Over de kostprijs kon hij haar geen duidelijke voorspellingen maken. Ze
zou niet moeten tussenkomen in de kosten voor benzine en de auto: die waren er
evengoed als hij alleen reed. Ze zouden logeren in goedkope hotelletjes en
gastenkamers, of zelfs in hutjes van campings. Zijn voorstel om ook een tent mee te
nemen met een dubbele luchtmatras en slaapzakken, ‘voor het geval ze geen ander
logement vonden’, vond ze een leuk idee. Ze had wel nog nooit gekampeerd, tenzij in
grote tenten van een jeugdbeweging toen ze twaalf was. Ze had geen bezwaar tegen
de dubbele luchtmatras, als er maar individuele slaapzakken waren. Dirk vertelde
haar niet dat die ook met de ritssluitingen aan elkaar konden gezet worden.
‘We moeten alleen maar zien dat we niet teveel last krijgen van de
muggen. Die kunnen in het hoge noorden ‘s zomers erg talrijk en vervelend zijn, naar
het schijnt. Maar als de camping aan zee ligt is er geen probleem en bij een meer
moeten we de tent langs de windkant van het water opstellen, omdat de muggen met
de wind mee langs de andere oever rondhangen.’
‘Daar hebben we bovendien sprays en lotions voor’, zei ze. En wat de
financiën betrof zou hij haar aandeel in de kosten nauwgezet moeten optekenen
omdat ze haar vader zou laten sponsoren. ‘Ik kan een beetje inspelen op zijn
schuldgevoelens, omdat hij nooit erg goed voor zijn dochter heeft gezorgd, zoals hij
zelf toegaf een paar dagen geleden.’ Dirk wilde haar daarbij graag krediet verlenen,
zolang als nodig was. Na nog enkele zakelijke details, waarbij het meer en meer
duidelijk werd dat ze mee zou gaan, vroeg ze wanneer ze zou ontslagen worden uit
het UZ. Daarop kon hij nu met zekerheid zeggen ‘overmorgen, de dag na de
teamvergadering’. En dan kwam dé vraag ‘eens zeer duidelijk te stellen wat hij van
haar verwachtte tijdens de reis?’ Ze wilde zich niet graag tot iets verplicht voelen.
Daar kon hij in komen. Hij probeerde zo neutraal mogelijk ‘een kat een kat te
noemen'. Wat hem betrof, kon dit experiment alle kanten uit. Hun beider inbreng zou
uitwijzen hoe het zou evolueren. Maar er was natuurlijk geen enkele verplichting.
Dat leek haar een 'aanneembare uitgangspositie'. Maar moesten ze
veiligheidshalve niet eerst allebei een doktersonderzoek ondergaan om te zien of ze
wel ‘clean’ waren? Sinds ze wist dat die Karel een minnares had waarvan de ‘vent’
misschien niet helemaal betrouwbaar was … Dat leek Dirk ook een onrechtstreekse
vraag ‘hoe het met hem zat?’ Omdat hij na Kopenhagen veiligheidshalve een
bloedonderzoek had laten doen en omdat de vriendinnetjes daarna omzeggens recht
uit het ouderlijke huis naar de universiteit gekomen waren, antwoordde hij met volle
overtuiging dat hij zelf zo zuiver was als een maagd. Ze insisteerde niet en stelde ook
geen verdere vragen. Misschien was haar suggestie gewoon een seintje dat
intiemere contacten voor haar niet uitgesloten waren. Ze had hem ook al een paar
maal met ‘je’ aangesproken.
14
Dirk besloot zich zo weinig mogelijk als therapeut te gedragen gedurende
het resterende paar dagen. Hij moest op voet van gelijkheid beginnen omgaan met
Karin om de toenadering tijdens de reis voor te bereiden. Thuis bestudeerde hij zijn
documentatie over Scandinavië om een reisschema op te stellen dat zou toelaten
tegen de periode van de zomernachtzon bij de Noordkaap aan te komen. En tijdens
zijn bezoeken zou hij proberen over niets anders meer te praten dan over de reis en
over kunst. De notities die hij haar gegeven had, zouden daarbij goed van pas
komen.
Karin begon de volgende dag zelf over zijn 'model met vier verdiepingen'.
De semiotici hadden ook verschillende ‘lagen’ of functies onderscheiden in
kunstwerken, zoals de communicatieve en de esthetische. Dirk wilde een discussie
beginnen over het esthetische in de kunst, maar Karin zei dat de klemtoon nu eerder
lag op het creatieve. Ze wilde graag met hem de verschillende motivaties die
kunstenaars kunnen aanzetten tot creëren, situeren op zijn vier niveaus. Hij stelde
met genoegen vast dat ze hem nu heel spontaan tutoyeerde.
‘De verdrongen inhouden van de kelderverdieping die zich willen uiten en
bewust worden, behoren volledig tot het domein van jouw Freud’, begon ze, ‘en daar
kunnen we het later meer uitgebreid over hebben. Laten we beginnen met wat er op
het tweede niveau, “het gelijkvloers” werkzaam is als aantrekkingskracht vanwege de
schat aan materiaal, gegevens en symbolen die gebruikt kunnen worden en zelfs
“vragen” om verwerkt te worden.’
‘Als de creativiteit en de fantasie daarmee bezig zijn van jongsaf aan, gaat
de aandacht minder naar de dagdagelijkse bezigheden. Of omgekeerd, wanneer men
de creativiteit onttrekt aan de gewone bezigheden en activiteiten, zoekt de
verbeelding dan inderdaad ander voedsel. Onze hersenen zijn voortdurend actief,
ook in onze slaap.’
‘Maar er is ook het genoegen, het plezier van het creëren. En de
voldoening en de trots wanneer men iets goed gemaakt heeft. Picasso zei: “Je ne
cherche pas, je trouve”. Er zijn zovele oppervlakten en ruimtes die willen ingevuld
worden met beelden en kleuren en sculpturen, er is vrije tijd die vraagt om lectuur en
toneel en film en tentoonstellingen. Feestelijke gelegenheden vragen om muziek en
dans en allerlei exhibities. Dat alles kan de creativiteit aanspreken en zowel puur
materialistisch als artistiek kunstenaars én kunstgenieters aanzetten om er op in te
spelen.’
‘Er is wel een zeer sterke wisselwerking tussen mijn eerste twee niveaus:
voorwerpen, beelden en situaties kunnen verdrongen inhouden aanspreken en de
creativiteit stimuleren, of omgekeerd kunnen die onbewuste inhouden zoeken naar
objecten om zich te uiten in gecodeerde vorm.’
‘Maar die inhouden kunnen ook gewoon bewust gekozen worden en
moeten niet noodzakelijk uit het onderbewustzijn komen!’
‘Dat “gewoon, bewust kiezen” is wellicht niet zo neutraal als het lijkt.
Gebruik makend van symbolentaal kan de kunstenaar zijn persoonlijk onbewuste, of
de collectieve inhouden van een cultuur weergeven en zelfs gaan onderzoeken, zoals
de surrealisten deden. De queeste naar het “metafysische” is daar wellicht ook een
vorm van.’
Dirk besefte dat ze wat naast elkaar aan het praten waren. Maar Karin ging
dan over naar het derde niveau, waar het kunstwerk als teken een taaldaad is, een
specifieke vorm van communicatie naar de buitenwereld toe. Ze zag daar een kluwen
van velerlei verschillende motivaties: ‘Het vragen naar en zelfs het opeisen van
aandacht, luisterbereidheid en bewondering; het uitbouwen van een territorium; de
druk van de verwachtingen van de omgeving en van het zelfbeeld dat de kunstenaar
cultiveert…’
‘En soms grenst dat aan het megalomane!’ Onderbrak Dirk haar.
Maar ze ging onverstoorbaar door: ‘De aantrekkingskracht uitgeoefend
door de wereld van de kunst maakt dat bepaalde individuen 'erbij willen zijn' om zich
op die manier te affirmeren, om een plaatsje te bemachtigen in die grote stroom van
creativiteit.’
‘Of om op die manier aan de dagelijkse werkelijkheid te ontsnappen!’
‘In veel kunst steekt er inderdaad ook een stuk escapisme!’
‘Er kunnen ook tegengestelde en paradoxale tendensen samengebracht
worden in een gestalt, als delen van één geheel,. Onoorbare verlangens kunnen op
symbolische wijze bekend en bevredigd worden in gecodeerde symptomatische
handelingen. Vele kunstenaars zitten verstrikt in paradoxen, bijvoorbeeld door
“afwijkende” seksuele neigingen of asociaal gedrag. Hun creativiteit kan dienen om te
leven of te leren leven met die tegenstrijdigheden, of om de werkelijkheid naar hun
hand te zetten. De onbewuste of voorbewuste component van het creëren komt
helemaal niet voort uit bovennatuurlijke inspiratie en is ook niet zo gratuit als
sommige kunstenaars ons willen laten geloven!’
‘Het kunstwerk tracht te behagen, bewondering af te dwingen, of te leren
en te overtuigen, of het wil shockeren. Het wil soms verstandelijk en beredeneerd
overkomen, of tracht emoties op te wekken. Veel verschillende motieven zetten aan
tot creëren en beïnvloeden ook de keuze van de materialen, de symbolen en de
vorm,’ bleef Karin meer bij haar benadering.
‘De relatie van de maker met zijn omgeving, of de relatie die hij er bewust
of onbewust mee beoogt, is meebepalend voor de vorm en de betekenis van het
werk, en omgekeerd beïnvloeden vormgeving en zin van zijn werken de relatie van
de kunstenaar met zijn omgeving. Artiesten situeren zichzelf en manipuleren soms
hun omgeving met hun werk, of trachten er invloed mee uit te oefenen op de
werkelijkheid. Ze bepalen daarbij soeverein, maar misschien meestal onbewust, én
de vorm én de inhoud van hun artistieke communicaties’.
‘Het zijn soms ook performatieve communicatiedaden en in extreme
gevallen kunnen ze de communicatie zeer moeilijk en zelfs onmogelijk maken. Wat
ook een vorm van communicatie is!’ Dat was helemaal haar terrein: de wereld van de
'semiotics', met alles wat erbij komt kijken aan connotaties en mogelijke referenties
naar geschiedenis en culturele achtergronden. Maar Dirk dramde nog wat door om
zijn psychologische benadering verder te verduidelijken: ‘Artiesten bouwen heel
dikwijls een soort microkosmos rond zich, en het creëren van kunstwerken speelt
daarbij een grote rol. Het bepaalt de aard van de communicaties, de spelregels van
de relatie en de sociale omgang. Die “vrijheid”, komt voor de omgeving soms neer op
zeer subtiele manipulatie!’
‘Net zoals spreken is tekens produceren volgens de linguïstische filosofen
Wittgenstein en vooral Austin, inderdaad een taalhandeling die evengoed kan dienen
om op de werkelijkheid in te werken als andere handelingen,’ beaamde Karin. ‘Naast
wat je zelf al vermeldde, zijn daar enorm veel verschillende vormen van; beschrijven,
ordenen, suggereren, bemoedigen, bevelen, ontkennen, verwensen, verbieden en zo
verder. Een kunstwerk dat aanspreekt, krijgt een performatief karakter.’
‘Daarbij kunnen kunstwerken verscheidene taalhandelingen, betekenissen,
combineren in één grote structuur, en het creëren van die complexe structuren heeft
iets van symptoomhandelingen5, een zeer specifieke vorm van communicatie bij
neurotici: die transformeren de informaties die ze ontvangen, geven nieuwe
betekenissen en leggen eigen verbanden, ook tussen de wereld en henzelf.
Creativiteit kan voor artiesten een middel zijn om hun specifieke “condition humaine”
te verkennen en in kaart te brengen, om orde te scheppen in hun onderbewustzijn en
hun paradoxen. Het vertellen over de manier waarop ze de werkelijkheid zien, is voor
psychoten al een vorm van therapie. De artistieke activiteit kan aldus in extreme
gevallen een soort zelftherapie zijn die uiteindelijk tot een beter inzicht en aanvaarden
van de eigen situatie kan leiden en tot een betere integratie in de maatschappij. Maar
in andere gevallen kan het evengoed een vluchtmechanisme zijn, een zich afkeren
van het leven in de gemeenschap om een escapistische wereld op te bouwen of een
marginaal statuut te verwerven.’
‘Dat derde niveau is blijkbaar vooral interessant voor biografen,
kunsthistorici en mensen die een zo volledig mogelijke duiding van kunstwerken op
het oog hebben’, zei ze. ‘Waarom de kunstenaar een werk gemaakt heeft, of hoe het
tot stand gekomen is, is voor de doorsnee kunstgenieter, de “ontvanger” van de
tekens niet zo belangrijk. Hij heeft meestal genoeg aan zijn eigen interpretatie.’
‘Maar zijn creaties zijn voor de kunstenaar zelf soms van levensbelang. Zij
helpen mee bepalen of hij als een marginale zonderling, een af te zonderen
schizofreen wordt aanzien, ofwel een gevierde meester wordt naar wie men opkijkt,
5Specifieke
handeling die min of meer onwillekeurig wordt gesteld in een
complexe, paradoxale situatie die elke ondubbelzinnige reactie onmogelijk maakt.
ook al is zijn gedrag soms excentriek en aanstootgevend. Zijn symptoomhandelingen
brengen hem in dat laatste geval niet nog meer in de vereenzaming, maar leiden tot
een positief gesanctioneerde vorm van communicatie. Het voetstuk waarop hij staat,
stimuleert tot luisterbereidheid en helpt vermijden dat men hem de rug toekeert, spijt
zijn buitenissig gedrag en moeilijke manier van communiceren. Het kunstwerk kan als
symptoom en teken dus evengoed behoren tot het terrein van de systeemtherapie als
tot de semiotiek.’
‘Met je psychologische benadering heb je wel een erg negatieve kijk op
kunst en op kunstenaars’, merkte Karin op. ‘Het verwondert me dat je het nog niet
gehad hebt over het feit dat velen van hen zelfs niet in staat zijn om op een andere
manier in hun levensonderhoud te voorzien! Waar situeer je dié puur materialistische
stimulus?’
‘Bij het opbouwen van hun microkosmos misschien? En daarbij mag ook
gezegd worden dat sommigen graag zoveel mogelijk verdienen, om het even hoe ...’
‘Maar het positieve aspect dat ze een boodschap of een visie kunnen
uitdrukken waar iedereen wat kan van opsteken, moffel je wel helemaal weg! In
sommige gevallen zijn ze echt voorlopers van manieren van zien en denken, en
kunnen ze een totale mentaliteitsverandering teweegbrengen binnen hun cultuur en
zelfs over de hele wereld. Ik geloof dat de evoluties in de kunst ook de evolutie van
het menselijk denken beïnvloed hebben.’
‘En omgekeerd. Er is ongetwijfeld een wederzijdse beïnvloeding. Wellicht
sta ik positiever tegenover kunst dan tegenover sommige makers ervan. Misschien is
er een belangrijk onderscheid tussen artiesten die zich bedienen van de kunst, die
gebruik maken van de kunst om hun egocentrisme te cultiveren, en diegenen die zich
ten dienste stellen van de kunst. Voor die laatsten breng ik wel respect op. Heel veel
zelfs. Maar misschien is de scheidingslijn niet altijd gemakkelijk te trekken en is ze
nogal vlottend en wazig. Ik wil daarbij wel toegeven dat het meestal de marginalen
zijn die zorgen voor verandering in de maatschappij, die de evolutie in de cultuur
teweegbrengen. Maar ik zie in dat milieu ook heel wat valsmunters en individuen die
wàt graag willen vertellen en creëren, maar niets belangrijks mee te delen hebben.
Grote lantaarns met een klein lichtje.’
‘Anthony Trollope heeft iets in die aard gezegd: “some authors write
because they have to tell a story, rather than because they have a story to tell'. Er is
in die twee gevallen ongetwijfeld een verschillende motivatie werkzaam, maar
misschien is ook in het eerste geval het eindresultaat niet noodzakelijk negatief. Ik
ken het geval van een kunstcriticus die na verloop van tijd zelf begonnen is met
allerlei voorwerpen te produceren, die hij letterlijk “des objets” noemde6. En zijn
“creaties” worden nu geëxposeerd in belangrijke musea en retrospectieve
tentoonstellingen.’
‘Ik vrees dat een auteur die kost wat kost om het even wat wil gaan
vertellen, veel kans maakt dubieuze kunst te produceren.’
‘Misschien had die criticus na verloop van tijd inderdaad wel een en ander
mee te delen, en wilde hij zijn visie op kunst op een artistieke manier uiten?’
6
Marcel Broodthaers
‘Jean-Luc Godard is misschien een identiek geval. Hij is als filmcriticus
begonnen en maakte daarna zelf een hele reeks zeer omstreden films. Daarbij
werkte hij soms met heel summiere scenario's en hij werd door de acteurs wel eens
“t'a qu'à” genoemd wanneer hij ze echt aan hun lot overliet en op hun vragen alleen
maar antwoordde “je doet maar zus of zo”. Ofwel rekende hij zo op hun creativiteit
om van “zijn” kunstwerk iets goeds te maken, ofwel achtte hij hun inbreng niet
belangrijk.’
‘En ook het scenario niet? Wat dan wel?’
‘Goeie vraag! Misschien dacht hij alles zo maar op de set uit zijn mouw te
kunnen schudden, maar daarvoor was hij zeker niet geniaal genoeg. Echt geniale
cineasten bereiden trouwens meestal elke scene met zeer veel zorg voor, zoals
Stanley Kubrik en vele anderen.’
‘Misschien was Godard alleen maar een goede theoreticus?’
‘Hij was inderdaad meer revolutionair en theoreticus dan kunstenaar. Veel
van zijn films zijn goedkoop en vlug aan elkaar geflanst. Ze lijken op kladwerk. Soms
is het alsof zijn acteurs en actrices helemaal niet weten wat van hen verwacht wordt.
In sommige scènes zie je ze als het ware zoeken naar een moeilijk compromis tussen
wat ze te doen of te zeggen hebben en het vermijden zich belachelijk te maken. De
meeste toeschouwers snappen ook moeilijk of helemaal niet waar hij naartoe wil. Er
wordt hem een boutade toegeschreven “dat wanneer tien toeschouwers een film van
hem begrepen hebben, het nog teveel is”.’
‘Wil hij met zijn onbegrijpelijke communicaties dan niet zeggen: “jullie
kunnen allemaal de pot op”?’
‘Ofwel tracht hij te verdoezelen dat hij er niet echt in slaagt op een
filmische manier uit te drukken wat hij te zeggen heeft. We worden tegenwoordig
soms om de oren geslagen met diepzinnige en vergezochte exegeses van
hedendaagse kunstwerken, die niet veel meer lijken te zijn dan slimme vondsten van
handige rakkers.’
‘Umberto Eco, een bekend semioticus, waarschuwt inderdaad ook tegen
overinterpretaties.’
‘Misschien zijn de onvoorwaardelijke fans van Godard méér kunstenaar
dan Jean-Luc himself.’ Dirk had wel heel wat films en zelfs documentaires van en
over Godard gezien, maar het zou hem te ver doen uitweiden indien hij daar nu mee
uitpakte. Hij had zich vooral geërgerd aan enkele rommelige films die Godard zelf
essays noemde, en aan zijn aanvallen tegen het coherente verhaal als manifeste
inhoud. In sommige oude mythes al is de verhaallijn draagster van een visie op de
wereld en allerlei aspecten van het leven, en soms zelfs van symbolisch uitgedrukte
filosofische argumentaties. Ook nu geven veel belangrijke literaire werken en
auteursfilms nog steeds in verhaalvorm de persoonlijke ‘mythologie’ van de auteur
weer. Het wild in het rond schoppen van Godard en het negeren van regels, zelfs die
die hij aan anderen voorhield, heeft daar niets aan veranderd.
Karin ging intussen over naar het vierde niveau, het kunstwerk zoals het
overkomt bij de kunstgenieter. ‘Die kan er zeer persoonlijke inhouden in projecteren
wanneer een specifiek kunstwerk hem aanspreekt. Hij kan verbanden leggen met
eigen ervaringen of vergelijkingen maken met andere cultuurelementen en
kunstwerken. Hij kan daarbij heel nieuwe betekenissen creëren die de kunstenaar
zelf niet heeft vermoed.’
‘Het is ook helemaal niet nodig de soms pseudo-wetenschappelijke uitleg
of de persoonlijke symboliek van de kunstenaars te kennen en te aanvaarden om
aangesproken te worden door hun werken. Hun zogezegd wetenschappelijke
theorieën over kleuren en symbolen, hun antroposofische of parapsychologische
uitleg en zelfs de autoritaire doctrine van sommige surrealisten bleken achteraf als
onderbouw van kunstwerken niet veel meer dan rationalisaties, inbeelding,
voorwendsels of pure kletskoek.’
‘Wat niet belet dat op die manier soms prachtige producten van de
menselijke geest en van zijn creativiteit ontstaan zijn!’
‘Maar handige jongens kunnen om het even wat op de markt brengen,
rekenend op de welwillende medewerking en de projecties van een gemanipuleerd
publiek. Dat zet de deur wel wagenwijd open voor misbruiken. Sommige recente
creaties lijken me niet veel meer dan weinig originele statements, met daarbij wat
design of al dan niet vakkundig maakwerk. Met wat suggestieve begeleiding en hulp
van de media moet een voldoende aantal ontvangers er dan maar zelf een inhoud
voor vinden of er een structuur aan geven en er een kunstwerk van maken. Zo
kunnen ze er lustig op los “creëren”. Dan zijn de toeschouwers eigenlijk de echte
kunstenaars, terwijl de makers in feite would-be symptoomhandelingen stellen. Dan
zijn ze wellicht ook would-be artiesten. Maar je moet wel betrekkelijk onaangepast
zijn om moedwillig gefingeerde symptoomhandelingen te gaan stellen.’
'Moedwillige symptoomhandelingen' vonden ze samen een leukparadoxale omschrijving voor sommige uitingen van hedendaagse kunst. In elk geval
konden ze stellen dat elke ontvanger soeverein uitmaakt voor zichzelf of iets kunst is
of niet. Men slaat natuurlijk een mal figuur wanneer men een afwijkende mening
verkondigt terwijl musea, critici en allerlei publicaties een werk kunst noemen. Maar
soms kan de consensus toch geleidelijk aan beïnvloed worden en zelfs helemaal
omslaan.
‘Heel veel kunstenaars werden tijdens hun leven inderdaad door het
publiek en zelfs door critici afgebroken en weggehoond, terwijl hun werken nu
onbetaalbaar geworden zijn. En anderzijds staan heel wat werken die ooit als kunst
werden geprezen en gelauwerd nu ergens in een vergeethoek.’
‘Er zijn ook heel wat kunstenaars die zelf “valse” werken maken. Die
gewoon zichzelf kopiëren en varianten maken van de thema's die aanslaan bij het
publiek, of die hun specifieke symbolen in allerlei combinaties op doek zetten zonder
dat die werken veel inhoud hebben.’
‘Van Picasso wordt inderdaad gezegd dat hij zelf zulke “valse” Picasso's
geschilderd heeft.’
‘Terwijl de meest persoonlijke, de meest authentieke werken, namelijk de
creaties van echte schizofrenen eerder als een aparte categorie worden behandeld
en in de kunsthandel nooit zo hoge toppen scheren als bij voorbeeld werken van
Picasso of Magritte.’
‘De manifeste vorm van hun “kunstwerken” laat meestal ook wat te wensen
over!’
‘Inderdaad. Maar bij “echte” kunstwerken laat de authenticiteit dan soms te
wensen over: wanneer kunstenaars ideeën afsnoepen van anderen, of een bepaalde
stijl moeten hanteren, of een ideologie of de ideeën van een heersende klasse of van
een partij, of de leer van een godsdienst zeer strikt moeten uitbeelden.’
‘Zelfs dan kan het geheel, het conglomeraat mét de vreemde delen erin
toch een authentiek kunstwerk zijn. Elk kunstwerk is het resultaat van het
uitkristalliseren van velerlei, soms zeer heterogene elementen.’ Daarmee leek Karin
de discussie als het ware af te sluiten.
Dirk keek op zijn uurwerk en begon aanstalten te maken om weg te gaan,
maar voegde er toch nog aan toe: ‘En dan zijn er ook nog al die vreemde invloeden
die op de kunst en de kunstwereld kunnen inwerken. Sommige artiesten voelen zich,
of zijn zelfs contractueel verplicht veel te produceren, omdat dat interessant is voor
de kunsthandelaars. En alle betrokkenen hebben er belang bij om de publieke
belangstelling in stand te houden. Allerlei vreemde invloeden kunnen maken dat
bepaalde werken kunstmatig de hoogte in geprezen worden, terwijl andere niet aan
de bak komen. Zo zou de CIA geholpen hebben om de Amerikaanse abstracte
expressionisten te lanceren en de prijzen van hun doeken op te drijven. Niet alleen
voor het prestige van de Amerikaanse kunst maar ook omdat die werken de meer
sociaal geëngageerde kunst van het voorplan konden verdrijven.’ Een beetje
verstrooid ging hij intussen naar de deur toe. Toen hij merkte dat Karin hem
verwonderd ironisch nakeek, keerde hij op zijn stappen terug, gaf haar wat onhandig
een hand en zei: ‘ik zou toch graag tot een globaal model komen, Karin, om dat
rommelige deelgebied van de menselijke creativiteit wat te ordenen en te
classificeren. Al was het alleen maar voor mezelf!’
‘O, maar ik ben er ook heel erg in geïnteresseerd, Dirk!’ Ze hield zijn hand
nog een ogenblik vast.
15
Op de teamvergadering was de beslissing om Karin niet langer te houden
vlug genomen. En dat wist ze al van de verpleegsters toen Dirk een laatste maal met
haar kwam praten.
Hij had zich wat voorbereid om weer over kunst bezig te zijn. De
kelderverdieping en het gelijkvloers zou hij de 'psychoanalytische niveaus' noemen
omwille van de mechanismen van codering en uit-beelding die er tussen de latente
en manifeste inhoud werkzaam zijn. De twee volgende verdiepingen waren voor hem
de 'semiotische niveaus' van de taalhandelingen en de communicaties bij zender en
ontvanger. Zo zou hij Karins ‘semiotics’ integreren in zijn schema. Het leek hem
daarbij duidelijk dat kunstenaars een eigen idioom hebben, een ‘vocabulaire’ en een
‘grammatica’ die men misschien onderling kon vergelijken zoals men verschillende
talen vergelijkt. Kunstperiodes en culturen zouden dan zoiets als ‘taalgroepen’
vormen.
Maar Karin begon onmiddellijk over haar ontslag en hoe ze de volgende
dag terug naar haar studio zou gaan. Ze had daar een paar praktische problemen
mee. Dirk stelde spontaan voor dat hij haar met zijn wagen kon terugbrengen. Hij
voegde er lachend aan toe dat ze er meteen een soort feestje van konden maken.
Maar dat wees ze verschrikt af: ze wilde eerst wat orde scheppen en haar studio
presentabel maken. Daarna zou ze hem wel graag ontvangen om de planning van
hun Scandinaviëreis uit te werken. Daarover mochten ze inderdaad geen gras laten
groeien, zei Dirk, want ze moesten tijdig aan de Noordkaap aankomen voor de
midzomernachten. Maar hij wilde vooral vermijden dat die Karel haar nog zou
bezoeken vooraleer ze vertrokken.
Ze gaf hem de boeken terug die hij haar gebracht had. Op de cataloog van
Magritte wijzend, zei hij: ‘Magritte stelde in zijn surrealistische schilderijen
ongetwijfeld ook gecodeerde taalhandelingen over mysteries en vragen betreffende
zijn privaat leven’. Hij dacht daarbij aan de zelfmoord van de moeder maar omwille
van Karin slikte hij dat in.
‘Maar hij ontkende alle psychologische duidingen. De surrealisten maakten
allemaal dergelijke mysterieuze constructies, soms ook met aan elkaar geflanste
zinnen en willekeurige woordcombinaties. Daar bekwamen ze dikwijls heel
verrassende effecten mee.’
‘Tijdens het schilderen kunnen er onbewuste verbanden opduiken. En een
compositie van visuele beelden laat interpretaties en projecties toe, net als bij de
inktvlekken van Rorschach. Maar willekeurige combinaties van woorden en zinnen
lijken me “bij het haar getrokken” en pietluttig.’
‘Hij zei eerder te zoeken naar poëtische effecten en gebruikte daarvoor
inspiratie van allerlei aard, ook ideeën van vrienden’, wierp Karin nog eens
voorzichtig op.
‘Er zitten toch verdacht veel redundanties in zijn werk, symbolen die in
verschillende composities terug komen en waarvan de betekenis moet te achterhalen
zijn. Misschien gebruikte hij die in latere werken ook gewoon als decoratieve
elementen, maar dan kom je gevaarlijk dicht bij minderwaardig werk en zelfs bij
“vervalsingen” die kunnen gemaakt worden door de kunstenaar zelf of zijn omgeving.’
‘Maar wanneer hij zelf zulke secundaire combinaties maakte, was er
misschien toch kans dat er een nieuwe zinnige structuur in te vinden was?’
‘Symbolen die uit de context van boodschappen uit het onderbewustzijn
weggehaald zijn, kunnen geheel of gedeeltelijk hun betekenis verliezen. De
specifieke connotaties die de context verleent, gaan verloren.’
‘Voor verzamelaars blijft het wel altijd interessant een Magritte, een
Picasso of een Dali te hebben. Zelfs als het geen echt belangrijke werken zijn.
Picasso heeft veel onbelangrijke Picasso’s geschilderd en naar het schijnt hebben
handige valsmunters met de symbolen van Dali allerlei composities gemaakt en op
de markt gebracht terwijl hij zelf al niets meer van de wereld wist. En Paul Delvaux
heeft zich op latere leeftijd ook nogal herhaald met treinen en trams en stationnetjes.’
Ze wees op de andere cataloog. ‘En met zijn modellen. Er zitten weinig persoonlijke
trekken in zijn naakte figuurtjes met hun stereotiep starende ogen.’
‘Er kwamen nochtans nogal wat jonge vrouwen poseren voor hem. Maar
wellicht had hij niet veel oog voor de persoonlijkheid van die modellen. En zijn treinen
en trams en stations hebben iets van uitvergroot kinderspeelgoed. Voor kleine
kinderen zijn treinen en trams zeer sensationeel. Ik heb een jonge vrouw die in een
station haar kind op de arm had genomen, op de grond zien vallen toen het zich met
een ruk omdraaide om met de ogen de binnenrijdende trein te kunnen volgen. En
naakte vrouwen zijn voor adolescenten al even sensationeel. Die schilderijen van
Delvaux zouden wel eens symptomatische regressies kunnen zijn. Te meer daar de
mannetjes in die schilderijen meestal stijf in de kleren zitten en blijkbaar niet uit zijn
op nader seksueel contact met de naakte poppetjes.’
‘Die stijf aangeklede mannetjes komen trouwens ook uit zijn jeugdjaren,
namelijk uit een paar boeken van Jules Verne die hij toen gelezen heeft. En het
monumentale decor waarin zijn tekens gesitueerd worden, wijst niet alleen op invloed
van De Chirico, maar kan ook uit zijn Grieks-Latijnse studiejaren stammen.”
“Waarschijnlijk wijzen alle tekens in die typische schilderijen van Delvaux
in eenzelfde richting, namelijk het oproepen van wat hem in een sfeer van vroeger
brengt.’
‘Die symbolen en jonge modellen, of het schilderen zelf brachten hem
misschien in die sfeer. Wilde hij die niet telkens weer oproepen en beleven door het
schilderen zelf?’
‘Het verschillende gebruik van de surrealistische symboliek bij Delvaux en
Magritte blijkt alleszins erg duidelijk. Magritte gaat, vooral in zijn latere doeken, te
werk volgens de doctrine van de rasechte surrealisten. Met zijn combinaties van
totaal aan elkaar vreemde beelden en symbolen is hij er op uit om mysteries op te
roepen en te creëren, eerder dan om die voor de toeschouwer begrijpelijk te maken.
Terwijl Paul Delvaux met de gebruikte tekens en symbolen de mysteries die hij in
beeld brengt tracht te verduidelijken: ze wijzen blijkbaar allemaal in dezelfde richting.’
‘Wellicht keek Magritte daarom met wat minachting op hem neer als op
een zachtgekookt eitje. Geen echte surrealist.’
‘We mogen waarschijnlijk veronderstellen dat Delvaux met zijn fantasmen
op een jeugdiger niveau is blijven steken. En dat hij met zijn schilderijen naar die
wereld regresseert.’
‘Zijn ouders verzetten zich inderdaad tegen een huwelijk met zijn grote
liefde, daarom is hij pas rond zijn veertigste getrouwd met een andere vrouw. Toen
hij tien jaar later plots zijn nog steeds ongehuwde Dulcinea ontmoette, is hij met haar
gaan samenwonen en hertrouwd. Terwijl Magritte het jonge meisje dat hij in zijn
jeugdjaren heeft leren kennen, opnieuw ontmoet in Brussel en ermee kan trouwen.
Zijn probleem was ongetwijfeld eerder de mysterieuze zelfmoord van zijn moeder
toen hij zowat veertien jaar was. Ze is op een nacht weggegaan uit de slaapkamer
waar een van de kinderen bij haar sliep wanneer de vader, een handelsreiziger,
soms nachten van huis wegbleef. Misschien had ze wel haar twijfels over dat
wegblijven. Ze is van een brug in de Samber gesprongen. Enkele dagen later werd
ze verdronken teruggevonden met haar slaapkleed als een sluier over het gezicht.’
Dat Karin zelf over die zelfmoord begon verraste Dirk een beetje. ‘Die
sluier en de deur waarlangs ze is weggegaan zijn typische symbolen in zijn werk’, zei
hij om het ietwat pijnlijke onderwerp wat te neutraliseren. ‘En het mannetje waarvan
het gezicht verborgen is achter een appel, of dat in andere doeken slechts vanop de
rug kan gezien worden, zou wel eens de vader kunnen zijn, waarmee blijkbaar geen
communicatie mogelijk was, die hen letterlijk “de rug toekeerde”, of die achter de
appel aan liep als achter de bekoring van Eva.’
‘Naar het schijnt leidde hij na de dood van zijn vrouw wel een lustig
leventje. Dat kan best daarvoor ook al het geval geweest zijn.’
‘Sommige doeken zouden dus wel eens gecodeerde verwijten aan zijn
vader kunnen zijn. Anderzijds zou het kunnen dat Magritte zich ook vereenzelvigde
met die figuur, dat hij in de openbaarheid de zijde van de vader gekozen heeft, terwijl
zijn onderbewustzijn daartegen protesteert in zijn schilderijen.’
‘Ik ken geen details over zijn eigen gedrag, maar het gezin bleef na een
miskraam kinderloos en zijn vrouw begon op rijpere leeftijd nog een relatie met een
vriend van hem. In zijn werken beeldt hij haar nochtans op een vrij serene manier uit.’
‘Wanneer hij haar uitbeeldt met een etherisch bovenlijf in dezelfde blauwe
kleur als de lucht en een sensueel roze onderlijf, slaat dat dan op haar of op zijn
eigen dualisme? En als hij de klassieke zeemeermin omgekeerd uitbeeldt met een
vissenkop en het onderlijf van een vrouw, is dat alleen maar een goedkope grap of
steekt er een uitval naar de vrouw onder? Is het niet een ietwat vulgair statement ‘dat
alleen maar met haar onderlijf te communiceren valt’? Het lijkt me alsof Magritte
overal mysteries wil zien. Om de mysteries van zijn eigen leven te verdrinken in een
wereld vol mysteries?’
‘Het vergelijken van Magritte met Delvaux illustreert wel dat we de werken
van schilders beter kunnen begrijpen door ze met elkaar in verband te brengen en
tegen elkaar te laten contrasteren.’
‘Ongetwijfeld. We zouden wellicht het werk van onze schilders synoptisch
moeten bekijken om het beter te begrijpen. Net zoals Claude Lévi-Strauss de mythen
van de indianenstammen van bijna gans Zuid-Amerika gebruikte om de mythologie
van de Bororo-indianen te duiden.’
Karin had wel 'Anthropologie structurale' gelezen van Lévi-Strauss, maar
bekende dat ze over het structuralisme nog heel wat had te leren.
‘Om de oorspronkelijke betekenis te achterhalen van kunstwerken, moet
men samen met een psychoanalyse van de maker, ook de socioanalyse maken van
de artistieke en maatschappelijke invloeden die op de kunstenaar ingewerkt hebben.’
‘In de semiotiek noemen de engelstaligen “semiosis” de hele stroom van
betekenissen die een kunstwerk kan genereren bij individuele ontvangers en in
ganse culturen. Men kan zelfs spreken van een in tijd en ruimte onbeperkte “kunstsemiosis” die zich ontwikkeld heeft vanaf de grottenkunst tot nu, waaraan
bijvoorbeeld ook academici, critici, musea, academies en scholen meewerken, en
waarin de huidige kunstenaars graag een plaatsje veroveren.’
‘Maar dat is eerder wat kunstwerken genereren, terwijl ik de invloeden
bedoel die bij het ontstaan van het werk gespeeld hebben. Biografieën van artiesten
kunnen daarbij heel wat inzicht bijbrengen. Bij voorbeeld om de betekenis van de
vrouw te achterhalen in hun werk. Om te verklaren hoe Magritte en Delvaux en
Picasso heel verschillende vrouwenfiguren uitgebeeld hebben.’
‘Ook Rubens, Michelangelo en noem maar op. Net zoals ze allemaal hun
eigen stijl hebben, lijken ze ook hun eigen vrouwentypes te hebben. Misschien
zouden we beter enkele catalogi meenemen naar de Noordkaap om tijdens de reis
wat vergelijkingen te maken?’
‘We kunnen inderdaad wat boeken meenemen, Karin, om de avonden te
vullen met goed gedocumenteerde discussies.’ Ze spraken ten slotte af dat hij haar
de volgende dag op het einde van de voormiddag zou komen halen om haar naar
haar studio te brengen. Hij zou zich een paar uurtjes vrijmaken.
Het leek wel alsof ze elkaar al lang kenden. Hij gaf haar nu spontaan een
afscheidskus toen hij wegging en Karin leek dat ook helemaal normaal te vinden.
16
Hij droomde die nacht dat hij een gesluierde kat uit het water redde. Toen
hij de sluier wegnam, wreef ze haar kopje tegen zijn handpalm om gestreeld te
worden en werd hij opeens opgenomen in een weids schilderij met rotsen en veel
water. Dat herinnerde hem aan het meest romantische doek dat hij ooit gezien had.
In welk museum was dat ook weer? Een flinke jonge held hield met gestrekte armen
het dunnetjes geklede mooie lichaam van een bewusteloze jonge vrouw boven zich
uit. Op een rotspunt klauterend redde hij haar van een onder hem kolkende
zondvloed en van een gewisse verdrinkingsdood.
Kwam die sluier nu uit de schilderijen van Magritte? En die van zijn vorige
dromen? Had hij telkens dezelfde betekenis? Was de mysterieuze gesluierde vrouw
die hem ergens wilde binnenleiden te vereenzelvigen met de gesluierde kat en de
kat-in-een-zak? In deze droom wilde hij Karin blijkbaar redden van verdrinking. Was
ze niet wanhopig geweest omwille van de ontrouw van haar partner, net zoals
wellicht de moeder van Magritte? Hij zou nu de sluier voor haar ogen wegnemen om
haar uitzicht te geven op een heel nieuw leven. En zij zou zich dankbaar tegen hem
aanvlijen. Of moest hij haar redden van ver-dring-ing? Wat wilde haar verdringen?
Waarom? Zou het water in het schilderij misschien blijven stijgen? Tot boven de
rotspunt? Maar in een vorige droom had de vrouw zelf het water laten wegstromen in
een wijde vlakte. En veel reëler dan zijn dromen was er nu de echte Karin en de
werkelijkheid waar hij kon op inwerken. Dat was veel belangrijker en het eiste nu al
zijn aandacht op.
Toen hij haar kort voor de middag ging afhalen, was er inderdaad genoeg
bagage om hen allebei de handen vol te geven. ‘Hoe heb je dat hier allemaal
verzameld?’ vroeg hij een beetje verrast. Ze had haar vader naar haar studio
gestuurd om wat spullen op te halen. En om de ijskast en de vuilnisemmer te legen.
De sociale dienst van het ziekenhuis had dat ook kunnen doen, maar ze had liever
haar vader met die opdracht belast ‘omwille van de rommelige toestand die ze had
achtergelaten’.
Ze vroeg Dirk eerst te stoppen aan een buurtwinkel om wat proviand op te
doen. Ze wou ook een koude schotel halen om niet onmiddellijk zelf te moeten koken.
Dirk kreeg de gelukkige inval haar te inviteren voor een dagschotel in een restaurant.
Ze nam zijn aanbod aan, maar moest toch eerst haar spullen en het proviand naar
huis brengen.
Haar studio was op de eerste verdieping van een oud herenhuis, waarvan
de gevel ongetwijfeld geklasseerd was, maar hij was een beetje ontsierd door de
ijzeren tralies voor de onderste vensters. Ze moest wat zoeken om haar sleutels te
vinden, terwijl Dirk haar koffers, een paar plastic zakken en de eetwaren op de stoep
bracht. Ze opende de voordeur en liep met de lichtere bagage de trap op, terwijl hij
volgde met de koffers. Op de ruime overloop opende ze met een ouderwetse sleutel
een brede massieve deur.
Ze bleef even op de drempel staan vooraleer ze samen binnenstapten in
een soort salon met gebloemd behang en stucversieringen op het plafond. Hij bracht
haar bagage binnen in de kamer en nam ook de tijd om even rond te kijken. Langs de
straatkant waren er twee grote hoge vensters met half dichtgeschoven velours
gordijnen die van het plafond tot bijna op de vloer reikten. Het meubilair was een
samenraapsel van verschillende stijlen en stijlloze spullen, maar vormde een gezellig
geheel. Er stond een bureaumeubel met een lampenkap, een ronde eikenhouten
tafel, wat stoelen met biezen zittingen en allemaal verschillende rugleuningen en een
paar brede zetels bij een laag salontafeltje. Aan de lange muur tegenover de deur
stonden langs weerszijden van een tv en een muziekinstallatie boekenrekken
gemaakt van bakstenen en dikke planken. Behalve wat kleren en boeken hier en
daar en wat glazen op het salontafeltje, was er niet zoveel wanorde als ze Dirk had
laten verwachten. Rechts was de ganse breedte van de kamer afgedekt met een
zelfde soort dikke gordijnen, die Karin opzij schoof om hem het keukentje en het
badkamertje te tonen, met daarboven een duplex met een bed.
‘Niet slecht’, zei Dirk. ‘Een ruim en gezellig studentenkot.’
‘De meeste spullen komen van de rommelmarkt of van het Leger des
Heils’, zei ze, niet zonder enige fierheid.
Dit kennismaken met de intimiteit van haar leefruimte gaf hem een gevoel
alsof hij door een spiegel heen in haar werkelijkheid, in haar wereld binnen stapte.
Dat had hij vroeger nooit gehad, toen hij ook wel eens op de studentenkamer van een
liefje kwam. Ook niet met Ludwina, die bijna onmerkbaar in zijn leefwereld was
vergroeid geraakt tot ze erin woekerde als een vreemd weefsel dat dreigde zijn
eigenheid te verstikken.
Karin borg de gekochte eetwaren op in de ijskast en in een proviandkastje
en trok daarna het gordijn een beetje dicht omdat ze zich wat wilde optutten voor het
etentje.
Ze kwam daarna voor hem staan om zich te laten keuren. Ze had een
roestbruine bloes en een lange donkere rok aangetrokken. ‘En?’ vroeg ze. ‘Goed
genoeg om mee te gaan op restaurant?’
‘Zeer zeker. Je lijkt wel een creatie van Vermeer.’
‘Een origineel compliment. Misschien komen er later ook nog andere
schilders aan bod?’ Dirk dacht te antwoorden: ‘zoals Ingres’? Maar hij slikte het in
omdat hij onmiddellijk dacht aan het fameuze doek met de odalisk.
Aan tafel begon Dirk over de reisplannen. Zijn verlof was al geregeld en hij
dacht binnen een drietal dagen te kunnen vertrekken. Karin moest voor goede
wandelschoenen zorgen en naast shorts en T-shirts ook voor jeans en een warme
pull, want de gletsjers en de bergen konden wat fris uitvallen. Ze moest zeker ook
goede regenkledij meenemen. Ze stelde zelf voor te zorgen voor spray tegen
muggen en zalfjes tegen insectenbeten. Dirk zou zorgen voor Deense en Noorse
kronen.
Ze zouden ’s avonds vertrekken om in één ruk, de ganse nacht rijdend
door Nederland en Duitsland, tot boven in Denemarken te geraken. Daarvoor
moesten ze proviand voorzien om zo weinig mogelijk oponthoud te hebben. Daar zou
Karin voor zorgen. ‘Maar rust je niet af en toe?’ vroeg ze een beetje verwonderd.
‘Wanneer ik moe word, stop ik een uurtje om te slapen.’
Voor de verdere reis zou hij ook allerlei ingeblikte eetwaren meenemen
omdat de restaurants in Scandinavië peperduur waren. Als ze wat brood kochten
konden ze dan af en toe picknicken op mooie plekjes langs de weg. Voor een
slaapmutsje af en toe, of om wodka-orange te maken zou hij een paar
spawaterflessen vullen met wodka. En een zakflesje meenemen om eventueel een
opkikkertje bij te hebben tijdens lange wandelingen.
Zoals beloofd inviteerde Karin hem om de volgende dag ’s avonds de
terugkeer in haar studio te komen vieren met een kaasschotel en wijn. Dan kon hij
ook de reisroute wat meer gedetailleerd uiteenzetten.
Toen hij haar afzette aan haar studio kreeg hij drie ‘platonische’ kussen en
ze zwaaide hem nog na terwijl hij wegreed. Het zag ernaar uit dat hij geëngageerd
was in een verkering zoals vroeger de regel was, en dat van hem verwacht werd haar
het hof te maken.
17
Gelukkig had Dirk daarna meer dan voldoende werk en bezigheden om de
tijd vlug voorbij te laten gaan. Toen Karin hem de volgende avond binnenliet, merkte
hij onmiddellijk dat er iets scheelde. Karel had haar opgebeld en had geprobeerd een
afspraak met haar te maken om de problemen uit te praten, de misverstanden uit de
weg te ruimen en de relatie helemaal opnieuw te beginnen. Ze had hem kunnen
afschepen met het voorwendsel dat ze eerst haar moeder moest bezoeken en dat ze
daar een tijdje zou verblijven. Ze wàs al bij haar moeder geweest, maar slechts voor
een paar uurtjes. Daar had ze hele tirades moeten horen over de onbetrouwbaarheid
van mannen en hoe dom vrouwen soms zijn om erin te trappen. Ze had zeker geen
einde moeten stellen aan haar jong leven omwille van een rokkenjager als die Karel.
Wellicht was haar moeder zo spinnijdig omdat ze ‘die Karel’ eerst een echte
gentleman gevonden had en er dus zelf ook ingetrapt was. ‘Ik moet zeer goed
uitkijken om niet van de regen in de drop te vallen, heeft ze me gewaarschuwd.
Psychologen zijn volgens haar nog veel subtielere bedriegers dan andere mannen.’
Karin probeerde het grappig voor te stellen en erom te lachen, maar dat lukte niet
helemaal. ‘Ik moet zeer goed uitkijken wat ik doe, en zou beter enkele weken bij haar
gaan logeren om terug op mijn positieven te komen in plaats van zo’n tocht naar de
Noordkaap te ondernemen met een wildvreemde man. Zonder hem eerst te komen
presenteren, zonder dat ze haar mening over hem kon zeggen.’ Tenslotte had ze
toch moeten beloven na de reis enkele dagen bij haar te gaan logeren om verslag uit
te brengen. Daar had ze niet onderuit gekund.
Wat een geluk dat hij die reis naar Scandinavië voor elkaar gekregen had,
dacht Dirk terwijl ze dat alles vertelde. Hij stond op en ging achter haar zetel staan.
Hij legde zijn handen op haar schouders, gleed die naar haar hals toe en voelde hoe
gespannen haar nekspieren waren. Hij begon haar hals en schouders te masseren.
Ze vond dit blijkbaar erg aangenaam. Ze boog een beetje naar voor en deed een
paar knoopjes van haar bloes los zodat hij met zijn kneukels over haar ruggengraat
kon gaan. Zwijgend streelde en masseerde hij haar rug tot in haar lenden. Daarna
legde hij zijn handen weer op haar schouders en zei: ‘met je moeder weet je
ongetwijfeld zelf wel best wat te doen. Je kunt die vakantie bij haar tot een minimum
beperken als je dat wilt. Bovendien zal je je na de reis al veel sterker voelen.’
‘Dat hoop ik.’
‘Daar ben ik zeker van.’
Ze bleek niet geneigd om de massage te laten overgaan in verdere
intimiteiten. Ze knoopte haar bloes dicht en stond op. Ze vroeg hem de wijnfles te
ontkurken die klaarstond naast een uitgebreide kaasschotel en haalde intussen bruin
brood, een paar messen en houten plankjes uit haar keukentje.
Dirk beperkte zich tot een paar glazen wijn maar deed zich wel te goed
aan de kaasschotel. Ze praatten nog een hele tijd over de reis. Ze ging akkoord met
de hele planning maar wilde graag een paar dagen in Oslo blijven om er de
schilderijen van Munch en een beeldenpark zien. Dirk voegde daar aan toe dat ze
zeker ook het museum van de Vikingschepen moesten bezoeken. Die ranke
vaartuigen waren zo mooi als beeldhouwwerken, echte kunst.
Bij het afscheid nam ze zelf het initiatief voor een lange, prettige kus. ‘Dat
mag nu, want het labo heeft mij ook helemaal “clean” verklaard’, zei ze, alsof ze
zichzelf een verantwoording schuldig was.
18
Dirk vond het daarna vervelend dat hij nog een paar avonden alleen zou
moeten doorbrengen. Hij woonde al jaren in zijn appartement en was er ’s avonds
bijna altijd alleen. Probleemloos. Waarom nu dat gevoel van onbehagen? Omdat er
een kans was dat Karel nog tussen hem en Karin zou kunnen komen? Kon hij haar
niet uitnodigen om samen een film te gaan zien? Was er geen belangrijk tvprogramma dat ze samen konden bekijken? Tussen het werk door bleef hij daar mee
bezig. Hij besloot tenslotte Karin op te bellen om haar te inviteren zijn ‘kot’ te komen
bezichtigen en in zijn bibliotheek te kijken welke boeken ze konden meenemen op
reis.
Ze lachte eerst, maar nam zijn aanbod dan toch aan: ‘Ik heb zelf ook niets
speciaals te doen vanavond. We kunnen ons misschien evengoed samen vervelen?
Maar je moet me wel komen halen als je wilt vermijden dat ik ergens verkeerd terecht
kom!’ Dat had hij er natuurlijk graag voor over. Ze spraken af dat hij haar na het werk
zou ophalen en dat hij voor avondeten zou zorgen.
Hij haalde een paella in een mooie bruinrode aarden schotel. Na een paar
kirs als aperitief zou de paella toelaten een fles witte wijn helemaal soldaat te maken.
Hij dekte de tafel en keek even rond in het appartement of er niets was dat hij beter
liet verdwijnen vooraleer ze kwam. Alles leek in orde. Misschien kon hij de grote
reproductie van een der taferelen van ‘de Schepping’ uit de Sixtijnse kapel, weer op
de ereplaats hangen. Daar hing ze vroeger soms ook wanneer er een stoeipoes op
bezoek kwam. Het was de ontmoeting van een zeer relaxe Adam en een zwevende
God met een kleine Eva onder zijn arm. De bodybuilder Adam lijkt wel de evenknie
van God, terwijl Eva er als het ware bij gehaald wordt als een bang poedeltje dat voor
de noodzakelijke, ietwat dierlijke voortplanting zal moeten instaan. Voor Michelangelo
was de ‘Schepping’ duidelijk een affaire van mannen onder elkaar.
Met die reproductie had Dirk vroeger al een paar grietjes goed uit hun schelp kunnen
lokken om dan hun verontwaardiging te delen over die homofiele visie van
Michelangelo, die zo’n kindvrouwtje in de mannenwereld wierp. Misschien zou dat bij
Karin ook wel een prettige reactie losmaken.
De originele ets van Luc Claus, die hij veel liever zag, werd opnieuw
tijdelijk naar de meer bescheiden hoek verbannen.
Daarna ging hij Karin halen. Ze had een soort veelkleurig Indisch kleed
aan dat tot aan haar enkels reikte. ‘Zelf gebatikt en genaaid’, zei ze fier toen hij haar
verrast van kop tot teen bekeek. Ze leek wel helemaal naakt daaronder. ‘Erg mooi en
ietwat de verbeelding prikkelend’, bekende hij.
‘Dàt is niet de bedoeling’, zei ze met opgeheven vingertje en een
dubbelzinnig lachje. Hij kon niet nalaten haar onopgemerkt te bekijken, hoe haar
lichaam zich aftekende in de dunne stof bij het instappen en tijdens de rit. Bij zijn
appartement aangekomen liet hij zijn wagen niet in de straat staan, waar nochtans
parkeergelegenheid genoeg was. Om dat elegante maar ietwat opvallende bezoek
zoveel mogelijk te onttrekken aan de blikken van de andere bewoners van het grote
appartementsgebouw en ook een beetje om indruk te maken op Karin, reed hij langs
de automatisch openende poort van de kelderverdieping tot in zijn eigen garage.
‘Hier woont rijk volk’, gekte ze.
‘Eerder de goede middenklasse. En ik leef een beetje boven mijn stand’,
lachte hij terug. ‘Ik heb lang genoeg op een zeer bescheiden studentenkot gewoond,
zodat ik het graag wat ruimer had zodra ik genoeg verdiende.’
In het appartement deden ze eerst de ronde om alles te bekijken. Hij
volgde haar zoveel mogelijk met de ogen terwijl hij de wijn uitschonk en de paella nog
even in de microgolf zette. Ze was een erg elegante jongedame, zoals ze daar
rondwandelde. Ongetwijfeld prettig om in huis te hebben.
‘De Schepping’ miste ook nu haar effect niet. Karin bleef er een ogenblik
aandachtig naar kijken. Dirk bracht de kir tot bij haar voor een eerste dronk en om
intussen wat commentaar te geven. Ze had er nooit bij stil gestaan dat Eva inderdaad
zo een kindvrouwtje was in vergelijking met die stoere Adam. Monumentaliteit was
niet wat haar het meest aantrok, maar Michelangelo had met zijn enorme oeuvre wel
een belangrijke rol gespeeld in de evolutie van de kunst, zei ze. ‘Net zoals onze
Rubens. Maar daarna heeft de overdaad van de barok bij ons een roemloos einde
gekregen in de figuur van Wiertz’. Omdat Dirk nog nooit van die man gehoord had,
vertelde ze er een en ander over terwijl hij de paella op de tafel zette en ze begonnen
te eten.
Wiertz was een Belgische schilder uit de streek van Dinant, die juist voor
en na de Belgische onafhankelijkheid heel wat vermaardheid gekregen had en zelfs
de prijs van Rome had gewonnen. In Antwerpen en Rome werd zijn werk zeer
positief beoordeeld. Maar in Parijs kreeg hij de meeste critici tegen. Misschien omdat
hij toen al wat arrogant grootsprakerig geworden was, of omdat hij hen geen fooien
gaf zoals normaal verwacht werd.
‘Of omdat men in Parijs niet wilde overtroefd worden door een Belgische
kunstenaar?’
‘Misschien ook. Of omdat hij de lijn van Michelangelo en Rubens doortrok,
terwijl in Parijs de kunst een meer moderne richting begon in te slaan.’
‘Sommige kunstenaars wel, maar waren de critici daar toen al mee
verzoend?’
‘Dat weet ik niet, zou ik moeten uitzoeken. Wiertz bleef in elk geval grote
doeken schilderen en de meeste daarvan zijn nu nog te zien in het museumpje dat
vroeger zijn atelier was. Dat had de Belgische regering voor hem gebouwd op
voorwaarde dat de staat die grote werken na zijn dood zou erven. Jammer genoeg
experimenteerde hij met chemische stoffen om de hinderlijke glans van de olieverf
weg te werken. Daarmee ruïneerde hij zijn gezondheid. En de doeken die hij met dat
procédé schilderde gaan er ook aan kapot.’
‘Dan mogen we niet te lang wachten om ze te gaan zien, Karin? Dat zijn
dus blijkbaar doeken die ooit ‘grote kunst’ waren en nu helemaal geen kunst meer
zijn?’
‘Een pikant detail kwam uit de Franse pers die zei dat “grootheid” niet
wordt bepaald door afmetingen. Wanneer we terug zijn van de Noordkaap moeten we
dat Wiertzmuseum eens bezoeken. Ik ben er ook nooit geweest omdat die doeken nu
eerder als curiosa of toch als minderwaardige kunst gezien worden.’
‘Dat moeten we zeker doen.’ Dirk was bereid om met haar overal en naar
om het even wat te gaan zien. ‘Als ik morgen over de middag goed doorwerk, kan ik
me misschien in de namiddag vrij maken’, dacht hij voortvarend en luidop. ‘Dan
kunnen we nog samen naar Brussel vooraleer we ‘s avonds je bagage checken?’
‘Mij goed.’
‘En we souperen in Brussel of ergens onderweg?’
Karin opperde geen enkel bezwaar. Dirk jubelde inwendig omdat hij haar
zo helemaal naar zich toe kon halen. Mogelijke indringers kregen geen enkele kans
meer om hem in de wielen te rijden. Ze had tijdens het eten haar glas een paar maal
laten bijvullen en had een prettig kleurtje gekregen. Een appeltje om in te bijten. Hij
voelde zich zo zelfzeker dat hij haar bij het weggaan aan de deur bij de schouders
nam ‘voor de afscheidskus’. Na een prettige kus op haar mond protesteerde ze alleen
maar pro forma ‘dat het afscheid eigenlijk op haar kot had moeten plaatsvinden’.
‘Dat kunnen we daar best nog eens overdoen’, zei hij zeer beslist.
‘Dat zal daar dan in de auto moeten gebeuren!’
‘O ja?’
‘Ja ja.’
Ze gaf er geen verdere uitleg bij en hij vond het beter niet te vragen naar
een waarom. Tijdens de rit zei ze nog: ‘We zijn helemaal vergeten naar boeken te
kijken voor de reis. Die moet je zelf maar uitzoeken.’ Dat was geen probleem. En later
kon ze altijd terugkomen om te zien of er nog andere publicaties waren die haar
interesseerden.
Aan haar studio nodigde ze hem inderdaad niet uit om mee binnen te
gaan. Met drie kusjes namen ze afscheid in de wagen.
19
Halfweg de volgende voormiddag belde Dirk haar dat hij inderdaad vanaf
veertien uur vrij was en dat ze dus naar Brussel konden. En of ze een paar
sandwiches kon prepareren om onderweg in de auto een hapje te eten? Dat zou ze
doen. Voortaan zou ze blijkbaar ook voor de ‘noodzakelijkheden des levens’ helpen
zorgen en dat vond hij een prettig vooruitzicht.
Ze had een strak zittende jeansbroek aan en een kort loshangend vestje
van dezelfde stof. Met de juiste graad van slijtage, merkte hij. Niet te nieuw en niet te
oud. Het vestje was van een opmerkelijk modieuze snit. Ze merkte dat hij erop lette
en zei: ‘met wat zoeken kan je zoiets tegenwoordig ook in tweedehandswinkels
vinden. Het zal goed van pas komen voor de reis!’
‘Inderdaad. Voor de avonden en in de bergen. Maar je moet ook een short
en T-shirts …’
‘Heb je me al gezegd. En ook een badpak om te zwemmen en te
zonnebaden.’
‘Dat doen we daar naakt, Karin’, zei hij om te zien hoe ze zou reageren.
‘Dat zullen we nog zien, Dirkje’, antwoordde ze kalmpjes.
‘Kan je je iets romantischer voorstellen dan midden de bossen en de vrije
natuur te zwemmen in je nakie, in een glashelder Noors meer?’
‘Wel, het zegt me ook wel wat. Maar liever zonder veel toeschouwers.’
‘We zullen er heel intieme plekjes voor zoeken!’ Ze reageerde daar niet
meer op zodat Dirk dacht: ‘qui tacet, consentire videtur’. Wie zwijgt, lijkt toe te
stemmen. Ze plaatste intussen de plastic zak die ze meegebracht had op haar knieën
en liet hem kiezen tussen de sandwiches die ze klaar gemaakt had. Ze had ook een
paar flesjes bier en water mee.
Intussen bespraken ze wat Karin allemaal in de proviandmand zou
stoppen voor de rit naar Frederikshavn. Ze zou niet alleen een aangenaam maar ook
erg nuttig gezelschap zijn. Het leek Dirk alsof het een uitgemaakte zaak was dat ze
voortaan altijd samen zouden reizen.
Ze hadden wat moeite om het museum te vinden achter het
Luxemburgstation en het grote Europacomplex. Tot ze eindelijk via een opklimmend
straatje met mooie oude huizen en een stukje park met het Natuurkundig Museum,
achter een hoek van de straat plots voor de ietwat vervallen ingang stonden.
De toegang was gratis en het zag ernaar uit dat ze de enige bezoekers
waren. Ze bezochten eerst de kamers van wat vroeger het woonhuis was. Daar
werden er kleinere werken geëxposeerd. Voor zover dat geen vlugge voorstudies
waren voor latere doeken, leken ze niet beter en niet slechter dan sommige oude
schilderijen die je in andere musea aantreft, vond Dirk. ‘Misschien een ietsje meer
sjabloonachtig’, corrigeerde Karin.
Het daarbij aangebouwde atelier leek wel een oude montagehal, of een
loods om ballonnen en parachutes op te hangen. Met ramen bovenaan tegen de
hoge zoldering. Er hingen naast wat kleinere, vooral enorm grote doeken, nogal
somber van kleur maar met vrij goede composities. Een doek dat tot aan de zoldering
reikte, trok onmiddellijk Dirks aandacht. Ondanks de donkere, vervallen kleuren vond
hij het zelfs goed. Het was een reuzenbeen waaromheen een voorovergebogen
bovenlijf en naar dwergen graaiende armen te zien waren. De lilliputters stoven
angstig uiteen. Een van hen zat al in de reuzenhand en werd zowaar in het been
gebeten. 'Een Groote der aarde', luidde de verouderde vertaling van het onderschrift.
‘Misschien is dit wel hoe Wiertz zichzelf zag’, zei Karin.
‘Maar dan toch met enige ironie, niet?’
Ze liepen samen rond in de zaal. De grote werken waren nogal
bombastisch en de kleinere inderdaad soms wat sjabloonachtig. Sommige
onderwerpen en titels leken bijna subversief voor de burgerlijke én militaristische
maatschappij zoals die rond 1830 waarschijnlijk was. Er was een heroïsche maar
misschien ook dubieuze 'Worsteling van Grieken en Trojanen om het lijk van
Patrocles'. Verder zeer duidelijk: 'Het laatste kanon' dat gebroken werd en 'De zaken
van heden voor de menschen der toekomst', met in een handpalm wat militaire
vaandels, een triomfboog, wat eretekens en wapens. En heel ondubbelzinnig enkele
mollige putti die 'Het kanonnenvleesch' genoemd werden. Naast zijn grootheidswaan
had hij blijkbaar ook wat maatschappijkritiek die hem waarschijnlijk niet overal in dank
werd afgenomen.
‘Hij schilderde de kleinere werken om in zijn levensonderhoud te voorzien’,
wist Karin, ‘en de grote bleven in zijn atelier opdat de staat er na zijn dood dit
museum zou mee inrichten.’
‘Die “Strijd om het lijk van Patrocles” lijkt me een heel rubensiaanse
compositie.’
‘Rubens zou wel beter omgegaan zijn met de kleuren.’
‘Maar hoe zagen die werken er oorspronkelijk uit? Die “Groote der aarde”
vind ik helemaal niet slecht. Sommige “groten” van tegenwoordig plegen ergere
creaties dan dit, vind ik. En die vervallen sombere kleuren lijken er zelfs goed bij te
passen, net zoals de beschadigingen aan oude Griekse beelden voor mij meestal
niets van hun schoonheid afdoen.’
Karin wist dat de klassieke Griekse beelden oorspronkelijk beschilderd
waren en vreesde dat ze met die kleuren waarschijnlijk eerder een kitcherige indruk
maakten. ‘Maar wanneer is een schilderij kunst?’ vroeg ze zich af. ‘We kunnen toch
geen genoegen nemen met die dooddoener dat alles wat zich aandient als kunst ook
kunst is! Wat hier hangt wàs ooit kunst …’
‘Voorlopig moeten we het antwoord schuldig blijven’, vreesde Dirk. ‘Hier
hebben we duidelijk een latente en een ooit geapprecieerde manifeste inhoud èn
symptomatisch gedrag. En toch is dit museum meer een curiosum dan een tempel
van de kunst. Kan het zijn omdat niemand nog voor zichzelf een vierde verdieping
wenst te maken van dit werk, of heeft het werkelijk te maken met de intrinsieke
waarde van de werken?’
‘Vroeger kwamen hier veel bezoekers, vooral Engelsen, naar het schijnt.
Misschien is de mode in de kunst sinds de impressionisten en expressionisten al te
zeer veranderd om deze werken nog het bekijken waard te vinden?’ Ze gingen zitten
op een der houten banken midden de grote hall. ‘Maar men gaat toch nog steeds de
werken van Rubens en Michelangelo bekijken!’
‘Naar het schijnt heeft Rubens zeer goede landschappen geschilderd.
Maar zijn productieatelier leverde op bestelling mythische, religieuze en allerlei
historische taferelen. Daar stak wel niet meer latente inhoud achter dan wat de
opdrachtgever wenste uitgebeeld te zien, zou ik denken. En zijn kleurrijke matrones
hebben ook wel iets van sjablonen.’
‘Er zit toch wel meer leven in dan in de creaties van Wiertz. Volgens
recente studies zou hij de mythologische voorstellingen op een intelligente manier
hergebruikt hebben om sommige afnemers, waaronder de Bourgondische vorsten en
hun hovelingen op een subtiele manier de les te lezen. Hij gaf de gebruikte symbolen
nieuwe betekenissen. Maar dié ontgaan de gewone toeschouwer ook helemaal,
zodat dat aspect van zijn werken alleen maar interessant is voor ingewijden. Je moet
hem natuurlijk zien in zijn tijd. Net als Michelangelo ...’
‘Wiertz misschien eveneens? Ik heb trouwens liever vrouwenfiguren die
niet door de ogen van een Michelangelo gezien zijn. Ik heb niets tegen homo’s en
lesbiennes. Ze hebben evenveel recht op “Lebensraum” als om het even wie, maar
het is mijn wereld niet. En dat triomfantelijke mensbeeld van de renaissance ligt me
niet zo goed. Het is intussen ook lelijk achterhaald.‘
‘Het begin van de renaissance getuigt eerder van een bevrijding van de
mens dan van triomfalisme. En Michelangelo was wel enorm veelzijdig, maar toch in
de eerste plaats beeldhouwer. Dat merk je in zijn schilderwerken en in zijn
vrouwenfiguren. Maar zijn “Piëta”, en zijn “Mozes” en “David” zijn toch
meesterwerken!’
‘Ze zijn inderdaad mooi, maar met zijn slungelachtige houding lijkt David
me geen man die tegen een reus gaat vechten. Naar mijn gevoel staat hij daar alleen
maar schoon te zijn.’
‘Het schijnt een hele krachttoer geweest te zijn om uit dat blok marmer
waaraan geen enkele beeldhouwer met gevestigde faam zich durfde wagen, de
David te kappen die Firenze wenste als symbool voor haar republiek. Ze hadden zich
bevrijd van het tirannieke bestuur van de Medici die in Rome nog de plak zwaaiden in
de persoon van een oorlogszuchtige paus, en David moest de houding van Firenze
tegenover Rome symboliseren, meen ik te weten.’
‘Als die David de strijdvaardigheid van de republiek tegenover de reus
Rome moest uitbeelden, zie ik daarvoor liever het antieke bronzen beeld dat in het
archeologisch museum van Firenze staat.’
‘Wat voor beeld?’
‘De Chimaera, een soort leeuwin met een hertenkop boven op haar rug en
een staart met een slangenkop. Dat lijkt mij een uitbeelding van het losse verbond
van de Etruskische steden die enkele eeuwen vroeger een voor een door het
imperialistische Rome ingepalmd werden. Het hert is reeds verwond en de
slangstaart ondersteunt die nek en kop. De haat en de angst voor het agressieve,
militaristische Rome worden heel mooi gestileerd weergegeven in die grote kattenkop
en in de gespannen houding van het dier. Daar zit voor mij heel wat meer uitdrukking
in dan in het grote lijf van David.’
‘Maar zoals we het nu zien, heeft dat grote lijf veel van de oorspronkelijke
oppervlaktestructuur met aders en spierweefsel verloren door beschadigingen en
bewerkingen achteraf.’
‘Het kan best een zeer goede weergave van een mooi mannenlichaam
zijn, of geweest zijn. Maar dan zie ik nog liever naaktscènes met levende actrices en
acteurs in moderne films.’
‘Mooie, naakte actrices’, gekte Karin.
‘Wel ja. Waarom zouden alleen maar naakte Venussen en de
exhibitionistische schilderijen uit de vroegere koninklijke kabinetten kunst zijn en
filmbeelden niet?’
‘Voor mij niet gelaten.’
‘Wanneer die scènes samengaan met gevoelsgeladen erotiek kan daar
zelfs meer inhoud in steken dan in geposeerde schilderijen en stenen beelden.’
‘Goede cineasten maken inderdaad wel even goed kunst als schilders en
beeldhouwers.’
‘Zeker bij de “cinéma d’auteur”, waarin cineasten een persoonlijk werkstuk
afleveren, en minder bij de “confectiefilms” waarbij het veel meer om geld en
commercie gaat. Doorsnee Amerikaanse “directors” weten wel zeer goed hoe films te
maken, maar die hebben meestal zo weinig inhoud. Neem de speciale effecten weg
en al het spektakel dat ze in razende vaart over het doek jagen en wat blijft er over?
Puur escapisme, bezig houden van het publiek met kunstmatig in elkaar gestoken
“conflicts”, moedwillig opgebouwde spanning en zo spectaculair mogelijke actie. En
hun acteurs worden geselecteerd en geconditioneerd om te beantwoorden aan de
veronderstelde verwachtingen van het publiek. Ze worden veelal herleid tot ikonen,
en in domme shitcoms wordt hun acteren meestal neergehaald tot het neerzetten van
sjablonen.’
‘Wanneer is een film dan kunst en wanneer niet?’
‘Even moeilijk te beantwoorden als wanneer het over schilderijen gaat.
Wellicht is het een kwestie van persoonlijke voorkeur. Tegenwoordig is de smaak van
onze jongeren al zo erg afgesteld op die doorsnee Amerikaanse films dat ze onze
“cinéma d’auteur” maar niks vinden en sommige van onze cineasten zich verplicht
voelen die Amerikaanse stijl na te apen om aan de bak te komen!’
‘Weet je dat de Hollandse landschapschilders van een viertal eeuwen
geleden, net als het atelier van Rubens, ook composities maakten naar de smaak en
vraag van de klanten?’ bracht ze het gesprek weer op de schilderkunst. ‘Ze konden
bomen en bospartijen, rotsen, vergezichten met of zonder een stadje aan de einder,
stukjes stadsgezichten, wolkenhemels, vijvers, landelijke wegen met of zonder dieren
of menselijke figuurtjes, jachttaferelen en marines met of zonder schepen
produceren. De rijke burgerij pakte graag uit met zulke schilderijen, net zoals de
koningshuizen en de adel in de late middeleeuwen en in de tijd van Rubens de
verzamelaars waren. Men moet achter die “Haarlempjes” zoals ze soms genoemd
werden, evenmin een persoonlijke latente inhoud zoeken. Ze geven ons vooral een
idee van de “Zeitgeist” van toen.’
‘Net zoals zelfs doorsneefilms ook een stukje van de realiteit van nu of van
de mythen en de droomwereld van onze consumptiemaatschappij kunnen
uitbeelden.’ Dirk stond op. Nog even rondkijkend besloot hij: ‘Er zijn dus blijkbaar
gedeclasseerde ex-kunstwerken die we “onkunst” zouden kunnen noemen, en
ongetwijfeld ook werken die nog niet opgenomen zijn in de categorie kunst. Die
zouden we bij voorbeeld potentiële kunst kunnen noemen.’
‘Maar sinds de “readymades” is praktisch alles potentiële kunst! Alles kan
nu door een of andere “artiest” als kunst aangediend worden.’
‘Het moet wel door een “artiest met gezag” gepresenteerd worden. Indien
een gewone “bricoleur” een fietszadel en stuur samenvoegt in een “sculptuur” zal
niemand daar veel aandacht aan besteden. Maar wanneer Picasso dat doet, wordt
het meteen een stierenkop en kunst.’
Dirk bracht Karin naar een Marokkaans restaurantje dat hij kende om er
een lekkere couscous te eten. Het was zo typisch dat ze er geen wijn konden krijgen
en karnemelk moesten drinken, zoals het hoorde voor echte moslims. Ze werden er
zeer vriendelijk onthaald en kregen ongevraagd muntthee en kleine gebakjes voor
dessert. Karin gedroeg zich al helemaal alsof ze samen een jong stel waren dat
gewoon op uitstap was.
Terug in haar studio was haar bagage vlug geïnspecteerd. Ze had er een
lijstje van opgemaakt en dat leek vrij volledig. De meest te gebruiken spullen waren in
een paar afzonderlijke zakken ingepakt om niet altijd alles uit de wagen te moeten
halen wanneer ze ergens halt hielden. Ze leek wel een geroutineerde kampeerder.
‘Je neemt blijkbaar geen camera mee?’ vroeg hij nadat het hele lijstje
gecheckt was. Ze wees met een wijsvingertje op haar voorhoofd en zei: ‘mijn foto’s
zitten hier.’ Dirk antwoordde daarop dat hij wel zijn fotoapparaat zou meedoen, niet
om overal kiekjes te nemen, maar om toch enkele souvenirs te hebben van de reis.
Hij zei niet dat hij vooral enkele foto’s van haar wilde maken. Alsof ze zijn gedachten
geraden had, antwoordde ze: ‘Als je maar niet verwacht dat ik daarbij telkens ga
poseren!’
‘Alleen maar af en toe een snapshot, zonder je te storen.’
Daar kon ze wel vrede mee nemen.
Karin stelde voor nog eerst een biertje te drinken vooraleer hij vertrok.
Daar moest ze natuurlijk niet voor aandringen. Toen hij zich in een der brede zetels
ging nestelen, kwam ze op de armleuning dicht tegen hem aan zitten. Met haar
elleboog steunde ze op de rugleuning van de zetel en onder haar dun pulletje wreef
een van haar borstjes prettig tegen zijn schouder telkens hij zijn glas opnam om te
drinken. Babbelend over alles en nog wat in verband met de reis, bleef ze in die
houding zitten. Was dat een uitnodiging, of wilde ze hem iets duidelijk maken? Zo
rustig mogelijk nam hij het andere borstje in de palm van zijn hand, en toen ze hem
liet begaan, trok hij haar naar zich toe voor een lange tongkus. Ze liet zich op zijn
schoot glijden en nu kon hij onder haar pulletje haar beide borstjes strelen in het nog
dunnere behaatje. Ze leek er zelf ook heel erg van te genieten, maar toen hij aan de
strak spannende jeansbroek begon friemelen, hield ze zijn hand tegen en schudde
‘neen’ met haar hoofd zonder het kussen af te breken. Daarna ging ze terug op de
armleuning zitten. Het leek alsof ze hem alleen maar een voorproefje gegund had
van wat ze te bieden had. Hij zei appreciërend: ‘teta que mano quepa!’
‘Vertaal dat eens!’
‘Een borstje dat de hand vermag te omvatten. Dat is de Spaanse
schoonheidsnorm voor vrouwenborstjes.’
‘En ook de uwe?’ vroeg ze terwijl ze hem aandachtig bekeek.
‘Inderdaad’, antwoordde hij volmondig. ‘Maar nu moet ik gaan om mijn
eigen spullen klaar te maken.’ Hij had ook nog wat telefoontjes af te handelen nu en
morgen in de loop van de voormiddag.
Karin vond wellicht dat haar borstjes wat groter hadden mogen zijn. Maar
zijn reactie had haar blijkbaar gerustgesteld. Ze zou morgen het proviand klaar
maken en ook wat rusten overdag om hem ’s nachts ‘gezelschap te houden’ tijdens
het rijden. Dirk zou na de middag een lange siësta slapen om gedurende de
nachtelijke rit zo weinig mogelijk te moeten rusten. Om de drukte van het spitsuur te
vermijden zou hij haar pas rond 19 u komen halen. Na een laatste lange kus liet ze
hem vertrekken zonder mee te gaan tot aan de voordeur.
Tijdens de rit naar zijn appartement reed hij alsof een automatische piloot
zijn wagen bestuurde. Zijn gedachten waren helemaal bij Karin. Ze had hem blijkbaar
duidelijk gemaakt dat er kon gevrijd worden tijdens de Scandinaviëreis. Hij dacht aan
de manier waarop ze het stoeien met Karel verteld had en besloot haar geen directe
vragen meer te stellen, maar alles over te laten aan de concrete situaties en
gelegenheden die de tocht zou bieden.
20
De volgende avond belde Dirk vrij stipt bij Karin aan. Haar spullen werden
zo in de auto geladen dat wat ze nodig hadden tijdens de rit binnen handbereik lag.
Ze had ook nog wat cd’s geselecteerd ‘om tijdens de langere ritten niet alleen naar
zijn muziek te moeten luisteren’, grapte ze. Dat mocht natuurlijk, maar Dirk had niet
echt behoefte aan muziek tijdens het rijden, ook ’s nachts niet. Hij kon goed wakker
blijven en de tijd doorkrijgen met het herkauwen van herinneringen en alles wat hem
maar te binnen schoot.
Tot voorbij de Nederlands-Duitse grens ging hun aandacht helemaal naar
het verkeer, waarbij Karin vooral bezig was met de landkaarten. Ze liet zich vertellen
welke autostrades ze in Duitsland en verder in Denemarken zouden volgen. Pas toen
het al duister was en ze ergens tussen Hannover en Hamburg zaten, dacht Dirk
eraan een discussie te beginnen. Om Karin direct mee te krijgen begon hij op een
provocerende toon: ‘Auteursfilms zijn de kathedralen van deze tijd.’
‘O ja?’ reageerde ze ietwat verwonderd.
‘Ja. De kathedralen trachtten met allerlei middelen en vooral met kunst het
heilige uit te drukken, vast te krijgen, te omvatten.’
‘Ja-a’, beaamde ze aarzelend. ‘En de films?’
‘Het meest heilige wat we als ongelovigen nu kennen, is het leven. Een
goede film probeert het leven, of toch een stuk ervan vast te leggen, uit te drukken.
Dat is evengoed een kunstige gestalt als een kathedraal!’
‘Marcel Duchamp7 beweerde ooit dat film helemaal geen kunst is’, ging ze
onmiddellijk in de tegenaanval.
‘Dat zou hij nu toch niet meer durven te beweren, denk ik. Wanneer heeft
hij dat ooit gezegd?’
7
Marcel Duchamp (1887-1968) schilderde eerst wat impressionistisch en zelfs
fauvistisch om daarna met een specifieke vorm van kubisme te experimenteren,
o.a. met het zeer bekende 'Nu descendant un escalier', waarmee hij choqueert in
Frankrijk en succes heeft op een tentoonsteling in New York in 1913. Hij doet
mee met de antikunstbeweging, het dadaïsme en later een beetje marginaal met het
surrealisme. Provoceerde ook door gewone gebruiksvoorwerpen, o.a. in 1913 al een
fietsvork-met-wiel op een krukje als kunstwerken te exposeren. Beuys zegt van
hem dat hij met deze readymades zichzelf op een voetstuk heeft geplaatst: 'zie
eens hoe ik de bourgeoisie verbaas en onthuts!' Misschien wilde Duchamp vooral
de spits afbijten binnen een kleine groep artiesten die de pretentie hadden zeer
progressief en open-minded te zijn. Het lijkt wel alsof hij met zijn readymades
nog een stap verder wilde gaan dan de kunstenaars die zoals Picasso soms met
gevonden voorwerpen en afval 'kunstwerken' maakten. Hoewel hij verder niet
zoveel produceerde en er op zeker ogenblik zelfs volledig mee stopte, is zijn
invloed op de hedendaagse kunst zeer aanzienlijk. Hij was ook een verwoede
schaker en werkte mee aan de publicatie van een paar theoretische studies
daarover. Hij beweerde ooit dat de (toenmalige) film niet kon concurreren met de
kunst.
‘Ergens in de jaren zestig, meen ik me te herinneren. Maar sommigen
hebben hem daar later nog in nagepraat.’
‘Dat lijkt me een totaal gebrek aan inzicht in wat kunst is. Ofwel hebben die
mensen een zeer enge definitie van kunst voor ogen.’
‘Over fotografie en film zei Duchamp nogal laatdunkend dat het een
manier was om met behulp van apparaten iets te doen. Terwijl hij zelf met draaiende
schijven en visuele effecten experimenteerde en die dingen nu wel in musea staan.
Over kunst in het algemeen heeft hij zeer lucide dingen gezegd. Maar over zijn eigen
werken, motivatie en inspiratie deed hij eerder verwarrende en verhullende
uitspraken, of zweeg hij als vermoord.’
‘Is dat de man van “La Fontaine”?’
‘Ja. Ik heb een exemplaar van die doodgewone pisbak in het “Centre
Pompidou” gezien, in de tentoonstelling “Masculin-Féminin”.’
‘En wat is er zo bijzonder aan?’
‘Niets. Hij wordt met de horizontale kant rechtopstaand gepresenteerd en
is gesigneerd R Mutt. Het was wel een erg controversiële daad dat ding als
readymade te presenteren. Duchamp heeft meer geschaakt dan geschilderd, maar
produceerde wel een paar shockerende schilderijen en nog meer onthutsende
readymades waardoor hij enorm veel aandacht kreeg. Veel later kwamen ook een
paar zeer eigenaardige werken van hem in de openbaarheid.’
‘Als schaker zal hij zeer goed geweten hebben dat de openingszetten
invloed kunnen hebben op heel het verdere spel. En het produceren van een
kunstwerk is in zekere zin te vergelijken met een openingszet.’
‘Inderdaad. Daar waar de vroegere kunstenaars vooral aandacht trokken
door de esthetische en ambachtelijke kwaliteit van hun werk, moest hij het vooral
hebben van shockeren en onthutsen.’
‘Maar je kunt het publiek niet blijven boeien door alleen maar te shockeren.
Je kunt ze niet steeds weer opnieuw onthutsen. Terwijl men op esthetische
kwaliteiten veel minder vlug uitgekeken is.’
‘Misschien heeft hij vooral dààrom zo weinig geproduceerd en niet zozeer
uit luiheid, zoals uit zijn uitspraken zou kunnen blijken. Maar de rol die hij zelfs na zijn
dood nog steeds speelt in de hedendaagse kunst, is niet te onderschatten.’
Blijkbaar intrigeerde die man haar erg. Maar omdat Dirk er weinig over
wist, schakelde hij vlug terug over naar de film: ‘Er is heel wat meer nodig om een film
te maken dan om een shockerende readymade te voorschijn te toveren!’
‘Maar een intelligente man met centen en wat kennis van zaken kan ook
gemakkelijk een film in elkaar boksen. Hij koopt een goed scenario dat de mensen
aanspreekt, engageert wat acteurs en mooie actrices, laat een cameraman met
ervaring de scènes van het scenario opnemen en betaalt daarna iemand om uit de
vele kilometers pellicule een goede collage te knippen en te plakken. En zo wordt hij
director, regisseur, realisator, cineast, of hoe je het ook noemen wilt.’
‘Dan zal de kwaliteit van “zijn” film helemaal afhangen van de kwaliteiten
en de samenwerking van zijn “onderaannemers”. Er is een reuzegroot verschil tussen
knutselaars en iemand die zich gedreven voelt om een filmverhaal te realiseren met
alle uitdrukkingsmiddelen waarover hij kan beschikken! Een ongeïnspireerde
regisseur zal geen vonken van creativiteit doen overslaan naar het publiek.’
‘Blijkbaar is er toch ook een publiek voor lopendebandproducten, net zoals
er lezeressen zijn voor doktersromannetjes.’
‘Mensen die hun sociale werkelijkheid willen ontvluchten in het escapisme
van onnodig lang uitgesponnen “sitcoms”. Of moegewerkte arbeiders aan het einde
van de dag.’
‘Of eenvoudige zielen die geen al te hoge eisen stellen.’
‘Misschien kunnen we het al of niet ontvankelijk zijn voor kunst vergelijken
met osmose. Het kunstwerk dringt, zoals een vloeistof doorheen een membraan, bij
de toeschouwer binnen. Soms heel spontaan, soms met de hulp van wat suggestieve
druk, soms ook helemaal niet. Sommige 'creaties' kunnen zo vreemd of oninteressant
zijn dat ze omzeggens door geen enkel membraan heen geraken. En sommige
toeschouwers hebben zo’n dik vel dat weinig of niets tot hen doordringt. Maar men
kan de druk vergroten door suggestieve beïnvloeding, manipulaties en mystificaties.
Door de maker hoog te prijzen en het werk op een voetstuk te zetten.’
‘Maar ook in het werk van regisseurs die weinig te vertellen hebben, zijn
er misschien nog onderdelen die kunst kunnen zijn?’
‘Inderdaad. Zoals we in een heel ordinaire kerk soms prachtige schilderijen
kunnen aantreffen of pareltjes van beeldhouwwerk. Een snertregisseur kan zich soms
een pracht van een scenario aanschaffen, dat hij niet helemaal kapot kan filmen.’
‘Of zeer goede acteurs engageren, die van hun rol iets heel bijzonder
maken.’
‘Er zijn inderdaad heel veel componenten die ertoe kunnen bijdragen om
het stuk leven dat de regisseur wil uitdrukken tot een prachtige gestalt te maken.
Zelfs in een doorsneefilm kan het gezicht van Audrey Hepburn bij voorbeeld enorm
veel expressiviteit brengen. Maar een goed scenario en goede acteurs komen toch
altijd beter tot hun recht onder de leiding van een echte kunstenaar. Hij weet welke
personages ze moeten creëren en welke nuances hij wil zien. Hij kan hen binnen zijn
visie ook het initiatief laten om een belangrijke persoonlijke bijdrage te leveren, in
harmonie met het geheel van de film. In een creatieve sfeer geven ze het beste van
zichzelf.’
‘Het harmonisch in elkaar passen van de verschillende personages en van
allerlei andere elementen van de film vergt van de cineast wellicht evenveel
creativiteit als het realiseren van een goede compositie in een schilderij.’
‘Inderdaad. Zelf ben ik soms meer geboeid door het spel van de acteurs
en door de manier waarop ze hun rol spelen, dan door het verhaal zelf. En daarbij
komt dan nog de charme, de elegantie van de actrices. In sommige films zie je ze
evolueren van adolescente tot volwassen vrouw.’
‘En de mannen?’
‘Karakterrollen van mannelijke acteurs spreken me natuurlijk ook wel aan,
maar ze vervallen gemakkelijker in overacting.’
‘Is dat niet ietwat subjectief van je?’
‘Allicht wel. Ik stel inderdaad hogere eisen aan het beperkte aantal acteurs
dat me aanspreekt, dan aan de actrices. De lichamelijkheid alleen al van vrouwen lijkt
me veel intenser dan die van mannen. Ook in het gewone leven. Ze onderlijnen hun
persoonlijke uitstraling soms met zeer eenvoudige en soms met zeer gesofistikeerde
middelen. Ze gaan veel creatiever om met zichzelf, hun gezicht, hun lichaam en hun
kledij dan mannen. Ze communiceren werkelijk met hun lichaam. Je zou kunnen
zeggen dat de meeste vrouwen kunst maken met zichzelf, kunst zijn op zichzelf.
Misschien is het daarom dat er minder vrouwelijke plastische kunstenaars zijn dan
mannelijke. Zij besteden hun creativiteit aan zichzelf en aan de rollen die ze te spelen
hebben in het werkelijke leven, in plaats van buiten de realiteit om met verf en doek
en andere dingen bezig te zijn. En wanneer ze daarbij een rol vertolken, een
personage uitbeelden in een film, creëren ze zeer zeker kunst.’
‘Je lijkt wel Truffaut! Heb je ‘‘l’Homme qui aimait les femmes’’ gezien?’
‘Natuurlijk.’ Maar Dirk haalde er liever een andere film bij van dezelfde
regisseur, waarin de mannelijke hoofdheld niet als een naïeve maniak alles achterna
loopt wat een rokje aan heeft. ‘Ik geloof dat de vrouwenfiguren centraal staan in al
zijn films. Heb jij “La Nuit Américaine” gezien?’
Dat had ze niet en dat liet Dirk toe wat verder uit te weiden: ‘Een pareltje
van “la Nouvelle Vague” waarin hij aantoont hoe de cineast de werkelijkheid
vertekent, in casu door een donkere lens op te zetten. En met eveneens een heel stel
prachtige actrices. Ze illustreren op een prettige manier de problemen waarmee hij
zoal geconfronteerd wordt. En tussendoor laat Truffaut merken dat het er tijdens het
maken van een film soms nogal ongegeneerd aan toe gaat. De vrouw van de
regisseur wordt daarbij voorgesteld als een blok aan zijn been: hij geeft haar het
belachelijke rolletje te zitten breien op de set om het hele promiscue gedoe wat in de
gaten te houden. In het werkelijke leven was zijn vrouw de dochter van een producer
en dus een belangrijke tussenpersoon voor het uitbrengen van zijn films.’
‘Hij moest haar dus wel ontzien. Had hij bij zijn latere films niet zelf een
relatie met een van de actrices?’
‘Inderdaad. Hij doet verder vrij ironisch over het kunstmatig geëxalteerd
wereldje dat gedurende enkele weken of maanden gecreëerd wordt, waarin
gevoelens en erotiek in veel hogere concentratie aanwezig zijn dan in het alledaagse
leven. De regisseur zit als het ware in een luilekkerland waar de gebraden kippetjes
hem zò in de mond kunnen vliegen. Maar de brave man wordt bedolven onder allerlei
beslommeringen en zijn betuttelende echtgenote wijkt geen duimbreed van de set.
Wanneer hij dan Nathalie Baye in haar rol van scriptgirl een vluggertje laat doen met
een van de technici van de filmploeg, lijkt hij te zeggen naar zijn vrouw toe: de
anderen doen dat allemaal wel, maar ik niet hoor! Het bedekt uiten van onoorbare
verlangens is hier ook wel een van de drijfveren van kunst als symptoomhandeling.’
‘Ook het creëren van vrouwenfiguren in een wereld waarin die gewenste,
maar verboden of verdrongen handelingen kunnen gesteld worden! Voor mannelijke
hetero’s is het onvermijdelijk dat de vrouw een belangrijke rol speelt in hun creaties.’
‘De regisseur observeert of creëert trouwens niet alleen vrouwen die hem
interesseren, hij trekt ze ook aan. Veel cineasten hebben een relatie met hun
geprefereerde actrice, zoals Truffaut, die later ook gescheiden is van zijn eerste
“hinderlijke” vrouw.’
‘Voor relatieonbekwame arme artiesten was portretten en naakten
schilderen ongetwijfeld ook een handige truc om vrouwen te benaderen.’
‘Waarschijnlijk. Jean-Luc Godard vertelde in een interview dat het eigen is
aan creatieve kunstenaars om jonge vrouwen aan te trekken. Men kan dat evengoed
omkeren en zeggen dat kunst soms bedreven wordt om vrouwen aan te trekken. Van
jonge, onbekende vrouwen kunnen de producers vedetten maken en door het succes
dat ze aldus in het vooruitzicht stellen, oefenen ze er aantrekking en macht over uit.
Abstract gezien krijgen ze ook macht over de vrouw in het algemeen door
vrouwenfiguren van eigen maaksel in personages te modelleren.’
‘Schilders hebben ook op verschillende manieren macht over hun model:
eerst door haar te laten poseren, zich te laten bekijken, en daarna door het beeld dat
zij ervan maken. Picasso schilderde zijn vrouwen sensueel en mooi zolang hij van
hen hield en ze begeerde. Maar wanneer ze afgeschreven waren, zaten de doeken
waarop ze afgebeeld werden vol hatelijkheid en agressie.’
‘Maar in de schilderkunst wordt de bijdrage van het model eerder beperkt
tot hoe de vrouw is of gezien wordt, hoe ze overkomt, terwijl een actrice in een film
een meer actieve rol kan spelen en een veel grotere creatieve inbreng kan hebben.
De regisseur van “l'Amant”8 verklaarde dat hij voor erotische scènes liever een
debutante had dan een actrice die gewoon was naaktscènes te spelen. Bij deze
laatste is de spanning er grotendeels af en dat merk je, zei hij. Wanneer de acteurs
samen met hun lichaam ook hun gevoelens “bloot geven”, maakt dat de beelden
zoveel intenser. Goede naaktscènes zijn op zich al een enorme verrijking van de
filmkunst, zelfs wanneer ze net als sommige beeldhouwwerken en schilderijen alleen
maar of vooral de vormschoonheid weergeven.’
‘De schilders voor wie een vrouw naakt wil poseren zullen in de meeste
gevallen daarbij ook wel gevoelens hebben, zou ik denken?’
‘Allicht wel. Het maakt gevoelens los of creëert een bepaalde sfeer, zoals
bij Paul Delvaux, denk ik. Maar terwijl een schilderij of een beeld alles met die ene
momentopname moet uitdrukken, kan een film personages laten zien doorheen
complexe evoluties met veel verschillende gevoelens, houdingen, interacties. Picasso
moest zijn figuren uiteenrafelen om verschillende aspecten ervan op één doek te
krijgen. Terwijl de film bijna even rijk aan details en feitenmateriaal kan zijn als het
leven zelf. Kieslowski maakte oorspronkelijk reportages, maar hij stelde daarbij vast
dat zijn schroom en zijn geweten hem weerhielden om door te gaan met filmen
wanneer het te intiem werd en te emotioneel: wanneer het juist echt belangrijk werd.
Blijkbaar is hij daarom begonnen fictie te verfilmen om over de meer intieme en
intense momenten van “la condition humaine” te kunnen rapporteren, om verhalen te
vertellen over “de werkelijkheid volgens Kieslowski”, met acteurs die ertoe bereid
waren hun emoties en reacties te laten zien.’
8
Jean-Jacques Annaud verfilmde dit boek van Marguerite Duras, waarbij hij ook
gebruik maakte van gegevens uit andere werken van haar, en waarin hij haar
relatie als jong meisje met een rijke Chinees in de vroegere Franse kolonie,
Indochina, op een zeer intense manier in beeld brengt.
‘Daarbij kan de film ook gebruik maken van verschillende componenten
zoals de muziek en de kostumering om een rijkdom aan details weer te geven.’
‘En het decor en de belichting, de fotografie, de grime, om niet te spreken
over de tegenwoordig meestal erg overdreven speciale effecten. Terwijl sommige
hedendaagse plastische kunstenaars producten op de markt durven brengen die niet
veel meer zijn dan combinaties van een paar eenvoudige elementen!’
Karin kende een gerenommeerde artiest die een rudimentaire soort
gezichten samenstelde met enkele kubussen en balkjes van verschillende kleuren en
daar dan een vrouwennaam aan gaf. En zelfs haar geprefereerde Thomas Lange had
voor een bepaalde tentoonstelling wat postkaartachtige stadsgezichten gekopieerd
op stukken van landkaarten die zelfs niets te maken hadden met de tekening in
kwestie.
Dergelijke 'combinaties' vond Dirk niet minder heterogeen dan een
optreden van Sophie Moniotte en Pascal Lavanchie tijdens een kampioenschap
kunstschaatsen dat hij ooit had gezien op tv : ‘Ze brachten een prachtig nummer op
de muziek van Puccini's “Nessun dorma”, een aria uit “Turandot”. Het ritme van de
muziek was waarschijnlijk de enige link die kon gelegd worden tussen die aria en de
gracieuze bewegingen, de acrobatische interactie van de schaatsers. Ik wist in elk
geval alleen maar dat 'Nessun dorma’ betekende: “dat niemand slape”.’
‘En wat voor latente inhoud zou je daarin zoeken?’
‘Dat ijsdansen is voor mij een levendige uitbeelding van de manvrouwrelatie: ze moeten allebei helemaal kunnen vertrouwen op de partner, op zijn
kunde en positieve respons. De kracht en de zekerheid van de man biedt de vrouw
op het gladde ijs de mogelijkheid om allerlei sierlijke en gewaagde standjes en
sprongen en figuren uit te voeren. Hij doèt haar die dingen doen, hij geeft er de
aanzet toe. Hij is als een sokkel waarop ze tot een zeer intense vorm van leven komt.
In tegenstelling tot de Spaanse flamencodansen, die vooral de rivaliteit en een vrij
agressief minnespel tussen man en vrouw uitbeelden, zit er in dat kunstschaatsen
een harmonische samenwerking die paren toelaat in moeilijke omstandigheden
prachtige dingen te verwezenlijken.’
‘En als mannen of vrouwen een solonummer brengen op het ijs?’
‘Een man alleen op het ijs vind ik maar een vervelende bedoening. Ik kijk
zelfs niet naar hun pure acrobatie. En bij het sologedoe van de meisjes zie ik vooral
hun mooie benen en het fladderende rokje. De mannen etaleren natuurlijk hun kracht
en behendigheid en de vrouwen vooral hun gratie. Maar wat me echt interesseert is
de charme en het risico van de interactie bij de koppels. Sophie Moniotte maakte
hoog opgetild en aanleunend tegen een schouder van Pascal Lavanchie een
nauwelijks merkbare beweging met haar hoofd alsof ze hem streelde met een
hoofdgebaar, terwijl ze zich als een levende Nikè van Samothrakè9, mèt fladderend
rokje en mooie lange benen en met lichtjes naar achter gestrekte armen, zo gracieus
mogelijk voordeed. Ze waren beiden heel gelukkig achteraf met hun goede prestatie
en hun zilveren medaille, die ongetwijfeld voor een deel te danken was aan de
combinatie van Pucinni's muziek en de choreografie van hun dansen.’
9
Het prachtige beeld van de godin der overwinning
scheepsboeg versierde en nu in het Louvre staat.
dat
oorspronkelijk
een
‘En wat is de moraal van je hele verhaal?’
‘Dat hun nummertje ijsdansen voor mij veel meer kunst is dan gekleurde
blokjesfiguren of stadszichtjes op een achtergrond van landkaarten. En dat zelfs de
Adam en Eva van Michelangelo op het plafond van de Sixtijnse kapel me niet zoveel
emotie bezorgen als dat korte nummertje ijsdansen. Is het dan voor mij niet méér
kunst dan Michelangelo’s “Schepping”?’
‘Die beeldt ook meer “Adam en zijn Schepper” uit dan de relatie tussen
Adam en Eva. Ik weet zelfs niet goed of het schepseltje dat God onder zijn arm heeft
wel Eva is, want in een volgend tafereel en in “De Zondeval” wordt ze wel als een
goedgevleesde matrone uitgebeeld. Er steekt ook veel meer dan dat in het Sixtijnse
plafond. Er zit zoveel zwier en variatie in. Het is als een caleidoscoop van het Oude
Testament.’
‘Dat zal wel. Maar die overdadige wirwar van lichamen bezorgde me niet
veel meer dan een stijve nek. Wat een idee om daar dat hele plafond vol te
konterfeiten, met om het andere tafereel blote mannen op elke hoek en als enige
vrouwen in die hele mannenwereld een paar Eva’s.’
‘Je vergeet de prachtige profetessen!’
‘Die “gebeeldhouwde” virago’s met een mannenlijf? Ik mis het vrouwelijke
in zijn werk. Geef mij maar liever de vrouwenfiguren van Rogier van der Weyden.’
‘Zelfs wanneer hij schilderde, was Michelangelo in de eerste plaats een
beeldhouwer. Ik geloof dat hij met tegenzin aan dat werk begonnen is na aandringen
van de paus, waarmee hij na zijn Florentijnse periode te vriend moest blijven. Maar
zelfs als je zijn David niet erg bijzonder vindt, zijn er ook nog zijn “Mozes” en zijn
“Piëta” en veel andere prachtige beeldhouwwerken, die niet moeten onderdoen voor
de Griekse kunst uit de gouden eeuw van Pericles, de grote voorbeelden waarnaar
hij opkeek.’
‘Maar hij moest het allemaal groter en spectaculairder maken. Ik heb liever
de meer op mensenmaat gebeeldhouwde figuren van Rodin. Die heeft échte vrouwen
uitgebeeld en échte mannen en zeer mooie liefdesparen. Het is misschien die
krachtpatserij van Michelangelo die voor mij de osmose met zijn werk wat moeilijk
maakt.’
‘Ligt het ook niet aan de “Zeitgeist” die hij weergeeft? Hij moest natuurlijk
uitbeelden wat zijn opdrachtgevers van hem verwachtten en wat toen aan bod kon
komen. Maar hij heeft het in een van de taferelen van de Sixtijnse kapel zelfs
aangedurfd God uit te beelden met een half ontbloot achterwerk!’
‘Als God niet veel meer was dan de evenknie van Adam, mocht hij ook wel
eens zijn kont tonen. De pausen die minaressen en kinderen hadden, zullen daar niet
van geschrokken zijn. Ik vraag me zelfs af wat voor godsbeeld die wellustelingen wel
konden hebben. Alles draaide daar toen blijkbaar rond macht en rijkdom.’
‘Paus Julius de Tweede had inderdaad meer van een condottiere dan van
een kerkvader. Hij wilde zich in de Sint-Pietersbasiliek een praalgraf laten oprichten
door Michelangelo met zowat 40 beelden en veel reliefs. Maar daar is niet veel van
terecht gekomen. “Mozes” is het voornaamste beeld daarvan dat Michelangelo nog
zelf afmaakte. Het allegaartje dat uiteindelijk tot stand kwam, staat nu in een andere
kerk.’
‘Die Paus gebruikte wellicht zijn investituur zoals dat Mozesbeeld de
stenen tafelen van de tien geboden onder zijn arm houdt: niet om het volk morele
voorschriften voor te houden, maar om er letterlijk op te steunen als op de basis van
zijn autoriteit. Julius vergeleek zichzelf blijkbaar met de mythologische Mozes uit de
bijbel. En Michelangelo heeft dat spel meegespeelt!’
‘Of omgekeerd heeft Michelangelo Julius willen plezieren door hem te
vergelijken met Mozes. Ongetwijfeld wilde hij met zijn creaties in de smaak vallen van
zijn opdrachtgevers én zijn concurrenten overklassen. Hij is er stinkend rijk mee
geworden.’
‘Ik meen te weten dat onze Pieter Breughel rond die tijd een paar jaar in
Rome geleefd en gewerkt heeft. En er is behalve de berglandschappen die hij er zag
en leerde afbeelden geen Italiaanse invloed merkbaar in zijn werk. Ik voel me dus in
goed gezelschap als ik naast Michelangelo heen kijk.’
‘Bij periodes twijfelde hij zelf aan de kwaliteit van wat hij produceerde. En
sommige van zijn tijdgenoten liepen ook niet hoog op met zijn buitenmaatse creaties.’
‘Zijn “Piëta” in de Sint Pietersbasiliek lijkt me ook geen moeder die nog
maar pas de folteringen en de dood van een zoon meegemaakt heeft. Haar mooi
jongelingengezicht en haar sereen verdriet lijken mij alleen maar te zeggen: “Zie hoe
jammerlijk het afgelopen is. Ik heb hem nochtans genoeg gezegd dat hij moest
oppassen voor het sanhedrin”.’
‘Dat is wat jij er nu van maakt. Maar toen waren ze nog niet toe aan onze
expressionistische religieuze kunst. Het moest allemaal in de eerste plaats mooi zijn!
Ze lijkt inderdaad een beetje op een maagdelijke jongeling, maar in die machocultuur
en met zijn geaardheid was dat waarschijnlijk het meest voor de hand liggende.’
‘Veel voorgangers en tijdgenoten van hem hebben wel zeer vrouwelijke
vrouwenfiguren geschilderd en gesculpteerd. En waren echt religieus ingesteld!’
‘Goed. Maar toch denk ik niet dat veel toeschouwers zoveel in ijsdansen
zullen projecteren als jij, die er jouw eerste of vierde niveau bij betrekt. De meeste
kunstgoeroes doen het ongetwijfeld af als het exhiberen van circuskunstjes, hoewel
dansen inderdaad ook kunst kan zijn.’
‘Waarom zou flamencodansen kunst zijn en ijsdansen niet? Wanneer is
het uitbeelden van mannen en vrouwen en hun relatie kunst, en wanneer niet? Voor
mij ziet het ernaar uit dat het eerste en vierde niveau van mijn model moet ingevuld
zijn, vooraleer er sprake kan zijn van kunst. En wanneer niet, heb je design of
ornamentiek, of circus en andere kunstenmakerij.’
‘Maar ik zie bij sommige producten van het Rubensatelier en bij de
Hollandse landschapschilders ook weinig of geen motivatie van jouw eerste niveau.
Het was de schilders meer te doen om hun virtuositeit te tonen en de klant te
behagen met mooie of zeer spectaculaire doeken, dan om de “diepste roerselen van
hun eigen ziel” uit te drukken. Toch gaan die werken telkens tegen zeer hoge prijzen
van de hand, wanneer ze nog in de handel komen. En dat is niet alleen om er geld
mee te beleggen, want ook de musea doen mee aan het opbod.’
‘Dat eerste niveau kan inderdaad ingenomen worden door vreemde
invloeden en usurpatoren. De godsdienst, de heersende klasse, de traditie, de
opdrachtgevers kunnen de kunstenaar hun boodschap laten uitbeelden en zijn
werken als taalhandelingen gebruiken. Daarbij wordt de persoon van de maker
meestal naar de achtergrond verdrongen, hoewel uitzonderlijke talenten toch eigen
accenten legden en hun persoonlijkheid affirmeerden.’
‘Of een beeld gaven van hun tijd.’
‘Terwijl veel creaties van hedendaagse artiesten voor niets anders
geschikt zijn dan om in een museum te staan en soms duidelijk daarvoor gemaakt
worden. Daarvoor worden nu zelfs speciaal gebouwen ontworpen om
“verzamelingen” aan te leggen en toeristen aan te trekken. Toeristen, snobs en wat
kunstliefhebbers.’
‘Misschien geven zij op hun manier ook een beeld van deze tijd.’
‘Een lamentabel beeld van armtierig innerlijk leven, simplistische
statements, vlug ineengeflanst of door “onderaannemers” vervaardigd, oppervlakkige
vorm- of designkunst en veel pedant geklets, iets wat de kunstexegeten blijkbaar
overgenomen hebben van de vroegere theologen en bijbelkenners’, hoorde Dirk
zichzelf overdrijven.
Karin antwoordde daar niet meer op. Ze naderden op dat ogenblik de hoge
brug over de Elbe en ze installeerde zich wat knusjes op haar zij om naar de lichtjes
van Hamburg te kijken en om wat te rusten. Na een poosje merkte Dirk aan haar
ademhaling dat ze sliep. Hij had graag een hand op haar heup gelegd, maar deed het
niet omdat het haar had kunnen wakker maken. Hij reed ook wat behoedzamer,
hoewel het verkeer veel minder druk geworden was.
Ze waren een heel stuk verder in de nacht en voorbij de grens van
Denemarken vooraleer ze wakker werd. Ze rekte zich wellustig en vroeg of hij geen
behoefte had aan wat muziek. Maar Dirk begon liever opnieuw met wat hij intussen
verder nog bedacht had: ‘De meest originele kunstenaars van wie de latente inhoud
én de manifeste uit-beelding omzeggens helemaal van eigen vinding is, zijn toch wel
de echte geesteszieken.’
‘Maar hun verwarde symboliek maakt hun creaties voor de meeste
mensen ontoegankelijk.’
‘Misschien zijn er tegenwoordig niet veel “scheppende” kunstenaars meer
die originele eigen inhouden naar buiten brengen. Sommigen onder hen zoeken
nogal gemakkelijk hun inspiratie in het werk van anderen.’
‘Ze leven ook niet in afzondering. Het is normaal dat ze reageren op
allerlei invloeden van andere kunstenaars en van de hele cultuur waarin ze leven.
Misschien drukken ze allemaal samen de “Zeitgeist” uit in hun werk?’
‘Dat kan dan bij cineasten wellicht nog meer het geval zijn dan bij andere
artiesten. Ze situeren onvermijdelijk hun verhaal in een bepaald kader, een cultuur,
tijd en sociale omstandigheden. Ze kunnen zowel in de beeldende als in de
verhalende facetten van hun werk beïnvloed worden, ook wanneer ze de beschikbare
tijd én de oppervlakte van het scherm vullen met louter tijdverdrijf en kitsch.’
‘Tegenwoordig is het erg moeilijk om grenzen te trekken tussen kitch en
kunst. Het is heel subjectief. Van versierde voorwerpen worden de ene kunst
genoemd en andere niet. De Griekse vazen en schotels die nu in musea en privécollecties als kunstobjecten worden beschouwd, waren misschien de kitsch van toen.
Ze werden in de oudheid als handelswaar of prestigeobjecten rond het hele
Middellandse Zeebekken en tot ver in Gallië versjacherd. De Grieken en Romeinen
vonden er bekende mythologische figuren en taferelen op terug, maar wat begrepen
de Galliërs daarvan?’
‘Wanneer ze de juiste betekenis niet kenden, konden ze er wel hun eigen
verhalen en inhouden op projecteren. Dat maakte die dingen misschien nog
mysterieuzer en waardevoller. Net zoals huidige kunstwerken door de projecties van
de toeschouwer ook aan waarde en inhoud kunnen winnen. Of dan pas krijgen. Ik
heb in Spanje ooit “Bram Stoker’s Dracula” van Francis Ford Coppola gezien. Omdat
ik niet al te veel verstond van de Spaanse dialogen, maakte dat op mij een veel
grootsere indruk dan toen ik een tijdje daarna de film in het Engels en met ondertitels
terugzag. Dan werd het een Victoriaans verhaal, op een zeer barokke manier verteld.’
‘Ik heb de film niet gezien, maar ik ken het verhaal en voel me zeker niet
genoodzaakt om die griezel te gaan zien!’
‘Maar het is wel pràchtige barok! Veel beter dan de roomijskleurige
interieurs van barokke kerken, met hun carrouselkrullen en hun blote engeltjes! Zoals
Winona Ryder de rol van Mina speelt, met alle schakeringen vanaf een kuis
Victoriaans bruidje tot de getormenteerde en majestatische geliefde van Dracula,
waar ze als een soort heksenfee met toverformules haar minnaar tracht te
beschermen in een tumult dat je een soort oerscène kunt noemen. En Sadie Frost in
haar rol van Lucy, en de drie vrouwelijke vampiers... Echt sublieme vrouwenrollen.
Sommige close-ups zijn vergelijkbaar met de mooiste portretten uit de schilderkunst.’
‘De expressiviteit van gezichten heeft inderdaad veel van kunst.’
‘Maar wat vrouwen doen met hun haartooi en hun gezicht, met hun kledij
en sieraden, is hoewel erg cultureel bepaald, een bijna natuurlijk gedrag geworden,
zodat we niet meer zien dat het kunst is. Terwijl de werken van de meestal
mannelijke artiesten meer op “prothesen” lijken, hulpmiddelen om een handicap te
overwinnen: omdat ze zoveel moeite hebben met communiceren of omdat wat ze te
zeggen hebben zo moeilijk is om uit te drukken.’
‘Of omdat ze de communicatie in een welbepaalde richting willen sturen.’
‘Wanneer de vrouwen met hun opschik uitdrukken hoe ze zichzelf zien en
hoe ze willen overkomen, is dat inderdaad evengoed cultuur en kunst als de
“prothesen” van de kunstenaars. Zelfs tv-presentatrices kunnen soms een uitstraling
hebben die vergelijkbaar is met portretten uit de schilderkunst. Een jongedame die
vroeger af en toe een historisch programma inleidde, maakte er telkens een echt
juweeltje van. Het leek bijna alsof ze zat te poseren voor een schilder. Zoals je je kunt
afvragen wat er allemaal steekt achter de mysterieuze glimlach van la Gioconda, stel
ik mezelf bij zo’n optreden soms de vraag: waarmee vult die efemere prettige
verschijning haar overige tijd? Wat denkt en wat doet ze zoal?’
‘Dat zal wel beroepsmisvorming zijn!’ En daarna half lachend, half ernstig:
‘psychologen vinden het normaal als ze hun medemensen binnenstebuiten keren. De
Mona Lisa moet voor hen een permanente frustratie zijn, vermits ze haar geen
vragen meer kunnen stellen en ze er niet meer achter kunnen komen wat er echt in
haar omgaat!’
‘O, maar ik heb voor mezelf een vrij eenvoudige uitleg voor haar glimlach.’
‘Exegeten hebben er al van alles in geprojecteerd en over geschreven! Er
wordt zelfs beweerd dat haar gezicht een vervorming zou zijn van het gezicht van
een van zijn leerlingen waarmee Da Vinci een homosexuele relatie had, wat toen
absoluut geheim moest blijven.’
‘Het is niet onmogelijk dat het gezicht van zijn leerling hem bewust of
onbewust beïnvloed heeft, en dat het zou kunnen meespelen om de mysterieuze
glimlach te verklaren. Maar voor mij ligt het antwoord vooral in een nuchtere
beschrijving van de situatie. Leonardo Da Vinci, homofiele kunstenaar-ambachtsman
van rond de vijftig, wordt door een koopman gevraagd het portret te schilderen van
zijn vrouw Lisa, een jonge moeder die al een eerste kind gebaard heeft. Vanuit haar
heteroseksuele wereld, de vervulling van haar moederschap en haar ongetwijfeld
comfortabel huwelijk met een welstellende koopman, keek ze niet óp naar hem, maar
blijkbaar een beetje geamuseerd nààr hem. Vrouwen kunnen erg prettige contacten
hebben met homosexuele mannen: het gevaar van seksuele agressie is er niet zodat
een grotere toenadering mogelijk wordt.’
‘Leonardo da Vinci genoot toen ook nog niet het prestige dat hij nu voor
ons heeft. Soms maakte hij kleinere schilderijen en portretten om in zijn
levensonderhoud te voorzien.’
‘In zo’n poseersituatie is het normaal de schilder die naar zijn model kijkt.
Hij domineert en maakt er “zijn” portret van. Maar hier is het duidelijk Lisa die naar de
schilder kijkt, en da Vinci is blijkbaar een faire verliezer geweest in dat duel. Hij heeft
haar vereeuwigd zoals ze naar hem keek. Het is een portret geworden dat de situatie
en hun relatie duidelijk weergeeft. Van “de vrouw uit een voor Leonardo vreemde
wereld”, is Lisa voor ons “een vrouw uit een vreemde wereld” geworden. Voor mij is
die glimlach de unieke non-verbale communicatie die alles uitdrukt wat Lisa over de
poseersituatie en de relatie van haar wereld tot die van Leonardo dacht en voelde. Hij
heeft dat zeer getrouw weergegeven.’
‘Zou hij daarom alleen dan het doek voor zichzelf bewaard hebben onder
het voorwendsel dat het niet af was?’
‘Het is niet onmogelijk dat Lisa een ietwat mannelijke ‘anima’ had en dat er
een soort zielsverwantschap ontstaan is tijdens het poseren.’
‘Ik meen ook te weten hij er tijdens het poseren narren bij haalde en gekke
situaties creëerde om haar te laten glimlachen.’
‘Dat kan er bij verdere poseersessies toe bijgedragen hebben om haar
geamuseerd toekijken enigszins te bestendigen. Maar haar glimlach heeft hij dan
toch wel gesublimeerd in een visie op de hele situatie.’
‘Het ziet er toch naar uit dat hij graag de herinnering wilde bewaren. Hij
heeft het doek jarenlang en tot aan het Franse koninklijke hof meegezeuld.’ Karin
vond de commentaar van Dirk een niet oninteressante zoveelste uitleg, maar
betwijfelde toch of het een afdoende verklaring was.
‘Voor mezelf heb ik er meer dan genoeg aan en ik vind het niet nodig het
proza van anderen daarover te raadplegen. Ik ben zelf hetero en heb geen
boodschap aan die glimlach van de Joconda. Ik gun haar best haar geluk van jonge
moeder in een welstellend gezin, met een goed verdienende echtgenoot. Er is geen
enkele reden waarom ze zo naar mij moet lachen, maar ik begrijp best dat sommige
kunstenaars zich behoorlijk aan die glimlach ergerden.’
‘Ja. Duchamp maakte er een spotprent van met een ietwat scabreus
onderschrift. En ook Picasso moet zich in zijn machomentaliteit geraakt gevoeld
hebben. Ze ervaren haar glimlach blijkbaar als de uiting van een superieur gevoel,
dat moeilijk onder woorden te brengen is, maar zeer reëel overkomt. Dat portret
illustreert wel zeer goed een gezegde van Beuys: “there are things to be said and
done, which can be said and done only through art”.10’ Ze weidde nog wat uit over
Beuys en zijn uitspraak die ze alleen in het Engels kende, hoewel hij een Duitse
kunstenaar was en beeindigde haar uiteenzetting met: ‘die uitspraak van hem is
misschien nog het minst van al toepasselijk op het soort kunst dat hij tenslotte zelf
bedreef, namelijk concept art11, waarvan de statements evengoed en soms beter in
woorden worden geformuleerd, dan uitgedrukt door de werken zelf.’
Ze merkte intussen dat Dirk niet erg aandachtig meer was en hij bekende
dat hij aan het uitkijken was naar een parking. Hij begon zin te krijgen in een hapje.
Het duurde een poosje vooraleer ze een rustplaats bereikten. Nadat hij de
wagen geparkeerd had, huppelde hij wat rond om zijn spieren te ontspannen. Karin
etaleerde intussen alles mooi op een napje dat ze over de ruwe picknicktafel gespreid
had. De hapjes die ze bereid had, waren erg lekker. En terwijl zij na het eten alles
zorgvuldig opborg, bleef hij wat languit liggen op de bank. Omdat het nog niet nodig
was een uurtje echt te slapen, vertrokken ze na het bezoek aan de toiletten en nadat
Karin even rondgeneusd had in de shop.
Toen ze weer op de snelweg zaten, vroeg Karin om wat muziek te
beluisteren. Dirk liet haar tussen de cd’s die netjes in het brede bakje van haar deur
geklasseerd waren, zoeken naar het jazzalbum van Sjostakovitsj. Dat hoorde hij zelf
het liefst. Zodra de muziek startte, liet ze haar rugleuning naar beneden zakken om
10
Joseph Beuys (1921-1986) is een soort tegenpool van Duchamp. Tijdens de oorlog
boven Rusland als radio-marconist neergehaald, zou hij door de lokale Tartaarse
bevolking gered zijn van de dood door het feit dat ze hem in vet en vilt
gewikkeld hebben om hem te genezen. In zijn latere kunst spelen die twee
componenten een belangrijke rol. Als een neergebliksemde en bekeerde Saulus
tracht hij na de oorlog iedereen voor de kunst en een humanistische
levensbeschouwing te winnen. Oorspronkelijk schilderde hij, maar later bestonden
zijn kunstwerken vooral uit performances en zijn hele manier van zijn. Naarmate
hij zich meer en meer als een Messias ging gedragen, werden zijn werken
simplistischer maar bleven ze wel erg duur. Hij ging ook in een groene partij
aan politiek doen.
11 Concept art beschouwt de idee die aan de basis ligt van het kunstwerk als het
belangrijkste. Het werk zelf is dikwijls een eenmalig en onverkoopbaar product,
met daarnaast uitvoerige documentatie en informatie over het ontwerp en de
realisatie. Door middel van sponsoring en het verspreiden van ontwerpen en
schetsen wordt de onverkoopbaarheid meestal wel gecompenseerd. Ietwat onjuist
wordt deze benaming soms veralgemeend naar elke vorm van beeldende kunst waarbij
een uitgebreide verbale commentaar belangrijk is.
zich behaaglijk uit te strekken. Ze luisterde met gesloten ogen. Dirk deed alsof al zijn
aandacht naar de weg ging, maar vanuit een ooghoek keek hij af en toe naar haar.
Het gaf hem een weelderig gevoel een mooie jonge vrouw binnen handbereik te
hebben, beschikbaar voor een relatie die voor de toekomst wellicht bijna
onbegrensde mogelijkheden zou bieden. Hij had zich met de vroegere interimgrietjes
nooit zo rijk gevoeld. Ook niet wanneer hun relatie heel intiem was. Waren die
misschien te vanzelfsprekend geweest? Of een te beperkt segment tussen al het
andere dat zijn leven vulde? Zou Karin bereid zijn méér te betekenen?
Karin had het jazzalbum al een tweede maal beluisterd toen Dirk toch wat
loom werd en zin kreeg om een uurtje te slapen. Hij stopte aan de eerstvolgende
parking, schoof zijn zetel wat achteruit en bracht de rugleuning bijna horizontaal.
Karin stapte uit ‘om de frisse nachtlucht op te snuiven en de sterren te tellen’. Hij zag
haar een paar maal rond de auto wandelen en viel daarna in slaap. Toen hij wakker
werd, stond ze tegen de auto aangeleund. Ze had een vallende ster gezien en daarbij
een wens geformuleerd. Maar daarover wilde ze hem voorlopig niets vertellen.
Zodra Dirk terug op normale kruissnelheid was, liet ze Sjostakovitsj nog
een derde maal horen. Blijkbaar hoorde ze die zeer gevarieerde stukjes muziek ook
heel graag. Maar na een poosje draaide ze zich weer op haar zij en toen de muziek
ophield bleek ze al te slapen.
In de vroege morgen kwamen ze aan in Frederikshavn. Karin werd niet
wakker toen hij de wagen op de parking van de veerdienst tot stilstand bracht. Te
oordelen naar het geringe aantal auto’s dat gereed stond om in te schepen, zou het
nog een hele tijd duren voor er een overzetboot aankwam. Hij liet de rugleuning van
zijn zetel wat zakken, installeerde zich zo comfortabel mogelijk en viel op zijn beurt in
slaap.
21
Toen allerlei geluiden hem wekten, stond de hele parking al bijna vol met
wagens en grote camions. Karin was de drukte om hen heen stilletjes aan het
bekijken. Toen ze merkte dat hij ook wakker geworden was, bracht ze de rugleuning
van haar zetel terug recht en boog zich naar hem toe voor een morgenkus. Ze stelde
voor nog vlug te ontbijten voor het inschepen, maar Dirk herinnerde haar eraan dat
ze aan boord een zeer uitgebreide ontbijttafel zouden hebben en dat ze de rest van
hun proviand beter bewaarden tot in Zweden of zelfs tot in Noorwegen.
Rond acht uur konden ze inschepen. Bij de afvaart bekeken ze geruime
tijd van op de achtersteven de golfslag en de lange sliert schuim in het zog van het
schip, en het langzaam wegzinkende land. Daarna wandelden ze wat rond om de
inrichting van het schip te zien en gingen zich dan te goed doen aan de uitgebreide
‘frokost’. De overvaart zou zowat drieënhalf uur duren. Toen ze al een poosje in volle
zee waren, ging Dirk wat rusten in een der comfortabele zetels van de bar en viel
daarbij opnieuw in slaap. Karin maakte hem pas wakker toen de kust van Zweden in
zicht kwam. Maar het duurde nog een hele poos vooraleer ze door de mooie, met
rotsen en eilandjes afgeboorde geul tot in de haven van Göteborg voeren.
Na het ontschepen reden ze de ganse lange namiddag afwisselend door
bos en akkerland met af en toe een stukje kust dat tussen grote ronde granietblokken
uitzicht gaf op zee. Toen ze kort voor de grens van Noorwegen aan een ietwat
langere kuststrook kwamen, aten ze op een parking de rest van Karins proviand. Een
uurtje later passeerden ze zeer vlot de grenspost bij de Svinesund. Dirk wisselde er
nog wat euro’s om in Noorse kronen. Ze bleven daarna doorrijden in de schemering
van de laat invallende heldere nacht, tot ze aan de rand van Oslo een klein hotelletje
aantroffen waarvan ze allebei oordeelden dat het voor twee of drie nachten wel
geschikt leek. Het bleek niet zo duur als Dirk gevreesd had en met hun Engels
konden ze er goed terecht. Ze kregen ‘a twin-bedded room’ met een badkamertje,
zoals Karin uitdrukkelijk gevraagd had.
Na een summier avondmaal voelden ze zich allebei loom en moe en ze
waren blij onmiddellijk naar bed te kunnen. Karin was lief en ongedwongen, alsof het
voor haar de gewoonste zaak van de wereld was samen met een man op reis te zijn
en dezelfde kamer te delen. Dirk ging op zijn bed liggen terwijl zij eerst in de
badkamer verdween. Ze kwam hem daarna in een kort nachtjaponnetje een vlugge
goede nachtkus geven en ze sliep blijkbaar al toen Dirk op zijn beurt, na een
ontspannend stortbad naar zijn bed terugkeerde.
Hij werd ’s morgens wakker toen Karin uit de badkamer kwam. Ze bleef
wat rondlopen in beha en met een handdoek om de heupen, bezig met haar opschik
en haar kleren, alsof ze deze minikledij helemaal vanzelfsprekend vond. Hij deed
alsof hij langzaam wakker werd en ze keerde zich alleen maar eventjes naar hem toe
om hem goedemorgen te wensen. Hij veerde dan maar uit zijn bed, ging haar even
tegen zich aantrekken voor een morgenkus en verdween op zijn beurt in de
badkamer.
Ze had een minirokje en een spannende T-shirt aan toen hij in de kamer
terugkwam. Hij trok een broek en hemd aan om met haar af te dalen naar de
eetkamer voor het ontbijt en nam een stadsplannetje en een boekje over Oslo mee,
om aan tafel de dag te plannen en wat inlichtingen te vragen aan het personeel.
Het Munch-Museet was het meest dichtbij en voor Karin ook het meest
belangrijke. Daarna zouden ze wat traagjes door de stad rijden om de belangrijkste
straten en gebouwen te bekijken en aan de westrand de vele beeldhouwwerken van
het Vigelandpark te gaan zien. Tegen de avond zouden ze voor Dirk aan de overkant
van de grote baai Frognerkilen, de musea van de Vikingschepen en het Kon-Tiki vlot
bezoeken. De tweede dag wilde Karin dan naar het Nationaal Museum waar ook heel
wat werken van Edvard Munch hingen en naar het Vigelandmuseum met de kleinere
werken en tekeningen in de vroegere woning van Gustav Vigeland. En dan was er
ook nog een toren met uitzicht over de ganse stad en omgeving, een rondvaart in de
fjord en voor Dirk de oude Akershusvesting aan de haven.
‘Is die Edvard Munch dan zo belangrijk?’ vroeg Dirk. Hij kende alleen
reproducties van het fameuze schilderij ‘De Schreeuw’ en vond het wel heel
expressief, maar niet bijster aantrekkelijk. Misschien was dat een uitschieter van een
eerder middelmatige schilder die bij gebrek aan succes de grote meerderheid van zijn
werken aan de stad cadeau gedaan had. Maar Karin overstelpte hem met
argumenten om aan te tonen hoe belangrijk Munch wel geweest was. Hij was een
internationaal bekende expressionist en had onder andere in Parijs en Berlijn
verbleven. In eigen land had hij oorspronkelijk weinig of geen succes gehad omwille
van zijn nieuwe manier van schilderen. Maar in Keulen werd ooit een verzameling
van zijn werken geëxposeerd samen met doeken van Cézanne, Van Goch en andere
grootmeesters. De nazi’s confisqueerden later 82 werken van hem als ‘entartete
Kunst’. Tenslotte kreeg hij ook in Noorwegen erkenning en de Nasjonalgalleriet die ze
de tweede dag zouden bezoeken, kocht toen heel wat werken van hem. Maar op het
einde van zijn leven was hij zo in zichzelf teruggetrokken, misschien zelfs paranoïde,
dat hij niet meer buiten kwam, niemand in zijn huis toeliet en alleen maar voor
zichzelf schilderde. Hij had na een ongelukkige jeugd en een paar dramatische
relaties, periodes gekend van allerlei excessen: alcohol, vrouwen en vechtpartijen. Hij
onderging op zeker ogenblik zelfs een kuur met een soort elektroshocks, waarna hij
een tijdlang veel serenere doeken schilderde. ‘Het is echt een kunstenaar die past in
jouw vierverdiepingenschema’, eindigde ze haar betoog.
Het Munchmuseum lag aan de rand van de stad, niet ver van hun
hotelletje. Karin bekeek er erg aandachtig en langdurig de vele tentoongestelde
werken. Dirk volgde haar en las tussendoor wat in de gratis folder. Ze gaf ook zelf
nog af en toe wat commentaar. De hele verzameling had veel weg van een
geschilderd dagboek, zei ze: ‘Munch en de vrouwen waarmee hij een relatie had.
Eerst met een getrouwde vrouw, wat hem schuldgevoelens en angst bezorgde,
omdat zijn vader hem en de andere kinderen met bijbelteksten en de hel
geterroriseerd had. En daarna was er een rijke dochter van een wijnhandelaar
waarmee hij een stormachtige verhouding had. Zij wilde met hem trouwen, maar hij
wilde zich in de eerste plaats met schilderkunst bezig houden. Bij een van hun ruzies
heeft hij zich een loden kogeltje in de linkerhand geschoten’, wees ze op een doek
met een naakte man op een soort operatietafel, met dokters en een verpleegster
erbij. Blijkbaar had de man veel bloed verloren. ‘Achteraf is die vrouw ervandoor
gegaan met een andere minnaar en heeft ze een echte haatcampagne tegen hem
gevoerd.’
Toen ze bij ‘De Schreeuw’ kwamen, stopte ze met haar commentaar. Het
doek leek verwaarloosd en er was blijkbaar aan geknoeid. ‘Het is ooit gestolen, niet?’
vroeg hij aan Karin. Maar ze schudde haar hoofd zonder te spreken. Hij zocht dan
maar in de folder naar meer uitleg. Hij vond er alleen dat Munchs moeder stierf toen
hij vijf jaar oud was en zijn één jaar oudere zus Sophie toen hij veertien was.
Wanneer hij tweeëndertig is sterft ook nog een broer aan longontsteking. Een andere
zus, Laura wordt opgenomen wegens hysterie. Op zijn vijfenveertigste sterft zijn
vader en krijgt hij zelf een zenuwinzinking. Daarvoor had hij ook al tuberculose
gehad. De familie en hijzelf werden blijkbaar geteisterd door allerlei kwalen.
Dirk begon terug op Karin te letten, die nog steeds als gebiologeerd naar
‘De schreeuw’ stond te staren. Ze projecteerde er blijkbaar heel wat van zichzelf in.
Hij probeerde haar aandacht wat af te leiden, legde een hand op haar schouder en
zei: ‘Het lijkt bijna stuntelig afgewerkt, maar het is wel heel expressief.’ Ze nam
langzaam zijn hand weg van haar schouder en antwoordde: ‘Hij hechtte vooral
belang aan de emotionele inhoud en niet aan de academische afwerking van zijn
doeken.’
‘Maar er is blijkbaar aan geknoeid, net als aan sommige andere doeken.’
Hij wees naar een paar schilderijen waarin strepen getrokken waren tot op het
canvas.
‘Ja, dat heeft hij zelf gedaan met de achterkant van een penseel. En aan
“De Schreeuw” heeft hij waarschijnlijk zelf gesneden en wat bijgeschilderd. Maar dat
doet allemaal niets af van zijn enorme expressiviteit.’
‘Ik dacht dat het ooit gestolen was?’
‘Dat was het exemplaar van de Nationale Galerie. Hij herhaalde vaak de
thema’s waar hij het meest mee bezig was. In datzelfde decor heeft hij ook een paar
doeken met een mannenfiguur geschilderd. Het is een soort metafoor voor de
eenzaamheid. Hij schilderde het toen hij in het buitenland was, als een noodkreet om
hulp, ter herinnering aan een sensatie van existentiële angst die hij ooit in dat
specifieke landschap ervaren had, vele jaren vroeger. Het moet een nogal lugubere
plek zijn vanwaar je een zicht hebt op de stad en op de fjord.’
‘Wat is daar luguber aan?’
‘Daar was een slachthuis in de buurt en een gekkenhuis, en een vriend
van hem had zelfmoord gepleegd in die omgeving. Daarbij kon de avondhemel boven
de fjord fel rood en blauw kleuren en het hele landschap erg dramatisch vertekenen.’
Met een hand op haar heup kon hij haar ten slotte toch wegleiden van het
doek. Maar de zelfportretten uit zijn laatste levensjaren oogden ook allesbehalve
opgewekt. ‘Ik zou vanavond de plaats willen bezoeken waar Munch die ervaring
opgedaan heeft’, zei Karin. ‘Dat kan’, aarzelde Dirk, ‘maar zouden we dat niet beter
doen met een rondvaart in de fjord?’
‘Dat is niet hetzelfde. Dat zou niet alleen een heel andere gezichtshoek
geven, maar vooral een totaal andere sfeer.’
Karin bleef nog een poos de vele schilderijen bekijken en herbekijken,
soms van dichtbij en soms gezamenlijk van wat verder af, blijkbaar om bepaalde
werken met elkaar te vergelijken. Omdat ze daarbij geen commentaar meer gaf
begon Dirk meer op de bezoekers en vooral op de bezoeksters te letten. Op
vernissages keek hij meestal meer naar de dames dan naar de tentoongestelde
werken. Bij die gelegenheden doen de meeste vrouwen een extra inspanning om op
te vallen, bijna alsof ze de exposant en zijn werk willen beconcurreren. Maar hier
waren het meestal sober geklede toeristen.
Toen ze toch eindelijk weggeraakten, probeerde Dirk Karin weer aan de
praat te krijgen: ‘Blijkbaar is Munch helemaal vereenzaamd door de slechte relatie
met zijn vader, het afsterven van familieleden en door de problemen met zijn
gezondheid en zijn onevenwichtig karakter.’
‘Hij haatte zijn vader. Toen hij in Parijs verbleef, is hij zelfs niet naar zijn
sterfbed of begrafenis gekomen.’
‘En die vereenzaming heeft hij blijkbaar niet kunnen wegschilderen. Vooral
de doeken met een lange verlaten weg eroverheen lijken mij te tonen dat Munch zijn
leven als een grote leegte zag. Het zat hem ook allemaal tegen, maar indien hij wat
meer relatiebekwaam was geweest, zou hij een heel ander leven gehad hebben.’
‘En wij een andere Munch’, antwoordde ze laconiek. ‘Dan was er geen
“Schreeuw” geweest en wellicht alleen maar een gewone zondagschilder meer.’
‘Het is gemakkelijk voor ons om af te wegen wat het belangrijkste lijkt,
maar voor hemzelf?’
Karin antwoordde daar niet meer op.
Ze reden daarna wat kriskras door de stad, terwijl Karin op een plannetje
de weg uitzocht naar de gebouwen die ze wilden zien. Dat bleek niet altijd goed te
lukken maar zelf reageerde hij ook soms te laat op haar aanwijzingen. Om aan de
praat te blijven, deed hij plagend superieur: ‘vrouwen en plannen lezen!’ Daarop
vouwde ze rustig het plannetje samen en zei: ‘Voor het Vigelandpark moet je in
westelijke richting rijden tot je aan een grote groene zone komt en voor jouw schepen
zal je daarna in zuidelijke richting om de Frognerkilenbaai heen moeten draaien’. Ze
deed alsof ze daarna al haar aandacht besteedde aan de straten waar ze door reden.
Hij vond toch de juiste weg met behulp van wat wegwijzers hier en daar,
en ook omdat hij zich vrij goed kon oriënteren.
Er stonden enorm veel stenen en ook wat bronzen beelden bijeen op een
veel te kleine oppervlakte in dat park. Karin begon haar rondgang, af en toe een van
de beelden wat van nabij bekijkend. Dat was voor Dirk een goed excuus om zijn
camera te gebruiken en hij benutte die kans om haar zo een paar maal te
fotograferen. Zelf had hij het gevoel door een tentoonstelling van ijssculpturen te
wandelen. Na de intense geladenheid van het Munchmuseum leek dit hier pure
vormenkunst. Daarbij had hij tot vervelens toe een indruk van ‘voortdurend meer van
hetzelfde’: menselijke figuren vanaf de kindertijd via volwassenheid, tot in de dood
toe. In allerlei mogelijke vormen en combinaties.
Toen hij een opmerking maakte over de onwaarschijnlijk grote hoeveelheid
beelden die hier samengebracht was op een veel te kleine oppervlakte, antwoordde
Karin dat er in het Vigelandmuseum nog minstens evenveel te zien was. Net als
Wiertz had Vigeland een huis en atelier gekregen in ruil voor de belofte al zijn
nagelaten werk aan de stad te schenken. Daar waren nu de schetsen en kleinere
werken ondergebracht.
‘Dat zou voor mij wel een beetje van het goede teveel zijn’, dacht Dirk
luidop. ‘In het Antwerpse Middelheimpark zijn de sculpturen verspreid over een
grotere oppervlakte en komen ze veel beter tot hun recht.’
‘Het is ook interessanter beelden van verschillende kunstenaars bijeen te
brengen’, beaamde Karin. Ze liep tamelijk vlug aan de laatste beelden voorbij en zei:
‘Munch liep ook niet erg hoog op met de kunst van Vigeland. Misschien kunnen we
het museum zelf wel laten vallen.’
Terug in de auto nam ze het stadsplannetje weer op, maar ze liet Dirk zelf
zijn weg zoeken. Om haar spelletje mee te spelen vroeg Dirk ook niks, want zo een
grote baai zou hij toch niet kunnen missen. Ze kregen Frognerkilen inderdaad vrij
vlug in zicht en het Vikingskipshuset was nog vlugger gevonden. Dirk nam er een
paar foto’s van het Osebergschip, waarbij Karin nu wel even poseerde. Ze sprak hem
niet tegen toen hij de lijnen van het schip zo mooi en majestueus vond als van een
echt kunstwerk. Het had gediend als grafmonument voor een prinses, maar hij kon
die statige boeg zo door de golven van een onstuimige zee zien snijden.
Daarna gingen ze naar het Kon-Tikivlot kijken, waarmee Thor Heyerdahl
en zijn gezellen ooit van Peru naar het Paaseiland zeilden. Zijn theorie dat de
Polynesiërs vanuit Zuid-Amerika gekomen waren is later weliswaar gecorrigeerd door
allerlei bevindingen die aantonen dat ze vanuit Azië en tegen de wind in gezeild
hebben, maar Dirk had in zijn jonge jaren heel wat gelezen van en over Heyerdahl en
hij vertelde Karin over de verschillende expedities die deze avontuurlijke antropoloog
ondernomen had. Maar ze was nog steeds niet erg spraakzaam en Dirk wist niet
goed of hij haar met rust moest laten of blijven praten. Dat Munch-Museet had haar
blijkbaar heel erg aangesproken.
‘Hou je er echt aan, Karin, om vanavond het landschap van dat doek te
gaan opzoeken?’ probeerde hij ten slotte. Hij ging er liever niet naartoe omdat hij
vreesde dat het haar nog melancholischer zou stemmen.
‘Heel erg’, antwoordde ze.
‘Oké, dan vragen we na het avondmaal in het hotel hoe we het kunnen
vinden.’
Maar tijdens het avondmaal probeerde hij haar te doen vergeten wat hij
beloofd had. Zodat ze na het dessert zei: ‘Vragen we het nog aan de dienster, of
doen we dat beter aan de receptie?’
‘Om de waarheid te zeggen …’
“Ik heb al wel gemerkt dat je het liever niet zou doen, Dirk. Maar je hebt
het beloofd!’
‘Inderdaad, Karin. Ik ben bang dat het je in een depressieve stemming zou
kunnen brengen, dat het herinneringen kan oproepen. Je weet zelf ook goed genoeg
dat er soms niet veel nodig is om een mens uit zijn evenwicht te halen en hem alle
houvast te laten verliezen.’
‘En wat dan nog?’
‘Je hebt wel een pijnlijke ervaring achter de rug, maar jij hebt nog een heel
leven voor je. Munch had werkelijk alles tegen en hij beperkte dan nog zijn
mogelijkheden door alles op dat schilderen te zetten. Ik denk dat het niet goed is je
over te geven aan die melancholische en depressieve sfeer die uitgaat van zijn werk
en van zijn hele leven. Het is niet omdat Munch zich voor een gapende afgrond zag
staan …’
‘Wil je nu nog gaan, of niet?’ onderbrak ze hem.
‘Als je het zo scherp stelt, ga ik inderdaad met je mee, Karin.’
Ze zweeg een ogenblik en zei dan: ‘Maar jouw negatieve ingesteldheid
zou toch de hele sfeer bederven. We kunnen dan maar beter een slaapmutsje nemen
in de bar en naar bed gaan.’ Ze stond kordaat op en hij volgde haar naar de bar. Ze
bestelde een wodka-orange en hij knikte naar de barman dat hij hetzelfde nam.
‘Op de toekomst’, zei hij toen hij tegen haar glas aantikte.
‘Op de grote gapende afgrond waar we allemaal voor staan’, deed ze
cynisch terug.
‘We kunnen die vol alcohol gieten, maar dat vervliegt heel snel. We
kunnen er hobby’s en ontspanning en kicks in gooien om hem op te vullen. We
kunnen er op een boeddhistische manier bij neerhurken en al mediterend het leven
zien voorbijgaan, of in beate verwachting naar de hemel blijven kijken. Of we kunnen
er een brug over bouwen, moeizaam, met mislukken en herbeginnen …’
‘En waar komen we dan terecht?’
‘Voor ons persoonlijk leven is het bouwen van die brug al zinvol. En voor
de verdere evolutie van onze soort lijkt het me de moeite waard om er op een
positieve manier aan mee te werken. Zelfs al weten we niet vanwaar we komen en
waar het heen gaat.’
‘Jij moest pastoor geworden zijn, Dirk.’ Hij grinnikte terug: ‘Ja, een
ongelovige zedenpreker!’ En dan wat ernstiger: ‘Camus verwees naar de mythe van
Sisyphus om de mens te typeren. Die werd door de goden veroordeeld om een
rotsblok naar een bergtop te duwen waar de steen dan telkens weer naar beneden
rolt. Hij zei: “il faut s’imaginer Sisyphe heureux”.’
‘Er zijn ook ogenblikken dat je die rotsblok liever laat liggen waar hij ligt en
je de kracht niet hebt om hem een millimeter te verschuiven.’
‘Inderdaad, Karin. En dan komt het erop aan die inzinking zo rustig
mogelijk te verwerken, wachtend op betere tijden. Die komen terug, als men maar de
periode van tijdelijke zinloosheid kan door komen. Jij hebt al een paar maal de grond
onder je voeten zien verdwijnen, toen het huwelijk van je ouders spaak liep en nu met
die Karel. Maar zoals je die eerste maal je leven opnieuw georganiseerd hebt, kan je
dat nu weer. Je moet je niet gaan opsluiten in een cocon zoals Munch. Je hebt veel
meer troeven in je hand. Je staat nog maar aan het begin van je volwassen leven en
je kan nog alle kanten uit.’
Karin gaf een teken aan de barman om haar glas nog eens te vullen. Dirk
trok een lachend-bedenkelijk gezicht, en zei: ‘The same.’
‘Als ik nu dat deprimerende uitzicht over de baai en de stad laat vallen,
zouden we ook moeten afzien van de Hardanger Vidda. Een troosteloos verlaten
hoogvlakte kan evengoed tot sombere gedachten inspireren.’
‘Inderdaad. Misschien rijden we overmorgen beter rechtstreeks naar
Lillehammer en de brede vallei van Gudbrandsdalen.’
Het was nu Karin die haar glas tegen zijn wodka-orange tikte en zei: ‘Wel,
op het verdere verloop van de reis dan maar.’
Misschien was het inderdaad beter ook de Hardanger Vidda te laten
vallen. Er zouden daar nu wel meer trekkers en toeristen zijn, maar het bleef nog
altijd een eenzame hoogvlakte.
Terwijl hij op zijn bed lag te wachten tot ze uit de badkamer kwam,
betreurde hij het dat ze nu twee eenpersoonsbedden hadden en geen groot bed waar
hij haar dicht tegen zich aan had kunnen trekken om haar te liefkozen en te knuffelen.
Maar toen ze terug kwam in de kamer grinnikte ze: ‘Munch had ook een
zeer negatieve kijk op de vrouw. Ze destabiliseert de man door de begeerte die ze
opwekt en de angst die ze daardoor veroorzaakt. Want hij moet risico’s nemen en
verliest de controle over de situatie. Ze bedriegt hem zelfs en brengt hem helemaal in
een zwakkere positie.’ Ze leek een beetje aangeschoten. Hij wist daar niet
onmiddellijk een antwoord op. ‘Munch had de waarheid niet in pacht’, zei hij tenslotte
en ging op zijn beurt naar de badkamer.
Toen hij terugkwam, deed ze alsof ze al bijna ingeslapen was. Hij draaide
haar hoofd naar hem toe en zei: ‘De begeerte moet niet noodzakelijk gepaard gaan
met angst, Karin.’ Hij gaf haar een lange goede nachtkus op haar mond, maar ze
opende de ogen niet en draaide zich daarna terug op haar zij.
22
De volgende morgen was Dirk het eerst wakker. Hij hoorde aan de
regelmatige ademhaling van Karin dat ze nog sliep en bleef wat liggen nadenken
vooraleer naar de badkamer te gaan. Hij had gedroomd van het Osebergschip en
archeologen die vruchteloos naar de prinses zochten die ze er dachten in te vinden.
Daarna kwamen verschillende schilders om het schip op te kalfateren. Maar het hout
‘pakte geen verf’. Er liep een monnik tussen hen in met grote grove verfplekken op
zijn pij. De hele zaak bleef dan maar zoals ze was. Was dat de schuld van die
‘Munch’?
Het zou een goede therapeutische interventie zijn, indien hij vandaag de
invloed van Munch kon neutraliseren. Daarna kon hij Karin tijdens de reis zo intens
mogelijk in de natuur onderdompelen om haar het verleden te doen vergeten. Het
was beter niet te veel meer over kunst te praten om verdere verrassingen te
vermijden. Haar ‘Osebergschip’ moest zeewaardig worden, geen graftombe.
Hij ging stilletjes naar de badkamer om Karin niet te wekken, maar toen hij
terugkwam zat ze toch op de rand van haar bed te geeuwen en zich uit te rekken. ‘Ik
heb in lang niet meer zo goed geslapen’, zei ze. ‘Was dat te danken aan het dubbele
slaapmutsje?’
‘Misschien wel.’ Hij ging naar haar toe en gaf haar een goedemorgenkus.
‘Wat doen we nu zoal vandaag?’
‘Wel, eerst het Nationaal Museum, veronderstel ik? Daarna buiten de stad
naar de Tryvannstårnet-uitkijktoren en terug naar de haven voor de Akershus-vesting.
En om de dag te beëindigen een rondvaart in de fjord.’
‘Dat kan vandaag weer allemaal met datzelfde rokje aan’, besloot ze. Ze
nam haar spullen bij elkaar en verdween in de badkamer. Het leek alsof er gisteren
geen spanningen geweest waren.
Het statige gebouw van het Nationaal Museum bezat een grote
verzameling werken van nationale en ook van buitenlandse, meer internationaal
bekende artiesten. Maar Karin ging doelbewust naar de zaal waar ze de schilderijen
van Munch kon aantreffen. Daar hing inderdaad weer de fameuze ‘Schreeuw’
waarvoor Dirk een beetje zijn hart vasthield. Maar naast enkele werken in de typische
brute stijl waren er ook zachtere doeken in lichtere kleuren geschilderd.
‘Na zijn opname en en behandeling met een soort elektroshocks, dronk hij
geen alcohol meer en ging hij niet meer met prostituees om. Toen schilderde hij dit
soort doeken en verkocht ook goed, onder andere aan dit museum. Die periode heeft
wel niet lang geduurd. Daarna is hij echt vervallen in paranoia en de laatste jaren
bewaarde hij alles wat hij maakte voor zichzelf. Die werken zijn zo in het
Munchmuseum terechtgekomen.’
Ze bleef niet al te lang voor ‘De Schreeuw’ staan en door de andere zalen
van het museum wandelden ze bijna zonder stil te staan. Ze gaf geen verdere
commentaar over Munch. Dirk vermeed natuurlijk om er zelf over te beginnen. In de
andere zalen brachten de doeken van allerlei nochtans bekende artiesten haar
blijkbaar niets nieuws bij en tot zijn grote opluchting stonden ze na paar uurtjes weer
buiten.
Het werd een hele rit naar de Tryvannstärnet omdat ze buiten de stad wat
verdwaalden, tot ze uiteindelijk de hoge toren boven de bomen zagen uitsteken. Een
gevaarte van meer dan honderd meter hoog. Er stonden heel wat voertuigen op de
parking en eenmaal boven vonden ze er een gemengd gezelschap van Aziaten,
Amerikanen en Duitsers.
Het was een prachtig uitzicht over de stad, de kleinere baaien, de haven
en de lange fjord naar de open zee toe. Met aan de andere kant de bossen, velden
en heuvels zover ze konden zien. Ze deden verschillende malen de ronde om van het
hele panorama te genieten en Karin vroeg hem daarna nog wat muntjes om door een
der verrekijkers in de richting van de haven en Frognerkilen te kijken. Waarschijnlijk
zocht ze er de plek waar Munch zijn psychotische angstervaring opgedaan had.
Intussen ging de aandacht van Dirk naar de wolkenhemel. Witgrijze
wolken dreven langzaam in de blauwe lucht. Dat herinnerde hem aan de
vakantiedagen uit zijn kindertijd. Het leek hem nu alsof het toen altijd zo’n weer en
zo’n lucht geweest was tegen het einde van augustus. Dan was de vakantie bijna
voorbij, waren ze moe gespeeld en verveelden ze zich al wat. Maar ze keken ook met
gemengde gevoelens naar het begin van het nieuwe schooljaar dat op hen wachtte.
Tijdens die dagen lieten ze soms vliegers op, want het koren was geoogst en ze
konden vrij over de stoppelvelden rennen om hun ‘draak’ te laten opstijgen, en
dansen en slingeren aan het lange touw hoog in de blauwe lucht vol witgrijze wolken.
Wanneer ze daarna elk met zijn vlieger op een kleine afstand van elkaar tegen balen
stro zaten te spelen met het touw, en papieren ‘telegrammetjes’ langs het touw naar
boven lieten schuiven, kwam er soms een onbestemd gevoel over hem, dat hij nu
melancholie zou noemen. Een licht verdriet om wat voorbij was en om de
onzekerheid van wat komen zou.
Karin haalde hem terug uit zijn herinneringen omdat haar muntjes op
waren. ‘Van hierboven heeft het panorama van de stad en de baai natuurlijk niets
dramatisch’, zei ze.
‘Nee, en de wolken lijken helemaal op de wolken van bij ons’, voegde Dirk
eraan toe.
‘We hebben blijkbaar geluk met het weer.’
‘Maar dat kan hier vlug veranderen, hoor!’
Aan de haven zochten ze eerst een restaurantje voor een vlugge snack
voor ze naar het helemaal omgebouwde oude slot gingen. Op weg naar die vesting
zagen ze een aankondiging met de uurtabel van de rondvaarten en ze wijzigden vlug
hun plan om zonder lang te moeten wachten eerst met een van de cruiseschepen
mee te gaan.
‘Nog steeds geen rode en blauwe lucht, maar wolken zoals bij ons’,
waagde Dirk toen ze samen op het bovenste dek stonden.
‘Daarvoor is het nog te vroeg. Bij valavond kan het er heel anders uitzien.’
‘Zonsondergangen met allerlei felle kleuren zullen we hier nog genoeg te
zien krijgen, Karin.’ De rondvaart duurde voor Dirk wat te lang en hij ging in een der
opgestelde strandzetels liggen, terwijl Karin wat rondwandelde in het schip.
Terug aan land wachtte hen bij het Akershus een kleine ontgoocheling.
Het bleek maar open gedurende enkele uren rond de middag, zodat ze er alleen
maar omheen konden wandelen. ‘We kunnen misschien een dag langer in Oslo
blijven?’ stelde Karin voor. Maar Dirk was hier nu liever zo vlug mogelijk weg. ‘Oude
kastelen en vestingen zijn eigenlijk een interesse uit mijn jeugdjaren. Nu moet ik ze
niet meer allemaal per se gezien hebben.’
‘En wat doen we dan vanavond?’
‘That’s the question, Karin!’ Dirk voelde dat hij niet kon ontsnappen aan
een avondwandeling naar die fatale plek. ‘Als je me kan verzekeren dat je je zult te
weer stellen tegen de deprimerende sfeer van die omgeving en tegen de osmose die
uitgaat van dat schilderij, zouden we misschien toch …’
‘Ik kan je wel verzekeren dat ik je daarna extra zal verwennen’, ontweek ze
een rechtstreeks antwoord.
‘Daarvoor ga ik zeker door de knieën, Karin.’
Ze reden terug naar het hotelletje voor het avondmaal en een poosje
‘platte rust’ om fit te zijn voor een flinke avondwandeling. Toen het begon te
deemsteren, reden ze naar de lange rechte weg met de balustrade, waar Munch zijn
kosmische angst beleefd had of toch in situeerde. Dirk parkeerde de wagen en ze
wandelden de hele weg heen en terug. Het water van de baai was donker en de lucht
daarboven zwart gestreept, maar aan de overkant van de baai contrasteerden de
vele lichten van de stad vrolijk tegen dat donkere landschap. Het leek wel een
tweeluik met totaal tegengestelde panelen. Om Karin niet te storen bij haar ‘inleven’
in de sfeer van Munch respecteerde Dirk haar stilzwijgen. Aan het einde van de
wandeling merkte hij alleen maar op dat het uitzicht in het begin van de vorige eeuw
ongetwijfeld heel anders was geweest.
‘Inderdaad. Gelukkig hebben we nu de doeken van Munch, om in zekere
mate te kunnen aanvoelen hoe het toen bij hem overkwam.’ Op de terugweg zegde
Karin nog steeds niet veel. Maar het zag er naar uit dat ze de proef goed doorstaan
had. Terug op de kamer ging zij eerst in de badkamer en kwam er na een poosje
helemaal naakt uit terug. ‘Hier is de “Naakte Maja”’, zei ze een beetje ironisch terwijl
ze op haar bed ging liggen.
‘“La Macha Desnuda” betekent eigenlijk “De Naakte Schone”’, verbeterde
Dirk haar verkeerde uitspraak van de Spaanse jota en hij verdween op zijn beurt vlug
in de badkamer. Hij kwam daarna eveneens naakt bij haar bed neerknielen. ‘Ik zou je
niet zo mooi kunnen portretteren als Goya’, zei hij, ‘maar ik kan proberen hem te
evenaren in het amoureuze.’
‘Maar voorlopig geen penetratie!’
‘Is daar een reden voor, Karin?’
‘Daarvoor moeten we wachten tot de bijzondere nachten van de niet
ondergaande zon!’ zei ze een beetje theatraal-ironisch.
‘En wat is daar de reden voor?’
‘Trollen en toverkollen zouden de hele expeditie kunnen doen mislukken
als we voortijdig de poorten van het walhalla willen forceren!’
Dirk liet zich niet uit zijn lood slaan door haar ironisch toontje. ‘In het hoge
Noorden zullen de Walkuren ons dan vanzelf in het rijk van Freya binnenleiden’,
trachtte hij op dezelfde toon te antwoorden.
23
De volgende morgen kwamen ze laat aan de ontbijttafel. Ze waren allebei
heel fit en opgewekt, want ze hadden zeer goed geslapen na hun stoeipartij. Daar die
niet mocht eindigen op een coïtus had ze wel heel lang geduurd.
Na het ontbijt bekeken ze de Vägkarta van Södra Skandinavien en Dirk
toonde haar hoe ze vrij vlug aan het mooie langgerekte Mjøsameer zouden komen.
Na een nachtje in Lillehammer zouden ze dan langs de rivier in het brede
Gudbrandsdalen verder trekken naar de ijskap en de gletsjers van Jotunheimen.
Het werd een erg prettige rit. Munch leek helemaal vergeten en Karin was
bijzonder lief. Ze genoten allebei van de landschappen waar ze door reden. Toen ze
in de namiddag langs een mooi gelegen camping aan de oever van het Mjøsameer
voorbijreden, stelde Karin spontaan voor daar te kamperen in plaats van door te
rijden en een hotelletje te zoeken in Lillehammer. Daar ze nu een paar dagen voor
waren op hun programma konden ze zich best wat oponthoud permitteren.
Dirk was natuurlijk onmiddellijk akkoord. Ze zochten een plaatsje niet te
ver van de oever en niet te dicht bij andere tenten. Karin hielp een beetje bij het
opzetten van de tent en toen de luchtmatras opgeblazen was, schikte ze de bagage
die ze nodig zouden hebben eromheen. Ze was zo uitgelaten als een tiener die voor
het eerst kampeert.
Ze wou daarna onmiddellijk gaan zwemmen en ging het eerst in de tent
om haar badpak aan te trekken. Maar het water was lekker fris, zodat ze er niet al te
lang in bleven. Dan maar naast de tent, beschut tegen het frisse windje, in zonnebad
gaan liggen. Zoals ze dat van een paar andere meisjes al gezien had, rolde Karin
zowaar het bovenste deel van haar badpak naar beneden tot onder haar heupen.
‘Om overal gelijkmatig te bruinen’, zei ze. ‘Overal?’ plaagde Dirk. ‘Ergens in een bos
bruinen we dan de rest’, antwoordde ze zelfverzekerd. Ze liet Dirk zonnebrandolie
halen uit de tent en als beloning mocht hij haar rug insmeren. De ‘voorkant’ kon ze
best zelf. Het was prettig vast te stellen dat ze ongeremd omging met haar lichaam in
zijn aanwezigheid. Misschien was het voorbeeld van de stoeiende jongeren om hen
heen daar niet helemaal vreemd aan.
In het restaurantje van de camping aten ze ’s avonds lekkere zalm, maar
de aardappelen waren niet echt gaar. Dat was Dirk tijdens zijn vorige reis ook
opgevallen. Ze zouden voortaan wat meer groenten nemen in plaats van
aardappelen.
In het winkeltje kochten ze brood, boter, confituur, melk, kaas en eieren
voor het ontbijt van de volgende dagen. Met daarbij een doosje sardienen of makreel
in olijfolie, waarvan Dirk een hele voorraad mee had, zouden ze telkens kunnen
brunchen, om het met een kleine snack overdag dan uit te houden tot het avondmaal
op de plaats van aankomst. Dat was een goed schema om het beste deel van de dag
te benutten voor de reis.
Karin vroeg hem ‘hoeveel schulden ze al had’ en Dirk moest bekennen dat
hij nog niets opgetekend had. Dat was ook de minste van zijn zorgen. Ze insisteerde
om het nu samen te doen. Dirk haalde er zijn notaboekje bij en na wat prettig
kibbelen, omdat hij uitgaven ‘vergat’ of helemaal voor zijn rekening wilde nemen,
kwamen ze tot een voorlopig bilan. Voortaan zouden ze dat minstens om de andere
dag moeten doen, zei Karin. Dirk stemde zonder veel overtuiging in. Indien zij het
vergat, zou hij er zeker niet aan denken.
In de late schemering maakten ze nog een lange wandeling langs de
oever van het meer, waarbij Karin opnieuw niet erg spraakzaam was. Het duurde een
poosje vooraleer Dirk dat merkte, want er zoemden al een paar muggen om hen
heen en hij kraakte een takje van een struik om ze weg te houden. Toen hij haar ten
slotte vroeg waar ze zat met haar gedachten, antwoordde ze alleen maar:
‘Jeugdherinneringen.’ Hij drong niet aan, maar kreeg zin om haar te knuffelen. Hij
legde een arm om haar heen en trok haar tegen zich aan. Zo wandelden ze terug
naar de tent.
Daar moesten ze omzichtig binnen en buiten kruipen om geen muggen
binnen te laten. Ze gingen nog samen naar de sanitaire installaties ‘om hun tanden te
poetsen’. Daarna moest Dirk een beetje buiten de tent wachten ‘tot ze klaar was’.
Toen hij binnen mocht zat ze met haar slaapkleedje aan tot aan haar middel in de
slaapzak. Dirk trok vlug zijn broek en T-shirt uit en kroop op zijn beurt half in zijn
slaapzak. Bij de goedenachtkus liet ze zich nog wat knuffelen en strelen.
24
Bij het ontbijt vond Karin het eerst niet nodig het kampeervuurtje op te
zetten. Koude melk drinken was voor haar geen probleem. Maar toen Dirk probeerde
haar een rauw ei te laten zuipen rechtstreeks uit de schaal, spuwde ze de eerste
sliert eiwit die ze in haar mond kreeg onmiddellijk weer uit. Het baatte niet dat Dirk
met zijn mes probeerde een meer homogeen mengsel te maken van de dooier en het
eiwit: ze zou toch liever roereieren of een omelet bakken in een pannetje. Ze zette
zelf het vuurtje op en bakte eieren voor hen beiden. Haar brood dopen in de olijfolie
van het doosje sardienen dat Dirk opengemaakt had, kon ook, maar ze prefereerde
de boterhammen met kaas en confituur. Ze aten allebei genoeg om met een
verzadigd gevoel de dag te beginnen.
Terwijl Karin de kleine afwas deed en wat begon in te pakken, ging Dirk
betalen. De tent braken ze samen op. Omdat het zeil nog wat vochtig was van de
dauw en de onderkant van het grondzeil helemaal nat, spreidden ze de tent in de
auto zoveel mogelijk open over al de andere bagage en de neergeklapte
achterzetels.
Ze waren niet gehaast omdat ze toch ergens in of rond Lillehammer een
hotelletje zouden zoeken en dat was amper een vijftigtal kilometer verder. Maar toen
Karin op de kaart zag dat ze daar voorbij, in het lange Gudbrandsdalen nog een heel
stuk langs de Lågenrivier zouden rijden, vond ze het beter door te rijden voorbij
Lillehammer en in de namiddag weer een camping op te zoeken. De tent was nu toch
helemaal opengeplooid, en een paar dagen later zouden ze onvermijdelijk op hotel
moeten gaan, vermits ze daar midden de bergen en de gletsjers van Jotunheimen
zouden zitten. Dirk was het daar onmiddellijk mee eens, als het weer maar goed
bleef.
Tijdens zijn vorige reis had hij alleen de zuidelijke kant van Jotunheimen,
‘het Tehuis van de Reuzen’, aangedaan. Nu was het de bedoeling langs een valleitje
aan de noordkant binnen te dringen tot aan Spiterstulen. Dat was een hotel op zowat
duizend meter hoogte, ingericht in de ‘saeter’ waar vroeger de knechten van een
grote boer het vee op de zomerweiden hoedden. Het was een verzameling
gerenoveerde en nieuwe gebouwen, wist hij uit zijn documentatie, vanwaar men
mooie tochten kon maken naar bergtoppen en gletsjers. Als ze er drie dagen bleven,
kregen ze een korting. Dat was zeker een must.
Op een van de mooie plaatsjes van Lillehammer deden ze een terrasje
aan voor een koffie en wat gebak en reden dan de vallei van de Lägen in. Dirk legde
af en toe zijn hand op een knie van Karin wanneer het verkeer niet te druk was en dat
vond ze blijkbaar niet onaangenaam. Ze stopten een paar maal op rustige plekjes
langs de rivier, en begonnen pas naar een camping uit te kijken wanneer ze bijna de
hoofdweg moesten verlaten. Er waren meer dan genoeg campings in deze streek.
Ze waren niet te vroeg om de tent op te zetten, want de onschuldig
uitziende wolken werden opeens vlug donker en ze kregen een flinke regenbui die
heel lang aanhield. Ze hadden nog niet alle bagage kunnen lossen en Karin moest
zich een poosje heel klein maken omdat Dirk de luchtmatras binnen in de tent moest
opblazen. Daarna lagen ze gezellig bovenop hun slaapzakken op de luchtmatras te
luisteren naar het roffelende geluid van de regen op de tent. Het gaf Karin een erg
prettig gevoel van geborgenheid. Ze tastte naar zijn hand en zei: ‘Dat was inderdaad
een goed idee om samen naar de Noordkaap te reizen. Je zou dat met al je patiënten
moeten doen!’ Dirk moest er hartelijk om lachen. Terwijl zij eerst gemaakt ernstig
keek, lachte Karin daarna ook heel luid, alsof ze tegen het geluid van de regen wilde
ingaan.
‘Dat zou een heel dure therapie worden, waarbij ik per zomer maar een
drietal patiënten zou kunnen behandelen!’
‘Alleen dochters van heel rijke families …’
‘Die geen
communiceren?’
bezwaar
hebben
tegen
zeer
intieme
manieren
van
‘Je moet er wat voor over hebben om van je neurose af te geraken!’ Ze
proestte het weer uit. Het leek wel alsof ze wilde laten horen dat ze door had dat
deze reis alleen maar een voorwendsel was. Hij wist niet goed wat hierop te
antwoorden, en boog zich over haar om eerst zachtjes in haar neus te bijten en haar
dan lang te kussen om haar te beletten nog te spreken. Tot zij ten slotte het hoofd
afwendde en zei: ‘Het vrijen is pas voor vanavond, Dirk! Als we daar nu al aan
beginnen, geraken we nooit aan de Noordkaap!’
Hij bleef op zijn elleboog gesteund naar haar kijken. ‘Zo’n reis naar de
Noordkaap is eigenlijk zinvoller dan een wereldreis, die wel een jaar zou kunnen
duren, met alle mogelijke ups en downs’, zei ze nu weer wat ernstiger. ‘Daarna
zouden we elkaar misschien beu zijn wanneer we terug thuis komen.’
‘En bij een wereldreis val je van de ene vervreemding in de andere. Of je
zou overal lang moeten blijven om een meer dan oppervlakkig contact te hebben met
al die verschillende culturen.’
‘Terwijl wij nu het contact met die afstandelijke Noren niet echt nodig
hebben.’
Na de regenbui was het te nat om nog te gaan wandelen. Nadat ze de rest
van hun bagage in de tent gebracht hadden, gingen ze wat rondneuzen bij de
receptie, waar allerlei informatie voorhanden was. Blijkbaar hadden de uitbaters van
de camping begrepen dat ze voor vele gasten een tussenstop waren op weg naar
Jotunheimen en ze kregen te horen dat ze voor Spiterstulen best belden om te horen
of er nog plaatsen vrij waren. Dat deden ze en ze hadden geluk. Ze konden nog een
kamer reserveren, maar met lavatory en stortbad in een gemeenschappelijke gang.
In het restaurant van de camping aten ze een lekkere forel met heel veel
groenten en weinig aardappelen. Karin ging het eerst naar de tent en toen Dirk bij
haar kwam, lag ze in haar doorzichtig ponnetje, zonder slipje bovenop haar slaapzak.
Was het haar ponnetje dat hem deed terugdenken aan het schilderij van Magritte met
het vrouwenlichaam gevangen in een net?
25
De volgende morgen braken ze na het stortbad en het ontbijt weer op
volgens hetzelfde ritueel. Dirk moest nu met nog meer omzichtigheid eerst de
binnentent over de bagage uitspreiden met de natte onderkant van het grondzeil naar
boven en daarna het zeer natte buitenzeil daarbovenop.
Ze reden nog een kort stukje langs de Lågenrivier en sloegen dan een
kleinere baan in die erg kronkelde en af en toe naast een kleiner riviertje liep. De
vochtigheid in de auto deed voortdurend damp neerslaan op de ruiten, ook nadat Dirk
de verwarming had aangezet en een paar vensters half geopend had. Karin was
goed in de weer met een vod om de vensters waar ze aan kon regelmatig droog te
wrijven, zodat ze af en toe toch wat van het landschap zagen.
De lucht die langs de half open vensters binnenkwam, werd koeler. ‘Indien
we nog ergens willen picknicken langs de weg, zouden we daar beter niet te lang
mee wachten’, zei Karin. Dirk reed nog tot hij een mooi plaatsje vond waar ze dicht bij
het riviertje konden parkeren. Terwijl Karin een en ander op een rotsblok etaleerde,
trok hij schoenen en kousen uit en wandelde wat in het ondiepe water. Het was erg
fris. Karin kwam ook voelen en zei: ”Als ze geen warmere plassen hebben, zal je me
hier niet veel zien zwemmen.’
‘Maar in Spiterstulen hebben ze een zwembad en sauna’s’, wist Dirk. ‘Dit
water hier komt wellicht rechtstreeks van een of andere gletsjer.’
Het regende weer toen ze aan de tolweg kwamen die hen een twintigtal
kilometer ver doorheen de vallei van de Visa naar Spiterstulen zou leiden. Het
regende een hele tijd zelfs zo fel dat ze niet veel van het landschap konden zien en
Dirk al zijn aandacht aan de smalle kronkelende weg moest besteden.
De ontvangst in het hotelcomplex was erg professioneel. Ze kregen folders
met inlichtingen over de vele mogelijkheden die het hotel te bieden had en vooral
over de tochten die konden gemaakt worden in de omgeving, individueel of in groep
met erkende gidsen. Ze werden naar hun kamer begeleid door een meisje dat erbij
geroepen was om hun bagage te helpen dragen. Ze laadden zoveel mogelijk uit om
de tent die nog niet helemaal droog was, wat te herschikken over de hele
binnenruimte van de wagen. Daarna gingen ze samen naar de sauna. Karin genoot
daar heel erg van, zelfs van de koude douche tussenin, waarvan ze de temperatuur
toch niet al te koud instelde. Achteraf zei ze: ‘Het leven wordt heel eenvoudig als je
zo op reis bent: eten, slapen, rondkijken naar de natuur en de wereld om je heen.’
En vrijen, dacht Dirk, maar hij zei: ‘Een ideale gelegenheid om de vroegere
manier van leven eens te herbekijken!’
De zelfbedieningstafel voor het avondmaal was zeer ruim voorzien van
allerlei soorten vis en vlees, groenten en fruit. Daar zouden ze elke avond de
voornaamste maaltijd van de dag mee kunnen samenstellen. Dirk had wat wodka
mee in zijn zakflesje, omdat hij voorzien had dat er wel gerookte vis zou zijn. Karin
dronk er ook een paar slokjes van. De hotelgasten vormden een meer gemengd
gezelschap dan de luidruchtige jongeren die op de campings de toon aangaven. Na
het avondmaal schreven ze in voor de begeleide toer, de volgende dag, naar de
Svellnåsbreen. Daar zouden ijssporen en koorden bij te pas komen, maar Karin liet
zich daardoor niet afschrikken. Misschien hielp de wodka haar wel een beetje.
In de kleine koelkast van hun kamer vond ze een paar flesjes
sinaasappelsap en ze vroeg Dirk om nog een wodka-orange. ‘Als slaapmutsje’, zei
ze. Dirk goot in beide glazen een stevige scheut wodka. Ze zaten nog wat gezellig te
babbelen vooraleer Karin naar het badkamertje in de gang ging. Dat vond ze toch
nog beter dan de drukke sanitairblokken van de campings. Ze had zowaar een echte
badmantel in haar bagage steken en toen ze terugkwam van het badkamertje en die
uittrok merkte Dirk dat ze weer helemaal naakt was. Hij aarzelde niet en nam haar in
zijn armen om haar te kussen. ‘Moet je niet eerst naar de badkamer?’ vroeg ze.
‘Daarna kan dat ook nog’, zei hij. ‘Er mag toch nog altijd niet…?’
‘Natuurlijk niet!
26
De volgende morgen vulde Dirk na het ontbijt een rugzakje met drank en
proviand en stak er ook zijn camera bij. Karin trok haar jeanspakje en stevige
wandelschoenen aan en twijfelde dan tussen een gebreide muts, een rond hoedje of
een petje. Dat petje stond haar bijzonder grappig en zou erg nuttig zijn wanneer ze in
de sneeuw tegen de zon in zouden klimmen. Hij had zelf ook een petje op met een
lange klep. Een zonnebril alleen was niet voldoende, wist hij. Karin moest haar
gezicht en vooral haar neus nog insmeren met zonnebrandolie en ze kwamen maar
nipt op het voorziene uur bij het vertrekpunt van de wandeling aan.
De hemel was mooi blauw en er schoven af en toe grote witgrijze wolken
voor de zon. Er waren een dozijn geïnteresseerden. De gids maakte met iedereen
persoonlijk kennis terwijl hij de ijssporen uitdeelde. Hij heette Olaf. Een flinke jonge
kerel met een rond baardje. Met de koorden over zijn schouder en zijn stevige
laarzen zag hij er echt stoer uit. De helft van de groep bestond uit Noren of Zweden.
Er waren ook nog twee Duitse echtparen. Karin was de jongste en blijkbaar ook de
minst ervarene van het gezelschap, zodat ze de meeste aandacht kreeg van de gids.
Iedereen stemde ermee in dat hij zijn uitleg en instructies in het Engels zou geven.
Ze trokken eerst wat stroomafwaarts naar een bruggetje om op de andere
oever van het Visariviertje terug stroomopwaarts voorbij het gebouwencomplex van
Spiterstulen te komen. Met dat als achtergrond nam Dirk vlug een foto van Karin en
de gids die samen aan het praten waren.
Karin deed het prima. Ook over het puinveld van de morene van de reeds
een heel stuk teruggeweken gletsjer stapte ze dapper mee. Waar het water van
onder de blauwachtige ijskorst uitstroomde, bleef de groep wat staan kijken en foto’s
nemen. De gids demonstreerde dan op de schoenen van Karin hoe de ijssporen
moesten vastgemaakt worden. Iedereen kreeg zijn plaats toegewezen aan de koord,
met Karin onmiddellijk achter Olaf en Dirk ‘toevallig’ helemaal achteraan. Maar het
ergerde hem niet. Olaf leek een fidele kerel en hij gunde hem wel een pretje. Daarbij
was Karin dan zeker in goede handen wanneer ze over kloven moesten springen,
over smalle richels lopen en af en toe opklauteren tegen schuine ijswanden.
Het landschap loonde echt de moeite met de grillige ijsmassa waarover ze
moeizaam vorderden en de donkere of besneeuwde bergtoppen om hen heen. Karin
ging er helemaal in op en scheen Dirk wel te vergeten. Hij kon verschillende goede
foto’s maken terwijl ze aandachtig en ingespannen bezig was of met het touw langs
een erg schuine helling omhoog getrokken werd.
Op een heuveltje vanwaar ze de top van de gletsjer konden zien, hielden
ze halt. De gids citeerde de namen van de bergen om hen heen, met toppen van
boven de tweeduizend meter. Ze zochten allemaal een plaatsje om wat te zitten en
het proviand aan te spreken. Dirk kwam bij Olaf en Karin en mengde zich in hun
gesprek. Olaf prees haar om haar prestatie. Blijkbaar had hij onderweg van haar
vernomen dat ze allesbehalve een natuurfreak was. Ze was wel een beetje moe,
maar erg opgetogen over wat ze meemaakte.
De terugtocht bleek niet zo gemakkelijk als ze zich voorgesteld had. Olaf
moest haar zelfs een paar maal ondersteunen op een schuine helling. En in de
morene gaven Olaf en Dirk haar een hand nadat ze een voet omgeslagen had en
bijna gevallen was.
Na een verfrissend stortbad en de sauna gingen ze voor het avondmaal
nog wat op hun bed liggen. Karin sliep zelfs een poosje. Na het avondeten gingen ze
kijken naar de diavoorstelling over het dagelijkse leven in de bergen, vroeger en nu.
Terwijl ze terug naar hun kamer wandelden zei Karin: ‘Zoals die mensen hier vroeger
leefden, moet hun relatie enorm belangrijk geweest zijn. Geen wonder dat een groot
deel van hun feesten en folklore erop gericht was een goede partner te vinden.’
‘Er straalde wel heel wat levensvreugde uit wat we gezien hebben.’
‘Ja-a,” gaf ze aarzelend toe. ‘Maar ook wat melancholie. Melancholische
levensvreugde. Als ik in die omstandigheden een kerel als Olaf zou tegenkomen, zou
ik er niet tegen opzien om dat harde leven met hem te delen. Ik zou zelfs met hem
kunnen trouwen en de hele rompslomp die eruit voortvloeit erbij nemen. Kun je je
voorstellen al die avonden met zijn tweetjes samen in een hut? Maar toch ben ik blij
dat wij zoveel meer ontsnappingsmogelijkheden hebben en dat wij aan die primitieve
omstandigheden voorbij zijn.’
‘Waardoor we misschien ook de intensiteit van dat vroegere bestaan
missen, Karin. Je moet door moeilijkheden en tegenslagen gehard worden om hoge
toppen te kunnen bereiken, zegt Nietzsche. Wij leven nu veel te oppervlakkig van het
ene amusement naar het andere, met faciliteiten en pasklare oplossingen voor alles.
Brood en spelen.’
Dirk begreep wel wat Karin bedoelde toen ze zich op haar bed liet
neervallen en zei: ‘Voor vanavond geen fysieke inspanningen meer!’ Hij antwoordde
plagend: ‘Denk je dat een Olaf er vrede zou mee nemen als je dat telkens zou
zeggen na een lange dag van hard labeur?’
‘De zondag was toen een rustdag en dan zouden we de ganse dag in bed
blijven!’
Voor ’s anderendaags voorzag Dirk een licht programma en de derde dag
zouden ze een normale wandeling maken langs een lange schuine helling naar de
top van de hoogste berg van Noorwegen: de Galdhøpiggen. Die was een kleine
tweeduizend vijfhonderd meter hoog. Maar aangezien ze hier al op elfhonderd meter
zaten, was dat waarschijnlijk goed te doen.
De volgende morgen was Karin ‘zo stijf als een ijskegel’. Dirk mocht haar
rug en benen masseren. De ‘voorkant’ werd gereserveerd voor ’s avonds. Ze
maakten er een luie dag van met een beetje zwemmen en in zonnebad liggen aan
het zwembad, met een saunabeurt en het bijwerken van de boekhouding. Ze
schreven ook enkele ansichtkaarten. Karin naar haar vader om hem te melden dat de
‘therapeutische reis’ erg meeviel en naar haar moeder om haar gerust te stellen. Dirk
stuurde er een naar zijn ouders. Tegen de avond maakten ze een korte wandeling in
het dal van de Visa waarvan ze bij het oprijden naar Spiterstulen niet veel gezien
hadden door het slechte weer. En na het avondeten werd het niet veel meer dan een
ietwat intensievere massage.
De derde dag duurde de wandeling naar de Galdhøpiggen iets langer dan
de voorziene vier uur. Het pad was ook niet zo ‘easy’ als de folder vermeldde. Af en
toe kwamen er wolken soms juist naast hen de afgrond helemaal opvullen. Wanneer
die opkwamen, maakten ze een heimelijke, bijna dreigende indruk, als een massa die
je kon verstikken. Maar als ze juist onder hen bleven, leek het alsof je er op kon
springen, als op een grote luchtmatras. Het gaf Karin een eigenaardig gevoel zo dicht
bij de wolken te wandelen en die dan weer te zien opentrekken zodat in de diepte
opnieuw de vallei en een ijsvlakte te zien waren. Af en toe kwam ze dicht bij Dirk
staan en klemde zijn arm stevig tegen haar lichaam. Ze rustten tussendoor ook wat
en stopten om te picknicken. Dan liepen soms andere wandelaars op het pad naast
hen voorbij. Onderweg en vooral op de top van de berg waar aan de andere kant een
steile afgrond gaapte, waren er bijzonder mooie ijslandschappen te zien. Ze bleven er
een hele tijd zitten vooraleer de terugtocht aan te vatten. Dirk maakte er heel wat
foto’s, waarbij Karin een paar maal braaf poseerde.
Eenmaal terug beneden was ze behoorlijk moe, maar toch erg tevreden
over de lange tocht en haar eigen fysieke prestatie. Sinds haar kinderjaren had ze het
contact met de natuur wat verloren. Nu ontdekte ze een wereld waarin de evidenties
en het comfort van onze consumptiemaatschappij erg pietluttig leken in vergelijking
met deze oneindigheid en de krachten die erin werkzaam waren. Ze werd er een
beetje stil van, bekende ze.
Het werd weer een rustige avond met alleen maar een lange
goedenachtkus.
27
De volgende dag moesten ze terugrijden naar de vallei van de Lägen om
daar de richting van Trondheim en het noorden in te slaan. Het viel hen op dat daar
nu heel wat meer auto’s, bussen en vrachtwagens op de baan waren. Daarvoor
hadden ze de geleidelijk toenemende drukte niet zo aangevoeld, maar na het rustige
kronkelwegje van Spiterstulen kwam het drukke verkeer wat onaangenaam over.
Daarbij bleef de hemel de hele tijd betrokken, zodat ze alleen de lagere gedeelten
van het landschap zagen.
Ze konden zich veroorloven zonder overhaasten tot in de late avond door
te rijden omdat ze in Trondheim weer een hotelletje zouden opzoeken.
Het werd een tweesterrenhotel waarop Karin haar keuze liet vallen. Na het
kamperen en het betrekkelijke comfort van Spiterstulen, mocht dat wel eens. Ze
zouden er twee nachten blijven.
Er was geen zelfbedieningstafel. Ze kregen een echt souper opgediend
aan een tafel met kaarslicht. Dirk bestelde bij de gebakken zalm een fles wijn ‘op zijn
kosten’, om Karin in een goede stemming te brengen. Maar ze werd er eerder
slaperig van. En terug op de kamer was ze al half in slaap toen hij uit het badkamertje
kwam. Blijkbaar had ze de inspanningen van de voorbije dagen nog niet helemaal
verwerkt. Ze was ook in de wagen wat stil geweest en had meestal naar muziek
liggen luisteren. Dirk moest genoegen nemen met een mooie goedenachtkus.
De volgende morgen maakten ze een rondvaart in de uitgestrekte
Trondheimfjord en Karin merkte daarbij op in wat voor prachtige omgeving de Noren
leven. ‘Wat jammer dat we in ons land maar zo weinig natuur meer over hebben. En
die is dan nog zo weinig spectaculair.’
‘Die verschillen in de natuurlijke omgeving moeten het karakter van de
bewoners wel op een of andere manier beïnvloeden, zou je denken. Ze leven hier
ook heel anders dan de meeste mensen bij ons.’
‘Wij zouden de natuur bij ons wat moeten kunnen herstellen om er ook
wat meer van te genieten. Al is er weinig plaats voor overgebleven.’
Tijdens de wandeling die ze daarna maakten in het stadje, kwamen de
geschiedenis en de cultuur terug binnen in hun natuurwereld. Dirk wist van zijn vorige
reis en door de foto’s in de lounge van het hotel en de gedenktekens in de stad, dat
hier bij het begin van de laatste wereldoorlog Franse en Britse troepen geland waren.
Die moesten de opmars van de binnenvallende Duitsers zien te stoppen. Maar na
enkele gevechten werden ze vlug teruggetrokken toen de aanval tegen Nederland,
België en Frankrijk begon. Het leek Karin allemaal zo irreëel als een James
Bondverhaal, zei ze toen ze wat rustten op een bank bij een gedenksteen. ‘Indien die
foto’s en de monumenten er niet waren, zou ik denken dat het allemaal verzinsels
zijn. Dat past hier niet in deze omgeving.’
‘Ian Fleming zou hier wel een goed decor gevonden hebben voor een van
zijn verhalen.’
‘Waarom schrijft men in godsnaam zulke belachelijke verhalen? Alleen
maar omdat men wil schrijven, volgens het onderscheid dat Throllope maakte, of
omdat men echt iets te vertellen heeft? Zou daar een persoonlijke inhoud uit je
kelderverdieping achter steken?’
‘Een analyse van de eerste James Bondstories zou ongetwijfeld een
zekere neurotische ingesteldheid kunnen aantonen bij Fleming. Binnen het milieu
waarin hij gedurende de oorlogsjaren werkte heeft hij een decor gevonden waarin hij
zijn fantasie kon laten gaan. En wanneer het succes er eenmaal was, heeft hij
waarschijnlijk verder gefantaseerd op het uitgetekende stramien om er zoveel
mogelijk mee te verdienen en zolang mogelijk succes te hebben. Hij heeft zichzelf op
die manier wel een interessant en comfortabel leventje bezorgd. Zo’n auteur blijft
natuurlijk zoveel mogelijk produceren, vooral wanneer er achteraf scenario’s en films
kunnen uit voortkomen. Maar sommige van zijn laatste ‘werken’ zijn wat slordig aan
elkaar geflanst. Hij dronk nogal wat whisky bij het schrijven, geloof ik.’
‘Het succes werd ook nog kunstmatig opgefokt door Bond in de films
telkens te omringen met sexy topactrices en door zijn avonturen met dure
barnumreclame over de hele wereld uit te brengen.’
‘De films zijn helemaal maakwerk van een kliekje scenarioschrijvers dat er
zoveel mogelijk sensatie, stunts, speciale effecten en voor het Amerikaanse publiek
aanvaardbare seks in stopte. Van de boeken van Fleming blijft dikwijls niet veel meer
dan de titel over. Maar zo is James Bond wel een moderne mythische figuur
geworden die onze westerse kapitalistische wereld redt wanneer die wereldorde
bedreigd of verstoord wordt door telkens weer nieuwe vijanden, aangebracht door de
actualiteit. Door het feit dat hij voor een oppermachtige geheime organisatie werkt
met een “license to kill” en omdat hij beschikt hij over “magische gadgets” krijgt hij
een statuut boven en buiten dat van gewone stervelingen, als een echte mythische
held.’
‘Hij is ook het prototype van de macho: vrouwen vallen hem zomaar in de
armen of hij verovert ze op de vijand. Hij kan erover beschikken als waren ze zijn
persoonlijke oorlogsbuit.’
‘Psychologisch gezien is hij in feite een slappeling: niet voldoende
relatiebekwaam om op voet van gelijkheid om te gaan met een vrouwelijke partner.
Hij moet spectaculaire “heldendaden” plegen en gevaarlijke risico’s lopen om
vrouwen op een of andere manier te “verdienen” als een soort beloning “in natura”, of
om ze aan te trekken als kippetjes die hem in de mond of in zijn bed vliegen. De
filmheld is in de grond een idool voor zwakkelingen die zich in een wereld van
wensdromen uitzonderlijke macht, avontuur en mooie vrouwen bijeen kunnen
fantaseren. En dat spreekt blijkbaar heel veel mannen aan in onze huidige cultuur.’
‘Zijn die verhalen en die films dan kunst of niet?’
‘Het creëren van de James Bondfiguur is ongetwijfeld een artistieke
prestatie. De boeken zijn niet beter dan de vele gelijkaardige spionageverhalen, en
veel minder goed dan bij voorbeeld de werken van John Le Carré. Maar het
personage is vooral door de uitgebrachte films zo uitgebouwd dat hij het oude
archetype benadert van de mythische held en van de legendenprins drakendoder die
maagden en prinsessen beschermde of bevrijdde. Die oorspronkelijke personages
werden “in de loop der tijden” omgezet in de romantische ridderfiguur en nog later in
de privédetective die misdadigers en onrecht overwon. Nu is de held een succesrijke
spion en terroristenbestrijder geworden die op wereldschaal opereert. De oude
mythen maximaliseerden ook al zoveel mogelijk hun helden en daarna waren de
sagen en legenden eveneens zo spectaculair mogelijk.’
‘Men blijft nog steeds nieuwe verhalen verzinnen, ook na de dood van Ian
Fleming.’
‘Er valt geld mee te rapen, Karin! Het zou me ook niet verwonderen indien
de CIA een vinger in de pap had om wereldwijd - en vooral bij naïeve kijkers - een
gunstig klimaat te scheppen voor haar soms misdadige praktijken. In de originele
verhalen was eerder een gecomplexeerde Engelsman aan het woord, een individuele
Engelse held die op zijn eentje en later soms met wat ondergeschikte hulp van de
CIA alle problemen oplost waarmee de westerse wereld geconfronteerd wordt. Terwijl
Engeland zelf al lang niet meer de eerste viool speelt in de strijd om de
wereldhegemonie. Voor de minder naïeve kijkers wordt in de betere films van de
reeks wel een sausje van ironie toegevoegd om het geheel verteerbaar te maken.’
‘Denk je echt dat de CIA zich daarmee inlaat, Dirk? Die hebben toch
andere katten te geselen!’
‘Ik denk dat ze zich met heel veel zaken moeien. Die films stellen het
Westen en vooral de VS voor als de boven alle verdenking verheven verdedigers van
recht en rechtvaardigheid en van een superieure cultuur. Terwijl de werkelijkheid op
zijn minst heel erg te nuanceren valt. Sommige reportages op de betere tv-zenders
tonen dikwijls een heel andere waarheid. En John Le Carré schetst ook een heel
ander beeld van de geheime wereld die achter de officiële façade schuilgaat. Maar
zijn verhalen, waarvan sommige ook verfilmd zijn, komen niet voortdurend in het
nieuws en in de media. Hij schijnt zelfs niet erg populair te zijn bij de mensen die in
die wereld werkzaam zijn.’
‘Zien ze hem als een nestbevuiler?’
‘Hij hangt ons in elk geval een zeer realistisch beeld op van de geheime
wereld achter de schone schijn van de officiële instanties en de desinformatie die ze
verspreiden. De mens is in die wereld niet belangrijk: een klein vervangbaar
elementje in een waanzinnig raderwerk. Alleen de belangrijkheid van sommige
individuen is belangrijk en wanneer ze die belangrijkheid verliezen, worden ze
“quantité négligeable” zoals de rest. Terwijl Ian Fleming zijn held ver boven de
anonieme massa uittilt.’
‘En daarin projecteren de bioscoopbezoekers zich liever dan in de
personages van Le Carré natuurlijk. Dat zal wel de voornaamste reden zijn waarom
James Bondfilms in de actualiteit kunnen blijven en er nog steeds nieuwe gemaakt
worden.’
‘Inderdaad. De wereld van James Bond is de wereld van Freuds
Lustprincipe, die lijnrecht staat tegenover de wereld van het Realiteitsprincipe.’
‘En komt de motivatie voor Le Carré dan alleen van je derde niveau?’
‘Hij heeft wel een op zijn minst ambivalente relatie gehad met zijn vader,
en in sommige van zijn verhalen ziet het ernaar uit alsof hij met een dubieuze
(vader)figuur probeert in het reine te komen. Die behoefte om onaangename
herinneringen te verwerken en dus onlust weg te nemen, valt ook onder het
Lustprincipe en komt duidelijk uit de kelderverdieping. Maar het is vooral de
noodzaak om eraan te verdienen dat hem, geloof ik, aangezet heeft om te beginnen
schrijven. Misschien wil hij ook de irreële Bondverhalen doorprikken en de
goedgelovige massa een meer reëel beeld voorhouden van wat er in werkelijkheid
gebeurt.’
Dirk had graag nog de militaire begraafplaats bezocht, maar Karin wilde
die liever niet gaan zien. Ze vond het erg bedroevend dat die jonge mannen hier ver
van huis en familie gestorven waren.
Bij het avondmaal nam Dirk een klein flesje wijn om Karin wat op te
wekken zonder haar slaperig te maken. En het werd inderdaad weer een wellustige
avond. Ze speelde daarbij meer en meer een actieve rol. Misschien was ze na haar
depressie in een licht manische fase gekomen, waarbij hypersexualiteit niet
ongewoon is. Wat een geluk dat hij haar meegekregen had naar Scandinavië en van
dichtbij over haar kon waken. Thuis zou ze ongetwijfeld stukken gemaakt hebben, of
was ze teruggegaan naar die Karel. Hij moest nu maar zien haar voldoende op te
vangen en ervoor te zorgen dat ze wat afgereageerd was voor het einde van de reis.
Hij kon er nu wel zelf gebruik van maken om hun relatie sterker en intenser te maken.
In ‘l’Amant’ blijkt de zeer intense puur sexuele relatie naar het einde van de film toe
toch diepere gevoelens van liefde losgemaakt te hebben bij de jonge vrouw.
28
Van Trondheim naar Narvik was het zowat duizend kilometer, af en toe
een stukje langs een fjord en een paar overzetten met een veerboot, maar ook grote
stukken door het binnenland. Dirk voorzag daar drie of misschien zelfs vier dagen
over te doen als het verkeer zo druk bleef of nog verergerde. Ze zouden op dat traject
nergens langer dan een nacht blijven.
Het verkeer werd inderdaad voortdurend drukker. Vooral de vrachtwagens,
bussen en caravans beletten hen dikwijls vlugger op te schieten. Er waren ook
tamelijk veel moto’s die soms gevaarlijk dicht langs hen voorbij scheerden.
Na de grote Trondheimfjord en zijn vertakkingen waren ze al voorbij een
groot meer en een heel stuk vrij monotoon binnenland gereden, toen ze naast de weg
een bord zagen dat naar een rotstekening verwees. Er was een kleine parking
voorzien voor de geïnteresseerden. Dirk stopte en nam bij het uitstappen zijn camera
mee. Waarschijnlijk ging het om een runesteen. Daar had hij al heel wat afbeeldingen
van gezien en hij wou er graag een van dichtbij bekijken en fotograferen. Langs een
smal paadje kwamen ze aan een kleine rivier die op die plaats snel afdaalde in een
wilde stroomversnelling. Tegenover hen was er aan de overkant een steile rotswand
en daarop waren de contouren van twee herten of rendieren uitgehakt. Het voorste
dier liep of struikelde door de voorpoten zakkend, met neergebogen kop, terwijl het
tweede op een halslengte achter het eerste rechtop liep. Het leek wel een
prehistorisch verkeersteken om te verwittigen dat hier stroomversnellingen volgden.
Dat was blijkbaar heel wat ouder dan runestenen. Karin wilde wel even
poseren, maar zonder ervoor door het riviertje te gaan. Hij wilde ook een foto van
hemzelf. Hij deed schoenen en kousen uit en rolde zijn broekspijpen op om door het
ondiepe water te waden en naast de twee rendieren te gaan staan. ‘Stoere Olaf’,
gekte Karin nadat ze met de hand gevoeld had dat het water erg koud was. Ze
maakte de foto en Dirk liep daarna op blote voeten terug naar de auto, waar hij alleen
zijn schoenen terug aandeed.
‘Deze afbeelding lijkt wel beeldtaal’, zei hij, meer bij zichzelf dan tot Karin,
terwijl hij de auto startte. ‘De duizenden tekens en tekeningen op rotswanden en in
grotten, hier en over de hele wereld, zullen ongetwijfeld grote stap geweest zijn in de
evolutie van onze soort. Volgens sommige geleerden zou het communiceren door
middel van beeldtaal de gesproken taal voorafgegaan zijn.’
‘Sommige meer gesofistikeerde afbeeldingen worden ook in verband
gebracht met de zonnewenden en de sterrenhemel. En de afbeeldingen diep in
Altamira, Lascaux en andere grotten zouden volgens een recente theorie kunnen te
maken hebben met trancetoestanden.’
‘Maar er zijn ook vele jachttaferelen en andere tekeningen aangetroffen in
open lucht. Het waren misschien eerst alleen maar tekens, signalen, communicaties
zoals deze hier. Allicht werden die primitieve afbeeldingen toen voor allerlei
doeleinden gebruikt net zoals onze talen nu. Maar wanneer ze begonnen dieren en
jachttaferelen te graveren en te schilderden kan zich een essentiële verandering
voorgedaan hebben in het beeld dat ze hadden van zichzelf. Het jager-zijn maakte
eerst intrinsiek deel uit van het mens-zijn. Jager-zijn was synoniem van man-zijn. Wat
ook hun drijfveer moge geweest zijn om die afbeeldingen aan te brengen, het werd
allicht een primitieve vorm van abstract denken, van filosoferen, van transcenderen.
Wie het deed werd een beetje een ander soort mens. Wanneer er trance mee
gemoeid was, kwam daar ongetwijfeld ook een primitieve vorm van religiositeit bij
kijken. De primitieve kunstenaar kan goed een soort sjamaan geweest of geworden
zijn.’
‘De vrouw die bessen en vruchten en eetbare planten verzamelde, was
ook een ander soort mens wanneer ze kinderen baarde en zoogde!’
‘Dat kan geleid hebben tot het uitbeelden van die primitieve “venussen” of
vruchtbaarheidsgodinnen. En misschien zelfs tot vormen van rituele verering.’
‘Doorheen onze hele evolutie heeft de kunst telkens weer nieuwe
manieren voortgebracht van kijken naar de mens en naar de werkelijkheid om hem
heen.’
‘En omgekeerd hebben nieuwe inzichten ongetwijfeld ook vernieuwing
teweeggebracht in de kunst.’
Ze reden die dag door tot aan een niet al te groot meer dat ‘Store Maja
vatnet’ heette, het grote Majawater. ‘Daar zwemt ongetwijfeld een grote naakte Maja
in’, zei Dirk. ‘Die ’s nachts in de tenten bij de mannen op bezoek komt’, antwoordde
Karin. Ze stopten aan de camping van het plaatsje Majavatn en zetten er de tent op.
De zon zat al weg achter de bergen en het water van het meer was te koud om er te
zwemmen.
Karin was blij in het restaurant van de kleine camping een goed
avondmaal te krijgen, een soort stoverij van rendiervlees. Ze begon genoeg te krijgen
van sardienen en makreel in olijfolie, of gebakken eieren, en had onderweg weinig
gegeten bij het picknicken.
Het bleef wel al heel lang klaar genoeg om zonder zaklamp in de tent alles
te vinden wat ze nodig hadden. Karin vond het niet meer nodig haar ponnetje aan te
trekken toen ze zich uitgekleed had. ‘Hier heb je al je Maja’, zei ze.
De volgende morgen maakte ze ook voor het eerst gebruik van zijn
morgenstijfheid. Wat hem belette een droom te fixeren waarin rendieren
voorkwamen.
29
De hele voormiddag reden ze door monotone landschappen met hier en
daar kleine nederzettingen en wat akkers. Door het drukke verkeer vorderden ze niet
al te vlug. Tegen de middag kwamen ze weer dichter bij de zee en langs een paar
fjorden. Dirk at op een kleine parking met uitzicht op de tweede fjord een stuk brood
met een paar rauwe eieren, terwijl Karin zich tevreden stelde met wat fruit. En dan
ging het weer het binnenland in. Dirk wilde tot zo laat mogelijk blijven rijden om dicht
bij de eerste van twee overzetten komen, waar ze de volgende dag ongetwijfeld in
een file zouden terecht komen. Om wat vlugger op te schieten besteedde hij veel
aandacht aan de weg zodat hij Karin een beetje verwaarloosde. Ze leek zich
trouwens goed bezig te houden met het uitkiezen en beluisteren van cd’s en met
kijken naar het landschap. Maar op de duur zette ze de muziek luider en luider, en
merkte ten slotte op: ‘Het wordt stilaan wat laat om nog de tent op te zetten.
Misschien komen we zelfs helemaal geen camping meer tegen!’
‘Als we nog op een camping geraken, nemen we een blokhut. Maar we
kunnen ook opteren voor “bed and breakfast” en daarvoor kunnen we ongetwijfeld
nog heel laat aankloppen’, antwoordde Dirk, terwijl hij vaststelde dat ze strak en een
beetje ontstemd voor zich uit keek. Hij had wellicht beter wat trager gereden en wat
met haar gepraat, of zelfs opnieuw een discussie opgezet. ‘We zullen stoppen bij de
eerste mogelijkheid tot overnachten die we tegenkomen’, gaf hij met enige tegenzin
toe.
Het was een groot huis dat een stukje van de grote weg af stond, op een
terrein dat sterk afhelde naar een verder gelegen bosrand toe. Ze moesten enkele
keren bellen en op de deur kloppen vooraleer een oudere man in kamerjas kwam
opendoen. Dirk vroeg: ‘bed and breakfast?’ De man knikte en liet hen binnen. Hij kon
verder geen Engels, maar wel enkele woorden Duits. Hij ging hen voor langs een
smal trapje naar een soort kelderverdieping die met grote ramen een gelijkvloers
uitzicht bood op een terras. Er stond een tafeltje met enkele stoelen, een gasvuurtje
en een ijskastje, een pompbak met daarboven in een rek wat keukengerei. Hij toonde
hen een alkoof met een tweepersoonsbed en achter een gordijn een stortbad en een
wc. Zonder hoop op een positief antwoord vroeg Dirk: ‘Etwas zu essen?’. De man
antwoordde kort: ‘Selber machen.’
Dirk keek vragend naar Karin, en die zei geërgerd: ‘Het is altijd beter dan
in de auto slapen.’ Dirk knikte naar de man: ‘Gut, wir nemen es.’ Ze gingen samen
terug naar boven en haalden wat bagage uit de auto terwijl de man in het deurgat
bleef toekijken.
Toen ze alleen waren en begonnen uit te pakken, wees Karin op de lage
zoldering en zei: ‘Het lijkt wel een spelonk!’
‘Nu kun je je verbeelden dat je met een Olaf in een hut zit ergens aan de
rand van de bewoonde wereld’, probeerde Dirk te reageren met wat humor.
‘O ja? En wat heeft die Olaf zoal om er een avondmaal mee te bereiden?’
‘Sardienen, makreel, eieren, brood en melk, confituur’, deed Dirk alsof hij
kaviaar en champagne presenteerde terwijl hij de inhoud van de frigobox op het
tafeltje uitstalde. Maar Karin kon er niet om lachen.
Hij bakte vlug wat roereieren terwijl zij boterhammen smeerde en een paar
glazen uitwaste aan de pompsteen om er koude melk uit te drinken. ‘Je hebt vandaag
al een paar eieren gegeten en nu bak je er nog’, merkte ze op.
‘Wat mijn lever denkt van vier of vijf eieren op één dag is voor het ogenblik
niet relevant’, zei hij. ‘Een Olaf moet daartegen kunnen!’
‘Maar of de lever van een would-be Olaf daar tegen kan?’
‘Straks gaan we al die calorieën afreageren in een echt echtelijk bed,
Karin!’
‘Een echt echtelijk bed voor een would-be echtpaar met een would-be
Olaf. En wat ben ik dan?’
‘Er steekt ongetwijfeld een sublieme odalisk in je, die in deze
kelderverdieping kan boven komen en manifest worden!’
‘Of een overspelige Mona Lisa!’
Dirk was door die paradoxale uitdrukking wat uit zijn lood geslagen.
Tegenover wie was ze overspelig? Tegenover die Karel, die misschien toch niet
helemaal verdwenen was? En keek ze ook met zo’n eigenaardige glimlach op hem
neer?
Hij zette de pan eieren op tafel en maakte een uitnodigend gebaar. Karin
at wat van de roereieren en daarna een paar boterhammen met confituur, terwijl Dirk
ook nog een doosje sardienen binnenspeelde. Daarna nam hij het gebruikte eetgerei
om het in de gootsteen af te wassen.
Karin ging het eerst in het stortbad en kwam zich daarna afdrogen midden
de kamer. Hij verdween op zijn beurt achter het gordijn. Toen hij terug in de kamer
kwam lag ze poedelnaakt op het bed. ‘De odalisk is klaar voor gebruik’, zei ze. Klonk
er een beetje ironie onderdoor? Had hij haar met dat woord een beetje gekrenkt? Hij
had het eerder bedoeld om haar wat uit te dagen en op te jutten.
Hij kwam wat stroef op dreef. Hij dacht daarbij aan de stam van de
Nyakyusa’s waar de adolescenten onder begeleiding en controle van oudere
vrouwen allerlei seksspelletjes mochten spelen, zolang de meisjes maar maagd
bleven.
30
Toen hij door de klaarte van de vroege morgen ontwaakte, had hij weer
gedroomd van een rendier dat nu door de voorpoten zakte, ‘door de knieën ging’.
Eerst was er een circus met clowns, acrobaten, artiesten en kunstenmakers. De directeur kwam zelf op met herten of rendieren die rond de piste renden.
Ren-dieren, rennen, lopen, loops … Een loops dier ontsnapte uit het circus en hij ging
er achter aan. Sneeuw en ijs buiten. De weg ging bergaf en het rendier struikelde.
Het schoof op de knieën verder, scharrelend en uitglijdend op de gespreide
achterpoten. Hij kon met zijn lasso niet aan het gewei en kon het dier maar niet
vangen. Het omhooggestoken achterste verhinderde dat. Zijn lasso gleed telkens van
de rug van het dier af. Het was een nare droom. Waagde hij zich niet zelf op glad ijs,
achter dat moeilijk te vangen rendier aan?
Dat ‘door de knieën gaan’, het loopse rendier, de gespreide achterpoten
en het hoog omhoog gestoken achterste wezen op excessieve seksualiteit, terwijl hij
er toch niet in slaagde het dier te vangen. Ongetwijfeld was het de ietwat ambivalente
sfeer van gisteren die de droom veroorzaakt had.
Zonder Karin te wekken stond hij stilletjes op. Hij wilde zo vlug mogelijk
vertrekken. Na een kort stortbad warmde hij wat melk en smeerde wat boter en
confituur op enkele sneden brood. Daarna maakte hij Karin wakker. Ze rekte zich
eerst wat en bleef liggen kijken hoe hij zich verder aankleedde. ‘Ik heb iets gedroomd,
maar ik weet niet meer wat’, zei ze nadenkend. ‘Ik herinner me alleen dat je te veel
belang hecht aan gevoelens.’
‘Hoezo?’
‘Ik weet het niet. Dat werd blijkbaar gezegd in mijn droom.’
Terwijl ze opstond en wat toilet maakte, ging hij op het terras de frisse
buitenlucht opsnuiven. Er lag een grote weide achter het huis, die afhelde naar een
beekje toe, en wat verder op de andere oever begon een uitgestrekt bos. Tussen het
bos en de beek stond een eland te grazen. Dirk wenkte Karin dat ze moest komen
kijken. Ze kwam huiverend naast hem staan. ‘Wonen de mensen hier niet in een
aards paradijs?’ vroeg hij.
‘Misschien’, antwoordde ze, ‘maar hun kelderverdieping is een krocht.’ Ze
liep vlug terug naar binnen.
Er leek verder geen vuiltje meer aan de lucht. Na het ontbijt verzamelden
ze hun spullen en Dirk ging boven aan de deur van de woonkamer kloppen om te
betalen.
Er was al betrekkelijk veel gerij op de baan en het duurde een poosje
vooraleer ze langs de eerste fjord kwamen. ‘Indien we gisteren nog een stukje
doorgereden hadden, hadden we hier ongetwijfeld een beter logement gevonden’,
kon Dirk toch niet nalaten op te merken.
Er was geen overzet maar een lange brug, en na wat kilometers
binnenland en enkele tunnels, naderden ze het veer over de tweede fjord. Ze konden
niet eens tot op de overvolle parking rijden en moesten in de rij opzij van de weg halt
houden. Het zou ongetwijfeld een paar uur duren vooraleer ze, af en toe wat
opschuivend, op de kleine overzetboot konden geraken. ‘Indien we hier in de buurt
hadden kunnen overnachten, zouden we veel vroeger aan de beurt geweest zijn,
Karin’, liet hij toch opnieuw horen dat ze gisteren een stuk verder hadden moeten
rijden.
‘Het brandt toch niet! We zijn toch nog steeds voor op jouw programma?’
‘We zullen pas overmorgen Narvik bereiken en vandaar naar de
Noordkaap is het nog een heel eind!’
‘De Noordkaap loopt niet weg!’
Gelukkig stond er op de parking bij het veer een barakje waar ze belegde
broodjes met allerlei slaatjes en gerookte vis konden krijgen. Ze gingen er allebei een
paar maal wat uitkiezen. Terwijl Karin zich tevreden stelde met water, dronk Dirk er
ook een paar slokken wodka bij. Het zou toch nog een hele tijd duren vooraleer ze
terug aan het rijden waren.
Om de tijd van het wachten door te krijgen begon Dirk met: ‘Je droom
zegde dat ik teveel belang hecht aan gevoelens. Maar het gevoel speelt een zeer
belangrijke rol in het leven. Ik denk dat het belangrijker is dan dat wat we verstand
noemen. Het schijnt zelfs tussen te komen in onze intellectuele processen.’
‘O ja? Ik dacht dat het negatief klonk wanneer men zegt dat vrouwen
eerder functioneren op het gevoel dan op de rede’.
‘Ik denk dat het gevoel ons op elk ogenblik een zeer goede samenvatting
geeft van hoe we personen en situaties beoordelen. Zonder dat we goed onder
woorden kunnen brengen waarom we op een bepaalde manier reageren, zegt het
gevoel ons dat we ‘goed zitten’ of ons vergissen. Misschien hebben de vrouwen
daardoor een betere intuïtie dan mannen die meer op de rede afgaan.’
‘In het gewone leven is dat zeker zo. Maar in zake kunst doen de mannen
alsof ze alles beter weten. De meeste kunstcritici zijn mannen!’
‘Daarin zijn mannen inderdaad sterker.’
‘Er zijn ook veel meer mannelijke kunstenaars dan vrouwelijke.’
‘Misschien hebben veel van hen een sterk vrouwelijke component, een
vrouwelijke anima.’
‘Ook bij de conceptuelen? Die lijken me meer met het hoofd te werken dan
met het hart.’
‘Toch speelt het gevoel een zeer belangrijke rol in het creatieve proces.
Het helpt om complexen aan te boren en om latente inhouden naar boven te
brengen. Het garandeert de authenticiteit van de ontstane associaties en de
gebruikte beeldtaal. Het is het sterkste bindmiddel om de onderdelen van de gestalt
bijeen te brengen en te verzekeren dat ze bij elkaar passen, zodat het geheel geen
samenraapsel wordt van met voorbedachten rade bij elkaar geharkte stukken. Bij een
doorvoeld kunstwerk zijn de samenstellende delen als door een bliksem in elkaar
gebrand en versmolten en vormen ze een organisch geheel. Terwijl koele kikkers
zoals Godard in hun werken een indruk nalaten van met haken en ogen
aaneengeflanste lappendekens en maakwerk, cerebraal gepuzzel, koud bij elkaar
gebrachte onderdelen en symbolen. De “affect-dominated states of mind”12 leveren
ongetwijfeld de interessantste grondstof voor het produceren van kunstwerken.’
‘En maken die koele kikkers dan geen kunst? Is een lappendekenfilm dan
geen gestalt?’
‘Misschien toch ook. Maar bij hen is de schering en de inslag van alles wat
ze bij voorbeeld in een film verweven onderling niet zo homogeen verbonden, zodat
je om de haverklap contradicties krijgt tussen verschillende onderdelen van het
geheel. Terwijl het gevoel een geheel van associaties kan oproepen én de garantie
geeft dat ze met elkaar in verband staan, net zoals de bliksem een grillig net van
vertakkingen in de lucht kan tekenen, of zoals de wortels van een boom via een
uitgebreid netwerk aan de stam vastzitten.’
‘Bij concept art gaan de kunstenaars blijkbaar anders te werk. Bij hen
primeert de idee die aan de basis ligt van het kunstwerk. De idee is ook belangrijker
dan het gecreëerde object zelf. Conceptuele creaties worden praktisch helemaal op
voorhand uitgewerkt in de geest en worden daarna zelfs dikwijls door anderen
gematerialiseerd. Die realisatie is trouwens van ondergeschikt belang.’
‘Maar wanneer een kunstenaar op artisanale manier zijn creaties zelf
realiseert is er een interactie tussen hem en de materie. Het hele “discours” krijgt
vorm tijdens het creëren zelf, net als bij iemand die een vreemde taal spreekt maar
wel al denkt in die taal. Terwijl de ontwerper van een conceptueel kunstwerk als het
ware “denkt in zijn eigen taal” en daarna het geconcipieerde vertaalt of laat vertalen.
Kunst die alleen maar uit het dunne laagje van het bewustzijn voortkomt, is zelf ook
erg dunnetjes. Het denken in beeldtaal, in de materie en de vormen waarmee men
bezig is, produceert niet alleen een betere, rijkere relatie tussen het geheel en de
onderdelen, tussen de materie en de structuur, maar laat veelal ook bijkomende
betekenissen ontstaan tijdens het maken. Aan de gebruikte materie, voorwerpen,
beelden en symbolen kunnen al dan niet verdrongen gevoelsinhouden vastzitten en
12Een
door het gevoel gedomineerde gesteldheid van de geest, wordt samen met de
creatieve verbeelding in de rechterhersenhelft gesitueerd. Staat tegenover de
'language-dominated' door de taal gedomineerde toestand in de linkerhersenhelft:
het domein van concept art en van de eerder verhalende en belerende beeldende
kunsten?
die gevoelens zetten zich over op de ver-beeld-ingen, symbolen, symbolische
handelingen die de plaats innemen van de verdrongen inhoud.’
‘Maar kan de idee die aan de basis ligt van een conceptueel kunstwerk
niet evengoed uit diepere regionen komen? De kunstenaar stelt zichzelf en de
essentie van de kunst in vraag. Concept art richt zich wel vooral tot de geest maar
misschien is het een soort kunst die uit een andere “state of mind” komt? Van
sommige hedendaagse kunstenaars lijken de werken een mengsel van onbewust
materiaal en conceptuele afwerking. En is artisanale kunst, die ons vooral via de
zintuigen wil benaderen, altijd gevoelsmatig?’
‘Misschien niet, maar ik vrees in elk geval dat de conceptuelen met hun
cerebrale rebussen en gepuzzel, en met het verwaarlozen van artisanale
vaardigheden de deur wijd open gezet hebben voor valsmunters en bedriegers, voor
handige jongens die iets min of meer origineels kunnen ineenknutselen, of soms
alleen nog maar bedenken. En die vooral proberen elkaar de loef af te steken door
“de grenzen steeds verder te verleggen”. Wanneer hun soms echt belachelijke
“vondsten” en goedkope spitsvondigheden alleen maar dienen om onze aandacht te
vestigen op de dingen die we zogezegd niet meer zien, bedank ik ervoor. Daarvoor
heb ik hun hulp niet nodig.’
‘Het bevordert wel het toerisme en het verteer wanneer ze een stad vol
zetten met hun creaties.’
‘Voor mij niet gelaten. Ze mogen wel koeien en andere kitsch langs onze
straten en op onze pleinen plaatsen, “om ons te doen zien wat we zonder hun hulp
niet, of niet meer zien”. Maar ze moeten niet de pretentie hebben om ons te laten
geloven dat wij allemaal eenogen zijn die maar half zoveel zien als zij. Misschien zijn
zij zelf cyclopen, Wiertzfiguren die de stad en het openbare leven wensen te bezetten
met hun would-be symptoomhandelingen en vooral willen dat we naar hén kijken.’
‘Ik denk dat je te krampachtig vasthoudt aan vroegere kunstvormen. En
dat je het belang van het verstand - wat dat dan ook moge zijn - en van ons
bewustzijn onderschat!’
‘Sommige psychologen en filosofen durven zelfs beweren dat het
bewustzijn een soort droom is die gecontroleerd en bijgestuurd wordt door de
zintuigen, en dat ons leven grotendeels bepaald wordt door inhouden die van heel
diep naar boven komen, waar onze wil en intelligentie ze alleen maar wat kunnen
bijschaven, oriënteren en eventueel wat afremmen. Terwijl ook die wil en die
intelligentie grotendeels buiten ons om gevormd zijn door onze opvoeding en
omgeving.’
‘En wat doe je dan met onze vrije wil?’
‘Dat is een heel ander verhaal. Maar dat zal voor na deze overzet zijn.’ Ze
waren inderdaad al zo dicht tot bij de aanlegsteiger opgeschoven dat ze nu ook op de
aankomende veerboot zouden kunnen. En Dirk wilde al zijn aandacht aan het
inschepen besteden. Hij had een gevoel alsof hun discussie een soort verwoording
was geworden van iets diepers dat nog niet onder woorden te brengen was. Was
Karin zich wat meer onafhankelijk aan het opstellen? Had hij totnogtoe teveel zelf
willen scoren?
Het overzetten duurde niet erg lang, en daarna zaten ze in een dicht op
elkaar volgende rij vrachtwagens, autobussen en caravans, met daartussen nerveus
voorbijstekende personenwagens en lawaaierige moto’s. Het zag ernaar uit dat ze
tegen het einde van de dag bij het volgende veer de laatste overzetboot niet zouden
halen. Hij concentreerde zich op de weg en het verkeer, zodat hij toch niet
aanstuurde op een ernstig gesprek. Toen ze stopten om bij te tanken en een
sandwich te eten, vroeg Karin: ‘wil je vandaag nog doorrijden tot in Narvik?’
‘Nee, dat halen we zeker niet.’
“En wat is er speciaal aan Narvik?’
‘Een industriële haven waar het Zweedse ijzererts uit Kiruna verscheept
wordt. Het is alleen maar groter dan de dorpen die we nu af en toe tegenkomen.’
‘Daar kunnen we dus best voorbijrijden zonder veel tijd te verliezen?’
‘Eigenlijk wel, ja.’
‘Dan zouden we beter vanavond een goed logement zoeken, morgen
rustig onze beurt afwachten om over te zetten, even rondtoeren in Narvik en daarna
gewoon onze weg verder zetten!’
‘Dat is inderdaad ook een mogelijkheid. We zullen zien hoe vlug we aan
het veer geraken’. Ze begon blijkbaar genoeg te hebben van de vele uren in de auto.
Na Narvik voorzag hij nog een dagrit door het binnenland en daarna zouden ze bijna
voortdurend langs fjorden en water rijden. Dan zou hij het wat rustiger aan doen en
wat meer halt houden. ‘Het ergste is bijna voorbij’, zei hij alsof hij alles luidop gedacht
had.
Na hun korte rustpauze was het op de baan wat minder druk, maar Karin
was blijkbaar ‘de vrije wil’ vergeten en Dirk genoot ook liever wat van het landschap,
van haar gezelschap en de muziek die ze koos. Hij legde af en toe een hand op haar
knie en ze protesteerde niet wanneer hij haar dij wat streelde.
Tegen de avond kwamen ze toch nog betrekkelijk dicht bij de fjord die ze
de volgende dag zouden oversteken. Dirk liet Karin de keus tussen een motel en een
camping. Ze koos voor een motel in de hoop er wat meer comfort te vinden en wat
meer keuze voor het avondmaal in het bijbehorende restaurantje. Dat viel inderdaad
nogal mee: een andere soort stoverij van rendiervlees en rode wijn. En in de kamer
waren er heel dikke gordijnen die de heldere nachtlucht helemaal konden
afschermen.
Ze lag in haar ponnetje boven op de dekens van haar bed toen hij op zijn
beurt uit het stortbad kwam. Waarom had ze nu opnieuw haar ponnetje aan? Hij
besloot er geen aandacht aan te besteden, maar terwijl hij naar haar toe ging zei ze:
‘Vertel me nu eerst eens wat meer over de vrije wil.’
Hij ging op de rand van haar bed zitten en dacht even na. ‘Twee dingen
worden door elkaar gehaald en daardoor ontstaat er verwarring en misverstand. We
hebben ten eerste een zelfbeeld dat ons bewust of onbewust zegt binnen welke min
of meer omlijnde grenzen we kunnen kiezen tussen verschillende gedragingen.
Moorden of stelen, bij voorbeeld, valt daar bij de meeste mensen buiten. Ook al te
altruïstische gedragingen zoals zijn leven geven voor een ideaal of zijn bezit
wegschenken aan goede werken moet men van de meesten onder ons niet
verwachten. Die grenzen kunnen onder invloed en druk van omstandigheden wel
verschuiven. Zo doet men in oorlogsomstandigheden, of bij grote honger en
levensgevaar, wel dingen die men in normale omstandigheden niet zou doen.
Bovendien verandert onze persoonlijkheid langzaamaan naarmate we ouder worden
of naargelang onze situatie evolueert. Daarom zegt Sartre: “il ne faut jurer de rien”.
Morgen kan je een heel andere persoon zijn. Onze ervaringen en de invloeden die op
ons inwerken, spelen mee in het bepalen van die grenzen waarbinnen we onze
mogelijke handelingen situeren. Zij helpen onze “wil” om daarbinnen keuzes te
maken. Maar bij de concrete situaties waarin we die keuzes moeten maken en
handelen, zijn we volledig gedetermineerd.’13
‘Maar wat met ons verstand en onze wil?’
‘Die zijn toch ook gedetermineerd door onze vroegere ervaringen en onze
opvoeding, zodat ze onze beslissingen in een welbepaalde richting sturen. We
maken keuzes, maar die zijn volledig gedetermineerd door het geheel van de situatie
waarvan onze ervaringen en kennis, voorkeuren en moreel inzicht deel uitmaken. We
ondergaan of zoeken naar de best haalbare selectie van drijfveren en doelstellingen.
Zelfs als we daar tegen ingaan zijn het storende invloeden die ons ook dan
determineren. We kunnen a priori onze wil sterken en zoveel mogelijk betrouwbare
kennis opdoen om in concrete situaties de juiste beslissingen te nemen. Maar ook dat
maakt deel uit van de determinerende factoren.’
‘Dus ben ik nu helemaal anders dan toen ik bij Karel was?’ Ze aarzelde
een ogenblik. ‘Mijn grenzen zijn verschoven en het is normaal dat ik me anders
gedraag.’
‘Inderdaad. Onder invloed van de veranderde omstandigheden, nieuw
verworven inzichten en andere factoren die erbij gekomen zijn, zijn je
keuzemogelijkheden veranderd. Kennis en inzicht zijn de voornaamste factoren
waarmee we a priori de determinatie kunnen beïnvloeden.’
‘Laat ons dan maar grondig gebruik maken van die veranderde
omstandigheden!” Ze deed haar ponnetje uit en trok Dirk tegen zich aan. Had hij wat
verdrongen schuldgevoelens bij haar weggepraat?
31
13
Zie het artikel 'Morele Oordelen en de zogenaamde Vrije Wil' door Prof
Hugo van den Enden in Studia Philosophica Gandensia 8, 1970. Overgenomen in
'Op het scherp van de Rede' 40 jaar kritisch denken. Garant 2003.
Zijn collega Etienne Vermeersch hernam dit thema in 'Provençaalse
Gesprekken' Filo-Rando 2012 VUBPress en noemt 'de door betrouwbare
intelligentie volstrekt gedetermineerde beslissing de echte vrije wil'.
De volgende morgen had Karin geen commentaar op het feit dat Dirk haar
weer vroeg opriep om na een vlug ontbijt in te pakken. Hij wilde nog voor de grote
toeloop aan het veer geraken, of toch zo kort mogelijk bij de parking waar de wagens
wachtten voor het inschepen.
Ze geraakten tot bijna op de parking zelf, terwijl er achter hen voortdurend
vrachtwagens en personenwagens bijkwamen. ‘We zullen aan de overkant veel
vlugger wegkomen uit de file dan de vorige keer, Karin’, zei hij geruststellend, hoewel
ze nog geen ongeduld had laten blijken.
‘Maar zonder halsbrekende toeren uit te halen!’
‘Inderdaad. Ik heb niet de bedoeling tegen een boom te eindigen zoals
Albert Camus.’
‘Een ongeval?’
‘Waarschijnlijk.’
‘Ik heb niets van hem gelezen. Heeft hij niet ooit de Nobelprijs voor
literatuur gekregen?’
‘Inderdaad. Hij was lang mijn geprefereerde auteur, tot ik ben gaan
beseffen dat hij geen echte man-vrouwrelaties behandelde in zijn werk. Hij had nogal
wat schizoïde trekken. Ik vraag me af of hij had kunnen uitgroeien tot een meer
homogene persoonlijkheid door het schrijven.’
‘Ik meen te weten dat ‘La Peste’ toch een bestseller is of was?’
‘Ja, maar hij bespaart alle relatieproblemen aan zijn dokter Rieux om hem
zo schoonmenselijk mogelijk voor te stellen. Hij situeert de echtgenote in een
sanatorium in Zwitserland, zodat de dokter de handen vrij heeft om zich volledig aan
de pestlijders van Oran te wijden. Camus laat haar zelfs sterven op het einde van het
verhaal.
In een novelle, “la Chute” voert hij later een protserig negatief spiegelbeeld
van Rieux op: Clamence. Die smeert hij de vrouwen aan en het wordt een
bespottelijke, zelfingenomen figuur waar alles over heen glijdt en die over de hele lijn
aan menselijkheid tekortschiet, ondanks zijn neerbuigende hulpvaardigheid en
gerechtigheid, zijn schijnbare deugdzaamheid. Die Clamence takelt ten slotte
helemaal af door de verachting van omstaanders en de onuitgesproken veroordeling
die hij voelt na het niet bijstaan van een drenkelinge die in de Seine gesprongen was.
Zo wordt hij geleidelijk aan geconfronteerd met zichzelf en zijn herinnering. Rieux is
Camus zoals hij naar buiten toe door de goegemeente wenst gezien te worden,
terwijl Clamence de verpersoonlijking lijkt van zijn intiem gedrag. Hij was getrouwd
maar hield er tussendoor maîtresses en gelegenheidsliefjes op na. Zijn vrouw kon dat
niet aan en deed een zelfmoordpoging. Camus was net als Clamence abnormaal
bang om veroordeeld of zelfs nog maar beoordeeld te worden in de contradicties en
inconsequenties van zijn persoonlijk leven. Dat zou ongetwijfeld rechtstreeks de
paradoxen geraakt hebben waarmee hij leefde.’
‘Waarom bleef hij zich dan zo gedragen en veranderde hij zijn manier van
leven niet?’
‘Omdat hij daar met zijn zogenaamd vrije wil en zijn bewustzijn niet veel
vat op had. Zijn vader sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog toen hijzelf nog maar pas
geboren was. Zijn arme sloor van een moeder geraakte daardoor met haar kinderen
helemaal onder de plak van een harde bazige grootmoeder. Bovendien kreeg Albert
als kind ook nog tuberculose en had hij een erg precaire gezondheid. Hij is die
mateloze behoefte aan affectie en onvoorwaardelijke toewijding vanwege “de vrouw”
waarschijnlijk nooit meer kwijtgeraakt, zodat hij later grabbelde naar al de
genegenheid die hij kon krijgen. Hij trachtte alle vrouwen binnen te rijven die hem de
moeite waard leken. Hij vond het normaal dat ze zich beschikbaar stelden of zich
wegcijferden wanneer hij dat wenste. Terwijl hij zelf zoveel mogelijk vrij wilde blijven
om de situatie helemaal te domineren als een megalomane mandarijn14.’
‘Een hypocriete egoïst zoals de meeste mannen.’
‘Niet veralgemenen, Karin!’
‘We zijn in de eenentwintigste eeuw en zie wat de vrouwen nog steeds
aangedaan wordt, overal in de wereld. En geen man die daar iets aan doet!’
‘Dat is niet helemaal waar.’
‘O nee? In Pakistan werden nog niet zo lang geleden twee kleine meisjes
terechtgesteld omdat ze hun oom hadden durven aanklagen voor verkrachting. In
Afrika worden nog bij duizenden meisjes de kleine schaamlippen weggesneden en de
vagina half dichtgenaaid. Hoeveel vrouwen komen er niet in bordelen terecht als
slachtoffer van de handel in blanke slavinnen? Hoeveel godsdiensten en culturen
maken de vrouw niet nog steeds ondergeschikt aan de man? En zelfs bij ons worden
nog veel vrouwen benadeeld wat het werk en het loon betreft.’
‘Dat is allemaal waar, maar er zijn ook culturen waar mannen en vrouwen
gelijkberechtigd zijn en bij ons gaat het toch meer en meer de goede kant uit wat de
lonen betreft. Ik zou zelfs durven te stellen dat jonge aantrekkelijke vrouwen bij ons
beter aan hun trekken komen dan jonge mannen.’
‘Daar zeg je wel wat: jong en aantrekkelijk. En daarna?’
‘Sedert de emancipatie zijn de meeste vrouwen hier verre van weerloos
en hebben ze wel de nodige vaardigheden om aan hun trekken te komen.’
‘Maar ondanks alle emancipatie is het toch nog vooral de vrouw die naast
haar beroep voor het nest en de jongen moet zorgen. Daarmee zou ze bij haar
partnerkeuze bijna meer rekening moeten houden dan met haar seksuele voorkeur.
Terwijl de mannen alleen maar een aantrekkelijke stoeipoes in hun bed moeten zien
te krijgen. Een poppetje om mee te paraderen. En dat proces kunnen ze gemakkelijk
verschillende malen herhalen.’
‘Er zijn toch al veel mannen die daar heel anders over denken. Ik ben er
van overtuigd dat een intelligente man die voor een boeiend en gelukkig leven kiest,
14
In haar boek 'les Mandarins' heeft Simone de Beauvoir een literair milieu
getekend waarin de hoofdheld een pastiche van Camus zou zijn. Maar in zijn
Camusbiografie schrijft Olivier Todd dat dat personage meer toepasselijk is op
Sartre dan op Camus.
best een vrouw zoekt om een relatie voor het leven aan te gaan, of dat toch te
proberen.’
‘Ken je de historie van Anarkali, Granaatappelbloesem?’
Nee, die kende hij niet.
‘Ze was een favoriete uit de harem van een grootmogol. Maar hij liet haar
levend begraven nadat hij haar had zien glimlachen naar zijn zoon. Wellicht had die
zoon zelfs eerst naar haar gelachen!’
‘Wat een gruwelijke dood!’
‘Die zoon, een zekere prins Salim, liet dan na de dood van zijn vader
Akbar, wanneer hij zelf mogol geworden was onder de naam Jahangir, een mooi
octogonaal grafmonument bouwen voor haar met een grote centrale koepel en acht
kleinere koepels op kolommen daaromheen. Naast de 99 eigenschappen van God
liet hij de “verzuchting” aanbrengen dat hij zijn Schepper tot op de dag van het
oordeel zou danken indien hij het gezicht van zijn beminde kon terugzien.’
‘Wat een dramatisch verhaal, Karin. Het lijkt wel uit “Duizend-en-eenNacht” te komen.’
‘Wat een grote lafaard! Hij had haar beter verdedigd tegen zijn vader in
plaats van een grafmonument te bouwen voor haar gebeente!’
‘Is dat niet de Taj Mahal, waar je het over hebt?’
‘Nee, maar de architectuur van het grafmonument voor Anarkali heeft wel
model gestaan voor de latere Taj Mahal.’
‘Jammer voor Granaatappelbloesem dat ze op die manier de geschiedenis
moest ingaan.’
‘Dat ze op die manier aan haar einde moest komen! Er is ook ergens een
graf van een sikh waar in urnen de asse van zijn vier vrouwen en zeven concubines
bijgezet is, nadat ze zich vrijwillig op de brandstapel gestort hadden waarop zijn lijk
verbrand werd. Vrijwillig! “You better believe it”!’ hoonde ze. Het leek wel alsof ze
hem verdacht van medeplichtigheid. ‘Het is toch ontzettend hoe ver mannen het
hebben durven drijven bij het onderdrukken van de vrouw!’
Dirk wist niet goed hoe te reageren. Wat onhandig antwoordde hij: ‘Er zijn
ook wel haremvrouwen die het zover brachten dat ze hun mogol of sjeik rond hun
vinger konden winden, Karin.’
‘Hoeveel op duizenden? En indien ze vrij hadden kunnen kiezen, zouden
ze misschien wel iets heel anders gedaan hebben!’
Dirk kon dat niet tegenspreken. Hij begreep ook niet goed waarom ze zo
heftig deed met die verhalen.
Intussen kwam de veerboot aan. Het was een veel groter schip dan bij de
vorige overzet. Ze zouden ook over een grotere afstand moeten varen om aan de
overkant afgezet te worden. Nadat ze ingescheept waren voeren ze om een soort
landtong heen en kwamen in een heel brede fjord terecht. Ze gingen op het
bovendek in een luie strandstoel liggen en genoten van de frisse zeewind en het
weidse panorama. Toen het dorpje met de aanlegsteiger in zicht kwam, gingen ze
naar de voorsteven om het land langzaam te zien naderkomen.
Eenmaal aan land duurde het toch een hele tijd vooraleer de dichte file
wagens zich langzaam begon uit te rekken en het rijden wat aangenamer werd. Maar
het bleef nodig goed uit te kijken bij het voorbijsteken omdat er ook druk verkeer uit
de tegenovergestelde richting naar de overzet kwam. Tegen de middag kwamen ze
aan de grote Ofotfjord. De kronkelende oever volgend bereikten ze Narvik.
De stad was inderdaad niet belangrijk genoeg om er veel tijd aan te
spenderen. Dirk was blij na een kort rondritje door te kunnen rijden om de monotonie
van het daarop volgende stuk binnenland over twee dagen te spreiden. Hij reed weer
zo lang mogelijk, maar ze kwamen overeen dat ze dan als beloning voor Karin weer
op hotel zouden gaan.
Hij stopte ten slotte aan een hotel dat haar beviel. Het was nogal duur
maar ze kregen een kamer met balkon en een mooi uitzicht op het riviertje van het
Salangsdal. Na een uitgebreid avondmaal gingen ze samen op het terras zitten om te
genieten van de avondlucht en de invallende schemering. Karin was opvallend stil.
Ze was moe, zei ze, maar misschien was ze nog steeds in Anarkali-stemming. Dirk
dommelde in zonder het te merken. Toen hij wakker werd door de kilte van de
halfdonkere nacht, merkte hij dat Karin al naar binnen was. Ze zat in bed en sliep.
Stilletjes kroop hij ook onder zijn deken.
32
De volgende morgen schrok Dirk wakker met droombeelden van een
zonnige bosrand, waar de lieflijke rododendronbloesems veranderden in één grote
bloemknop die plots als een granaat in zijn gezicht ontplofte. Dat deed hem
onmiddellijk denken aan Granaatappelbloesem en weerhield hem van het oproepen
van nog meer stukken droom.
Stak er onder de feministische oprispingen van Karin een onderdrukte
rebellie tegen hem? Kwam hij bij haar te dominant over? Drukte hij teveel zijn eigen
programma en zienswijze door?
Het was wellicht ook geen toeval dat hij de vorige dag aan Camus gedacht
had. Er waren wel wat parallellen te trekken tussen hemzelf en Rieux-Camus, en
Camus-Clamence. Maar hij was aan het veranderen. Hij zag nu wel het positieve in
van een monogame relatie met een aantrekkelijke en interessante vrouw, waarmee
het boeiend en goed zou zijn de verschillende fasen van het leven te doorlopen, in
plaats van ter plaatse te blijven trappelen met telkens weer nieuwe grietjes. Hij zou
wel ‘wat trager moeten rijden’, meer met haar overleggen, voldoende aandacht en
ook buiten het bed wat meer attenties voor haar over hebben.
Intussen werd ook Karin wakker en ze gingen samen in de ruime
badkamer om wat tijd te winnen. Bij het ontbijt overdreef Dirk dat ze al lang de tent
niet meer opgezet hadden. Hij stelde voor die dag te rijden tot ze door het bergland
waren, om in de namiddag te kamperen aan de Balsfjord die diep in het binnenland
doordrong. Het zeewater zou er ongetwijfeld te koud zijn om te zwemmen, maar ze
konden er wel wat in zonnebad gaan liggen. Karin vond het een goed idee. Na al de
‘hurry-hurry’ konden ze best een rustige dag gebruiken. Van daar af zouden ze bijna
de hele tijd langs fjorden en de zee rijden en zouden ze volop kunnen genieten van
de landschappen en de natuur.
Hij stak nog wel af en toe een vrachtwagen, een bus of een caravan
voorbij, maar daar hij wat trager reed, hadden ze niet veel last van het steeds
drukkere verkeer. Naast de gewone haltes ‘om het water af te laten’ en de
benzinetank te vullen, of om wat proviand op te doen, bleef hij nu ook een paar maal
staan op een kleine parking langs de weg om te genieten van een mooi panorama.
Het weer bleef meevallen, hoewel ze bij het uitstappen uit de warme auto telkens
weer verwonderd waren over de frisse wind. Wanneer er wolken voor de zon
schoven, werd het heel wat koeler. Ze zaten ook al een stuk boven de poolcirkel. De
bergen hadden hen totnogtoe belet de middernachtzon boven de horizon te zien
passeren, terwijl ze met hun lange schaduwen voor schemering hadden gezorgd.
Maar voortaan zouden ze de zon heel laag en lang over de zee zien schuiven.
Ze bereikten in de vroege namiddag de fjord, maar het was pas toen ze
bijna terug een stukje binnenland in moesten dat ze een camping vonden. De tent
was vlug opgezet en daarna gingen ze in het restaurantje de dagschotel nemen, met
weer een klein flesje wijn. Dat was goed om daarna van een zalige siësta te genieten.
Ze sleepten de luchtmatras buiten om naast de tent ietwat beschut voor de wind in de
zon te liggen en Karin trok haar pulletje uit. Maar weldra hing er tussen hen en de
tent een kleine dansende muggenzwerm, die zich telkens opnieuw herstelde wanneer
Karin ze met haar spray weg joeg. Ze vluchtten ten slotte in de tent en hoewel het
nogal druk was op de camping viel Dirk vrij vlug in slaap. Toen hij wakker werd was
Karin verdwenen. Hij stak zijn kop uit de tent en zag haar wat verder volleyballen met
een groepje jongens en meisjes. Aan hun geroep te oordelen waren het Duitsers. Hij
wist niet goed wat doen: mee gaan spelen, of Karin terugroepen voor een wandeling.
Hij bleef ten slotte liggen kijken, met alleen zijn hoofd buiten de tent en de spuitbus in
de hand om af en toe een paar muggen weg te jagen. De rondspringende
volleyballers hadden daar blijkbaar niet veel last van.
Ze kwam pas naar de tent terug toen ook de anderen weggingen. Er was
eerst een kleine discussie in de groep en Dirk zag hoe een van de jonge kerels haar
bij de arm nam en haar wilde meetronen. Ze schudde ‘neen’ en maakte zich los.
Toen ging de groep weg.
‘Wat scheelde er toen jullie stopten met volleyballen?’ kon Dirk niet laten
haar te vragen. ‘Oh, ze gingen allen samen naar de sauna en wilden dat ik meeging.
Maar met zo’n hele groep doe ik dat liever niet. Ga je mee naar de stortbaden?’ Het
zweet parelde op haar gezicht en haar T-shirt plakte op haar borst en rug. Dirk ging
met haar mee en daarna maakten ze nog samen een mooie wandeling. Elk met een
takje in de hand om de muggen weg te slaan. De avondlucht boven de fjord was
felgeel rond de zon en verder rood en blauw met allerlei schakeringen. Dirk dacht aan
het schilderij van Munch, maar zegde dat liever niet. Misschien dacht Karin er ook
wel aan want ze was niet erg spraakzaam. Ze vertelde alleen dat de volleyballers
inderdaad Duitsers waren die eveneens naar de Noordkaap trokken en ook morgen
zouden opbreken.
Terug in de tent aten ze nog wat. Hoewel het bijna middernacht was
hadden ze daarbij geen licht nodig. De gezellige deemstering onder het tentzeil was
aangenamer dan de klaarte van een hotelkamer of een blokhut. Daar hadden ze
telkens de gordijnen dichtgetrokken omdat de lichte nachthemel wat stoorde om in te
slapen.
Anarkali was blijkbaar helemaal vergeten. Zolang de plooien ’s nachts
konden gladgestreken worden met een mooi orgasme, was het niet erg dat er
overdag eens strubbelingen waren, dacht Dirk na het vrijen. Het zou later ook wel niet
altijd rozengeur en maneschijn zijn.
De volgende morgen stonden ze niet al te vroeg op en gingen een
uitgebreid ontbijt nemen in het restaurantje. Een van de Duitsers kwam afscheid
nemen van Karin. ‘Wir sehen uns am Nordkap?’ vroeg hij. ‘Vielleicht’, antwoordde ze
met een glimlach. Dirk beantwoordde ook zijn ‘wiedersehen’, maar hij dacht
onmiddellijk dat hij nu een bijkomende reden had om de volgende dagen eerder een
slakkengangetje aan te houden.
33
Dirk slaagde er inderdaad in om vier dagen te doen over de vijfhonderd
kilometer die hen nog scheidden van het eiland Magerøy waarop de Noordkaap lag.
Deze slenterende manier van reizen leek Karin best te bevallen. Het was duidelijk dat
ze niet graag onder druk gezet werd en dat hij daar al vroeger rekening mee had
moeten houden.
Toen ze de verandering in zijn rijgedrag even ter sprake bracht, zei hij dat
ze nu toch vrijwel zeker waren voor 21 juni aan de Noordkaap aan te komen en dat
ze zich dus wel wat ‘toeristische vrijheden’ konden veroorloven. Ze dacht blijkbaar
niet meer aan de Duitsers en vroeg niet om wat vlugger op te schieten om hen aan
de Noordkaap terug te zien.
Het landschap langs de weg was al erg veranderd. Meer rotspartijen en
laag struikgewas, kleine bomen, mos en toendra-achtige begroeiing. Toen ze langs
een Samennederzetting voor toeristen kwamen, bekeken ze uitgebreid de tenten en
de rendieren, het kleine openluchtmuseum en de snuisterijen van het winkeltje. Dirk
merkte dat Karin aandachtig de halssnoeren van parels, houten blokjes en stukjes
rendiergewei bekeek en hij kocht er een voor haar. Ze beloonde hem met een vlugge
kus.
Ze bezochten ook een paar kleine vissershaventjes en bleven er een
poosje kijken naar de activiteiten van de vissers en de vissersvrouwen op de kaai.
Ook stopten ze onderweg af en toe om op een terrasje met uitzicht op een fjord een
koffie met een gebakje te ‘degusteren’. Toen ze ergens niet te ver van de weg enkele
rendieren zagen grazen, stopte Dirk zelfs om er voorzichtig zo dicht mogelijk bij te
komen voor een foto met Karin.
Het weer liet hen nog eenmaal toe in de vroege namiddag de tent op te
zetten en tweemaal verkozen ze een blokhut omwille van de regen. Wanneer het
weer een late avondwandeling toeliet, zagen ze de nachtelijke zon van achter rotsen
langs de kust over een of andere fjord schuiven om te verdwijnen achter een eiland of
bergen langs de andere oever. Soms was ze omfloerst door mistige nevels in
pastelkleuren, of omgeven door donkerblauwe wolken, maar meestal felgeel, met
oranje en rode kleuren eromheen. Telkens anders, maar telkens weer een prachtig
schouwspel. Karin zei dat zelfs Munch het niet zo goed had kunnen weergeven. ‘Hij
heeft het ook niet echt geprobeerd’, verduidelijkte ze daarna. ‘Hij heeft het alleen
gebruikt en bijgewerkt om zijn gevoelens weer te geven.’
‘Maar dit lijkt me eerder groots en prachtig dan beangstigend.’
‘We zijn hier ook niet op die welbepaalde plaats van Oslo.’
‘En we delen de depressieve gevoelens van Munch niet!’ Trok hij haar
dicht tegen zich aan.
Toen ze eindelijk op de voorsteven stonden van de veerboot die hen naar
Honningsvåg op Magerøy bracht, voelde hij zich een beetje als een conquistador die
nieuw land ging ontdekken en veroveren. Het doel van de reis was binnen bereik.
De grote drukte aan de veerpont liet Dirk vermoeden dat het aan de
Noordkaap enorm druk zou zijn, zodat hij besloot te stoppen bij de eerste camping
die ze tegenkwamen, aan de Kamoyfjord. En zelfs daar, op een twintigtal kilometer
van de kaap, konden ze maar met moeite nog een plaatsje vinden om de tent op te
zetten. De bodem was er zo rotsachtig dat Dirk eerst een stuk plastiek op de grond
legde om de onderkant van het grondzeil wat te beschermen tegen steenslag. Enkele
piketten kreeg hij helemaal niet in de grond, zodat hij daar de touwen moest
vastmaken aan stenen. Gelukkig was een iglotent op zichzelf vrij stabiel en als ze
erin lagen zou hun gewicht wel beletten dat de tent op haar geheel wegwaaide.
Na het uitladen van de bagage en het opblazen van de luchtmatras,
stapten ze in de auto om naar de Noordkaap te rijden. Ze zouden er hun aankomst
vieren met een uitgebreid avondmaal en daarna een goed plaatsje zoeken om de
middernachtzon over de zee te zien voorbijschuiven.
Het viel allemaal een beetje tegen. Ze moesten al een stuk voor de kaap
parkeren en er liep enorm veel volk rond. Sommige jongeren waren nogal luidruchtig.
Het grote gebouw zat vol oudere toeristen, die achter de enorme glaswand de zon
observeerden alsof ze in een comfortabele cinemazaal zaten. Dat was zeker niets
voor hen, vonden ze allebei. Ze schreven er weer drie prentbriefkaarten die bij het
verzenden de speciale stempel van de Noordkaap zouden krijgen.
Van rustig rondwandelen kon wegens de grote drukte ook niet veel in huis
komen. Ze zouden zich dan maar troosten met een feestelijk maal. Ze kozen een
vismenu en Karin wilde daarbij een grote fles witte wijn. ‘Vroeger kregen de soldaten
die naar het slagveld moesten ook een portie alkohol’, gekte ze. Dirk begreep wat ze
daarmee bedoelde en dacht ‘op dit slagveld zal er wel geen bloed meer vloeien’. Hij
glimlachte alleen maar omdat hij niet direct een goed antwoord vond.
Het was een lekker maal, maar de sfeer was door al dat toeristisch gedoe
helemaal niet zoals hij verwacht had. Karin voelde zich daarbij een beetje loom na
het eten en de fles wijn, zodat ze een plaatsje zochten aan de rand van de rotskaap,
waar ze konden neerzitten en waar niemand nog voor hen zou kunnen gaan staan.
Karin legde haar hoofd tegen zijn schouder en zei: ‘Als ik in slaap val, moet je me pas
wakker maken wanneer de zon op het laagst is.’
Het duurde inderdaad niet lang vooraleer hij aan haar ademhaling hoorde
dat ze sliep. Er hing een witte nevel over de zee en de zon vormde daarachter alleen
maar een grote gele vlek die tergend langzaam voorbijschoof.
‘Het avontuur is in de avonturier’, dacht Dirk, maar dit was allesbehalve
een rituele beleving aan het worden. Op hoeveel verschillende manieren zouden al
die mensen die daar rondliepen de middernachtzon ervaren? De meesten waren er
blijkbaar vooral op uit kiekjes te nemen van zichzelf met de zon op de achtergrond,
om er hun fotoalbum mee te stofferen en er bij vrienden en familieleden mee uit te
pakken. En wat had hijzelf ervan willen maken? Een mystificatie om zijn ware
motieven te verbergen? Er was niets oneerbaars aan het feit dat hij haar wilde
veroveren en een relatie met haar op het oog had. Maar het was vooral om haar weg
te houden van die Karel dat hij halsoverkop met haar op reis gegaan was. Zij had wel
zelf gezegd dat het volledig gedaan was met die man. Maar was dat wel zo?
Misschien kon hij voortaan beter een kat een kat noemen en verdere mystificaties
vermijden. ‘Een kat een kat noemen’ … Een grappig of een hypocriet eufemisme voor
‘een kut een kut noemen’? Vanavond was de sfeer en de stemming niet erg gunstig,
maar morgen zou hij haar vragen of ze te vinden was voor een monogame
langdurige relatie.
Zijn mijmeringen hiermee afsluitend maakte hij Karin wakker. De grote
gele vlek was al zeer dicht gekomen bij waar het wateroppervlak ergens begon,
achter de nevelslierten. Ze keken zwijgend naar de langzaam verschuivende lichtvlek
en Dirk maakte een foto van Karin met die achtergrond. Een bereidwillige
omstaander bood zelfs aan een foto van hen twee te maken. Daarna verlangde Karin
naar ‘haar bed’. En daarmee bedoelde ze blijkbaar in de eerste plaats ‘om te gaan
slapen’.
Omdat ze, eenmaal in de tent, zich toch helemaal uitkleedde zonder haar
nachtjaponnetje aan te trekken, begon Dirk met een uitgebreid voorspel om zeker tot
een gelijktijdig orgasme te komen. Daar ze zelf al gealludeerd had op de penetratie
vond hij het niet nodig daar nu nog iets over te zeggen. Ze zou het wel laten blijken
indien ze bezwaren had. Maar ze leek eerder te gedwee, alsof ze alles zomaar liet
gebeuren. Achteraf kon hij zich niet van de indruk ontdoen dat ze een orgasme
geveinsd had.
34
De volgende morgen werd hij wakker door het geluid van regendruppels
op de tent. Dat ontbrak er nog aan. Hij stak zijn hoofd buiten om een kijkje te nemen.
De hemel was een groot grijs wolkendek. Wat konden ze hier de hele dag doen op
dat kale rotseiland? Wat rondrijden in de regen? Met een veerboot vanaf de zuidkant
naar de Noordkaap varen en terug? Daar zouden ze enkele uren mee bezig zijn en
ongetwijfeld zou er eetgelegenheid zijn op het schip. Dat leek de gemakkelijkste
oplossing. Het was al tien uur. Na een stortbad en een ontbijt in het restaurantje zou
het wel twaalf uur worden vooraleer ze aan het haventje waren om in te schepen.
Hij maakte Karin wakker en overlegde met haar wat ze zouden doen. Ze
vond zijn voorstel niet slecht, maar was het wel nodig om nog eens te gaan varen?
Ze hadden dat toch al een paar maal gedaan en als het bleef regenen, had het geen
zin om vannacht op de Noordkaap naar de helemaal onzichtbare zon te gaan kijken.
Ze hadden tijdens de voorbije dagen die zon al boven de zee van de ene oever van
een fjord naar de andere zien schuiven en dat volstond voor haar. ‘Wie weet hoelang
het hier zal blijven regenen’, zei ze. ‘Er is geen enkele reden om hier nog langer te
blijven.’
Dirk kon haar geen ongelijk geven, maar hij vond het een beetje afdruipen
als een verslagen leger, indien ze zo pardoes vertrokken.
‘Helemaal niet verslagen’, zei Karin. ‘We hebben toch een succesvolle
penetratie gehad, zonder enig teken van vaginisme!’
De toon waarop ze dat zei, beviel Dirk niet erg. Het leek hem ook helemaal
niet de gewenste stemming om nu over een monogame relatie te beginnen. Het zou
voor hem dus wel een soort aftocht worden. ‘Vooruit dan maar’, zei hij met enige
tegenzin. Maar Karin deed alsof ze dat niet merkte. Ze liepen op een drafje naar de
sanitaire blok en gingen daarna een stevig ontbijt nemen. Na het inladen van de
bagage moest Dirk opnieuw de binnentent met het natte grondzeil naar boven en
daarover het nog nattere buitenzeil zo wijd mogelijk openspreiden. Dat zou natuurlijk
weer de hele tijd bedampte ruiten geven.
Karin deed alsof alles best in orde was. Ze installeerde zich zo comfortabel
mogelijk in de auto en koos een vrolijk muziekje, terwijl Dirk zich wat ergerde aan de
neerslaande damp, aan de verwarming die hij moest opzetten en aan de halfopen
vensters die de vochtigheid maar langzaam weg kregen.
Aan het veer moesten ze een hele tijd wachten om in te schepen. Blijkbaar
had het slechte weer een kleine uittocht veroorzaakt. Dirk bestudeerde er zijn
landkaarten en besloot Kiruna te laten vallen om rechtstreeks naar Finland af te
buigen. Langs de zeer lange brede Porsangenbaai zouden ze dan, als hij wat traag
reed, misschien wel tweemaal kunnen overnachten vooraleer het binnenland in te
trekken. Als het weer meewilde, zouden ze van op de oever toch nog eens de
middernachtzon over de zee voorbij zien schuiven. Een twintigtal kilometer voorbij de
overzet was er volgens de kaart een kleine landtong met een dorpje. Daar zouden ze
wel een ‘bed and breakfast’ vinden en met wat geluk ook uitzicht hebben op het
noorden, de baai en de poolzee. Om het risico niet te lopen dat Karin bezwaren zou
opperen, besloot hij daar voorlopig niets over te zeggen. Ze had er in elk geval niets
op tegen om rechtstreeks naar Finland te rijden.
Karin herinnerde hem ook nog aan ‘de boekhouding’. Met enige moeite
konden ze zich de uitgaven van de voorbije dagen herinneren en noteren.
Het was maar toen ze aan de weg naar Repvåg kwamen dat Dirk deed
alsof hij plots naar dat dorpje wilde ‘omdat het toch al laat in de namiddag was en ze
best een restaurantje konden zoeken’. Dat vonden ze er inderdaad. Dirk informeerde
tijdens het eten of er misschien logement te vinden was in de kleine nederzetting. Ze
kregen van de patroon een hele uiteenzetting om de weg te vinden naar een
alleenstaand huis dicht bij het water, waar kamers verhuurd werden. Dirk stelde Karin
voor daar te gaan logeren, ‘om de tent te kunnen drogen’. Ze drong gelukkig niet aan
om door te rijden, hoewel het opgehouden had met regenen en de hemel langzaam
opklaarde.
Het bleek een aangenaam gasthof te zijn, waar een jong koppel het grote
huis in een drietal studio’s verdeeld had en tijdens de zomer zelf in de
kelderverdieping woonde. Terwijl ze Dirk en Karin een studio lieten kiezen, vertelden
Johan en Birgit in vlot Engels dat ze meestal een stuk van de winter doorbrachten
aan de Middellandse Zee, telkens in een ander land. Johan was bioloog,
gespecialiseerd in de visserij en visteelt. Hij kon ’s winters gemakkelijk vrij nemen.
Karins keuze viel op de kamer die aan de achterkant van het gebouw
uitzicht gaf op een verwilderde tuin vol struiken, met wat verder een stukje bos met
kleine schrale boompjes en aan de rand van het water een grote hut. ‘Dè saunahut’,
zei Birgit. Johan lachte dat de grote Porsangenbaai van hem was en Birgit had met
het huis en de gasten al werk genoeg zonder dat ze nog een tuin onderhield. Ze
plukten er alleen wat wilde bessen.
Ze hielpen zeer bereidwillig om de tent onder een afdak op te hangen. Dirk
en Karin waren hun eerste gasten voor die dag, maar ongetwijfeld zouden er nog
volgen. En inderdaad, terwijl ze bezig waren met de tent arriveerde een Noors gezin
met een paar kinderen. Het bleken vaste bezoekers te zijn, vrienden zelfs, die enkele
dagen zouden blijven. Ze kwamen liever hier naar de middernachtzon kijken dan op
de overdrukke Noordkaap. Ze wisten daarvoor een mooi plekje en zouden rond elf
uur Karin en Dirk meenemen daar naartoe, terwijl Johan en Birgit thuis bleven bij de
kinderen.
Dirk en Karin trokken zich daarna terug in hun studio om wat te rusten.
‘Dat lijken me heel prettige koppels te zijn’, zei Dirk terwijl hij op de rand van zijn bed
ging zitten. ‘Die Johan en Birgit hebben ongetwijfeld een interessante manier van
leven gevonden.’
‘Zolang er geen kinderen zijn, kunnen ze het zich permitteren.’
‘Misschien wachten ze daarmee tot ze alle Middellandse Zeelanden
verkend hebben?’
‘Heb je niet gemerkt hoe prettig Birgit omging met de kinderen van het
andere paar? Ik denk dat het niet lang meer zal duren vooraleer ze haar Johan de
oren van zijn kop zaagt om zelf ook kinderen te hebben.’
‘Na enkele jaren kunnen die dan ’s zomers mee naar het zuiden. Op alle
campings vinden de kinderen vriendjes en houden ze elkaar bezig.’
‘Dat wel. Maar het betekent toch een drastische verandering in de manier
van leven. Je moet er de juiste mentaliteit voor hebben.’
Het leek Dirk alsof ze daarmee wilde zeggen dat zij die mentaliteit niet, of
nog niet had. Hij waagde toch nog: ‘Blijkbaar komt dat na enkele jaren samenleven
helemaal vanzelf. Solveig en Gustav leken geen problemen te hebben met hun
kinderen.’
‘Misschien niet.’ Karin draaide zich met haar gezicht naar de muur. ‘Ik
denk dat we nu beter wat slapen als we vannacht laat willen opblijven.’
Dirk trok de dikke gordijnen dicht en ging ook op zijn bed liggen. Maar het
duurde nog een hele tijd vooraleer hij indutte. Indien Karin in het onderwijs stapte
later, zouden ze zich ook lange zomervakanties kunnen permitteren en verre reizen
maken.
Het was al na tien uur toen Dirk wakker werd. Karin was nog rustig aan het
slapen. Hij ging de gordijnen opentrekken en ze werd wakker van de plotse klaarte in
de kamer. Ze verfristen zich een beetje en trokken wat warme kleren aan.
Birgit kwam aankloppen om te zien of ze klaar waren voor de wandeling.
Ze zei dat ze daarna allen samen een biertje en een Aquavit zouden drinken. Het
leek haar vanzelfsprekend dat Dirk en Karin zouden meedoen.
Het werd een hele wandeling naar een soort rotspunt tussen het bosje en
de baai. Onderweg begonnen muggen rond hun hoofd te zoemen. Gustav kraakte
takjes van een struik, om ze op afstand te houden. ‘Wanneer de wind uit de zee komt
hebben we er weinig last van’, zei hij, ‘maar nu is hij blijkbaar aan het draaien.’ Na
wat klimmen kwamen ze op een klein plateau vanwaar ze een prachtig zicht hadden
op de wolkenhemel en het water. De zon was nog verborgen achter heuvels en
groen, maar ze verlichtte de verre andere oever van de baai. Donkere wolkenslierten
hingen in het noorden over de zee en contrasteerden fel met de vele kleuren van de
hemel en de weerkaatsing in het water. Na een poosje kwam de zon traag van achter
de donkere massa aarde en groen en schoof ze langzaam en half bedekt door de
grillige strepen van de wolken naar de andere oever van de baai. Daarbij
veranderden de kleurschakeringen voortdurend. In heel Scandinavië bood die
wisselwerking tussen de zon, de wolkenhemel en de weidse landschappen blijkbaar
bijna elke avond zo’n indrukwekkend schouwspel dat het de moeite loonde er telkens
een avondwandeling voor te maken. Wat een verschil met het heimelijk, bijna
onopgemerkt verdwijnen van de avondzon bij ons, dacht Dirk.
Tussendoor babbelden ze wat onder elkaar. Gustav die in een bank
werkte, stelde allerlei vragen over de euro, de heimelijke prijsstijgingen die hij
veroorzaakt had en de weerslag die het waardeverschil met de Amerikaanse dollar
had voor de economie. Maar noch Dirk noch Karin konden hem iets vertellen dat hij
niet zelf beter wist. Van Solveig vernam Karin dat ze al verschillende jaren bevriend
waren met Birgit en Johan. Ze woonden in Narvik en telkens wanneer ze enkele
dagen vrij hadden, was Repvåg hun favoriete bestemming. Ze kwamen er vissen,
varen, wandelen, en ’s avonds zaten ze altijd gezellig samen met Birgit en Johan,
dikwijls ook met andere gasten erbij. Zo kwamen ze soms toch een beetje in contact
met het buitenland zonder op reis te moeten gaan. Want ze waren meer
geïnteresseerd in de natuur en ontspanning samen met hun kinderen, dan rond te
zeulen met bagage in vreemde landen. En ’s winters deden ze liever aan wintersport
dan in het zuiden van Europa in de zon te gaan liggen. Solveig was lerares
lichamelijke opvoeding.
Van Johan en Birgit wisten ze te vertellen dat die al in Griekenland en op
Kreta geweest waren, in Italië en Spanje en dat ze nu twijfelden tussen Turkije en
Portugal. Ze hadden al hun foto’s gezien en vele anekdoten gehoord, zodat ze zich
alles zeer goed konden voorstellen. Misschien zouden ze zelf later ook wel op reis
gaan, naar Mexico of Egypte of China, om toch nog iets van de wereld te zien
wanneer de kinderen groot waren en zijzelf gepensioneerd.
Opeens kwam toen de vraag of Dirk en Karin al veel gereisd hadden. Dirk
antwoordde vlug dat dit hun eerste reis was. ‘Onze eerste grote reis samen’,
verbeterde hij nog. Hij merkte dat zijn antwoord nog meer vragen opriep, maar
gelukkig werden die niet gesteld. Noorwegen was door zijn grote variaties qua natuur
wel een der mooiste landen van Europa, stelde Gustav. Dirk en Karin hadden voor
hun eerste reis dus een goede keuze gemaakt, voegde Solveig er aan toe. Dirk
beaamde dat natuurlijk, terwijl Karin knikte en deed alsof ze aandachtig naar de
middernachtzon bleef kijken.
Toen de zon tegen de andere oever begon omhoog te klimmen, vond
Gustav dat het tijd werd voor het biertje en het borreltje en ze keerden terug naar het
huis. Er steeg een fijne rookpluim op uit de schouw van de saunahut, merkte Dirk.
Maar omdat niemand daar een opmerking over maakte, gaf hij er verder geen
aandacht aan.
Birgit en Johan wachtten hen op in de benedenverdieping die ook hier
naar de tuin toe een gelijkvloers vormde met een groot terras. Op de tafel stonden
wat bierflesjes, een fles jenever en enkele schoteltjes gerookte vis. Er was voor
iedereen een groot glas voorzien voor het bier en een kleiner voor ‘het vuurwater’. De
kinderen waren blijkbaar al naar bed.
De opvallende verzameling souvenirs die Birgit en Johan meegebracht
hadden van hun reizen, was een eerste onderwerp van gesprek. Karin bekeek
aandachtig een kopie van een antieke Griekse vaas om de figuren die er op
voorkwamen te identificeren. Ze slaagde met succes. Ze wist ook dat een bevallig
vrouwenfiguurtje met blote borsten en slangen in haar handen van Kreta kwam. Bij
een lang uitgerekt en uitermate dun figuurtje was Johan haar voor met zijn eigen
uitleg: zo smal moest hij zich maken hier in huis omdat Birgit er alles te zeggen had.
Daar werd natuurlijk mee gelachen en Birgit repliceerde met: ‘Buiten is hij de baas,
maar het huis is mijn territorium!’ Karin wist dat het beeldje een kopie was van ‘De
schaduw van de avond’ uit een of ander Etruskisch graf. Er hing ook nog een
ossenjuk dat uit Spanje bleek te komen en er waren nog heel wat aarden potten en
andere snuisterijen zoals een paar elegante damesschoenen in albast en oude
tegeltjes en schotels. Er was niets uit België omdat ze daar nooit afweken van de
autosnelweg, om zo vlug mogelijk naar het zuiden door te rijden. Dirk zei natuurlijk
dat ze ongelijk hadden, dat ze zeker eens enkele steden zoals Brugge, Gent,
Antwerpen en Brussel moesten aandoen op hun doortocht. Een beetje voortvarend
nodigde hij hen alle vier uit om eens voor enkele dagen naar België te komen.
‘Wonen jullie in een huis of op een appartement?’ haakte Solveig daar
onmiddellijk op in. Daarmee hoopte ze ongetwijfeld een antwoord te krijgen op de
vragen die ze daarvoor niet had durven stellen. Karin was de eerste om te reageren:
‘We zijn eigenlijk maar tijdelijk samen voor deze ene reis.’ ‘En we weten nog niet hoe
het verder zal gaan’, vervolledigde Dirk vlug, ‘maar ik kan altijd voor logies zorgen
indien jullie eens willen overkomen.’ Met een vage toezegging dat ze het aanbod in
overweging zouden nemen, werd het onderwerp afgesloten. Blijkbaar waren ze liever
bij een echt koppel terecht gekomen.
Birgit en Solveig begonnen dan op een prettige manier Karin te
waarschuwen voor de hebbelijkheden van de mannen en Gustav en Johan dienden
hen op dezelfde manier van antwoord om Dirk bij te springen. Die hield zich wijselijk
afzijdig, maar Karin liet zich wel meeslepen. In het vuur van de discussie liet ze een
paar maal haar jeneverglaasje bijvullen. Ze zei ten slotte dat ze eerst nog wat wilde
rondneuzen en zien wat er in de wereld zoal te krijgen was, vooraleer ze ‘haar vel
zou verkopen’. De beide vrouwen beaamden dat ze inderdaad heel omzichtig te werk
moest gaan. Hun mannen vulden elkaar daarop aan ‘dat ze het vel van hun vrouwen
alleen maar in huur hadden gekregen’, en ‘dat ze er een ander lichaamsdeel voor in
pand hadden moeten geven’. Ze porden Dirk aan ook een duit in het zakje te doen.
Hij viel wat uit de toon toen hij ten slotte veel te ernstig zei: ‘In onze maatschappij zijn
de risico’s voor de beide partners praktisch even groot en normaal gezien brengen ze
allebei evenveel van zichzelf in de relatie. Het gaat hem wel om een relatie en niet
om bezit.’
Daarna hadden de vrouwen het nog wat over hanig gedrag van mannen,
en over moederdieren die hun aandacht zeer oordeelkundig moeten verdelen over
hun kleine kinderen en ‘hun grootste kind’, om niemand in de kou te laten. Maar de
toon was niet meer zo grappig en Birgit vond dat het tijd werd om naar de sauna te
gaan ‘om daar de de discussie verder te zetten’. Dirk en Karin waren wat verrast door
dit ietwat onverwachte voorstel dat een vanzelfsprekend onderdeel van het
programma bleek te zijn. Johan stond op en ging weg alsof hij iets ging doen dat
afgesproken was. Birgit verontschuldigde zich dat ze er niet eerder iets over gezegd
had. Voor hen was het de natuurlijkste zaak van de wereld dat ze nu allen samen
naar de sauna zouden gaan. Vooral tijdens de heldere nachten van de midzomer was
het onder vrienden zeer gebruikelijk. Toen Birgit zag dat Karin aarzelde, zei ze:
‘Eventueel kunnen de vrouwen en de mannen afzonderlijk, of jullie twee samen en wij
daarna?’ Maar ‘niet naar de sauna gaan’ leek helemaal geen optie.
Karin herpakte zich en zei dapper: ‘Allen samen.’ Daarop zei Birgit alsof ze
een uitzondering aankondigde ‘dat iedereen met een badhanddoek of een badjas
naar de hut zou gaan’. En Gustav voegde eraan toe dat iedereen ook zijn
jeneverglaasje mocht meenemen. Voor de fles en de biertjes zou hij zorgen.
Karin trok een badjas aan nadat ze zich op de kamer uitgekleed had,
terwijl Dirk alleen een grote badhanddoek rond zijn lenden knoopte. Vooraleer ze de
kamer verlieten vroeg hij haar ‘op de man af’: ‘Meende je het, Karin, dat je eerst wilt
zien wat er in de wereld zoal te krijgen is?”
‘Natuurlijk!’ Ze was blijkbaar al een beetje aangeschoten.
‘Ik had gedacht dat we na deze reis zouden zien of er geen mogelijkheid in
zat om een blijvende relatie te beginnen?’
‘Dat heb je misschien gedacht, Dirk. Maar je hebt gezegd dat het alle
kanten uit kon!’
‘Ja …’ aarzelde hij.
‘Dus kan het evengoed een eenmalige reis zijn met prettige seks en veel
experimenteren!’ Ze maakte een nonchalante beweging met haar handen. ‘Je hebt
me inderdaad al dingen geleerd die Karel niet kende, of die hij misschien niet deed
omdat hij vond dat ik er nog niet rijp voor was. Maar er is in de wereld ongetwijfeld
nog veel meer te beleven!’ Alsof daar verder niet meer over gepraat moest worden
opende ze de deur en ging hem voor naar beneden. Dat was het dus. Heel wat
minder dan het huwelijksaanzoek waarvan hij was gaan dromen.
De anderen stonden al buiten op het terras op hen te wachten en naar de
muggen te slaan met hun badhanddoek. Op een rijtje liepen ze vlug naar de hut.
Daar lagen bosjes berkentakjes klaar, samengebonden als boeketjes blaren zonder
bloemen. Ze namen er elk een. Johan goot water op de hete granietkeien en ging
daarna met Gustav op de bovenste bank zitten. Birgit en Solveig namen plaats op de
tweede bank. Hoewel er op elke bank nog plaats genoeg over was, bleven Karin en
Dirk bij de onderste bank. Dat bleek geraadzaam want het was heter in de hut dan in
de sauna van Spiterstulen. Er werd ook meer water op de keien gegooid, zodat heel
wat meer damp vrij kwam en er stevig werd gezweet. Wanneer Johan en Gustav
begonnen met de ruggen van hun vrouwen te slaan met de berkentakjes volgden
Dirk en Karin hun voorbeeld, maar elk voor zich.
Na een poosje gaf Johan het sein om te gaan zwemmen. Ze liepen met
hun handdoek in de hand naar het water en sprongen er een voor een in. Karin was
de laatste, maar na een korte aarzeling volgde ze ook. Ze was er wel als eerste terug
uit en wreef zich droog en warm terwijl ze naar de saunahut terugliep. Birgit en
Solveig volgden haar en daarna kwamen ook de drie mannen terug op het droge.
Dirk moest wel wat op de tanden bijten om het zo lang uit te houden als Johan en
Gustav.
Karin kreeg complimentjes omdat ze zich heel dapper had gedragen.
Gustav deelde biertjes uit en ook Karin nam er een. Alleen hij en Johan dronken er
nog een jenevertje bij. Toen ze weer flink aan het zweten waren, begon het slaan met
de berkentakken opnieuw. Er werden wat grappen gewisseld over de heilzame
uitwerking van het slaan van vrouwen. Karin kon er niet om lachen, maar ze
reageerde er toch niet op.
De vrouwen bleven in de sauna zitten keuvelen terwijl de mannen nog
eens in de fjord gingen duiken. Johan daagde hen uit zo lang mogelijk te blijven
zwemmen, wat hij glansrijk won. Dirk was de eerste om klappertandend terug naar de
sauna te lopen. Ze strekten zich nu op de banken uit ‘om rustig uit te bollen’.
Terug in huis ging iedereen vlug de eigen kamer opzoeken. Karin trok een
warme pyjama aan en kroop onder de dekens. ‘Voor mij toch liever een minder
extreme sauna, zoals in Spiterstulen’, zei ze.
Dirk wilde graag terugkomen op haar uitlatingen van daarvoor en hij begon
voorzichtig: ‘Heb je gemerkt hoe ongedwongen die mensen met hun naaktheid
omgaan? Een veel gezondere houding dan de gecommercialiseerde seks en de
oppervlakkige erotiek die bij ons tegenwoordig hoogtij viert.’
‘Ja, maar erotiek kan ook veel intenser zijn dan in je blootje rondlopen.’
‘Inderdaad. Als er liefdevolle gevoelens meespelen …’
‘Jij ziet het veel te eenzijdig, vanuit die ene hoek van jou. Er kunnen ook
heel wat andere gevoelens meespelen.’
‘Welke?’ Hij dacht aan agressiviteit, sadomasochisme.
Ze vond niet onmiddellijk een antwoord. ‘Desnoods alleen maar erotische
gevoelens’, zei ze dan ontwijkend.
‘Gevoelloze gevoelens!’
‘Nee! Er zijn er ook veel andere. Dat is waarvoor mijn droom wilde
waarschuwen. Dat je te veel belang hecht aan jouw soort gevoelens!’ Ze trok het
deken over haar hoofd en daarmee eindigde het gesprek. Blijkbaar zou er niet gevrijd
worden.
Dirk bleef denken aan de nonchalante naaktheid van Birgit en Solveig. Ze
voelden zich duidelijk zeer goed in hun vel en in hun relatie. Ongetwijfeld lagen ze nu
lekker te vrijen met hun man, terwijl Karin onvoorspelbaar nukkig deed.
35
Toen Dirk de volgende morgen de gordijnen opentrok, was het eerste dat
hem opviel een grote zwerm muggen die danste boven de struiken in de tuin. Dat
beloofde niet veel goeds. Tot een stuk voorbij Rovaniemi zouden ze ongetwijfeld nog
te maken hebben met die plaag. Hij zou er goed aan doen zijn plan wat te wijzigen
om zo vlug mogelijk door het noordelijke toendragebied te trekken.
Hij plooide een landkaart open om zijn planning klaar te hebben vooraleer
Karin wakker werd. De Finse grens was ongeveer 250 kilometer ver. Met wat geluk
zouden ze, daar voorbij, ‘s avonds nog tot Ivalo geraken, om dan de volgende dag
Rovaniemi te bereiken. Het was beter in stadjes te overnachten omdat ze daar
wellicht minder last zouden hebben van de muggen.
Hij liet de kaart openliggen en ging douchen. Toen hij terug in de kamer
kwam sliep Karin nog steeds. Hij wekte haar en vertelde haar over de muggen en zijn
plan om de zeshonderd kilometer naar Rovaniemi in twee dagen af te leggen. Ze was
erg suf en knikte met gesloten ogen dat alles voor haar oké was. Ze slaapwandelde
naar het badkamertje. Hij kleedde zich aan en begon wat bagage te verzamelen.
Aan de ontbijttafel merkte Dirk dat Karin het halssnoer van parels, stukjes
hout en rendiergewei dat ze de vorige dagen gedragen had, niet meer aan had. Birgit
informeerde of ze geen zwaar hoofd overgehouden had aan de jenever. ‘Niet meer
na het douchen’, lachte ze. Er werd niets meer gezegd over het gekkende gekibbel
van de vorige avond. Er werden telefoonnummers uitgewisseld en het was Karin die
nu herhaalde dat ze eens naar België moesten komen. Daar werd wel ‘ja’ op gezegd,
maar Dirk had niet de indruk dat het echt gemeend was. Dat was ook de minste van
zijn zorgen.
De nog ietwat vochtige tentzeilen bleken vol muggen te zitten toen ze die
wilden opplooien. Johan hielp ze verjagen met een mattenklopper. Tijdens het verder
inladen moesten ze af en toe de zoemende beestjes van zich afslaan en toen ze
goed en veilig in de auto zaten bleken er ook enkele muggen binnengeraakt. Dirk
maakte er jacht op vooraleer te starten, terwijl Karin in haar bagage zocht naar de
muggenspray en de lotion. Hun nieuwe vrienden wuifden hen uit van achter de ramen
van het huis.
Ze reden nog bijna honderd kilometer langs de grote Porsangenbaai en
picknickten in de wagen aan de meest zuidelijke punt, waar de weg het binnenland
introk. Geen van beiden was erg spraakzaam. Karin realiseerde zich ongetwijfeld dat
er een en ander veranderd was tussen hen door de bekentenis over haar
toekomstplannen. Waarschijnlijk nam ze nu een afwachtende houding aan. Ze
besteedde al haar aandacht aan het uitkiezen en beluisteren van cd’s die ze tijdens
de vorige dagen wel allemaal al eens gehoord had. Dirk besefte dat de bal in zijn
kamp lag, maar hij wist niet goed hoe te reageren. Hij sprak alleen maar wanneer het
nodig was en in verband met wat gedaan moest worden. Hij voelde een beetje
weemoed om het verlaten van de Porsangenbaai waar hij had gehoopt nog een
tweede mooie avond met de middernachtzon te beleven.
De weg naar de Finse grens was veel minder druk dan de weg naar de
Noordkaap, zodat Dirk een goede snelheid kon aanhouden zonder veel risico’s te
nemen. Op de voorruit groeide het aantal muggenlijkjes gestadig aan. Maar door de
zijvensters zagen ze meer dan genoeg van het monotone landschap met mos en
rotsen, struikgewas en schrale boompjes. Af en toe waren er wat grazende rendieren,
en bij een paar kleine nederzettingen van Samen stonden er wat kraampjes langs de
weg met allemaal dezelfde rendiervellen, geweien, heksen en kobolden en andere
snuisterijen voor toeristen. Dirk dacht er een ogenblik aan te stoppen om een
rendiervel te kopen. Het kon wel een speciale kick geven op zoiets te liggen vrijen.
Indien hun tocht naar de middernachtzon succesvol was verlopen, had dit een even
sterke gevoelswaarde kunnen krijgen als de herinnering aan de matrassen op de
grond met die Karel. Zou Karin niet terug aanpappen met die kerel als ze thuiskwam?
Maar alles was nog niet verloren. Er bleven nog heel wat dagen over vooraleer ze
terug in België waren.
Ze moest natuurlijk zelf beslissen hoe en met wie ze wilde leven. Maar wat
hij haar te bieden had was ontegensprekelijk beter dan wat ze nu zelf verkoos. Hij
moest haar behoeden voor de gevoelsarmoede waarin ze kon terecht komen, haar
beschermen tegen zichzelf. Maar hij moest ook opletten dat ze hem niet in een
bedelaarspositie duwde.
Aan de grens vulde Dirk zijn voorraad euro’s wat aan en wisselde de rest
van zijn Noorse kronen om in Zweedse. De bediende van het pompstation gooide
een grote emmer water over de voorruit om ze af te zemen. Ze kochten in de shop
nog wat fruit, een sandwich met een dun lapje rendiervlees voor hem en een gebakje
voor Karin.
Daarna vertrokken ze voor de honderdveertig kilometer die hen nog van
Ivalo scheidden. Dirk bleef erover piekeren welke houding hij zou aannemen
tegenover deze nieuwe Karin. Indien ze uitdrukkelijk liet merken dat ze wilde vrijen,
zou hij erop ingaan, maar hij wou haar graag laten aanvoelen dat hij niet zomaar al
haar wensen zou involgen indien het voor haar alleen maar een spelletje was. Hij zou
er wel een probleem mee hebben indien ze hem op de een of andere manier het
initiatief deed nemen. Haar negeren kon wat vijandig overkomen.
Het landschap bleef nog lange tijd hetzelfde als in Noorwegen. Pas tegen
het einde van de rit begon de eindeloze reeks Finse meren. Ze kwamen ruim op tijd
in Ivalo aan om een hotelletje te vinden. Nadat ze zich wat verfrist hadden, schoven
ze aan bij de zelfbedieningstafel voor een stevig avondmaal. Ze kozen allebei
visbereidingen en Dirk bestelde een fles witte wijn. Dat kon misschien voor een
oplossing zorgen in de gegeven situatie.
De oplossing kwam er, maar niet zoals Dirk het zich voorgesteld had.
‘Deze fles is voor mijn rekening’, zei Karin, ‘om het succes van onze
Noordkaaptocht te vieren.’
‘Succes?’ Dirk kon zijn ontgoocheling niet goed onderdrukken.
‘Ja! Ik heb toch niet gehinnikt bij de penetratie en we hebben al heel
dikwijls lekker gevrijd en veel mooie dagen beleefd!’
Dirk kon dat allemaal niet tegenspreken.
‘Je moet alleen maar niet te veel belang hechten aan gevoelens, Dirk’.
Het leek alsof ze hem aan het betuttelen was. Hij tikte zijn glas tegen het
hare en zei: ‘Op de seks om de seks dan maar.’ Karin leek de ironische ondertoon
niet op te merken en lachte. Dirk grinnikte bij de sarcastische bedenking dat hij nu
‘zijn staart niet meer kon intrekken’.
Terug op de kamer was het met een soort onderdrukte agressiviteit dat hij
haar na wat kussen en strelen van haar bed tilde en op het bedtapijtje legde. Op een
rendierhuid zou het zoveel erotischer geweest zijn, dacht hij. Maar het was toch beter
op de harde ondergrond dan op de zachte smalle matras. Omdat hij een eerste maal
vrij vlug klaar kwam, rekte Karin het naspel tot hij opnieuw het initiatief nam en ook zij
een orgasme kreeg.
36
Ze sliepen allebei vrij lang en moesten zich haasten om nog op tijd aan de
ontbijttafel te komen. Karin was in een bovenste beste stemming, terwijl Dirk trachtte
te verbergen dat hij zich wat bekakt voelde. Hij merkte dat ze weer het halssnoer
droeg dat hij in Noorwegen gekocht had.
Het weinige dat ze uit de auto gehaald hadden was er vlug terug in
geladen. Dirk vond het niet meer nodig de lotion te gebruiken voor de enkele muggen
die er rondhingen. Ook niet toen ze in een kleine supermarkt wat gebakjes en melk
gingen kopen om tijdens de rit van de dag iets te kunnen eten zonder uit de wagen te
komen. Maar Karin bleef dapper haar spuitbus gebruiken.
Ze waren maar amper vertrokken of het begon te regenen. Dat belette hen
veel te zien van het landschap, dat weinig of niet leek te verschillen van de vorige
dag. Terwijl Karin opnieuw met de muziek bezig was, zocht hij naar een passend
onderwerp om het probleem van haar ‘rondkijken naar wat de wereld zoal te bieden
heeft’ aan te kaarten. Het leven van Marguerite Duras kon een goed voorbeeld zijn
van hoe een jong meisje dat op een liefdeloze manier seks bedrijft, later een
vereenzaamde oude dame wordt die haar leven vult met literatuur en alcohol.
Juist toen hij daarover wou beginnen beduidde ze hem te zwijgen en te
luisteren naar een liedje dat ze daarvoor nog al had laten horen, maar zonder er veel
aandacht aan te besteden. Het was een vrij eenvoudige tekst: ‘Baby, sugar me …
Sugar me by day … Sugar me by night … Got to have my candy free …’ Karin
wiegde mee op het ritme van de muziek en keek hem daarbij vragend en lachend
aan. ‘Wat vind je ervan? Een leuk oud plaatje, niet? Van Lindsay de Paul.’
‘Het is inderdaad een prettig muziekje. Met haar frêle stemmetje lijkt ze
helemaal een overmoedige tiener die haar erotische wensdromen uitzingt.’
‘Maar het is erg goed, hé? Naar het schijnt stond ze er maandenlang mee
aan de top! Nu hoor je het bijna nooit meer, maar ik vond het in een verzameling
“oldies but goldies”.’
‘Het is wel een beetje immoreel.’
‘Hoezo?’
‘In onze cultuur heeft seks als voornaamste functie het leggen van een
relationele band en Lindsay maakt er precies een lolletje van. Zoiets als overdadig
veel snoep consumeren. Even ongezond eigenlijk.’
‘Wat kan er ongezond zijn aan prettige seks?’
‘Het kan onaangename verrassingen en zelfs catastrofen veroorzaken
wanneer het opeens maar een avontuurtje blijkt te zijn.’ Karin begreep onmiddellijk
wat hij bedoelde en haar gezicht betrok.
‘Indien Karel me op voorhand verteld had hoe de zaken stonden, had ik
zeker niet zò gereageerd. En zelfs nu moet ik hem misschien dankbaar zijn dat hij mij
de ogen geopend heeft!’
‘Toch wel op een heel gevaarlijke manier! Men veroorzaakt onvermijdelijk
een drama wanneer men iets dat voor de partner een unieke beleving is, neerhaalt
tot een beetje snoep.’
‘Daarom moet men partners zoeken voor wie het ook alleen maar een
portie snoep is, of hen daarvan zien te overtuigen. Dan staat men op gelijke voet.
Dan is niemand de baas.’
‘In een liefdevolle relatie is niemand onderworpen aan de andere, tenzij ze
dat zelf willen. Beiden zijn vragende en gevende partij.’
‘De mannen zijn toch de jagers en de vrouwen het wild?’
‘Vroeger misschien, maar nu zegt het spreekwoord: “l’homme propose et
la femme dispose”.’
‘Ja, maar intussen moeten de vrouwen wel wachten tot de ware Jakob hen
komt vragen!’
‘Ze hebben mogelijkheden genoeg om die ware Jakob aan te trekken, en
kunnen altijd kiezen tussen meerdere pretendenten!’
‘Maar in vele culturen wordt hun mening zelfs niet gevraagd!’
‘Indien je werkelijk in termen van macht wilt denken, geloof ik dat zelfs de
mogols en sjeiks in hun harem geen absolute macht hadden over hun vrouwen.
Uiterlijk natuurlijk wel, maar in een ongelijke machtsverhouding kan een vrouw altijd
weigeren zich te laten gaan en is alle gebruik van geweld tegen haar eerder een
teken van zwakheid dan van macht.’
‘Intussen werden die vrouwen bij gelegenheid dan toch maar levend
begraven of verbrand!’
Dirk voelde dat het gesprek ontspoorde en antwoordde dat hij dat
natuurlijk evenzeer afkeurde en betreurde als zijzelf. Hij vond er op dat ogenblik geen
sterkere uitdrukking voor. Karin besloot dat de haremvrouwen al die
machtswellustelingen beter hun penis hadden afgebeten.
Dirk grinnikte even en zweeg. Ze had toch een ietwat schizoïde houding
tegenover seks. Ze wilde er blijkbaar zelf vrij mee experimenteren, er zich in uitleven
en anderzijds keek ze erop neer als op een liefdeloze machtsstrijd. Dacht ze niet wat
te veel in termen van onderwerpen en onderworpen worden?
Karin draaide nog een paar maal ‘Sugar me’ en Dirk deed alsof al zijn
aandacht naar de weg ging. Ze naderden een grote brug en waren blijkbaar aan het
meer waaruit de Kitinenrivier naar het zuiden vloeide. Het regende wat minder hard
en hij stelde voor in het volgende stadje toch ergens een dagschotel te gaan nemen.
Karin antwoordde dat ze geen honger had.
‘Het is wel nog zowat tachtig kilometer verder!’
‘We zien dan wel als we daar zijn’, zei ze kortaf.
Toen ze Sodankylä bereikten, had ze nog geen honger en Dirk reed dan
maar door. Hij vroeg haar een van de gebakjes uit te halen en hem een bekertje melk
te schenken. Ze deed alles zeer zorgvuldig maar zonder veel te spreken. Ze at ook
een gebakje.
Na een twintigtal kilometer verliet de weg de Kitinenrivier en reden ze weer
door monotone toendralandschappen. Het hield op met regenen. Dirk bedacht
intussen dat hij eerder door het binnenland zou rijden dan langs de kust van Finland,
waar Karin veel meer verstrooiing vinden. In het binnenland zouden ze meer op
elkaar aangewezen zijn. Misschien kon hij ook weer over kunst beginnen om haar
aandacht wat af te leiden van seks en relatieproblemen.
Maar ze reageerde niet op zijn voorzichtige aanzet om over het landschap
in de kunst te beginnen. ‘Scandinavië heeft wel de grootste variëteit aan
landschappen van gans Europa.’ Ze knikte afwezig. ‘En toch heeft het geen illustere
impressionisten voortgebracht zoals Frankrijk en Vlaanderen.’ Ze luisterde blijkbaar
meer naar de muziek dan naar wat hij zei. ‘Misschien lenen de extreme contrasten
zich hier meer tot expressionistische werken? Maar heeft Munch niet eerder de
landschappen van zijn emoties geschilderd dan de natuur om hem heen?’ Karin trok
alleen maar haar schouders op.
Dirk insisteerde niet meer. In gedachten probeerde hij voorbeelden te
vinden van de verschillende stijlen en wijzen waarop landschappen uitgebeeld
werden. Ze hadden toch wat meer aandacht moeten besteden aan de andere werken
in dat tweede museum van Oslo, in plaats van zich alleen voor Munch te
interesseren. Misschien waren er hier even goede landschapschilders geweest, maar
waren die om een of andere reden niet echt bekend geraakt in het zuiden van
Europa.
Nog voor Rovaniemi begon het landschap wat meer afwisseling te
vertonen. De bomen werden ook groter en talrijker. Dirk besloot op een kleine parking
aan een meer te stoppen om in de auto de rest van de gebakjes op te eten. Ook om
vlug even een landkaart te bezien en wat zicht te krijgen op de verdere reisroute.
Karin was nog steeds niet erg spraakzaam. Ze keek naar de muggen die kwamen
dansen boven de warme motorkap. ‘Van Rovaniemi naar zee is het nog een goede
honderd kilometer’, zei Dirk. ‘Een mooi traject langs een brede rivier. Dan blijven we
een honderdtal kilometer langs de zee, om voorbij Oulu het binnenland in te trekken.
Daar zal de muggenplaag wel achter de rug zijn, hoop ik.’
Karin knikte alleen maar, zodat hij besloot verder te doen alsof alles
duidelijk afgesproken was. Karin schudde het servet met de kruimels van het gebak
uit tussen de voorzichtig op een kier geopende deur en Dirk startte de motor.
In Rovaniemi reden ze enkele straten door. Omdat hij dacht Karin
daarmee te plezieren stopte hij aan een waarschijnlijk niet al te goedkoop hotel, waar
enkele wagens met buitenlandse nummerplaten stonden. Hij keek naar haar en ze
knikte. Ze liepen vlug naar binnen om te horen of er een kamer vrij was. Ja, dat was,
‘en of ze die ook eerst wilden zien?’ Nee, dat moest niet. Ze haalden vlug een
minimum aan bagage uit de wagen.
De kamer was vrij groot en modern bemeubeld. Het uitzicht op een
zijstraatje dat als decor voor een cowboyfilm had kunnen dienen was niet erg
denderend, maar vannacht zouden ze toch de zeer goed afsluitende store van
kunststof neerlaten. Nadat ze zich wat verfrist hadden, kwamen ze naar beneden
voor het avondmaal. Ze kozen als voorgerecht een schotel met wat groenten en
gerookte vis: zalm, makreel en wat reepjes paling. Met een glas witte wijn. En daarna
gebraden rendiervlees met zure poolbessen. ‘En een fles rode wijn?’ vroeg Dirk naar
Karin kijkend. Ze knikte. ‘En ook nog een coupe met roomijs en vruchten als
dessert?’ Ze knikte opnieuw.
Het was een lekker maal, en Karin werd wat spraakzamer. De wijn en de
chique omgeving waren daar blijkbaar niet vreemd aan. Hij had er goed aan gedaan
geen goedkoop hotelletje te nemen.
Terug op de kamer gingen ze wat op hun bed liggen om het copieuze maal
te laten bezinken en ze vielen allebei in slaap. Karin was blijkbaar het eerst wakker
geworden, want toen Dirk ontwaakte lag ze naakt op haar bed, het venster was al
potdicht afgeschermd en er brandden een paar gedimde lampjes in de kamer. Hij
ging ook vlug naar de badkamer en kwam dan naast haar op haar bed zitten. Ze sloot
de ogen, en Dirk begon haar uitgebreid te liefkozen. Na een poosje begon zij hem te
krabben als een kat en toen hij het eerst zijn orgasme kreeg beet ze hem in de
stevige spier tussen nek en schouder.
37
De volgende morgen stelde hij gelukkig op tijd vast dat haar bijten
duidelijke sporen had achtergelaten. Zijn T-shirt zou die niet bedekken, zodat hij in
zijn bagage moest gaan zoeken naar een hemd met een ietwat hogere col. Toen hij
de blauwrode plekken toonde aan Karin zei ze: ‘Vanavond bijt ik langs de andere
kant.’ ‘Dan zet ik je nek vol zuigzoenen!’ ‘Dan loop ik de hele dag met een sjaaltje
rond mijn nek. Of misschien zelfs niet!’ Ze deed verder alsof er geen vuiltje meer aan
de lucht was. Dirk vond het dan ook beter hun meningsverschillen voorlopig te
begraven. Hij kon beter proberen haar gedrag wat te beïnvloeden.
Buiten was de lucht nog overtrokken, maar het regende niet. De juffrouw
aan de receptie die hen goede reis wenste, zei dat er ook geen regen voorspeld was:
het wolkendek zat te hoog. Maar je weet het eigenlijk nooit helemaal zeker, had ze
eraan toegevoegd.
Karin vroeg Dirk eerst even rond te rijden in het stadje. Er stonden wat
originele moderne gebouwen tussen de zeer traditionele optrekjes die eerder aan een
Far Weststadje deden denken.
Het werd daarna weer een mooie rit, bijna de hele tijd langs de brede
Kemijoki rivier. Af en toe zagen ze boomstammen en houtvlotten op de rivier drijven.
Blijkbaar werden die zo uit het binnenland naar de kust gebracht. Kemi, de stad aan
de monding bleek inderdaad een haven voor het overslaan van hout te zijn. Er was
een afdamming en daar dreven massa’s boomstammen in het brede rivierbekken. De
muggen waren helemaal verdwenen, zodat ze uit de auto stapten om het allemaal
wat van dichtbij te gaan bekijken.
Terwijl ze een snack aten in het plaatselijke pompstation, zag Karin er een
folder met toeristische inlichtingen over een riviertje in de omgeving, waar in een
vroegere goudontginning nog steeds schilfertjes en zelfs nuggets konden gevonden
worden.
‘Zouden we ons geluk niet eens gaan beproeven?’ vroeg ze.
‘Mij goed.’ Dat kon haar aandacht ook wat afleiden.
De ‘goudmijn’ bleek een toeristische attractie te zijn, waar men mits
betaling zand kon wassen in een riviertje. Er was zelfs een camping langs de andere
kant van de toegangsweg en daar stonden wat tenten en auto’s. ‘De uitbating zelf is
ongetwijfeld de echte goudmijn, maar dan wel voor de eigenaar’, kon Dirk niet
nalaten op te merken. Maar Karin was echt enthousiast. ‘Je weet maar nooit’, zei ze.
Ze had graag een goudklompje gevonden om het toe te voegen aan het halssnoer,
dat ze weer in haar bagage had laten zitten.
Er hing inderdaad een lijstje met namen en data van gelukkige vinders.
Dirk betaalde voor een halve dag zand wassen. Daarna zouden ze ’s avonds nog wel
tot in Oulu geraken of onderweg langs de kust ergens logement kunnen zoeken. Ze
trokken een short aan en deden schoenen en kousen uit. Ze kregen allebei een
wokachtige schaal en stapten het frisse water van het riviertje in. Er waren nog een
paar andere koppels bezig, die ook duidelijk toeristen waren. Wat verder zaten
mannen die eerder professionelen leken. Omdat die misschien wel de beste plek
kenden, plensden ze naar hen toe. Maar ze waren daar allesbehalve welkom. Er
werd hen duidelijk gemaakt dat ze wat verder moesten gaan wassen. Ze deden dat
dan maar. Karin begon dapper zand en keitjes en water uit de bodem van het riviertje
te scheppen, om het op de oever met ronddraaiende bewegingen langzaam te laten
wegvloeien over de rand van de schaal. Dirk vroeg zich af hoe dikwijls datzelfde zand
al niet gewassen was, terwijl hij ook neerhurkte om haar voorbeeld te volgen. Er
lagen wel heel wat hopen en hoopjes zand en keitjes op de oever, maar een deel
daarvan spoelde ongetwijfeld terug in het riviertje. En welke zekerheid hadden ze dat
er iets te vinden was op de plaats waar ze zochten? Toch deed hij een tijdje mee.
Maar terwijl Karin onvermoeid bleef zand scheppen en wegwassen, ging hij na een
tijdje in het gras liggen ‘omdat hij rugpijn kreeg’.
De uitbater leek het niet zo nauw te nemen met de tijd en toen Dirk ook
terug in het water kwam, bleef Karin nog een hele tijd door zoeken. ‘We zullen wel
niet meer tot in Oulu geraken vanavond’, merkte hij op.
‘Moet dat? We kunnen hier blijven kamperen en morgenvroeg terugkomen
op de plaats waar nu die twee mannen zitten!’
‘Dat kan inderdaad.’
‘Daarmee bezuinigen we wat na de excessieve hotelkosten.’
Dirk deed alsof hij zich daardoor liet overtuigen. Het kon geen kwaad dat
ze hier in het riviertje wat bleven pootjebaden, ook al vonden ze geen enkele nugget.
Toen ze ten slotte toch moesten opkramen omdat het terrein afgesloten
werd, reden ze de camping in en zetten ze de tent op. Een der koppels die ze in het
riviertje gezien hadden bleek er ook te kamperen. Dirk ging even informeren of ze al
iets gevonden hadden. Het waren Nederlanders. Ze toonden fier enkele goudschilfers
die ze in een klein juwelendoosje bewaarden. Ze waren hier al twee dagen bezig.
Karin kwam ook kijken. ‘Als er schilfers te vinden zijn, moeten er ook klompjes liggen!’
zei ze enthousiast. Dat vonden de Nederlanders ook. Zij zouden het zeker nog een
paar dagen volhouden.
Ze konden in de kantine van de camping een dagschotel krijgen, die
bestond uit stoverij van rendiervlees, met allerlei groenten en aardappelen. Het was
lekker en de aardappelen waren wel zachtgekookt. Dirk noemde het
‘rendierhutsepot’. Finse woorden waren niet uit te spreken noch te onthouden, en
zelfs voor de meest courante internationale woorden en uitdrukkingen waren er Finse
benamingen. Gelukkig kende blijkbaar iedereen in de toeristische sector Engels.
Na het avondmaal maakten ze nog een wandeling met de bedoeling het
riviertje stroomopwaarts te volgen. Maar er was zo’n wilde begroeiing tussen het
wegje en de oever dat ze maar af en toe tot aan het water konden komen. En dan
bleek de bedding overwegend rotsachtig te zijn, met alleen hier en daar kleine
zandbankjes. ‘Misschien zou het interessant zijn hier dat zand te komen wassen?’
opperde Karin.
‘Misschien. Maar blijkbaar komt het allemaal toch terecht in het kalmer
stromend vlakke gedeelte waar de uitbating wellicht altijd geweest is.’
Karin liet zich niet overtuigen: ‘Er is toch kans dat de zwaardere klompjes
hier blijven liggen?’
‘In de lente, bij het smelten van de sneeuw of bij hevige regens spoelen
die ook wel mee.’ Toch deed Dirk zijn sandalen uit en stapte dapper in het water. Het
zou hem goed uitkomen indien hij inderdaad een nugget voor haar kon vinden. Hij
schepte met beide handen wat zand en liet het langzaam tussen zijn vingers
wegvloeien. Zo filterde hij het zand van een paar zandbankjes in zijn onmiddellijke
omgeving. Maar zonder succes.
‘De goudklompjes liggen natuurlijk helemaal onderin’, gaf Karin haar idee
niet op. Ze schopte haar schoenen uit en kwam ook in het water. Ze rakelde met haar
vingers de keitjes bijeen die hier en daar nog zichtbaar waren in het troebel wordende
water, maar het bleken telkens heel gewone steentjes. ‘We zouden morgen toch
beter de beek verder stroomopwaarts verkennen, in plaats van te zoeken waar
misschien al duizenden goudzoekers bezig geweest zijn?’
‘Misschien. Maar die rotsachtige bodem maakt het niet erg aangenaam om
er lang op rond te lopen. Er zitten af en toe verdomd scherpe steentjes tussen. Hij
kwam voorzichtig stappend terug naar de plaats waar hij uit de beek kon geraken.
Karin volgde zijn voorbeeld. ‘Echte goudzoekers zijn niet van een kleintje vervaard’,
zei ze.
‘Nee, maar dat zijn we dus duidelijk niet.’
Terug in de tent zei ze opeens: ‘Nu ben ik alleen te koop voor een nugget!’
Ze hadden gezien dat kleine goudklompjes te koop waren in de blokhut bij de ingang
van de exploitatie, maar die waren vrij duur. Dirk dacht onmiddellijk waarom hij met
goud zou betalen wat andere avonden overvloedig gratis aangeboden werd en zei
lachend: ‘Hoeveel dagen zullen we uittrekken om zo een kleinood te vinden, Karin?’
‘Zoveel als nodig! Ik kan toch niet met alleen maar met een halssnoer van
hoorn en houtblokjes thuiskomen van de reis?’
‘Dan zullen we morgen zeer ijverig moeten zoeken.’
‘Stroomopwaarts in de beek. Of …’
‘Of?’
‘Of in de blokhut bij de ingang, Dirkje!’ Haar schrille lach leek wat
geforceerd.
‘Laat ons morgen dan maar beginnen met de beek af te zoeken!’
‘Maar vooraleer we hier en nu beginnen vrijen, moet ik een formele belofte
hebben: ofwel zoeken we tot we een nugget vinden, ofwel vind je er een in de
blokhut!’ Dat klonk wel heel formeel. Dirk dacht er even aan het vrijen uit te stellen tot
ze een klompje gevonden hadden, maar dat zou negatief overkomen. Het was
duidelijk dat ze onmiddellijk boter bij de vis wilde.
‘Dan zal het vannacht wel een woeste grondzee worden’, dreigde hij.
‘Want niet alleen de vis, maar ook het goud wordt duur betaald!’
‘Hoe woester de zee, hoe groter de nugget!’ zei ze uitdagend. Ze kleedde
zich uit en bleef uitnodigend wachten tot hij haar voorbeeld volgde.
38
De volgende morgen gingen ze vroeg ontbijten in de kantine en trokken
dan met twee kleine metalen schoteltjes van Dirks kampeergerief naar de bovenloop
van de beek. Dirk had nog gesuggereerd om eerst de plaats te beproeven waar die
‘echte’ goudzoekers zaten, maar Karin geloofde rotsvast dat ze iets zouden vinden
hogerop.
Dirk had in de kleine rugzak waarin ze hun schoenen zouden stoppen ook
een klein doosje voorzien om de eventuele buit op te bergen. Hij plakte grote lappen
hechtpleister op hun voetzolen om ze te beschermen tegen scherpe steentjes en bij
de eerste plaats waar ze gemakkelijk aan de oever konden komen, gingen ze ‘te
water’. Met veel ijver spoelden ze in hun schoteltjes alle hoopjes zand die ze tegen
kwamen. Maar het succes bleef uit.
Tegen de middag zei Dirk: ‘We hebben nu wel een mooie, zeer originele
wandeling gemaakt, maar als we verder willen zoeken, denk ik toch dat we het beter
doen op de plaats waar die mannen zaten.’
‘Als de plaats vrij is’, gaf Karin toe.
Ze kochten wat brood en melk in het winkeltje van de camping en Karin
nam toch nog eens genoegen met de sardienen en makreel uit de onuitputtelijke
voorraad van Dirk. Zo konden ze kort na het middaguur al terug naar de exploitatie
gaan, waar slechts één eenzame gelukzoeker bezig was zand te wassen. Dirk
betaalde weer voor een halve dag, en ‘met de moed der wanhoop’ stapten ze in het
beekje op de plaats waar de vermeende échte goudzoekers bezig geweest waren.
Een beetje later kwamen ook de twee Nederlanders en enkele andere
toeristen hen vervoegen. Dirk en Karin vonden inderdaad een paar kleine
goudschilfertjes. Na een paar uur was Dirk de eerste om uit de beek te stappen en
languit op de oever te gaan liggen omdat zijn rug echt pijn begon te doen. ‘Indien ik
moet kiezen tussen een nugget kopen en te blijven zoeken tot we er een vinden,
koop ik er liever een. Anders zitten we hier volgende maand nog’, ergerde hij zich.
‘Maar ik zou je liever een ander souvenir cadeau doen, dan een goudklompje dat we
toch niet zelf gevonden hebben.’
‘Wat dan wel?’
‘Weet ik niet. We zijn nog niet aan het einde van de reis.’
Karin leek daar vrede mee te nemen. Maar ze bleef nog wat verder
zoeken, omdat ze nu toch een tweede nacht op de camping zouden blijven. Dirk zag
er tegen op om zo laat nog in te pakken. Als ze nu nog de tent zouden opbreken en
vertrekken, zouden ze opnieuw een hotelletje of een ‘bed and breakfast’ moeten
zoeken. Het zou goedkoper uitvallen indien ze morgen weer ergens konden
kamperen. Met het vooruitzicht op dat geschenk voor Karin begon hij beter wat te
bezuinigen. Toch kocht hij nog een rendiervel in het winkeltje toen ze hun
wokschalen terugbrachten. Het kon van pas komen voor een ruige stoeipartij.
Ze aten het sobere avondmaal in de kantine van de camping en gingen
dan bij hun tent op het rendiervel liggen. Ze waren allebei te moe om nog te gaan
wandelen. Maar in plaats van te genieten van de stilte en de serene avondlucht, lag
Dirk wat te piekeren. Wat betekende het dat Karin een wat duurder souvenir wilde
hebben? Dat deze reis voor haar toch zo belangrijk was dat ze er een blijvende
herinnering aan wilde bewaren? Haar uitspraken en houding van de laatste dagen
wezen eerder op een vrijblijvend experiment.
Toen er ondanks Karins spuitbus toch wat muggen rond hen kwamen
zoemen, kroop ze op handen en voeten de tent binnen. Hij volgde haar, het
rendiervel achter zich aan slepend. Ze gaf geen commentaar toen hij na de
goedenachtkus in zijn slaapzak onderdook ‘om de klaarte van de zomernacht te
ontwijken’.
39
De volgende dag reden ze eerst een kleine honderd kilometer dicht bij de
kust tot in Oulu om vandaar dan verder het binnenland in te trekken. Dat zou zowat
vijfhonderd kilometer worden met bijna niets anders dan bossen en meren. Dirk
plande om halfweg ergens te kamperen indien het weer bleef meevallen en de
daarop volgende dag in Tampere weer een hotelletje te zoeken.
Toen ze al een tijdje langs kaarsrechte wegen reden met niets anders dan
bomen links en rechts, maakte Karin de opmerking dat ze toch beter langs de kust
gebleven waren. Daar zouden ze meer afwisseling gehad hebben, met hier en daar
een gezellig plaatsje om te picknicken of zelfs om er te kamperen tussen andere
toeristen. Dirk wist dat ze gelijk had, maar kon natuurlijk niet bekennen dat hij juist dàt
wilde vermijden. Hij probeerde er zich van af te maken met een grapje: ‘Nu gaan we
twee dagen van bezinning doorbrengen midden de bossen, Karin. Alleen met onszelf,
“teruggeworpen op onszelf”, om aan introspectie te doen.’
‘Introspectie?’ vroeg Karin, blijkbaar een beetje geïrriteerd door zijn
woordenkramerij.
‘Over wat deze reis ons eigenlijk bijgebracht heeft.’
‘Dat weten we toch al? Het was een originele vorm van sekstherapie om
me definitief af te helpen van vaginisme!’
‘Ja, maar moeten we dat niet integreren in een nieuwe manier van
“lebensbejahen”?’
‘Daar zal de praktijk wel voor zorgen!’
‘Laten we hopen!’
‘Onvermijdelijk!’
Daarop zwegen ze allebei en Karin zocht naar muziek op plaatselijke
zenders, waarbij onverstaanbaar Fins gebabbel haar telkens weer nerveus naar een
andere zender deed zoeken.
Dirk bedacht intussen hoe hij die ‘praktijk’ zou kunnen beïnvloeden. Hij
moest vooral zien te vermijden dat het een herhaling werd van de ‘psychologische
oorlogsvoering’ die hij vroeger met Ludwina beleefd had. Zij had eerst schijnbaar
aandachtig geluisterd naar de lange uiteenzettingen waarmee hij waarschijnlijk min of
meer onbewust probeerde haar naar zijn hand te zetten, maar het werd ten slotte een
bitsige strijd waarbij ze allebei de superioriteit - hij van zijn veranderende kijk op het
leven en zij van de mentaliteit van haar milieu - als evidentie aan de andere
probeerden op te dringen.
Maar wat de hedendaagse kunst betrof zou hij voortaan kordaat uitkomen
voor zijn mening. Hij was bij gelegenheid ook wel naar dergelijke tentoonstellingen en
vernissages geweest en had via tv en andere media heel wat gezien en vernomen.
Hij had zich zelfs ooit verplaatst voor een toneelstuk van Jan Fabre. Dat was onder
alles geweest. Hij had zich dood geërgerd wanneer een van de acteurs eindeloze,
sinds lang achterhaalde teksten van Delaunay reciteerde. Daar had Fabre blijkbaar
vlug iets bijeengeschoten om zijn reputatie van op alle mogelijke terreinen ‘creërende’
duizendpoot hoog te houden. En bij een reportage over een andere ‘creatie’ leek het
erop dat hij bijna in extase gekomen was omdat drie actrices erin slaagden gelijktijdig
te plassen op de scène. Dat had meer van een regressie naar infantiele sexualiteit
dan van ‘grensverleggende kunst’.
Hij geneerde zich ook niet om inspiratie te sprokkelen bij andere
kunstenaars, teksten en werken van anderen te ‘verfaberen’ en ermee voor de dag te
komen als ‘originele eigen creaties’. Hij vergeleek zichzelf met de mestkever die
bolletjes bijeenrolt van mest en alles en nog wat, en soms het bolletje van een andere
kever ‘overneemt’. Hij vond het normaal dat artiesten dat ook deden en was daarbij
blijkbaar zelf de grootste ‘bolletjesdief’. Hij deed ook nogal grootsprakerig over ‘de
schoonheid’, maar zonder dat nader te verklaren. In een Franse reportage van Pierre
Coulibeuf, ‘Doctor Fabre will cure you’, beweert hij van zichzelf: ‘I never betray
beauty’; ‘Ik verraad nimmer de schoonheid, ik laat haar niet in de steek’. Maar hij
maakt zich daarin werkelijk onsterfelijk…belachelijk. Hij probeert ons te laten geloven
dat hij ook iets kent van surrealisme, maar het lijkt er eerder op dat hij er genoegen
aan beleeft zichzelf belachelijk te maken, en misschien is het zo dat hij op een
sadomasochistische manier ook zijn acteurs en medewerkers verplicht hetzelfde te
doen.
De werken die Dirk kende, waren niet zo bijzonder ‘schoon’ te noemen en
vielen eerder in de categorie van wat de Fransen zo welsprekend ‘des objets
esthétiquement faibles’ noemen. Zijn ‘blauwebicexploten’ en wat hij deed, of liever liet
doen met dekschilden van kevers was echt niet om over naar huis te schrijven. Laat
staan om er een koninklijk paleis mee te ontsieren. Helemaal onbegrijpelijk werd het
wanneer hij een hoop grafstenen met daar bovenop een lange worm met zijn eigen
hoofd - als een uitvergrote made die op lijken teert en zich even bovengronds komt
tonen - mocht deponeren in een zaal van het Louvre om ‘door de spanning tussen
klassieke kunst en zijn ‘werk’ nieuwe visies te stimuleren: puur gelul, drogredenen om
er met zijn rommel binnen te geraken.
Die man zou ongetwijfeld een psychologische of zelfs psychiatrische
behandeling kunnen gebruiken om hem wat meer realiteitszin bij te brengen. Het is
begrijpelijk dat een kunstenaar tijdens het creëren zo opgaat in zijn werk dat hij het
overdreven hoogschat en ophemelt. Drugs kunnen dat proces ongetwijfeld nog
enorm versterken. Maar na een zekere periode van ‘afkoeling’ en afstand nemen van
een creatie, moet er toch wat plaats zijn voor zelfkritiek en realiteitszin. Is ‘grenzen
verleggen’ en ‘onthutsen’ voldoende om van kunst of van schoonheid te kunnen
spreken?
Wat hedendaagse ‘schoonheid’ betrof, was er ook nog die leperd - eerder
een manager dan een kunstenaar - die kasten uit China liet komen om er een met
Delfts blauw beschilderde gascylinder en wat andere prullaria in te etaleren; die
ornamentiek liet aanbrengen op betonmolens, of tegels met afbeeldingen van stront
liet maken en ten slotte een echte strontproducerende machine liet vervaardigen.
Waarvan hij meerdere exemplaren aan de man of aan musea kon brengen. Waren hij
en Fabre geen hedendaagse Wiertzen? Zouden die zeepbellen niet vroeg of laat
open spatten?
Waarin verschilden dergelijke ‘creaties’ van de curiosa die in de vroegere
rariteitenkabinetten verzameld werden? Of van de meer recente pincollecties? Met
het ontwerpen en fabriceren van speldjes probeerden handige sjoemelaars een
nieuwe verzamelwoede te lanceren: hebbedingetjes! Collectors' items! Door sommige
ervan in beperkte hoeveelheid te produceren, werden die dan 'zeldzaam' en
kunstmatig duur. Maar de 'verzamelaars' die daarin trapten, konden er achteraf bijna
niks voor krijgen wanneer ze die terug wilden verkopen. Wat is de intrinsieke waarde
van een collectie pins of van postzegels, hoe mooi die soms ook zijn? Hun
zeldzaamheid? Wat is de waarde van een reeks beschilderde badkuipen? Of van
betonmolens met barokke versiering erop? Of van uitvergroot kinderspeelgoed? Of
van de als popart uitvergrote striptekeningen waarvoor musea enorme bedragen
neertellen? Behoort dat alles niet tot het genre ‘pincollecties’?
En is het filosoferen over kunst van de conceptuelen ook kunst? Zouden
sommige van hun werken voor kunst doorgaan indien ze door linguïsten of semiotici
gemaakt waren? Moeten we hun definities en theorieën over kunst zomaar
klakkeloos overnemen?
Hij zou zich voortaan nog minder dan vroeger iets aantrekken van het
gewauwel van ‘specialisten’ die er alle belang bij hebben de ‘kleren van de keizer’ op
te hemelen. En zich kritisch opstellen tegen de exegeten die nu in de kunstwereld
hetzelfde doen als vroeger de theologen en bijbelspecialisten in de religie.
Terwijl ze rond de middag picknickten op een kleine parking langs de weg,
probeerde hij zijn mening over die enkele ‘grootmeesters’ van de moderne kunst bij
Karin te slijten, maar ze reageerde nogal heftig: Hij kon de hele hedendaagse kunst
toch niet van tafel vegen alleen omdat hij zich ergerde aan enkele protagonisten.
Hij hield vol dat de hedendaagse kunst hem een typisch product leek van
onze wegwerp- en consumptiecultuur, kunstmatig opgefokt met reclametechnieken,
in het beste geval goed om er een tijdje mee te pronken en om er geld mee te
beleggen en te verdienen. Hij had genoeg ‘creaties’ van allerlei ‘artiesten’ gezien op
tv om zijn mening te staven. Wat in godsnaam kon hem het belachelijke gedrag van
sommige ‘performance artists’ schelen? Of van een oen die meubilair vervaardigt en
het daarna met geweld vernietigt? Of die andere die overal grote nagels inklopt?
Zelfs van die vent die allerlei monumenten wil inpakken. Freud zou daar ongetwijfeld
een regressie in zien naar het kinderspelletje waarbij speelgoed weggestopt wordt
om het later triomfantelijk terug te vinden. Kunnen ze geen andere manieren
bedenken om zichzelf in het zonnetje te zetten? Vroeger moest een kunstenaar
belangrijke werken produceren om belangrijk te worden. Nu vinden sommigen
gewoon van zichzelf dat ze zeer belangrijk zijn en dan zijn al hun ‘creaties’ dat
natuurlijk eveneens. ‘Grote lantaarns met een klein lichtje, die het vooral moesten
hebben van vormexperimenten, om hun tekort aan inhoud te verdoezelen.’
Karin probeerde zijn woordenvloed te stoppen en te antwoorden op zijn
aanvallen. Kunst had altijd al een dialectische relatie gehad met de cultuur waarin ze
ontstond en dat wegwerp- en consumptieaspect was nu onvermijdelijk ook bij
sommige artiesten aanwezig, gaf ze toe. Maar er waren anderzijds nog steeds heel
veel werken die meer betekenden dan een geldbelegging. ‘Heb je wel eens doeken
van Luc Tuymans gezien?’
‘Niet echt. Ik heb alleen een reportage gezien over hem.’
‘Hij is wel een van onze beste hedendaagse kunstenaars! In zijn reeks
over Kongo zal de expressie van de aangehouden en mishandelde Lumumba die
beseft welk lot hem te wachten staat, mij altijd bijblijven. Ook het doek met koning
Boudewijn als “a puppet-on-a-string” in een smetteloos wit kostuum. Terwijl ‘de
Belgen’ ongetwijfeld een vinger in de pap hadden bij het liquideren van die enige
Congolese leider die toen zijn land bijeen had kunnen houden, maar die zeker tegen
de belangen van onze industriële potentaten zou ingegaan zijn en zijn mond niet
hield over de vroegere Belgische wandaden! En dan zijn werken over de oorlog in
Irak, waar hij de onthutste piloten toont nadat ze neergehaald werden uit hun cleane
computerspelletjesoorlog en oog in oog komen te staan met de brutale werkelijkheid!
En nog vele andere.’
Dirk moest bekennen dat hij die doeken niet gezien had. ‘Maar de man die
ergens in het noorden van Engeland boven de ingang van zijn pub een beeld van het
achterlijf van een koe heeft laten aanbrengen, waaruit af en toe een rokende scheet
geblazen wordt, heeft evenveel kunst geproduceert als de man die strontmachines
laat vervaardigen,’ verdedigde hij nog een beetje zijn standpunt.
‘De kunst is nu eenmaal zo gevarieerd als de vele soorten glossen die
men kan aanbrengen in de marge van het leven zelf’, besloot Karin op een toon die
duidelijk maakte dat ze de discussie liever niet verder zette.
Toen ze tegen de avond aan een mooi groot landhuis voorbij kwamen,
waarachter een inham van een meer zichtbaar was, wilde Karin liever gebruik maken
van het daar aangeboden ‘bed and breakfast’, in plaats van nog een tijdje door te
rijden tot aan een camping. Dirk aarzelde eerst, maar stopte dan toch. Hij reed terug
en sloeg de kleine landweg in tot aan het huis. Ze werden in gebroken Engels, maar
zeer vriendelijk ontvangen door een echtpaar op leeftijd, dat blijkbaar het bezoek van
toeristen als een aangename afwisseling zag. Ze waren de enige gasten. Het oude
vrouwtje had een stoofpot bereid en ze werden uitgenodigd om in de woonkamer het
avondeten met hen te delen. Het eten was lekker, maar het gesprek verliep erg
moeilijk. Ze kregen allerlei half verstaanbare verhalen te horen over de kinderen en
kleinkinderen waarvan de woonkamer vol foto’s hing.
Karin en Dirk waren blij zich daarna terug te kunnen trekken. Maar de
krasse grootvader ging de sauna opwarmen in de tuin, blijkbaar speciaal voor hen, en
ze werden uit hun kamer gehaald om er gebruik van te maken. Dat konden ze niet
weigeren, vond Dirk. Karin keek eerst wat bedenkelijk, maar ze liet zich toch
overhalen. Was het om zich af te reageren dat ze Dirk in de sauna ongenadig
bewerkte met de berkentakjes? Ondanks de vele bladeren werd het pijnlijk en hij
vluchtte weg om een frisse duik te nemen in het meer. Ze volgde hem met haar
berkentwijgen, maar bleef niet lang in het water en ging daarna naakt in het hoge
gras liggen. ‘Paradijselijk’, zuchtte Dirk toen hij bij haar kwam liggen. Karin begon
opnieuw vrij onzacht met haar takkenbosje de enkele rondzoemende muggen ‘van
zijn lijf te houden’. Hij probeerde dat te verhinderen en het werd een worsteling die
overging in vrijen. Hij blokkeerde haar tegenspartelende ledematen om de ejaculatie
zo lang mogelijk uit te stellen. Daarna pakte hij haar op en gooide haar in het meer.
Ze kwam er vlug weer uit, haalde haar spullen uit de sauna en liep naar het huis. Dirk
zwom nog een poosje langs de roerloos stille oever heen en weer. Was dit niet het
paradijs? Jammer dat dit niet kon blijven duren. Zij zouden hier niet oud kunnen
worden, zoals het echtpaar dat in het mooie huis en in die rustige omgeving leefde.
Toen Dirk op de kamer kwam zat Karin reeds in bed. Vooraleer hij haar
voorbeeld volgde, ging hij haar nog een vlugge goedenachtkus geven en ontsnapte
daarbij op het nippertje aan haar scherpe tanden. Ze vielen allebei vrij vlug in slaap.
Door de zorgvuldige afscherming van de vensters werden ze de volgende morgen
niet al te vroeg wakker. Vooraleer ze als eerste naar de badkamer ging toonde Karin
de blauwe plekken op de binnenkant van haar dijen en op haar bovenarmen. ‘Bruut!’
schold ze op een toon die duidelijk verried dat ze het niet onprettig gevonden had.
Het oude vrouwtje bracht hun ontbijt op de kamer. Er was een grote pan
roereieren met spek bij en veel sneden donker brood. Ze zouden die dag een heel
stuk kunnen doorrijden vooraleer ze honger kregen.
40
Toen ze al een tijdje aan het rijden waren en Karin op de kaart aan het
natellen was hoeveel kilometer ze nog te doen hadden vooraleer ze in Tampere
aankwamen, stelde ze vast dat er op een min of meer parallel traject wat dieper in het
binnenland verschillende steden lagen. Ze citeerde: ‘Lisalmi, Kuopio, Suonenjoki …
Dat zou zeker minder monotoon geweest zijn dan de weg die we nu volgen?’
‘Ja, maar langer. Langs deze weg komen we wel nog door Jyväskylä en
Tampere.’
‘Daar kwamen we langs die andere weg ook!’
‘Inderdaad, maar we kunnen niet al de steden van Finland aandoen.
Tampere is de tweede grootste stad en daar is heel wat te zien. Daar kunnen we een
dag blijven. En daarna is de havenstad Turku waar we zullen inschepen voor Zweden
ook interessant genoeg voor een oponthoud.’
‘Zijn we niet nog steeds voor op ons schema?’
‘Ja, maar we moeten nog door een stuk van Zweden en door Kopenhagen.
Wie weet hoeveel tijd we daar zullen blijven hangen. Stockholm en Kopenhagen
zullen wel interessanter zijn dan Kuopio?’
Karin zweeg en plooide de kaart dicht.
Na een poosje begon ze zelf over kunst: ‘Weet je, dat “slimme ventje” van
de strontmachines had in Amerika veel succes met zijn gasflessen beschilderd in
Delfts blauw. Een beetje zoals Duchamp er succes had met zijn “Nu descendant un
escalier”, dat in Europa aanzien werd als een wansmakelijke aanfluiting van het
kubisme. Zijn vitrinekasten, “made in China”, met zo een gasfles en dies meer erin
zijn nu dure ensembles voor verzamelaars.’ Wat was haar bedoeling? Wilde ze
toegeven dat hij niet helemaal ongelijk had gisteren met zijn kritiek op enkele actuele
‘meesters’? Of wilde ze laten horen dat ze er meer over wist dan hij? ‘Hij liet, geloof ik
ook vrienden en vriendinnen, op briefpapier van belangrijke hotels, een afdruk maken
van hun aars beschilderd met lippenstift.’
‘Ik zal je maar niet vertellen wat een psycholoog allemaal kan denken bij
dergelijke scatologische creativiteit.’
‘Blijkbaar heeft hij de truc gevonden om alledaagse en zelfs vulgaire
dingen te combineren of op te smukken met iets wat van een hoger niveau wordt
geacht: betonmolens versieren met barokke krullen in reliëf; gasflessen beschilderen
in Delfts blauw, aarsafdrukken op chic briefpapier, motieven sculpteren in
autobanden. Met dat laatste geraakte hij ook al binnen in het Louvre!’
‘Waarop zal hij die passe-partouttruc nog allemaal uitproberen?’
‘Ergens trekt hij wel de lijn door van Marcel Broodthaers die, toen hij niet
aan zijn trekken kwam als dichter, dingen begon te maken die hij zelf “des objets”
noemde: kommen met lege mosselschelpen, lege eierschalen gerangschikt op een
opgehangen witte plaat, plakkaten met allerlei letters zonder enig onderling verband
of met alleen maar zijn initialen.’
‘Die bewees dan duidelijk dat je ook een lege doos kunt verkopen als
kunst! Als er maar voldoende gelul tegenaan gegooid wordt.’
‘In de lijn van Duchamp nam Broodthaers misschien ook de kunstwereld in
het ootje. En wilde hij de Amerkaanse popart vertalen in meer Belgische symboliek.
Maar net als de pisbak van Duchamp werden zijn “werken”, waarvan sommige
misschien zelfs na zijn dood door zijn vrouw “gemaakt” werden, eveneens als kunst
geconsacreerd.’
‘De inhoudsloosheid werd de inhoud. Iedereen kan toch voor zichzelf een
dergelijke “Broodthaers” maken? Zulke “creaties” vervalsen is niet erg moeilijk.’
‘De kunst bestaat er natuurlijk in het voor het eerst te doen en ermee op de
markt te komen, de kunstwereld ermee te confronteren. Valse Picasso’s of Van
Goghs maken blijkt ook niet bijster moeilijk, maar daar confronteer je de kunstwereld
niet mee. In sommige gevallen gaan ze door als een zoveelste werk van de meester
zelf.’
‘Maar wilde Broodthaers toch niet duidelijk suggereren dat zijn kunst niets
anders is dan gebakken lucht? En het mannetje van de gasflessen en de
strontmachines gaat dan in dezelfde trant verder en zegt dat het allemaal
opgesmukte alledaagsheid is, of zelfs “merde”!’
‘Ik geloof dat iemand bij de opening van het MUHKA, het museum voor
hedendaagse kunst te Antwerpen, lege sokkels tentoonstelde. In de lijn van jouw
interpretaties bedoelde hij daarmee ongetwijfeld dat de sokkel het belangrijkste is. De
plaats en de manier waarop een werk gepresenteerd wordt, maakt er een kunstwerk
van. Als Jan Hoet op zijn Documenta een vloer van wit geëmailleerde tegels met dat
strontmotief laat leggen, worden die geconsacreerd tot kunst. Terwijl je het als een
farce zou beschouwen en er hoogstens eens om zou glimlachen wanneer je ze in
een zaak van bouwmaterialen aantreft.’
‘Inderdaad! Museumdirecteurs, galeriehouders en tentoonstellingmakers
bepalen voor ons wat kunst is en wat we belangrijk moeten vinden. Maar kàn dat
wel?’
‘Een typisch voorbeeld daarvan is een Londense ex-reclamegoeroe
Saatchi, die met zijn enorm kapitaal jonge kunstenaars sponsort en beurzen schenkt.
Maar dan moeten hun werken via hem op de markt gebracht worden. Daarbij volgt hij
natuurlijk zijn eigen smaak, die eerder naar het spectaculaire neigt, en worden
misschien beloftevolle beginners die van zijn lijn afwijken, weggedrukt.’
‘Al wie bij hem aan de bak wil komen documenteert zich waarschijnlijk
eerst goed over wat hij opneemt, om binnen dat kader dan te proberen nog iets
persoonlijks te brengen. Daarbij moeten ze de grenzen waarschijnlijk steeds verder
verleggen om nog origineel te zijn.’
‘Damien Hirst, een van zijn poulains heeft een zwanger rund doorgezaagd
en in formaldehyde bewaard.’
‘Zal een volgende dan misschien een zwangere vrouw doorzagen om dat
te overklassen?’
‘Er zijn hopelijk nog grenzen!’
‘Maar die worden blijkbaar steeds verder opgeschoven! Wat moet die
Damien Hirst nu nog “creëren’’ om origineel en vernieuwend te blijven?’
‘In New York zijn het ook de belangrijke galeriehouders die in grote mate
de markt bepalen. Sommigen van hen hebben grote voorraden werken van bepaalde
kunstenaars. Ze hebben er alle belang bij dat die in de publieke belangstelling blijven
en door allerlei manipulaties van de kunstmarkt nog in waarde toenemen.’
‘Bij ons waren de voorkeuren van Jan Hoet ook nogal doorslaggevend.’
‘Gelukkig heeft de hedendaagse kunst ook heel wat positiefs bijgebracht.
De expressiemogelijkheden zijn enorm verruimd en er wordt veel meer in vraag
gesteld. De kunst zelf wordt kritisch bekeken.’
‘De verzamelaars die met enorme bedragen vooral op investeringen uit
zijn, lijken mij eerder curiositeiten en dure pins te verzamelen die vroeg of laat wel
eens zouden kunnen devalueren. Het zou me niet verwonderen als er onder de
huidige “meesters” heel wat toekomstige Wiertzen zitten.’
‘De tijd zal het uitwijzen’, antwoordde Karin laconiek. ‘Ik geloof niet dat
Saachi en de vercommercialiseerde kunstmarkt kunnen beletten dat er echte kunst
blijft ontstaan. De rigoureuze voorschriften van de Egyptische dodencultuur, of van de
middeleeuwse godsdienstigheid, of van het communisme hebben dat niet gekund, en
dat zal ook het kapitalisme niet kunnen.’
‘Laten we hopen’, beaamde Dirk. ‘Maar het lijkt me toch dat er een
nivellering naar beneden aan de gang is. Wat kunnen die jonge snoeshanen van
Saachi voor belangrijks uit hun mouw schudden? Ze lijken mij handige mannetjes die
kost wat kost willen produceren om op de markt te komen en erin te blijven zolang de
hype door belanghebbenden en de media in stand gehouden wordt.’ Voor hem was
het helemaal een opgeklopte reclamewereld van sensatie en design die voor kunst
wilde doorgaan.
Het leek weer alles koek en ei tussen hem en Karin. Dacht ze dat hij zich
neergelegd had bij haar toekomstplannen en was ze dit gesprek begonnen om hem
hiervoor te belonen? ‘Speel nog eens het Jazzalbum van Sjostakovitsj, Karin?’ vroeg
hij. ‘We hebben dat al een tijdje niet meer gehoord.’
Ze stopten in de namiddag in Jyväskylä om er een sandwich te eten op
een terrasje. Het was blijkbaar een studentenstad, er reden heel wat jonge fietsers
rond. ‘Je zou je bijna in Nederland wanen’, zei Karin. Verder bleek daar voor hen niet
veel te beleven, zodat ze alleen maar even door de voornaamste straten van de stad
reden en daarna de weg naar Tampere namen. De volgende honderdvijftig kilometer
waren niet meer zo monotoon en onbewoond als wat ze achter de rug hadden. Er
was ook al heel wat meer verkeer.
41
In Tampere stelde Dirk voor logement te zoeken in het centrum om ’s
anderendaags te voet naar de verschillende bezienswaardigheden te kunnen
wandelen. Karin knikte instemmend en hij stopte aan een betrekkelijk groot hotel om
er een kamer te nemen op de hoogste verdieping. Dat lukte. Ze konden zelfs kiezen
tussen een kamer met tweepersoonsbed of ‘lits jumeaux’. Karin koos onmiddellijk
voor het eerste.
Ze hadden er een mooi uitzicht op een der twee meren die van het
centrum van de stad een nauwe landtong maakten. Ze bleven een hele poos aan het
venster staan om van het weidse panorama te genieten. ‘We komen terug in de
beschaafde wereld’, zei Karin. Het zag er naar uit dat ze van nu af aan gewone
toeristen zouden worden.
Uit zijn documentatie wist Dirk dat er hier aan de rand van de stad ook zo’n
een heel hoge toren stond met een langzaam ronddraaiend restaurant op de top. Hij
stelde voor daarheen te rijden om er te souperen op zijn kosten. Karin die zich
blijkbaar niet al te veel zorgen maakte over haar aandeel in de uitgaven, antwoordde
onmiddellijk dat zij de wijn voor haar rekening wilde nemen. Ze verfristen zich vlug
wat en Karin trok een jurk aan ‘om terug in de wereld te komen’.
De receptioniste gaf hen een plannetje van de stad en toonde daarop de
beste weg om de Näsinneula-uitkijktoren te bereiken. Dat was niet zomaar een toren
verbeterde ze Dirk, het was de hoogste uitkijktoren van Finland. ‘168 meter’, voegde
ze er trots en parmantig aan toe.
Het was een heel stemmig en chic restaurant, maar vrij duur natuurlijk.
Dirk koos een eerder bescheiden schotel van rendiervlees. Karin vond dat ze daar nu
al genoeg van had gegeten en had liever geroosterde zalm met frietjes. Ze bestelden
daarbij een fles roséwijn om het midden te houden tussen de vleesschotel en de
zalm. Het werd een gezellig en lekker etentje. In één uur draaide het restaurant
helemaal rond en hoewel de zon intussen onder de horizon verdween, bleef het nog
licht genoeg om te genieten van de felle kleuren aan de westelijke hemel en de
vervagende contouren van het landschap.
Dirk rekende erop dat de politie hem als buitenlandse toerist niet zou lastig
vallen met een alcoholcontrole en waagde het daarna nog wat rond te toeren in de
stad. De schemering van de heldere nachtlucht gaf aan de lichten van de stad een
eigenaardig cachet, bijna als in een schilderij van Magritte. Karin bewonderde de vele
interessante gebouwen en liet Dirk stoppen op een groot plein bij huizen in art
nouveaustijl. Ze was erg opgewekt: morgen zouden ze interessante wandelingen
kunnen maken.
Op de kamer zocht ze in de documentatie van Dirk naar meer informatie
en op het stadsplannetje stippelden ze samen de route uit die ze zouden volgen. Dirk
was de eerste om te douchen en naar bed te gaan. Karin kwam zich wat later in zijn
armen vlijen en begon met kattenpootjes zijn penis en teelballen te betasten en te
strelen.
Ze stonden de volgende morgen vroeg op om na een uitgebreid ontbijt
zoveel mogelijk van de stad te gaan zien. Karin had een luchtige bloes en een kort
rokje aangetrokken en liep zowaar op hoge hakken. ‘In een stad als deze moet dat’,
zei ze toen ze Dirk met een bedenkelijk gezicht naar haar schoenen zag kijken. In
een linnen tas nam ze veiligheidshalve toch een paar wandelschoenen mee.
Ze trokken eerst naar de Hämeensiltabrug met de vier grote bronzen
standbeelden. Het uitzicht op de waterval in de rivier die de twee grootste meren van
de stad met elkaar verbond, en het stadspanorama met de rode bakstenen schouwen
van de vroegere fabrieken deed hen wat over en weer lopen op de brug. Dirk wilde
een foto van Karin bij het standbeeld van de Finse maagd en kon daarbij niet nalaten
plagend op te merken dat hij ook wel eens een maagd wilde vereeuwigen. Waarop
Karin het apparaat opeiste om een foto van hem te maken aan de voet van ‘de jager’.
‘Daar zou dan tenminste toch één stoere jager op staan’, zei ze.
‘En wat ben ikzelf dan wel? Ik dacht dat mannen allemaal jagers waren?’
‘Wat jij bent zal ik je later wel eens vertellen’, antwoordde ze ontwijkend.
Bij de beelden van de koopman en de belastinginner wilde geen van beiden op de
foto.
Van daar wandelden ze verder oostwaarts naar het oude stadscentrum.
De vele boetiekjes en restaurants en de afwisseling van gerenoveerde oude
gebouwen en zeer moderne architectuur gaven aan de drukke stad een heel eigen
cachet. ‘De Finnen trachten met zeer veel zorg hun historisch verleden én de
natuurlijke omgeving te bewaren’, merkte Dirk op, ‘en ook op sociaal vlak is Finland
blijkbaar een modelstaat.’
‘Het zou de moeite lonen terug te komen voor een wat uitgebreider en
grondiger bezoek’, reageerde Karin. Dirk durfde niet vragen of ze dat voor zichzelf
alleen zag, of voor hen tweeën. Daarom antwoordde hij alleen maar: ‘Elk van de
Scandinavische landen is meerdere reizen waard.’
Op het grote centrale plein, Keskustori, ging de aandacht van Karin niet
zozeer naar het theater en de bibliotheek met hun zuilen, of naar de iets oudere kerk
en het vroegere stadhuis, maar naar de woningen waar ze de vorige avond al hadden
stil gestaan. Ze konden een ervan bezoeken. Hoewel het interieur wat typisch Fins
meehad, met verwijzingen naar de fauna en de jacht, herinnerde het Dirk erg aan art
nouveaugebouwen die hij in Brussel en Praag had gezien. ‘Design, design, design’,
zei hij. Voor hem hadden die huizen alleen maar een oppervlakkige vormschoonheid
als een soort decor, alles louter decoratie en design.
‘Hier is toch heel veel creativiteit aan besteed. Zou het voor jou dan geen
kunst zijn omdat er geen verdrongen inhouden achter te vinden zijn?’ vroeg Karin.
‘Ik weet het niet’, bekende hij. ‘Het is een soort schoonheid die alleen naar
zichzelf verwijst, die een soort leegte schept. Misschien werkt dat wel zuiverend,
relaxend. Maar ik zie alleen personages, vrouwen à la Klimt evolueren in zo’n
vervreemdend milieu. Terwijl andere interieurs meer een eigen intimiteit scheppen,
een cocon vormen dat de bewoners rond zich opbouwen om zich te beschutten,
zonder zich van het eigen leven te vervreemden. Maar misschien ben ik nu zelf
exegese aan het plegen.’
‘Misschien leidden de mensen die hier oorspronkelijk in woonden wel een
speciaal leven. Het waren ongetwijfeld erg rijke burgers, met personeel dat opdraaide
voor de materiële behoeften.’
‘Waarmee brachten ze hun tijd dan door? Toch niet voortdurend met
zaken doen? Zeker de vrouwen niet.’
‘Met theekransjes en borduren, met hun huis te laten bewonderen en met
“goede werken” te organiseren’, lachte Karin.
‘Misschien waren ze helemaal vervreemd van hun eigen leven, net als de
arbeiders in hun fabrieken, zou Marx gezegd hebben.’
‘De personages van Klimt zouden inderdaad goed passen in zo’n interieur.
De manier waarop hij zijn modellen schilderde, schept ook zo’n glitterende
vervreemdende indruk.’
‘De echtparen die hierin leefden waren wellicht het slachtoffer van
gearrangeerde huwelijken om in de eerste plaats het familiebezit en het prestige
veilig te stellen’, verbeeldde Dirk zich. ‘Gewone mensen hebben toch geen behoefte
aan zo’n interieur dat alle aandacht naar zich trekt. Mensen met een goedgevuld
leven moeten niet telkens weer verrast worden door de ongewone vormen van hun
gebruiksvoorwerpen, meubilair en decoratie. Ze wensen ongetwijfeld eerder een
rustig, comfortabel en aangenaam interieur.’
‘Zou de kick van het ongewone op de duur niet slijten, zodat het alleen nog
voor bezoekers enig effect sorteert?’
‘En zouden Jugendstil en Art Nouveau geen producten zijn van een wouldbe harmonieuze, schijnbaar gelukkige tijd, die een luchtige designsfeer wilde
scheppen om de toenmalige sociale en politieke problemen te verdringen?’
‘Ik weet niet genoeg van onze recente geschiedenis om daarop te kunnen
antwoorden. Bovendien begin ik een beetje honger te krijgen en zou ik nu graag op
een terrasje in de zon gaan zitten met een cappuccino en een gebakje!’
Ze moesten even zoeken naar een zonnig terras met een vrij tafeltje. Het
was al één uur en blijkbaar waren veel inwoners van de stad zelf aan een rustpoos
toe. Er liepen ook heel wat duidelijk herkenbare toeristen rond. Ze kozen allebei van
de kaart een paar gebakjes met vreemdsoortige namen, zomaar op goed geluk, en
proefden dan van alle vier. Intussen keken ze op het plannetje en raadpleegden ze
de documentatie voor het verdere verloop van de dag. Ze besloten nog meer
oostwaarts de zeer moderne Kaleva kerk te gaan zien, om daarna terug te keren
langs de universiteit en de reusachtige Tampere Hall en de dag te beëindigen in een
restaurantje aan de oever van het Pyhäjärvimeer.
‘Tenzij we daarna nog naar een van de nachtclubs gaan die in je foldertjes
vermeld worden’, suggereerde Karin voorzichtig, terwijl ze haar hoge hakken verving
door de meer comfortabele wandelschoenen.
‘Je zou niet eens meer in staat zijn om er te dansen!’ wees Dirk haar
voorstel onmiddellijk af. Hij stond op om de wandeling verder te zetten.
‘Voor de ambiance, de show en de stripteaseuses …’ Ze nam zijn arm om
samen op te stappen en bekeek hem heel verleidelijk.
‘Daar heb ik nu allerminst behoefte aan’, antwoordde hij categoriek.
‘Je moet daar niet naartoe gaan uit behoefte, maar voor de “glamour” en
de “kick”!’
‘Je doet alsof je een regelmatige bezoeker bent van dergelijke
etablissementen?’ wilde hij nu graag wat meer vernemen.
‘Ik moet bekennen dat ik maar eenmaal in zo’n tent geweest ben.’
Met Karel, dacht Dirk onmiddellijk.
‘Maar ik heb er zo’n prettige indruk van overgehouden dat ik het wel eens
meer wil doen.’
‘Wat was daar zo bijzonder aan?’
‘Alles: de verlichting, de champagne, de mannen die de danseressen
proberen te versieren of die hun prooi al bij hebben. Als vrouw moet je daar natuurlijk
een begeleider hebben. Het geeft een speciale kick er nonchalant tussen de wolven
te verkeren en veilig met je eigen partner te dansen. Terwijl je al vooraf geniet van
het vooruitzicht met een goed opgewarmde minnaar naar huis terug te keren.’
‘Ik vind er helemaal niets erotisch aan designvrouwen acrobatie te zien
doen rond een paal. Met hun kitcherige opsmuk en hun stereotiepe gezichten.
Wanneer ze aan je tafeltje komen zitten, trachten ze alleen maar zoveel mogelijk geld
uit je zak te kloppen.’
‘Je bent waarschijnlijk alleen maar in minder goede nachtclubs geweest?’
‘Eenmaal, samen met een paar andere studenten, maar in Parijs ben ik in
de ‘Crazy Horse’ geweest.’
‘En?’
‘Dat was nog erger. Allemaal identieke designlijven met hetzelfde
“ponykapsel”, net paardenkoppen. Geef mij dan maar liever een goede erotische film
met een boeiend verhaal en een actrice met persoonlijkheid die je gevoelens
aanspreekt en je vrijgevig laat genieten van haar mooie lichaam.’
‘Maar een film is toch maar een film. Terwijl je in een goede nightclub de
werkelijkheid en de sfeer hebt …’
‘De werkelijkheid? Allemaal opgeklopte schijn, fake, design. Hoe ben jij
daarin terecht gekomen?’
‘Met Karel. Van tijd tot tijd moest hij wel eens buitenlandse gasten
vergezellen ’s avonds en zo kende hij enkele “betere” gelegenheden.’
‘En moest je hem daarbij vergezellen?’
‘Nee, helemaal niet. Ik ben er ook maar eenmaal naartoe geweest, alleen
met hem.’
‘Hij wou je kennis laten maken met zijn wereld?’ Dirk kon zijn ergernis
nauwelijks onderdrukken.
‘Helemaal niet. Dat was niet echt zijn wereld, beweerde hij toch. Het waren
eerder zeldzame sociale verplichtingen waar hij soms niet onderuit kon. Ik had hem
zelf gevraagd om eens samen naar zo’n club te gaan en er de sfeer te leren kennen.
Kort voor ik zijn bedrog ontdekte, wilde ik die wereld ook eens zien.’
‘En dat beviel je zo erg? Dat had ik helemaal niet verwacht van je!’
‘We dronken er champagne en we dansten op een glazen dansvloer die
van onder af verlicht was. Ik voelde me als in een bad van bubbelende champagne.’
‘Misschien kan het eens aangenaam zijn in zo’n heel andere sfeer
ondergedompeld te worden. Maar daar heb ik nu helemaal geen behoefte aan. Nu
zitten we tot over onze oren in de Finse cultuur.’ Karin merkte dat het hem menens
was. Ze loste zijn arm terwijl ze rondkijkend verder wandelden.
Dirk nam enkele foto’s van de oude en hypermoderne gebouwen die ze op
hun traject tegenkwamen. Maar hij was er helemaal niet bij met zijn gedachten. Die
Karel was nog maar eens van achter het hoekje komen loeren. En wat had Karin nu
dat ze niet meer in musea geïnteresseerd was, maar eerder naar een nachtclub
wilde? Ze had in zijn documentatie ongetwijfeld wel gezien dat er een Sara
Hildénmuseum was in Tampere met Finse en internationale moderne kunst. Heimelijk
was hij eerder tevreden dat ze daar niet naar vroeg. Maar een nachtclub kwam voor
hem al even ongelegen.
Hij bekende Karin liever niet dat hij zelf ooit tijdens een zomercursus in
Spanje naar een peepshow was gegaan. Na vinnige discussies had hij zich zonder
Ludwina voor die cursus kunnen inschrijven. In dezelfde havenstad was er toevallig
ook een kazerne van de marine en in de omgeving hadden Russische maffiosi een
echt sekscentrum ingericht. De drukke toeloop van jonge matrozen had hem
nieuwsgierig gemaakt en hij waagde het ook eens aan te schuiven om in een klein
hokje met een aan de ingang gekochte jeton het venstertje te laten opengaan. Daar
had hij wél vlinders in zijn buik gevoeld, zodat hij er verschillende malen teruggegaan
was. Er waren telkens andere ‘danseressen’ te zien. Het waren prachtige jonge
vrouwen die volledig uit de kleren gingen. Enerzijds voelde hij medelijden met hen.
Maar anderzijds was er ook een soort dankbaarheid om de erotische schoonheid van
het spektakel waarvan ze hem lieten genieten. Een soort realistische kunst. Hij had
graag eens met hen gepraat, ook om ze te bedanken, maar ze werden zeer streng
afgeschermd van het publiek. Ze werden met de auto gebracht en onder begeleiding
terug afgevoerd. Waarschijnlijk was dat wel nodig met al de jonge hengsten die daar
rondhingen. Hopelijk werden ze verder correct behandeld. Ze keken ernstig, maar
leken niet ongelukkig. Naar hun normen verdienden ze wellicht heel veel geld.
Hoewel de maffiosi ongetwijfeld nog veel meer op zak staken. Maar is dat op de hele
‘arbeidsmarkt’ niet zo? De arbeiders krijgen ook maar een bescheiden loon, en aan
de top van onze maatschappij zitten de internationals, de banken, de geldmagnaten,
maffiosi en hier en daar wat corrupte ‘regeerders’ die de geproduceerde rijkdom
afromen.
In stripteasebars en nightclubs waar Karin zich in een champagnebad
voelde, maar waar hij zelf zo’n negatieve indruk aan overgehouden had, doen de
danseressen gevoelloos en professioneel hun nummer. Pure business, opgeklopt
schuim. Terwijl de meisjes in die peepshow, met een minimum aan showgedoe,
levensecht overkwamen op de draaiende ronde vloer als in een ton, beloerd door
hitsige mannen achter donkere venstertjes. Fris en mooi in de leeuwenkuil gegooid,
toonden ze zich helemaal zoals ze waren. Het was jammer dat allicht grote
verschillen in loon en levensstandaard de oorzaak waren van hun bereidheid om hun
land te verlaten en te doen wat ze deden.
Het zou weggegooid geld zijn nu met Karin naar zo een tent te gaan voor
wat inhoudsloze schijn. Terwijl hij wat afwezig met haar meeliep, ging zij weer
volledig op in de bezienswaardigheden, de vitrines en ook in de winkels. Ze had zijn
camera overgenomen en maakte af en toe zelf een foto. Toen ze in de late namiddag
al bijna aan de kaaien van het Pyhäjärvimeer waren, trok ze hem een juwelierszaak
binnen waar in de vitrine veel goud en zilver en sieraden met allerlei edelstenen
lagen. ‘Een souvenir uit deze winkel zou wel een beetje meer kosten dan een
halssnoer van houtblokjes en gewei’, zei ze uitdagend. Dat halssnoer uit het
Samenwinkeltje was blijkbaar definitief verdwenen in haar bagage. Toen Dirk wat
nader toekeek en de peperdure prijzen zag, zei hij zonder veel nadenken: ‘Als er door
deze reis een blijvende relatie tot stand komt, mag het wel wat kosten.’
‘Moet ik me verkopen voor een schotel linzensoep?’ reageerde ze
onmiddellijk.
‘Verkopen? Helemaal niet. Maar een duurzame herinnering is maar terecht
wanneer het om een duurzame situatie gaat.’
‘Deze reis zal altijd een belangrijke herinnering blijven.’
‘Maar als het niet meer zal zijn dan een herinnering, kan het ook met een
goedkoper iets. Hebben ze hier geen nuggets die je aan dat halssnoer kunt rijgen?’
‘Een nugget hadden we zelf moeten vinden!’
‘Dan zaten we daar waarschijnlijk nog zand te wassen.’
Karin zweeg en om uit de impasse te geraken stelde Dirk dan voor: ‘Een
armband of broche van tijgeroog zou met zijn bruin-zwarte kleuren kunnen
samengaan met het halssnoer van gewei en parels en stukjes hout.’ Omdat ze daar
niet op reageerde, voegde hij er nog aan toe: ‘Maar misschien wachten we beter tot
het einde van de reis. We zijn bijlange nog niet thuis.’ Ze reageerde nog steeds niet
en bleef verder rondkijken. Blijkbaar vond ze toch niet iets dat ze absoluut wilde
hebben, en dichter bij huis of zelfs helemaal thuis zou hij beter kunnen inschatten
hoeveel hij voor een souvenir over had, dacht Dirk.
Ze vonden aan het meer een gezellig restaurantje en Dirk stelde voor een
uitgebreid maal te nemen, ‘omdat ze niet veel meer dan gebakjes gegeten hadden’.
Hij wilde vooral lang aan tafel blijven om daarna rechtstreeks naar het hotel en naar
hun kamer te gaan.
Nadat ze hun keuze gemaakt en een aperitief besteld hadden, begon Dirk
om de juwelenwinkel te doen vergeten dat heel wat creaties tot de categorie kunnen
behoren van het puur vormelijke dat alleen maar naar zichzelf verwijst. ‘Tv-feuilletons
en films die geen andere bedoeling hebben dan de toeschouwers een tijdje bezig te
houden, kunnen ook een formele schoonheid hebben, een bepaalde sfeer scheppen
en een relaxende uitwerking hebben door de reële wereld een tijdlang te verdringen.
Misschien is het wel de voornaamste functie van sommige liefdesverhalen, thrillers en
spektakelfilms om eerst een artificiële spanning op te bouwen en die daarna met de
ontknoping op te lossen. Wat kan werken als een soort hersenmassage die tijdelijk
de innerlijke stress en andere kommer-en-kwel wegneemt.’
Karin zat wat verveeld te luisteren, met meer aandacht voor de andere
bezoekers van het restaurant dan voor Dirks uiteenzetting, maar dan onderbrak ze
hem met: ‘die kunstmatige kick maakt voor velen wel deel uit van hun werkelijke
leven! Zoals anderen af en toe behoefte hebben aan een pornofilm of aan een
voetbalmatch, of zoals die Amerikaanse president, aan een paar callgirls om de
spanningen van de voorbije dag van zich af te zetten. Zo maken ook luxueuze
avondjes voor vele nachtclubbezoekers deel uit van hun “normale” leven.’
Dirk deed alsof hij dat laatste niet gehoord had, en ging door met zijn
eigen gedachten: ‘artistieke creaties die niet meer zijn dan vormexperimenten en
alleen maar naar zichzelf verwijzen, lijken mij te behoren tot de categorie ‘design’,
terwijl echte kunstwerken communicaties zijn, meer verwijzen naar iets belangrijks
dat erin of erachter schuil gaat, erdoor veropenbaard wordt; een boodschap van de
maker, een typering van een sociale werkelijkheid, een tijdsgeest, een ideaal, een
ideologie’.
‘Voor zover ik weet kunnen zelfs de domste sitcoms zich in de sociale en
politieke werkelijkheid situeren waarin het verhaal zich afspeelt!’
‘Mij lijken het eerder irreële werelden, maar ze kunnen volgens het
freudiaanse lustprincipe misschien wel helpen om spanningen en stress te verdringen
of weg te werken. Wellicht kunnen we kunstwerken ook onderverdelen in creaties
gedomineerd door het “lustprincipe” enerzijds en tegengesteld daaraan andere
gedomineerd door het “realiteitsprincipe”. Met tussenin een hele gamma overgangen.
James Bond situeert zich helemaal in het eerste, en de verhalen van Le Carré meer
in het tweede…’
‘En waar plaats je die onderverdeling in jouw model?’
‘Op het eerste en tweede, en misschien ook op het derde niveau, als het
een boodschap is die de auteur ook tot de buitenwereld richt.’
Karin sloot de ogen alsof ze zo de onderverdeling van de vier verdiepingen
trachtte op te roepen en knikte instemmend. Maar ze leek verder niet erg meer
geïnteresseerd in de discussie zodat ze allebei hun aandacht besteedden aan het
opgediende maal.
Het was daarna nog een flinke wandeling naar hun hotel. Ze waren blij
daar onmiddellijk naar hun kamer te kunnen om op het bed te gaan liggen. Het
resultaat van het vele wandelen en het copieuze avondmaal liet niet lang op zich
wachten. Karin viel het eerst in slaap, terwijl Dirk nog wat nadacht over de voorbije
dag. Had hij toch niet beter iets voor haar gekocht in die juwelierszaak, hoe duur het
ook zou uitgevallen zijn? Of had hij met haar naar een nachtclub moeten gaan?
Zou hij haar voorstellen nog een dag langer in Tampere te blijven onder
voorwendsel dat ze nog niet de helft van de stad gezien hadden?
42
Karin was niet erg spraakzaam de volgende morgen. Dirk deed alsof hij de
documentatie nog eens nakeek terwijl ze zich klaar maakte om naar beneden te gaan
voor het ontbijt. ‘Het is maar honderdvijftig kilometer naar Turku’, zei hij, ‘en het is een
kleinere stad dan Tampere.’
‘En dan?’
‘Misschien kunnen we hier eerst nog een en ander bezoeken? De
helemaal omgebouwde oude fabrieken, bij voorbeeld.’
‘Laat ons maar onmiddellijk vertrekken.’
‘Oké.’ Hij plooide de map en de foldertjes dicht en ze verlieten de kamer.
Het was een heel drukke weg van Tampere naar Turku, zodat ze pas
tegen de middag de stad naderden. Ze reden door enkele brede lanen die in
dambordvorm elkaar kruisten en kwamen langs een rivier tot aan de haven, waar
allerlei oude en ook meer recente schepen lagen.
De overzet van ’s voormiddags was al vertrokken. Ze hadden pas ‘s
avonds weer een boot. Misschien konden ze eerst naar Mariehamn op de
Ålandarchipel varen, stelde Dirk nog voor en daar een dag blijven om ’s
anderendaags naar Stockholm door te varen? Er lagen honderden grote en kleine
eilanden op die vaarroute. Het was ongetwijfeld de moeite waard om dat bij dag te
doen. Maar Karin deed een beetje nukkig. Ze zei dat ze daarvan al genoeg gezien
hadden. Dirk nam dan maar ticketten voor dezelfde avond, met cabine, om goed te
kunnen slapen en de volgende dag fit te zijn voor het bezoek aan de Zweedse
hoofdstad.
In een nabije snack aten ze een visschotel met rijst. Om daarna de tijd te
doden toerden ze nog wat rond in de stad. Ze kwamen voorbij de oude
Turunlinnavesting, waar Dirk wel interesse voor had, maar toen hij het gezicht zag
dat Karin daarbij trok reed hij verder tot aan de rand van de stad, tot aan een soort
gehucht met oude huisjes op een heuvel. Daar was blijkbaar wat folklore te zien. Er
klonk muziek en er liepen heel wat mensen rond. Ze stopten er om wat rond te
wandelen. In die huisjes op de ‘Kloosterheuvel’ waren oude werkplaatsen voor allerlei
beroepen: een schoenmakerij, een drukkerij, een smidse, een zadelmakerij, een
touwslagerij, een pottenbakkerij en nog wat andere meer. Meisjes in mooie
klederdrachten demonstreerden er kantklossen, spinnen en weven. Er was een
snoepwinkeltje en ook een winkeltje waar een oude vrouw sigaren draaide, die een
jong meisje in verschillende talen probeerde te slijten aan de bezoekers. Dirk wees
Karin op eigenaardige repen samengeperste tabaksblaren. ‘Weet je wat dat is,
Karin?’
‘Daar maken ze zeker sigaren mee?’ haalde ze de schouders op.
‘Dat is waarschijnlijk iets heel anders, namelijk …’ Het meisje onderbrak
hem: ‘Kautabak’, zei ze. ‘Das muss man kauen, nicht rauchen!’ Ze had hun
Nederlands wellicht voor Duits gehouden. Ze klapperde met haar tanden en lachte.
Dirk dacht onmiddellijk aan Hildeke van Kopenhagen. Ze stak haar hand uit naar Dirk
met een vijftal sigaren: ‘Zigarren kaufen?’
‘Mein Vater raucht nur Havannas, und ich rauche nicht!’
‘Unser Tabak ist ja auch sehr gut!’ insisteerde ze met een verleidelijke
glimlach. ‘Wieviel?’ gaf Dirk toe. Ze zei het bedrag in het Zweeds en schreef het op
een briefje. Hij betaalde en zei naar Karin toe: ‘Af en toe rookt mijn vader ook wel
goedkopere sigaren dan zijn cohiba’s. Ik wil wel eens weten wat hij van deze zal
vinden.’ Het meisje zei, nog steeds liefelijk glimlachend: ‘danke schön!’ en stopte het
geld in een blikken doos.
Terwijl ze hun wandeling verder zetten in de richting van het pleintje waar
de muziek te horen was, zei Dirk, bijna meer tot zichzelf dan tot Karin: ‘Toen ik nog
heel klein was ben ik ooit met mijn vader op bezoek geweest bij een oud mannetje
dat tabak pruimde. Ik zie nog hoe hij met zijn mes een stukje van de reep tabak
afsneed en het als een prop tussen zijn wang en tanden stak. Zo een prop was een
“sike” en tabak kauwen was “siken”. Zijn tanden waren geelbruin en hij spoot af en
toe een straal bruin speeksel feilloos in een kleine ronde schaal met zagemeel, de
“speekbak”.’
‘Zoiets vies. Waarom deed hij dat?’
‘Om er energie uit te putten, denk ik, zoals sommige indianen in ZuidAmerika cocablaren kauwen. Misschien ook om mond en keel vochtig te houden bij
zwaar labeur in een stoffige omgeving. Het oude mannetje deed het waarschijnlijk
verder uit verslaving of verveling. Zoals men nu achteloos een sigaret opsteekt.’
‘Toch maar een vieze bedoening.’
‘Maar vroeger zeer gebruikelijk. Er werden speciaal zulke spuwbakjes
gemaakt en in de handel gebracht. Ik heb er nog gezien in musea.’
Dan zei Karin opeens: ‘Jij bent zeker ook enig kind?’
‘Ja. Waarom denk je dat?’
‘Zomaar … Misschien om de manier waarop je over je vader spreekt. Je
had het ook nooit over broers of zussen. Zijn je ouders misschien ook vroeg
gescheiden?’
‘Nee. Ze zijn laat getrouwd. Na mij is er nog wel een miskraam geweest.’
Ze kwamen intussen in het zicht van het pleintje. Daar was heel wat volk
bijeen en op een verhoog werd er gedanst. Jongens en meisjes in klederdracht, maar
er waren ook toeristen die zich waagden. Er was een polka aan de gang en het
stampen op de houten dansvloer onderlijnde het ritme van de muziek.
‘Gaan we ook?’ probeerde Dirk, maar Karin antwoordde: ‘Laat ons liever
wat drinken op een van de terrasjes en gewoon toekijken.’
Ze vonden een paar vrije stoelen aan een tafeltje dat maar half bezet was
door een jong paar met een kindje en dat een uitnodigend gebaar maakte naar hen
toe. Dirk dankte hen in het Engels. Daarop vroeg de man ook in het Engels waar ze
vandaan kwamen. ‘From Belgium’, zei Dirk en hij verduidelijkte: ‘we are Flemish.’
Ze bestelden koffie aan een dienstertje en daarna begon hun tafelbuur
opnieuw. Het waren Zweedssprekende Finnen. ‘Het is hier in Turku een beetje
dezelfde situatie als bij jullie rond Brussel, niet? Finland is lange tijd Zweeds geweest,
zoals u wellicht weet, en er wordt nog veel Zweeds gesproken langs de zuidelijke
kust’, zei hij. Waarop Dirk probeerde duidelijk te maken dat de situatie in België nogal
verziekt was, onder andere door sociale trauma’s uit het verleden die nog steeds hun
gevolgen lieten voelen. ‘Hadden de Finssprekenden en de Zweedssprekenden
grieven tegenover elkaar of tegenover de staat? Vreesden de Zweedssprekenden
geminoriseerd te worden?’ Vroeg hij. De man antwoordde daar niet rechtstreeks op.
Hij vond dat het allemaal niet zoveel problemen moest veroorzaken. Zij hadden in
Turku zelfs een Zweedse universiteit en in de hele streek kon men terecht in beide
landstalen. Maar hij gaf ten slotte toe dat de Finnen zich meer fair play gedroegen
dan de Zweden en dat Finse minderheden in Zweden niet altijd correct behandeld
werden in het verleden.
Karin probeerde intussen een gesprek met de vrouw over de baby die ze
op haar schoot had. Maar die kende slechts enkele woorden Engels, zodat hun
dialoog algauw stilviel en ze allebei hun aandacht meer aan de dansers en de voorbij
wandelende bezoekers besteedden. Er werden walsen, tango’s, marsen en polka’s
gespeeld, waarbij deze laatste blijkbaar het meeste succes hadden bij de dansers.
Dirk veronderstelde dat Karin wellicht liever doorging toen ze hun kofiie uit hadden.
Hij beëindigde het gesprek met de spraakzame Zweedse Fin: ‘Ik geloof wel dat jullie
Finnen op veel gebieden de dingen beter aanpakken dan wij Belgen. Wellicht hebben
jullie daarvoor meer armslag en ruimte. Bij ons zitten veel dingen muurvast en is er
niet veel manoeuvreerruimte meer voor diegenen die de beslissingen moeten
nemen.’
De man voelde zich duidelijk gevleid. Na handjes drukken en afscheid
nemen, gingen Dirk en Karin terug naar hun wagen. Ze reden nog wat kriskras door
de stad, haalden bij een bank wat Zweedse kronen en gingen daarna parkeren in de
rij van de personenwagens die al stonden te wachtten bij de aanlegsteiger. Dirk legde
zijn rugleuning wat naar beneden en sloot de ogen. Karin volgde zijn voorbeeld.
Hij dacht aan het meisje in het sigarenwinkeltje en aan Hildeke. Indien
deze reis met Karin op een sisser eindigde, kon hij best volgend jaar eens alleen
terugkomen naar Finland. Er was hier heel wat te zien aan goed onderhouden oude
gebouwen en mooie moderne architectuur. En de natuur en de oude folklore werden
zo goed mogelijk bewaard. Minder gevarieerd dan in Noorwegen waren de
landschappen toch nog ruimschoots de moeite waard. Vooral de kusten met die vele
eilandjes. En de meisjes waren misschien even happig om een relatie te beginnen als
die van Kopenhagen.
Maar dan riskeerde hij toch weer in dat patroon van de gelegenheidsliefjes
terecht te komen. Misschien zocht hij beter in België een duurzame latrelatie indien
Karin niet een meer evenwichtige partner kon worden.
Zonder het te beseffen viel hij ten slotte toch in slaap en werd hij pas
wakker toen de drukte van het inschepen begon.
43
Toen ze het hoogstnodige uit de auto naar hun cabine brachten, schrok
Karin van de kleine ruimte en de smalle stapelbedjes. ‘Het lijkt wel een rattenval’,
huiverde ze. ‘Als het schip vergaat in volle zee verdrinken we hier als ratten!’
‘Als katten in een zak’, gekte Dirk. Maar toen hij zag dat het haar menens
was, probeerde hij haar gerust te stellen: ‘Het is totaal onwaarschijnlijk dat zo een
schip vergaat’. Hij verzweeg dat hij zich vaagweg iets herinnerde over een
mysterieuze scheepsramp in de Oostzee, vele jaren geleden.
Ze bekeken de afvaart van op de achtersteven. Daarna wilde Dirk nog lang
blijven kijken naar de vele eilanden en eilandjes die ze voorbijvoeren. Hier en daar
stonden er mooie chalets met een aanlegsteiger en aangemeerde motorboten en
zeilboten die op en neer dobberden met de golfslag veroorzaakt door het
voorbijvarende schip. In sommige huizen waren er al lichtjes aangestoken, terwijl er
bij andere nog werd gebarbecued. Er liepen nog enkele wandelaars langs het water.
Op een paar kleine eilandjes stond er maar één enkel groot herenhuis in oude stijl.
Daar te wonen met een droom van een vrouw, dacht Dirk. Een vrouw die er vrede
mee zou nemen alleen maar af en toe naar de bewoonde wereld te varen om er de
inkopen te doen voor een ganse maand en wat in de stad rond te hangen.
Hoewel hij zelf ook honger had, was hij graag nog langer blijven kijken
naar die voorbijschuivende paradijzen. Maar Karin drong aan en met enige tegenzin
volgde hij haar naar de druk bezette eetzaal.
Ze gingen een paar maal hun bord vullen met de verschillende vis- en
vleessoorten, rijst, aardappelen en groenten, en daarna nog eens bij de nagerechten.
Meer dan verzadigd verlieten ze uiteindelijk het restaurant en wandelden doorheen
het hele schip op zoek naar een plaatsje waar ze konden rusten. Maar alle zetels en
comfortabele plaatsjes waren bezet. Dirk vond het te gek om nog verder te zoeken,
terwijl ze betaald hadden voor een cabine met bedden. Maar Karin wilde voor geen
geld ter wereld naar dat ’benauwelijk hok’. Ten slotte ging ze in het salon op de grond
liggen naast een rij jongeren met grote rugzakken die blijkbaar geen cabine genomen
hadden. Na een poosje zei Dirk dat hij naar het bovendek terugging waar ze zopas
langsgekomen waren. Hij wilde nog wat genieten van het uitzicht vooraleer het
helemaal donker werd.
‘Je doet maar’, zei Karin en ze draaide zich op haar zij.
In de schemering waren er al meer verlichte vensters te zien. Soms was er
een rookpluim die even boven de bomen horizontaal uitvlakte en wegdreef. Het gaf
Dirk een onbestemd gevoel van heimwee. Naar wat? De sfeer van de kampvuren de
laatste avond van de vakantiekampen uit zijn jeugd was het eerste dat hij hiermee in
verband kon brengen. De melancholie van het afscheid, van een onbekende
toekomst en van de dingen die zich wellicht nooit meer zouden voordoen. Hij
dwaalde verder af naar stemmingen die hij ooit gewenst had te delen met een meisje
dat in een klassiek orkest viool of dwarsfluit of klarinet zou spelen. Hij was zelf niet
erg beslagen in muziek, maar had zich altijd voorgesteld dat zo’n muzikantje na een
goede repetitie of een geslaagde opvoering helemaal vergeestelijkt naar huis zou
komen. En dat hij die stemming met haar zou kunnen delen. Hij was evenwel nooit
met zo’n mogelijke partner in contact gekomen. Misschien kon hij het via een
advertentie of een contactbureau eens proberen indien het met Karin zou mislukken?
Hij dacht ook terug aan Hildeke.
Hij bleef op het bovendek tot er geen eilandjes meer in zicht kwamen en
de schemering overgegaan was in schemerduister. Daarna ging hij terug naar het
salon om te zien of Karin toch niet naar de cabine wilde meekomen. Ze sliep en de
plaats naast haar was ingenomen door een bijgekomen rugzaktoerist. Na een korte
aarzeling ging Dirk ook in de rij liggen. Het duurde een hele tijd vooraleer hij slaperig
begon te worden. De documentatie over Stockholm was in de wagen gebleven.
Jammer dat hij die nu niet kon inkijken om zijn geheugen wat op te frissen en de
bezienswaardigheden van de stad na te zien. Hij wist dat er een soort grote fjord
dwars door de stad liep, tot zeer diep in het binnenland en dat verschillende eilanden
met bruggen aan de beide stadsdelen verbonden waren. Er was ook een oud schip te
bezichtigen dat ooit tijdens zijn maidentrip gezonken was en nog niet zo lang geleden
terug boven water gehaald was. Ook de metro was heel speciaal met uit de rots
gekapte gangen. Ongetwijfeld viel er genoeg te zien en te bezoeken en als het haar
stemming kon verbeteren was hij zelfs bereid om met Karin naar een nachtclub gaan.
Hij sliep amper een paar uurtjes en voelde zich geradbraakt toen hij
wakker werd. Hij bleef eerst een poosje liggen, zoekend naar de minst
oncomfortabele houding op de harde vloer. Daar geen enkele manier van liggen vrij
was van pijnscheuten, krabbelde hij ten slotte recht en ging wat wandelen op het
bovendek. Het deed hem goed in beweging te zijn. Het begon al te klaren. Ze
vaarden blijkbaar in volle zee, zonder eilandjes of lichtjes in zicht. Hij ging na een
poosje heen en weer lopen naar de cabine om zich wat te verfrissen en vond daarna
Karin rechtop zittend, geeuwend en aan haar ogen wrijvend. Ze had betrekkelijk goed
geslapen, zei ze. Waarschijnlijk wilde ze niet bekennen dat ze zich eveneens ellendig
voelde. Een paar jonge mannen in de rij slapers waren ook al wakker en lagen wat
rond te kijken zonder op te staan. Dirk hielp Karin recht en ging met haar terug naar
de cabine, waar ze op haar beurt wat toilet maakte. Dirk wilde tijdig terug op het
bovenste dek staan om niets te missen van het binnenvaren door de diepe inham
naar Stockholm toe.
Het duurde niet lang vooraleer er land in zicht kwam. Het werd weer een
opeenvolging van idyllische stranden en baaitjes, ingeslapen droomhuizen met
aanlegsteigers en allerlei soorten jachten en motorboten. ‘Wat een heel ander leven
hebben die Scandinaviërs toch. “Blue Bayou” …’
‘En wat doen die dan hele dagen? Ze kunnen toch niet al de tijd
zwemmen, vissen, varen, barbecuen?’ deed Karin erg nuchter.
Vrijen, dacht Dirk, maar dat zegde hij liever niet. ‘Werken! Misschien
kunnen ze hun werk per computer doen. Het zijn alleszins geen ongeschoolde
handarbeiders die hier wonen!’
‘En wat gaan wij in Stockholm doen?’ vroeg ze zonder veel enthousiasme.
‘Ik zou eerst de documentatie willen herbekijken. Misschien kunnen we
beginnen met de stad te verkennen per boot of met een sightseeingbus?’
‘Niet per boot! We hebben al genoeg gevaren en we zullen genoeg gezien
hebben van op het water vooraleer we aanleggen!’
‘Dan zoeken we best eerst een hotel om er wat te rusten en maken daarna
een rondrit door de stad. Maar niet met de wagen. Daar voel ik me niet fit genoeg
voor.’
Het was een heel lange vaarroute tot in de haven van Stockholm en Karin
was op een stoel gaan zitten knikkebollen, terwijl Dirk maar niet genoeg kon krijgen
van de voorbijglijdende oevers waar de huizen en de stranden langzamerhand
ontwaakten. Zelfs toen ze naar de auto’s terug mochten en Karin al hun toiletgerief
was gaan halen in de cabine, bleef hij nog kijken tot het schip begon aan te meren
langs de lange kaai. Ze kwamen geen minuut te vroeg bij de wagen om op hun beurt
uit het grote parkingdek weg te rijden. Eenmaal aan land parkeerde hij zodra hij kon
om een plannetje van Stockholm te bekijken. Ze zaten blijkbaar op Södermalm, het
deel van de stad op de zuidkant van de inham. Vluchtig een reisgids doornemend
wist hij weer dat er heel wat kastelen te bezichtigen waren, koninklijke en andere. En
dat het koninklijke schip dat een drietal eeuwen geleden vergaan was en nu helemaal
gerestaureerd te bezoeken was, de ‘Vasa’ heette. Karin die wat losse publicaties
bekeek, zei dat er enorm veel musea waren en ook een toren met restaurant zoals in
Tampere, maar blijkbaar niet zo hoog. Dirk voelde zich wat suf en besluiteloos, en
hoopte dat Karin met een initiatief voor de dag zou komen. Maar zij bleef bezig met
haar foldertjes. Ten slotte startte hij de motor en zei: ‘We gaan dus een hotel zoeken,
wat rusten en een stortbad nemen, om dan in de namiddag wat rond te toeren in de
stad.’ ‘En uit te kijken naar wat het nachtleven hier te bieden heeft’, voegde Karin er
schijnbaar heel neutraal aan toe.
Ze reden eerst een heel eind langs kaaien met loodsen en schepen om
dan via het schiereiland Gamla Stan en een paar bruggen op Norrmalm, het
noordelijk deel van de stad te komen. Dirk reed lukraak traagjes door de straten en
stopte bij een niet al te groot hotel met een ietwat oude gevel, dicht bij de Opera en
een station van sightseeingbussen. Hij keek naar Karin en die knikte instemmend.
Binnenin leek het een groot oud herenhuis, dat blijkbaar wat verbouwd was om er
een hotel van te maken. De lounge was een salon met oude meubels en de lift zat in
een metalen kooi die er, ook al vele jaren geleden, bijgebouwd was. Ze rammelde
wat wanneer ze met schokjes omhoog ging.
De vriendelijke jongedame die de lift bediende en hen naar hun kamer
begeleidde, vertelde in zeer goed Engels dat het hotel al meer dan honderd jaar door
haar familie uitgebaat werd. Ze probeerden zoveel mogelijk de oude stijl van het huis
te bewaren, ook al gaf dat de gasten soms wat minder comfort dan in een modern
hotel gebruikelijk was. Karin en Dirk verzekerden haar dat ze die sfeer verkozen
boven moderne snufjes.
Het brede bed had een hoogopstaand hoofd- en voeteinde en was net als
de massieve kleerkast en de nachttafeltjes versierd met houtsnijwerk. In de
badkamer met glimmende koperen buizen en kranen was de grote badkuip wat
vergeeld en stond er een wc met houten bril en deksel. De spoelbak was erboven
aan de muur bevestigd en er hing een faience handvat aan een kettinkje om door te
spoelen.
Dirk en Karin lachten appreciërend en Karin zei: ‘lovely’. Ze kregen de
sleutel met een dikke houten bol eraan en de jongedame wenste hen een prettig
verblijf in de stad terwijl ze de deur achter zich dichttrok.
Karin ging eerst een bad nemen, terwijl Dirk op het bed ging liggen en
indutte. Toen hij wakker werd, was Karin in haar valies het nodige bijeen aan het
zoeken om zich op te tutten. Blijkbaar had ze ook al wat geslapen. ‘Het wordt tijd dat
we weer eens ergens twee nachten blijven, om een wasje te slaan en de spullen
daarna ook nog te drogen’, zei ze.
‘Daarvoor zijn de campings altijd het meest geschikt gebleken’,
antwoordde Dirk, om te laten horen dat hij de volgende maal weer wilde kamperen.
Hij zou wellicht niet meer kunnen ontsnappen aan ‘Stockholm by night’. Maar meer
dan één nacht fuiven zag hij niet zitten, om budgettaire redenen en ook omdat hij na
een lange nacht niet veel zin had om veel rond te sjouwen. ‘Na de sightseeing tour
kunnen we ergens gaan souperen en daarna zien we wat Stockholm ons te bieden
heeft’, stelde hij voor. ‘Dat lijkt me ook het beste’, antwoordde Karin heel neutraal.
Toen Dirk uit de badkamer kwam, had ze een donker mantelpakje en een
lichtblauwe bloes aangetrokken. Ze liep weer op hoge hakken. Ze zag er een beetje
ouder en ernstiger uit dan in haar gewone spullen. Zou Karel dat voor haar gekocht
hebben? Indien ja vond hij het niet prettig dat ze het meegebracht had.
Hij kon er alleen een ietwat modieus jeanspak tegenover stellen. Hoewel
het volgens hem niet erg paste bij haar kledij, knikte ze instemmend toen hij zich liet
keuren.
Ze waren wat te vroeg voor de eerstvolgende sightseeingbus en Dirk
stelde voor iets te gaan drinken in het Cafe Opera, waar ze voorbij gekomen waren.
Het was er stemmig en chic, maar prijzig, zodat ze voor het avondmaal zeker zouden
uitkijken naar iets bescheidener in het oude stadsdeel van Gamla Stan.
De busrit voerde hen af en toe over bruggen en langs smalle strandjes,
maar meestal door straten met huizen en gebouwen in de stijl van een paar honderd
jaar geleden. ‘Hier moeten vroeger veel rijke kooplieden gewoond hebben. Maar ik
zou liever op een van hun eilandjes hokken in een bescheiden chaletje, dan hier in
zo’n plechtstatige omgeving’, zei Dirk.
‘Daar zou je wel ver van de wereld zitten’, was Karins nuchter antwoord.
Genoot ze niet meer zo van de natuur en de landschappen als tijdens het eerste deel
van de reis?
De rondrit duurde zowat anderhalf uur en toen ze terug op Norrmalm in de
buurt van hun hotel kwamen, werden al wat neonreclames aangestoken. Ze konden
best naar Gamla Stan wandelen en daar rustig een restaurantje uitzoeken.
Ze vonden er een prettig restaurantje in een oude gewelfde kelder van wat
vroeger wellicht een pakhuis was geweest. Ze namen een schotel lamskoteletjes met
groentengarnituur en een fles rode wijn. Het was de eerste maal dat ze lamsvlees
aten sinds het begin van de reis. Het viel Dirk pas een poosje later in dat Karin ervoor
gekozen had en dat ze in Amsterdam ook zo’n schotel gegeten had met Karel.
Terwijl ze op een ijsdessertje wachtten zei Karin: ‘In de Fleminggatan is er
een latinoklub, “Tropical Fiesta”. Ik zou daar graag eens salsa en samba dansen.’
Dirk kon wel wat dansen, maar sinds er in de discotheken alleen maar
rondgesprongen werd zonder een partner in de armen, was hij daar niet erg meer op
gesteld. Een latinoclub leek hem ook een geschikte gelegenheid, die waarschijnlijk
nogal democratisch zou uitvallen. De Fleminggatan lag echter op het grote
Kungsholmeneiland, een stuk buiten het centrum. Ze zouden er best een taxi voor
nemen.
Ze vroegen de kelner om een taxi te bestellen, maar die zei dat er genoeg
circuleerden op Gamla Stan. Ze zouden niet lang moeten wachten als ze aan de
uitgang gingen staan. Dat bleek inderdaad juist te zijn. Tijdens de rit vroeg Dirk aan
de chauffeur of de straat zo genoemd werd naar de naam van dokter Fleming of een
andere beroemde persoon met die familienaam, of dat het verwees naar Vlamingen
in het algemeen. Maar de man was een immigrant en kon daar niet op antwoorden.
De ingang van ‘Tropical Fiesta’ was een en al kleur en licht. De muziek
was tot buiten te horen. Het bleek een ruime zaal te zijn met een grote dansvloer, vol
paren die een felle paso doble aan het dansen waren. Het was moeilijk uit te maken
welke zitplaatsen echt vrij waren, zodat ze wat bleven dralen bij de ingang. Een
gedienstige kelner kwam hen ter hulp en bracht hen naar een tafeltje waar vier
glazen stonden en zes stoelen. Ze bestelden twee ‘cuba libre’s’ en namen plaats.
Nog voor de dans ten einde was, was de kelner daar al met de cocktails.
De paso doble ging zonder rustpoos over in een meer vloeiend ritme. ‘Dat is salsa’,
zei Karin. ‘gaan we?’ Ze stond op en Dirk volgde haar. De meeste paren bleven op
de dansvloer en er kwamen er nog meer bij, zodat er niet veel ruimte over bleef om
spectaculaire danspassen te proberen. Dirk had het liever zo want hij had in het
begin al moeite genoeg om de pas te houden. Ze botsten af en toe tegen een ander
paartje aan en dan glimlachte hij even verontschuldigend, tot hij zag dat anderen
daarbij gewoon door dansten. Hij stelde met genoegen vast dat Karin ook geen erg
ervaren danser was. Ze had blijkbaar niet veel gedanst met die Karel. De salsa
duurde lang, en toen het orkestje eindelijk overschakelde naar een ritme waarin hij
een chachacha meende te herkennen, was hij blij dat ook Karin terug wilde naar hun
tafel. De vier tafelgenoten kwamen eveneens terug. Het waren twee jonge Zweedse
koppeltjes die vriendelijk welkom knikten en verder druk bezig waren onder elkaar.
Karin zei dat ze inderdaad nog niet veel gedanst had, maar dat ze het nu wel graag
goed onder de knie wilde krijgen. Het was een aangename manier om beweging en
ontspanning te combineren en om wat in de wereld te komen. Misschien zou ze wel
lessen nemen in een of andere dansschool. Dirk zei dat hij tango en slow kon dansen
en zelfs boogie-woogie en walsen. Indien ze een partner zocht voor die danslessen
zou hij het er voor over hebben zich ook in te schrijven, dacht hij. Maar hij vond het
beter dat nog niet te zeggen. Karin stelde het ook niet voor. De volgende dans was
volgens haar een samba. Ze stond recht alsof het vanzelfsprekend was dat hij zou
meegaan. Wat hij natuurlijk deed. Zo dansten ze een hele tijd bijna alles behalve de
chachacha’s. Daar wilde Dirk zich liever niet aan wagen, vooral omdat Karin dat ook
nog nooit gedanst had. Bovendien moesten ze tussendoor toch eens gaan zitten om
een nieuwe ‘cuba libre’ te bestellen.
Toen ze aan het wachten waren op hun cocktails, kwam er opeens een
rijzige man met een snorretje, een zwart hemd en een witte das, over Karin buigen
met een uitnodigend gebaar om te gaan dansen. Ze aarzelde even, maar stond dan
op. De man liet haar galant voorgaan. Dirk keek hen na. Het was een echte dandy
met zongebrande nek en donkere haren met brillantine gladgestreken naar zijn
achterhoofd toe. Hij had geen vest aan en zijn felwitte broek had opzij twee fijne
zwarte strepen van de heupen naar beneden toe. Het orkestje speelde een paso
doble. De man liet Karin bijna ter plaatse allerlei figuren draaien, waarbij hij haar met
zijn handen in de juiste richting stuurde. Toen het ritme vertraagde en overging in een
salsa bleven ze verder dansen. Ze schoven langzaam van de rand van de dansvloer
weg tot ze achter andere paartjes verdwenen. Karin kwam pas na de lange salsa
terug bij Dirk en ze deed heel enthousiast over de manier waarop de man haar
figuren geleerd had. Het was een Zweed, maar hij ging ’s winters heel veel naar het
zuiden van Spanje of naar de Franse Rivièra. Hij kon wat Frans en ook een mondje
Spaans. Dirk luisterde zo bereidwillig mogelijk, maar nam zich voor die playboy te
vlug af te zijn indien hij nog terugkwam. Het duurde inderdaad niet te lang vooraleer
hij daartoe de kans kreeg en met binnenpretjes zag hij de man afdruipen. Maar terwijl
ze dansten, kwam die kerel opeens met een andere vrouw in de armen langs hen
heen schuiven en Karin uitnodigen met: ‘La proxima, por favor, senora?’ Karin knikte
gretig: ‘Si senor.’ Hij bleef in hun buurt dansen en toen het orkestje overschakelde
naar een ander ritme en enkele paren naar hun tafeltjes teruggingen stond hij
onmiddellijk naast Karin. Ze veranderde vlug van partner. Dirk bleef wat besluiteloos
staan vooraleer hij terugging naar hun tafel. Toen de kelner in zijn buurt passeerde
wenkte hij voor nog één cuba libre. Hij had geen zin om met een of ander
muurbloempje te gaan dansen, hoewel hij zo in de buurt van Karin had kunnen
komen om haar in het oog te houden. Ze was met die fat weer verdwenen in de
dichte massa.
Zijn glas was halfleeg toen Karin terug bij hem kwam, zodat ze niet merkte
dat hij al aan zijn derde bezig was. Ze dronk in één teug de rest van haar glas uit en
stelde voor er nog een te bestellen. ‘Waarom inviteer je ook niet een van de vrouwen
die hier zonder partner zitten?’ vroeg ze. Dirk antwoordde zo neutraal mogelijk dat hij
blij was tussendoor wat te blijven zitten.
Terwijl ze wachtten op hun cuba libre, kwam van achter Dirks rug een
andere dandy Karin inviteren en ze stond weer onmiddellijk op om hem te volgen.
Toen de kelner de drankjes bracht rekende Dirk af om daarna te kunnen vertrekken.
Karin had een kleurtje op haar wangen toen ze eindelijk terug kwam. Ze deed erg
verwonderd over zijn ‘eenzijdige beslissing’. Ze had de volgende dans al aan die
eerste fat toegezegd. Dirk rechtvaardigde zijn overhaast besluit met: ‘We gaan toch
nog iets meer zien van “Stockholm by night” dan deze latinotent?’. Die volgende dans
duurde heel erg lang. Dirk stond vlug op toen ze ten slotte terugkwam en Karin dronk
in één lange teug haar glas bijna helemaal uit.
‘En waar gaan we nu naartoe?’ vroeg ze terwijl ze naar de uitgang gingen.
Dirk had niet het minste idee wat ze nu zouden doen. ‘We vragen aan de
taxichauffeur om ons naar een goede nachtclub te brengen.’ ‘O ja?’ deed ze
verwonderd. ‘Ik dacht dat je daar helemaal niet …’ ‘Nu we toch bezig zijn, kunnen we
evengoed eens zien of de Zweden iets beters in huis hebben dan wat vulgair
gekronkel rond een paal.’
Er stopte weer vrij vlug een taxi. Dirk had wat moeite om uitgelegd te
krijgen dat hij ‘a good nightclub’ wilde, waar er niet ‘round a pole’ gedanst werd. Zijn
‘Nicht Pfahltanzen’, werd ten slotte beantwoord met een begrijpend ja-knikken.
‘Pèrries naintienhoender’, lachte de chauffeur met opgestoken vinger. ‘Noe show!’
Het was duidelijk ook een immigrant.
Ze werden ergens op Norrmalm afgezet aan een fel verlichte gevel met
een grote Eiffeltoren vol flikkerende lampjes, waarschijnlijk niet te ver van hun hotel.
‘Dat zal dus zeker “Pèrries” zijn’, gekte Dirk. ‘Laten we hopen dat het binnen echt
“naintienhoender” wordt!’
Het was een niet al te grote zaal in imitatie art nouveaustijl. Op een laag
podium met een ietwat impressionistisch decor waren drie danseressen charleston
aan het dansen. Ze droegen luchtige bloezen en halflange rokken, typische hoedjes
en lange rondslingerende halssnoeren. Het was niet al te druk. Ze kregen een tafeltje
dicht bij het podium en Dirk bestelde een fles champagne.
‘Ze hebben hun inspiratie gehaald bij Renoir om dat decor te schilderen’,
merkte Karin op. Het was niet altijd ‘Parijs negentienhonderd’, maar het orkestje
speelde wel Franse deuntjes en af en toe zong de zangeres een chanson in zeer
goed Frans. De kelners hadden een gilet met een ‘gouden’ kettinkje en manchetten
met ‘gouden’ knopen. Wanneer het podium zakte tot op het niveau van de zaal om er
de bezoekers te laten dansen, gaven de boxen langoureuze melodieën zoals ‘Nuits
de Chine, nuits câlines, nuits d’amour’, afgewisseld met walsen en tangoritmes en
een paar maal het zwierige ‘Sous les ponts de Paris’. Dat was blijkbaar het leidmotief
van de zaak. De bezoekers waren meestal heren van middelbare leeftijd, soms iets
ouder zelfs, vergezeld van hun echtgenote of een wat jongere dame. De dansvloer
was nooit overbezet en Dirk kon bewijzen dat hij goed kon walsen. Zelfs bij de
tango’s waagde hij figuren die hij vroeger alleen maar gezien en nooit zelf
geprobeerd had. Het ging hem goed af. Bij de slows trok hij Karin stevig tegen zich
aan zodat hij haar dijen en haar onderbuik goed kon voelen. Ze genoot er blijkbaar
ook van. ‘Je bent bijna zo goed als die latinodansers’, zei ze lachend. ‘Dat waren
beroepsplayboys, Karin’, antwoordde hij misprijzend. ‘Misschien wel’, beaamde ze.
Er was ook nog een heel handige goochelaar en een paar beeldschone
jongedames, die opgetut als in de films van Max Ophüls, heen en weer wandelden
voor een geprojecteerd decor van wisselende impressionistische landschappen. Hier
en daar lieten ze een kledingstuk vallen tot ze naakt belandden in ‘le Déjeuner sur
l’herbe’ waar de deftig geklede heren uit het decor naar hen toe kwamen. De scène
eindigde in het duister met giechelen en gilletjes. Karin gaf toe dat het, ‘hoewel een
beetje kitcherig, toch wel iets had’ en Dirk herhaalde nog maar eens dat die mooie
lichamen zo toch beter tot hun recht kwamen dan bij acrobatisch gekronkel.
‘Voortaan zal ik me ’s avonds ook zo héél langzaam uitkleden, Dirk’, besloot ze.
Toen een kelner het laatste restje van de fles over hun beide glazen
verdeelde, zei Dirk: ‘Daarna is het tijd voor jouw striptease, Karin!’
‘Hier?’ vroeg ze gemaakt onschuldig. ‘Dan komen die deftige heren
ongetwijfeld ook uit het decor om mij te kietelen!’
‘Dan gaan we beter naar ons hotel daarvoor!’
De taxi die hen na een korte rit naar het hotel bracht was wat chiquer dan
de vorige en de chauffeur was een authentieke Zweed. Op de kamer wilde Karin de
tv aanzetten ‘om muziek te hebben bij haar striptease’. Maar Dirk was nog voldoende
nuchter om aan de andere gasten te denken: ‘Geen nachtlawaai, Karin!’ ‘Dan moet je
zingen! Anders kan ik niet strippen!’ Dirk begon zachtjes ‘Nuits de Chine’ te zingen en
tot zijn verwondering herinnerde hij zich daar nog heel wat woorden van. Hij moest
verschillende malen helemaal opnieuw beginnen omdat Karin het inderdaad zéér
langzaam deed en soms bijna struikelde over haar kleren. Toen ze vruchteloos
probeerde het slipje af te schudden dat op een van haar voeten bleef hangen, greep
hij haar vast en begon hij met haar rond te zwieren. ‘Les Belges avaient courage, ils
chassaient l’ennemi …’ zong hij daarbij in plaats van de gewone woorden van ‘Sous
les ponts de Paris’. Het gaf hem een zalig gevoel met een naakte vrouw te dansen en
nadat Karin hem geholpen had om op zijn beurt uit de rest van zijn kleren te geraken,
trok hij haar nog eens dicht tegen zich aan om neuriënd een slow te dansen.
Ze namen de tijd niet om naar de badkamer te gaan. Het werd een wilde
nacht, een ‘grondzee’. Dirk herinnerde zich daarbij opeens dat het Hildeke was die
dat soort neuken ooit zo genoemd had wanneer ze zelf een beetje tipsy was, naar de
hoge golven die soms onverwacht hevig tegen de Deense rotskust aanbeuken.
44
Het was bijna tien uur toen Dirk wakker werd. Het deuntje van ‘les Belges
avaient courage, ils chassaient l’ennemi’ speelde in zijn hoofd en hij had gedroomd
dat hij moest vluchten. Een gelaarsde kattin opende een voor een alle sluisdeuren
van Nieuwpoort. Het water begon te stijgen onder hem en hij voelde drijfzand onder
zijn voeten. Hij moest zwemmend op vaste grond zien te geraken. Zoals de Duitse
soldaten die in de eerste wereldoorlog over de IJzer geraakt waren, zich moesten
terugtrekken toen de sluisdeuren geopend werden. Was hij de snode aanvaller en
probeerde de kattin hem weg te jagen? Moest hij nu alleen maar aan lijfsbehoud
denken zoals een onbekende vrouw hem zei?
Vaagweg voelde hij dat er nog meer te halen was uit zijn droom, maar hij
moest eerst zien hoe hij het bij Karin kon aanbrengen dat hij niet langer wilde blijven.
Hij ging eerst in de badkamer en toen hij terugkwam, zat Karin op de rand van het
bed. Tot zijn verwondering nam ze zonder discussie aan dat ze allebei niet fit genoeg
waren om nog veel van Stockholm te gaan verkennen en dat één nacht van
excessen wel volstond. Ze hadden toch wel een en ander gezien van de Zweedse
hoofdstad en voor Karin was het blijkbaar niet nodig het Nationalmuseum te gaan
zien. Een beetje suf knikte ze instemmend. Ze moesten zich wel haasten om het
hotel tijdig te verlaten. Waarschijnlijk hadden ze al het ontbijt gemist. Karin trok
geeuwend naar de badkamer en Dirk bekeek zijn landkaarten om de weg uit te
stippelen die hij wilde volgen.
Ze konden inderdaad geen ontbijt meer krijgen, maar misschien wilden ze
een paar belegde broodjes meenemen? Dirk wilde toezeggen, maar Karin schudde
‘neen’. Ze rekenden af en bij het afscheid meende Dirk een begripvol monkellachtje
te zien op het gezicht van de jongedame. Ze had hen wellicht ’s nachts zien
binnenkomen en een beetje moeilijk langs de trap naar boven klimmen.
Dirk stelde voor tot buiten de stad te rijden en ergens op een terrasje
langs de weg, in de zon, een ontbijt te nemen. Daar zou hij Karin op de kaart tonen
langs welke weg ze naar Denemarken zouden rijden. Hij vond vrij vlug de weg naar
het grote eiland Kungsholmen en de oprit naar het snelwegknooppunt. Ze
passeerden enkele bruggen vooraleer ze het zuidelijk deel van de stad bereikten.
Karin zat intussen stil rond te kijken.
Het duurde een hele tijd vooraleer de autosnelweg overging in een
gewone nationale baan en er restaurants aankwamen. Ze hadden allebei al flink
honger toen ze ten slotte een gepast terrasje vonden waar ze een uitgebreid ontbijt
bestelden. Dirk toonde op de kaart van Zweden dat hij wilde doorrijden tot ze ’s
avonds aan het Vätternmeer zouden komen. Daar konden ze een paar dagen
kamperen om daarna verder te trekken naar Helsingborg waar ze zouden oversteken
naar Denemarken. Dat was de route die hij zelf voorstond. Maar hij toonde Karin dat
ze in een grote omweg ook helemaal de kust konden volgen om langs de westkant
dan terug wat naar het noorden te rijden en in Malmö of in Helsinborg eveneens naar
het Deense eiland Sjælland over te steken. Gelukkig vond Karin zijn keuze ook de
beste.
Eenmaal terug onderweg waren ze allebei niet erg spraakzaam. Dirk
probeerde wat meer van de latente inhoud van zijn droom bewust te maken. Het
enige wat hem nog te binnen schoot, waren flarden van een Vlaamse versie van ‘les
Belges avaient courage’: ‘Moeder ik smeek u teer, wanneer komt vader weer’,
herinnerde hij zich. En ook nog: ‘Ofwel is hij krijgsgevangen’. Er circuleerden na de
oorlog van 14-18 blijkbaar twee Belgische versies van ‘Sous les ponts de Paris’. Zijn
moeder zong soms de Vlaamse en ook soms de Franstalige. Ze had die liedjes
geleerd van haar moeder. Wanneer ze dacht dat niemand haar hoorde, zong ze ook
wel eens ‘Nuits de Chine, nuits câlines, nuits d’amour’.
Was zijn moeder de onbekende vrouw in zijn droom die hem ertoe
aanspoorde te vluchten vooraleer hij ‘krijgsgevangen’ werd? De kat uit zijn vorige
dromen was ongetwijfeld ook telkens Karin geweest: kat-in, Kar-in.
Nadat hij gebroken had met Ludwina en vooral toen hij na die eerste reis
naar Scandinavië geen nieuwe relatie meer aanging, liet zijn moeder na verloop van
tijd duidelijk haar afkeuring blijken over zijn manier van leven. Hij vertelde haar na het
corresponderen met Hildeke nochtans niets over zijn gelegenheidsliefjes. Aan zijn
vader zei hij ‘onder mannen’ alleen dat hij een vriendinnetje had, zonder daarbij te
vermelden dat het niet steeds dezelfde was. Hij bracht er ook geen enkele mee naar
huis. Dat was ongetwijfeld voldoende om de argwaan van zijn moeder op te wekken.
Zijn vader hield zich daarbij erg afzijdig.
Ze waren oud, zijn ouders. De laatste tijd had hij de indruk, wanneer hij
hen ging bezoeken, dat ze als bejaarde Eskimo’s op een ijsschots zaten die
langzaamaan van hem wegdreef. Zijn bezoeken werden dan ook schaarser en van
kortere duur. Het besef dat hij niet leefde zoals zijn moeder hem voorgehouden had,
zat hem zelf ook dwars wanneer hij met haar praatte. Hij moest zo goed op zijn
woorden letten. En eigenlijk hadden ze elkaar nog maar weinig te vertellen. Zij had
zich stug vastgeklampt aan haar geloof, nadat haar man en Dirk het allemaal voor
pure mythologie waren gaan houden.
Met zijn vader had hij wel veel gepraat tijdens zijn eerste studentenjaren.
Zijn vader had in een der ministeries een ‘mooie carrière’ kunnen maken, maar hij
had op zeker ogenblik wat misbruiken aangeklaagd en was daardoor op een zijspoor
beland. Hij was daardoor verbitterd, of zoals hij zelf zei ‘helderziende’ geworden. Hij
was meer en meer cynisch alles gaan relativeren. ‘Je moet je nooit te veel voor iets
inzetten’, zei hij af en toe. ‘De evolutie gaat toch haar gang zoals ze dat zelf wil,
ondergronds. Je weet zelfs niet of je haar helpt of tegenwerkt met wat je doet. Onze
zogenaamde leiders doen alsof ze hun volgelingen in goede banen naar een mooie
toekomst trachten te leiden, maar ze huppelen eerder voor de stuwende hete lava
van de evolutie en van hun kiezers uit, bang om hun billen te verbranden. Daarbij
denken ze vooral aan hun eigen hachje.’
Omdat hij toch geen verdere benoemingen of belangrijke opdrachten
meer zou krijgen was zijn vader voortijdig met pensioen gegaan. Nu vulde hij zijn
dagen met kranten en boeken lezen, tv kijken, wat in de tuin werken en dure sigaren
roken. Dat laatste tot grote ergernis van zijn vrouw. Ze zag het als een langzame
vorm van zelfmoord, wat het misschien ook was. Ze kon alleen bekomen dat hij
ervoor in de veranda ging zitten, waar speciaal een radiator van de centrale
verwarming werd bijgeplaatst voor de koude winterdagen. Allemaal ‘onnodige
verspillingen’. Hij had er zelfs een draagbaar tv toestelletje voor gekocht. Want een
cohiba oproken vergde wat tijd en dat kon best samengaan met een goed tvprogramma en een kop sterke koffie, met of zonder een cognac of een calva.
Hij was blij geweest toen hij met pensioen kon gaan, maar voor zijn vrouw
was hij een indringer die haar voor de voeten kwam lopen en een stuk van haar
territorium afnam. Hij hadden niet veel gereisd, omdat zijn vrouw eerder een huisduif
was. Ze waren op huwelijksreis naar Italië geweest, het Vaticaan natuurlijk
inbegrepen. En daarna had hij haar nog eens meegekregen naar Spanje. Maar naar
Griekenland was hij verscheidene jaren later, na wat echtelijk gekibbel ten slotte
alleen geweest. Nu ‘reisde’ hij naar Egypte, Babylon, Mexico en de vele andere
historische plaatsen en culturen ‘per televisie’, zoals hij het uitdrukte. Hij zag ook wel
graag een goede film, als er maar niet te veel geweld en horror en ‘speciale effecten’
bij te pas kwamen. In ‘zijn’ veranda keek hij het liefst naar natuurdocumentaires om
de rust en de harmonie die daarvan uitgingen. Hij hielp zijn vrouw alleen maar bij
haar huiselijke taken wanneer ze er uitdrukkelijk om vroeg, want ‘hij wilde haar die
zinvolle bezigheden zeker niet ontnemen’. En om haar te plezieren ging hij bij
speciale gelegenheden nog mee naar de mis. Voor hem waren de 'Goddelijke
Openbaringen' aan het Joodse volk letterlijk uit de lucht gegrepen. Het waren
geïnspireerde en intelligente persoonlijkheden, zoals Zarathushtra, Echnaton en ook
sommige Joodse profeten geweest, die de kennis en het denken van hun tijd in
mythologische symbolen trachtten te vatten, eerder dan dat een 'God' zich aan
uitgekozen profeten zou geopenbaard hebben. Een vriend van hem had een boek
gepubliceerd dat aantoonde dat Zarathusthra15 lang vòòr de Joodse profeten al een
veel zuiverder godsbegrip had, waaruit de Joden blijkbaar veel hadden overgenomen
tijdens hun ballingschap in Babylon. Moesten de Joden en andere ‘gelovigen’ daaruit
niet afleiden dat hun God zich bijna duizend jaar eerder aan die Iraniër geopenbaard
had en dat niemand het monopolie van de ‘ware godsdienst’ kon opeisen? Het werd
volgens hem stilaan tijd dat vooraanstaande leiders uit de verschillende godsdiensten
de koppen bij elkaar staken om te bekennen dat ze met alles wat er in de 'loop der
tijden' aan woordenkramerij en gedachteconstructies toegevoegd werd aan hun
verschillende religies, nog geen stap dichter bij een ernstige verklaring gekomen
waren. Inplaats van elkaar te bestrijden en te vermoorden, konden ze beter tot een
èchte oecumene komen door te erkennen dat ze allemaal in hun eigen jargon dat
onverklaarbaar mysterie van de sterfelijke mens in dat oneindig lijkende heelal
trachtten te vatten in mythologische symbolen en religieuze verering. Maar hij vond
natuurlijk heel weinig gehoor voor zijn ‘echte oecumene’. Zeker niet bij zijn vrouw.
Was zijn ‘afvalligheid’ de oorzaak geweest van de vervreemding die zich in hun
huwelijk geïnstalleerd had?
De relatie van zijn ouders had inderdaad veel weg van een
verstandshuwelijk. Ze waren wat laat getrouwd en na Dirk was er nog een miskraam
geweest. Hadden ze daarna genoeg gehad aan het enige kind? Of was er iets
gebeurd waardoor zijn moeder daarna de boot had afgehouden? Hij wist ook dat ze
er zijn vader altijd van weerhouden had extreme standpunten in te nemen en tegen
de stroom in te gaan. ‘Je moet doen wat je moet doen!’ zei ze vaak. ‘En wat is dat
dan?’ had Dirk, als kind al zijn vader nagepraat om haar voor schut te zetten.
Ze was een bange duif, zijn moeder, met een grote vrees voor wat haar
onbekend was en een heilig ontzag voor autoriteit. Moest hij haar nu involgen en zien
van Karin af te geraken, of moest hij Karin toch zien ‘binnen te halen’ voor ‘des nuits
de Chine, nuits câlines, nuits d’amour’, waarvan zijn moeder wellicht ook wel
heimelijk gedroomd had? Was zijn vader geen goede minnaar geweest?
Wat zou hij nu doen indien het experiment met Karin mislukte?
Terugkeren naar een leventje met interimgrietjes? Een andere Karin zoeken voor een
meer harmonische latrelatie? Was het niet beter verder te proberen om van Karin een
goede partner te maken? Had hij uit zijn praktijk niet geleerd dat de meeste mensen
steeds weer op hetzelfde type partner vallen en dat ze eerder moeten leren met de
consequenties daarvan om te gaan?
15
In eigen beheer heeft Paul Moonen 'Aldus schreef Zarathushtra de betere
Bijbel' gepubliceerd waarin hij de historische figuur en de overgeleverde
psalmen van deze 'profeet' bespreekt, met zijn invloed op het godsbeeld van
de Joden. Hij argumenteert eveneens voor deze schrijfwijze van de naam.
Indien het wel lukte met Karin zou dat ook de relatie met zijn moeder
kunnen verbeteren.
Karin was intussen rustig ademend in slaap gevallen met de handen in de
schoot. Zo leek ze helemaal niet op een wilde kattin die de grond onder zijn voeten in
drijfzand deed veranderen. Indien ze wakker werd voor Norrköping zou hij daar
stoppen voor een koffie en een gebakje, indien niet zou hij haar een vijftigtal
kilometer verder wakker maken juist voor Linköping. Daar was er een kleiner meer
met een brede waterweg naar de Oostzee én naar het Vätternmeer. Daar zou hij de
hoofdweg verlaten om via een kortere weg naar Motala te rijden, waar ze op de oever
van het meer wel een camping zouden aantreffen. Ze zouden er ook ruim op tijd
aankomen voor het avondmaal.
Hij bleef met zijn gedachten bij zijn ouders. De afstandelijke manier
waarop ze met elkaar omgingen, had hem pas laat nieuwsgierig gemaakt naar hoe
andere paren zich gedroegen. In het begin van zijn adolescentie leek het gedoe van
de meeste van zijn leeftijdsgenoten hem vrij excessief. Meisjes waren wel mooi, maar
zo moeilijk in de omgang. Dat maakte waarschijnlijk dat hij later op zijn kamer,
wanneer hij niet las of studeerde, liever zat te dromen van een totaal toegewijde
vrouw zoals Milena. De psychologie opende daarna wel een heel andere wereld. De
gesprekken met zijn vader hadden tot die keuze geleid. Ze hadden hem een kritische
kijk bijgebracht en andere keuzes doen elimineren. Hij had Dirk aangetoond met
voorbeelden uit het leven van zijn vader en van hemzelf hoe alles voortdurend
verandert en hoe mensen die zich uitsloven voor een ideaal na verloop van tijd soms
helemaal verkeerd blijken te zitten. De wereld van vòòr 14-18 was héél anders dan
tijdens die oorlog. En na die Eerste Wereldoorlog waren er in Frankrijk en in
Duitsland weer totaal nieuwe werelden ontstaan. Mensen die hun heil meenden te
zien in een ervan, het opkomende fascisme, bleken achteraf helemaal fout. De
Tweede Wereldoorlog deed op zijn beurt nieuwe perspectieven opduiken. Maar de
illusies van na de bevrijding duurden ook niet lang. En de hoop die 'de verworpenen
der aarde' in het communisme stelden, bleek daarna ook weer ijdel. Het kostte een
enorme verspilling van geld en energie om ook dat monster klein te krijgen. En nu
zitten we met het neokapitalisme en de mondialisatie, die heimelijker en subtieler,
misschien even wreedaardig en dodelijk zijn voor een groot deel van de
wereldbevolking.
Hij had de gedachtengang van zijn vader nog verder opengetrokken. Wat
al motivaties hebben de verschillende wereldrijken vanaf de tijd van de Romeinen
hun mensen niet meegegeven? En de verschillende godsdiensten? En de
subculturen die er bij duizenden en duizenden overal in de wereld opbloeiden en
soms nu nog verder evolueren ondanks de mondialisatie? De evolutie van de
mensheid blijkt onstuitbaar door te gaan over al die culturen heen en soms er tegen
in. De gedachte dat dat alles zo vergankelijk is en er zo weinig van overblijft, is nogal
deprimerend. Ook het gefilosofeer van zijn vader en de filosofie in het algemeen
bleek alleen maar interessant om verkeerde opvattingen te ontwarren en een
kritische houding aan te leren tegenover alles en nog wat. ‘Je kunt er het zout in je
pap niet mee verdienen. Je beoefent het beter als vrijetijdsbezigheid terwijl je iets
nuttigs leert waarmee geld te verdienen is’, had zijn vader hem dan in de richting van
de psychologie gestuurd. Daar is er ook een rommelige wereld van gevoelens en
gebrek aan zelfkennis die kan uitgezuiverd worden, net zoals je misvattingen te lijf
kan gaan met filosofisch denken. En daarmee kon je toch je medemensen concreet
bijstaan in hun verwarring en psychische miserie, een beetje à la Camus, als een
dokter Rieux, niet voor pestlijders maar voor de zieke kromgegroeide zielen, de
slachtoffers van maatschappelijke of familiale omstandigheden.
Maar in heel wat gevallen deed hij nu ook niet veel meer dan pleisters
leggen op houten benen. Aan sommige familiale omstandigheden kon hij weinig
veranderen en aan de maatschappij helemaal niets.
45
Karin bleef rustig verder slapen tot het even voor Linköping begon te
regenen. De onschuldig uitziende wolken die al een paar dagen aan de heldere lucht
voorbij geschoven waren zonder uit te vallen, werden vlug donkerder en er begonnen
grote druppels neer te pletsen. Ze werd er wakker van. Ze rekte zich en vroeg: ‘Zijn
we bijna aan dat meer, Dirk? Het ziet er niet naar uit dat we de tent kunnen opzetten!’
‘Misschien niet. Maar het lijkt voorlopig alleen maar op een vlaag. De lucht
is niet continu betrokken. En we moeten nog zowat vijftig kilometer rijden vooraleer
we aan het meer zijn. Alles is nog mogelijk.’
‘Maar van op een terrasje zitten zonnen bij een koffietje en een gebakje
zal niet veel in huis komen.’
‘Dat vrees ik ook. We zullen ons moeten tevreden stellen met een snack
aan een pompstation.’ Daar Karin geen bezwaar liet horen, stopte Dirk even later om
te tanken, waarna ze rechtstaande aan een hoog tafeltje zonder stoelen, een
sandwich en een gebakje naar binnen werkten met een koffie en een thee.
Het landschap veranderde wat toen hij daarna de hoofdweg verliet voor
de kleinere weg naar Motala. Er waren meer landelijke huisjes en buitenverblijfjes. Bij
Borensberg kwamen ze eerst ook nog aan een kleiner meertje, zodat het rondkijken
naar het landschap hun aandacht wat afleidde. ‘Als het blijft regenen, huren we een
hut’, besloot Dirk. Maar het bleek alleen maar een plaatselijke bui te zijn en vanaf
Borensberg was de weg zelfs helemaal droog.
Toen ze aan het Vätternmeer kwamen, begonnen ze uit te kijken naar een
camping. Een eerste reden ze voorbij omdat hij erg groot was en te druk Bij de
tweede stopten ze. Daar was inderdaad nog ruim plaats genoeg om de tent dicht bij
de oever op te zetten, op voldoende afstand van de naaste buren.
Er zaten enkele zwemmers en stoeiende kinderen in het meer. Karin en
Dirk liepen hand in hand naar de oever en sprongen samen in het water. Maar het
was heel wat frisser dan ze verwacht had. Karin bleef er ook niet lang in, ze ging
liever wat op het rendiervel liggen bij de tent. Dirk zwom eerst nog wat rond en ging
dan ook naast haar liggen. Hun naaste buren, drie jonge mannen en drie jonge
vrouwen die drie tentjes naast elkaar opgezet hadden, waren vrolijk bezig een
barbecue op gang te brengen. Dirk en Karin keken geamuseerd toe.
Na een poosje kwam een van de mannen naar hen toe en zei, een
beweging makend naar de auto: ‘Belgians?’
‘Yes’, atwoordde Dirk, terwijl hij rechtop ging zitten.
‘Good beer in Belgium’, zei hij naar Karin kijkend, die ook op haar
ellebogen steunend wat rechtop kwam. ‘We have Danish beer here. Almost as good
as Belgian beer!’
Dirk lachte. ‘But we have no Belgian beer with us!’
‘Doesn’t matter. We have enough Danish. Wouldn’t you like to join us for
the barbecue? We have a lot of fish, vegetables and potatoes.’
Dirk keek naar Karin en die knikte instemmend. ‘Oké. Thanks for the
invitation. But I’m afraid we have nothing.’
‘Doesn’t matter. Just come and join us.” De man bleef wachten tot Karin in
de tent een short en bloes had aangetrokken en Dirk uit de auto toch de laatste halve
fles wodka opgediept had. ‘Water?’ keek hij verwonderd naar de spuitwaterfles.
‘Firewater’, lachte Dirk.
‘Oh, that’s better!’ Ze gingen samen naar de drie tentjes en de barbecue
toe, er werden handen geschud en iedereen stelde zich voor met zijn voornaam. De
man die hen was komen uitnodigen heette Sven. Er was ook nog een Björn en een
Olav. De vrouwen heetten Bridgit, Katya en Greta.
De wodka werd bij de bierflessen in een emmer met water gezet. Karin
kreeg een glas dat halfvol bier geschonken werd en Dirk kreeg de nog halfvolle fles
toegestopt. De mannen dronken blijkbaar allemaal uit de flessen. Zij draaiden de
aardappelen in aluminiumfolie en legden die in het vuur, terwijl de vrouwen aan een
tafeltje bezig waren met de groenten en de sausen. Zij prepareerden ook de stukken
vis met kruiden en olie en wikkelden ze eveneens in folie om ze dan een voor een
door te geven aan de mannen. Die legden de pakjes vis boven op de rooster. Het
was kabeljauw die ze niet zelf gevangen hadden maar gekocht in het nabije dorp.
Karin bleek overbodig bij de vrouwen zodat ze bij de mannen kwam staan.
Die vertelden dat ze geregeld samen optrokken, ook voor langere reizen.
Ze woonden alle zes in Stockholm, maar waren al tweemaal voor een gans jaar naar
de Middellandse Zee gereisd, eenmaal naar Spanje en daarna naar Italië. Sven en
Katja waren er pas bijgekomen na Spanje. Ze vertrokken in het voorjaar en kwamen
pas het volgende jaar terug. Dan werkten ze weer om genoeg geld bijeen te krijgen.
Nu waren ze in hun ‘werkjaar’ en moesten zich tevreden stellen met korte uitstapjes
in hun eigen land. Maar volgend jaar gingen ze naar Griekenland. Ze kenden
Antwerpen, Brussel en Gent omdat ze er passeerden bij het heengaan of terugkeren.
Ze bleven hoogstens een paar dagen in België, om een stad te bezoeken en bier in
te laden. Ze wisten dat Brugge ook een zeer mooie stad was, maar waren er nog niet
geraakt.
‘Als jullie volgend jaar langskomen, laat ik jullie Brugge en Ieper zien’,
stelde Dirk voor. Ze vonden het een goed idee en zouden adressen uitwisselen. Dirk
en Karin waren stom geweest niet wat langer in Stockholm te blijven. Binnen twee
jaar moesten ze zeker terugkomen en bij een van hen logeren om minstens een
week lang de stad en de omgeving te leren kennen.
Blijkbaar hadden zowel de mannen als de vrouwen hogere studies
gedaan. Ze spraken zeer goed Engels, wat Frans en een mondjevol Spaans en
Italiaans. Bridgit had wat grondiger Spaans geleerd, en Greta Italiaans. Katya leerde
nu Grieks. Tijdens hun ‘werkjaar’ deden ze allemaal om het even welke job als er
maar genoeg mee te verdienen was. Zo spaarden ze elke maand een vast bedrag op
een gezamelijke rekening. Ze dachten dat nog enkele jaren vol te houden, tot ze aan
hun ‘bourgeoisleven’ zouden beginnen.
‘Een soort commune?’ waagde Dirk.
‘Thuis niet’, zei Greta. Ze lachten zonder meer uitleg te geven. Dirk kon
onmogelijk uitmaken wie er bij wie hoorde, indien ze werkelijk drie paren vormden.
Er werd een groot zeil op de grond opengespreid en iedereen kreeg een
vork en een groot inox plateau met onderverdelingen. Sven verdeelde de
aardappelen en de pakjes vis, en de vrouwen schikten de kommetjes met groenten
en sausen, de kruiden en enkele schoteltjes lookboter midden op het zeil. Björn gaf
iedereen een nieuwe fles bier en een der vrouwen bracht kleine glaasjes voor al wie
wodka wenste. Alleen Greta onthield zich.
Er werd bij de wodka eerst een heildronk uitgebracht met een door Sven
in onverstaanbaar Zweeds plechtig gedeclameerde, maar blijkbaar grappige formule.
De mannen dronken in één teug het glaasje uit terwijl Karin, Bridgit en Katya nog wat
over hielden.
De aardappelen kwamen gloeiend heet uit de folie en Dirk draalde een
beetje om eerst te zien hoe de Zweedse gastheren hun knollen in twee of drie
stukken braken zonder de pel eraf te halen. Daarna smeerden ze er lookboter
tegenaan en strooiden er nog wat zout op. Karin, die naast hem zat, wachtte nog
langer om de hete folie rond de aardappelen te verwijderen. Ze opende eerst
voorzichtig het pakje met kabeljauw. Björn vulde intussen de wodkaglaasjes opnieuw,
en de mannen kapten die weer in een teug naar binnen. De vrouwen dronken alleen
maar een slok. En weer vulde Björn de glaasjes met wat nog restte in de fles. Bridgit
hield afwerend haar hand boven haar glas. Björn insisteerde, naar Dirk kijkend: ‘In
Oekraïne zegt men dat je altijd een onpaar aantal glaasjes moet drinken. De pare
getallen zijn voor begrafenissen!’ ‘Maar we zijn niet in Oekraïne’, verweerde Bridgit
zich. Hij drong niet verder aan en goot het laatste restje in zijn eigen glas.
De eerste happen werden met het koele bier doorgespoeld, maar toen de
aardappelen en de vis wat afkoelden en langer in de mond bleven, smaakte het
allemaal heel lekker.
Toen alles op was, verzamelde Olav de plateaus en de vorken om die te
gaan afspoelen in de afwasbakken van de camping. Na algemeen overleg ging Greta
een dessert van roomijs halen in het winkeltje. Blijkbaar hield zij de kas bij.
Dirk zei intussen tegen Katya dat ze geen echt Zweedse naam had. ‘Haar
naam komt uit Polen’, verklaarde Sven in haar plaats. ‘Het is gewoon een OostEuropese koosnaam voor Katharina. We hadden zelfs onder het communistische
regime betrekkelijk veel contacten met dat land: veel mannen gingen op seksreis
naar Polen. Haar vader misschien ook’, voegde hij er plagend aan toe. Ze trok een
gezicht naar hem en zei tot Karin dat haar vader voor culturele uitwisseling naar
Polen was geweest. ‘Tegenwoordig komen veel Poolse seizoenarbeiders, vooral
vrouwen hier aardbeien plukken en in de landbouw werken’, ging Sven wat ernstiger
verder. ‘Wij werken niet meer op het land’, zei Greta. ‘We hebben er ook geen tijd
meer voor. Er is zoveel ander en beter betaald werk te doen’, wendde Björn zich tot
Dirk.
Morgen zouden ze waterskiën, zei Sven. Ze hadden een boot gehuurd en
twee paar waterski’s. Indien Karin en Dirk wilden meedoen waren ze van harte
welkom. Dirk wilde het wel eens proberen, maar Karin wou liever zonnebaden. Dat
kon ze evengoed bij hen komen doen want er zou altijd wel een paar van hen bij de
tenten blijven.
Na de ijsjes dronken de mannen nog wat bier, terwijl de vrouwen van de
laatste zonnestralen genoten. De wederzijdse vragen over Scandinavië en de
Middellandse Zeelanden vielen na een poosje stil en Dirk begon te knikkebollen. Hij
ging dan maar liever terug naar de tent. Toen hij opstond, bedankte en afscheid nam,
zei Karin dat ze liever nog wat bleef.
De alcohol maakte dat hij vlug in slaap viel. Toen hij een uurtje later
wakker werd lag Karin naakt naast hem. Ze leek ook een beetje boven haar
theewater. ‘Het zou me niet verwonderen indien ze nu groepsseks hadden’, zei ze
ietwat opgewonden.
‘Greta zei toch van niet?’
‘Thuis niet, zei ze. Misschien doen ze het wel op reis en tijdens hun
gezamenlijke uitstappen! Hoe zie jij anders de relaties tussen die zes?’
‘Ik zou het niet weten. De mannen lijken me fidele kerels en het zijn ook
drie fijne vrouwen. Maar wie er bij wie hoort …’
‘We zijn nog allen samen naar het sanitair gegaan en daarna heb niet
kunnen zien wie bij wie binnentrok. Hun tenten staan alle drie met de ingang naar
elkaar gericht en zo kunnen ze gemakkelijk van de ene tent in de andere.’
‘Misschien vind je het morgen wel allemaal uit.’ Hij gaf haar een goede
nachtkus en wilde op zijn zij gaan liggen, maar de hele toestand met de zes
vermeende vrijbuiters had haar behoorlijk opgewonden. Voor hij daarna insliep,
herinnerde hij zich nog een tv-uitzending waarin een deftig jong ding parmantig zegde
over haar relatie: ‘parfois on fait l’amour, parfois on baise…’
46
De volgende morgen hadden Dirk en Karin al gedoucht en ontbeten
vooraleer er beweging kwam in de drie tenten. Ze hoorden wat heen en weer praten
vooraleer de drie mannen naar buitenkwamen en samen in het meer gingen duiken.
Sven zwaaide ‘goedemorgen’ toen hij rondkijkend zag dat Dirk en Karin al in badpak
voor hun tent lagen. De vrouwen gingen daarna een na een naar de stortbaden.
De mannen organiseerden het ontbijt. Ze spreidden het grote zeil weer
open op de grond en gooiden er de bestekken, plankjes en tinnen koppen op. Ze
staken het vuurtje aan om water te koken voor koffie of thee, sneden grote hompen
brood en haalden uit een frigobox beleg en boter. De vrouwen die gezamenlijk van de
sanitaire blok terug kwamen hadden zich maar bij te zetten. Ze zwaaiden allemaal
naar Karin en Dirk.
‘Voorbeeldige mannen’, merkte Karin op.
‘Een goede verstandhouding is alles’, antwoordde Dirk. Hij liet wat meer
‘vrouwelijke’ bezigheden aan haar over, maar deed toch evengoed zijn deel in andere
taken.
Na hun ontbijt hadden Olav en Björn opeens een short en een T-shirt aan
en ze gingen weg. Sven verzamelde de rest van het eten in de frigobox en Katya ging
met koppen, borden en bestekken naar de afwasbakken. Birgit en Greta verdwenen
in de tenten en kwamen er even later terug uit in badpak. Sven smeerde hun rug en
schouders in met zonnebrandolie. Daarna kwam hij naar Dirk en Karin toe en zei:
‘Björn en Olav zijn de boot en de ski’s halen. Komen jullie bij ons op hen wachten?’
Ze gingen met hem mee en Karin liet hem eveneens haar rug en
schouders insmeren. ‘Op het water steekt de zon nog sterker’, overtuigde hij haar
toen ze eerst wat aarzelde, ‘en door de koelte van de luchtverplaatsing bij het varen
merk je niet eens dat je verbrandt.’ Daarna gaf hij het flesje aan Dirk die zichzelf
zoveel mogelijk behielp en daarna voor zijn rug de hulp van Karin inriep. Omdat Dirk
nog nooit op waterski’s gestaan had, gaf Sven hem wat instructies en een
geruststelling: ‘Alleen het starten is een beetje moeilijk. Je moet daarbij vooral de top
van de ski’s omhoog houden. Daarna moet je niet te fel meer achteruit leunen, want
daardoor verlies je wat aan soepelheid. Je moet natuurlijk zien je evenwicht te
behouden maar niet krampachtig steeds in dezelfde houding blijven.’
Het was een pracht van een motorboot waarmee Björn en Olav het water
tot hoog op de oever deden spatten toen ze met een sierlijke zwaai dicht bij de tenten
stopten. Achter de overdekte boeg met breed windscherm en stuurwiel waren opzij
en achteraan zitbanken aangebracht voor een zestal personen.
De zwemvesten werden uitgedeeld en aangetrokken. Björn en Bridgit
zouden eerst varen en Sven en Katya zouden skiën. Dat loste blijkbaar de vraag naar
de samenstelling van de koppels op. Dirk en Karin konden meevaren en stapten in.
Olav en Greta bleven bij de tenten.
Björn reikte de ski’s en de touwen aan Sven, die met Katya op de oever
was gaan zitten. Ze schoven beiden hun voeten in de skiriempjes, Björn startte de
motor en de boot gleed langzaam van de oever weg. Zodra hun touwen gespannen
waren sprongen Sven en Katya op en Björn versnelde vaart zodat de waterski’s
onmiddellijk aan de oppervlakte kwamen en Sven en Katya sierlijk over het water
gleden. Sven ging daarbij herhaaldelijk over de golven heen die de motorboot achter
zich aan trok.
Ze maakten een hele toer, af en toe dicht langs de oever en draaiden rond
een paar eilandjes waar hier en daar boten aangemeerd lagen en meestal half- of
gans naakte zonnekloppers lagen en rondliepen.
Toen ze terug bij de tenten aanmeerden was het de beurt aan Björn en
Bridgit om te skiën. Dirk wilde eerst nog eens kijken hoe die het deden en Karin bleef
erbij dat ze het niet zou durven. Ze genoot wel van het varen, het snelle wenden van
de boot en van het uitzicht op de oevers, zei ze. Sven nam het stuur over en Katya
stond haar plaats af aan Olav om Greta gezelschap te houden. Die bleef liever een
boek lezen bij de tenten.
Het starten ging weer even vlot, en nu voeren ze naar het andere eind van
het meer waar een langgerekt eiland blijkbaar permanent bewoond was. Er waren
een paar kleine haventjes waar allerlei zeiljachten en motorboten aangemeerd lagen
en waar er rond de grote villa’s en kleinere blokhutten wat meer gewone activiteit te
zien was.
Daarna was het de beurt aan Dirk. Karin bleef bij de vrouwen aan land.
Olav en Dirk zouden skiën en Sven en Björn bemanden de boot. ‘Alle mankracht is
gemobiliseerd voor eventuele reddingsoperaties’, plaagde Björn Dirk, die zich zo
stoer mogelijk hield maar er toch niet helemaal gerust in was.
En inderdaad. De toppen van de ski’s kwamen niet goed omhoog, hij werd
voorover getrokken en gleed op zijn buik over het water tot hij de koord loste. Olav
startte natuurlijk wel goed, maar de boot keerde met een korte draai om en hij werd
terug naar de oever gezwierd, waar hij langzaam zonk dichtbij Dirk. Ze zwommen
samen naar de oever, de ski’s voor zich uit duwend.
Olav toonde hem hoe hij lichtjes door de knieën moest zakken om beter
zijn voeten en de ski’s omhoog te sturen en de tweede maal lukte het. Hij hoorde de
vrouwen achter hem juichen om zijn prestatie. Hij had Sven wel gevraagd niet een te
grote toer te maken en hij vermeed voorzichtig de golven van de motorboot. Toen uit
de tegenovergestelde richting een andere motorboot een reeks golven naar hem
toestuurde, geraakte hij er toch dapper overheen. De vrouwen gaven hem een ovatie
bij zijn ‘behouden terugkeer’.
Om het uurkrediet dat betaald was op te gebruiken praamde Sven de
vrouwen om nog een toertje te maken met hem vooraleer ze de boot gingen
terugbrengen. Karin was onmiddellijk bereid, Bridgit en Katya volgden, maar Greta
bleef bij haar boek en zei dat ze ook nog het vlees moest gaan kopen voor de
barbecue.
Björn en Olav begonnen in de grote ijzeren bak het vuur klaar te maken
voor de barbecue. Omdat ze vanzelfsprekend weer uitgenodigd waren, stelde Dirk
voor het bier deze keer voor zijn rekening te nemen. Dat werd onmiddellijk aanvaard
en wat later vergezelde hij Greta naar de winkel van de camping, waar zij
geprepareerde rendiersteaks en worsten ging kopen en hij een hele bak Deens bier.
Het werd weer een gezellige bedoening zodra Sven er bij kwam met de
overige vrouwen. Ze hadden voor de volgende dag een grotere boot besteld om naar
de overkant van het meer te varen, naar Karlsborg, waar een doorgang was via
verscheidene meren en meertjes naar het Götakanaal, langs waar ze in het grote
Vänernmeer konden komen. Blijkbaar was dat daarvoor al gepland, want er volgde
geen enkele opmerking. Vanzelfsprekend zouden Dirk en Karin weer meevaren.
Het werk werd weer heel spontaan verdeeld en er werd op een zeer
ludieke manier gedebatteerd over de voor- en nadelen van samenwonen en
latrelaties. Sven begon er mee omdat hij via Katya vernomen had dat Dirk en Karin
‘hun relatie nog maar aan het uitproberen waren.’ Karin en Katya leken het goed met
elkaar te kunnen vinden. Ze hadden blijkbaar al wat confidenties uitgewisseld. Sven
liet verstaan dat hij en Katya wel een latrelatie hadden, maar dat ze elkaar wat
vrijheid gunden. Greta en Olav woonden ook niet samen maar verklaarden zich wel
monogaam. Alleen Björn en Bridgit woonden sinds korte tijd samen.
‘s Avonds zouden ze allen samen gaan dansen in Gränna, een
badplaatsje niet ver van de camping, dat ze van op de boot gezien hadden. Karin
deed alsof er geen twijfel over bestond dat ze ook zouden meegaan en Dirk sprak
haar niet tegen.
Nadat de afwas gedaan was en alles netjes opgeruimd, gingen de
vrouwen samen in zonnebad liggen en trokken de mannen zich terug in de tenten om
een uiltje te vangen.
47
Nadat Sven ‘verzamelen’ geroepen had, gingen de vrouwen alle vier
samen naar de sanitaire blok voor hun opschik. De mannen trokken jeans of een
linnen broek en T-shirts aan, maar de vrouwen deden wat extra voor de gelegenheid.
Ze zagen er erg netjes uit.
Ze reden met het Volvo-busje van Björn. ‘Tweedehands gekocht en erg
praktisch voor kampeertochten’, zei hij.
De dancing bleek een grote open dansvloer te zijn onder een rieten dak
op houten palen. Bij onweer kon rondomrond zeildoek opengetrokken worden om de
tafeltjes en zitplaatsen te beschutten tegen de regen. Nu zat er al heel wat volk in
open lucht rond de dansvloer en een orkestje gaf lawaaierige beat ten beste. Greta
bleek ook hier de kas bij te houden om af te rekenen voor de drankjes. Dirk zei haar
dat hij ook zijn deel wilde doen. Ze toonde hem vier vingers en riep: ‘elke vierde
beurt!’ Hij bleef met haar achter aan het tafeltje toen de anderen naar de dansvloer
trokken nog voor hun eerste bestelling eraan kwam.
Dirk bleef het grootste deel van de avond toekijken. Het was maar
wanneer Katya of Greta hem uitdrukkelijk meevroegen dat hij een poosje met hen
mee ging huppelen: ‘omdat hij dat rondspringen zonder partner in de armen maar
niks vond en hij even graag bleef toekijken’. Toch ergerde het hem een beetje dat
Karin hem helemaal niet uitnodigde. Wilde ze aan de anderen laten blijken dat ze
helemaal vrij was? Greta bleef hem af en toe gezelschap houden.
De mannen draaiden tijdens het dansen afwisselend rond alle vrouwen
van het gezelschap, maar Sven draaide nogal veel rond Karin. Ze sloeg geen enkele
dans over en danste na een ietwat stram begin zo goed als Bridgit en Katya.
Het duurde een tijdje vooraleer Dirk aan de beurt was om het rondje te
betalen. Bridgit dronk telkens fruitsap omdat zij op de terugweg zou rijden. Alle
mannen dronken bier. Katya, Karin en Greta sloegen soms een beurt over of dronken
al eens water of fruitsap.
Dirk was blij dat Björn en Bridgit rond middernacht het sein gaven om te
vertrekken. Voor de boottocht van de volgende dag zouden ze betrekkelijk vroeg
moeten opstaan.
Toen ze terug in de tent waren vroeg Karin: ‘Heb je je niet wat verveeld?’
‘Het toekijken was niet onaangenaam’, antwoordde Dirk eerst een beetje
verongelijkt. Maar dan voegde hij er aan toe: ‘Het was goed om het eens mee te
maken. Misschien is dit groepje niet echt representatief voor de Zweedse ‘way of life’,
maar ze laten ons toch een en ander meemaken van wat het land te bieden heeft.’
Terwijl Karin het initiatief nam voor haar ‘gratis snoep’, lag hij te bedenken
dat hij een beetje in de marge verzeild geraakte. Morgen zou dat ongetwijfeld weer
het geval zijn. Maar het zou hem toelaten wat meer aandacht te hebben voor wat er
te zien en te beleven was tijdens de boottocht zelf. In het begin van de reis was zijn
aandacht misschien wat te veel op Karin geconcentreerd.
Ze moest er wat langer over doen om hem goed op gang te krijgen, en
daarna bleef ze nog een poosje boven op hem liggen. Geen van beiden sprak daarbij
en toen Dirk aan haar ademhaling hoorde dat ze aan het inslapen was, schoof hij
haar zachtjes van zich af. ‘Post coïtum omne animal triste, praeter gallus quod
cantat’, dacht hij. Hij voelde zich inderdaad niet als een triomfantelijke haan, en hij
dacht weer aan Hildeke.
48
Karin en Dirk werden gewekt door de stem van Sven die hen kwam
oproepen voor het ontbijt. Ze haastten zich vlug naar de douches en toen ze terug
kwamen, waren de anderen al bijna klaar met hun ontbijt. Björn en Bridgit waren al
vertrokken om de boot te halen. Sven en Katya brachten proviand en andere spullen
voor de tocht naar de oever en Dirk ging tussen twee happen in de rest van zijn
sardienen en makreel halen. Karin was die immers al meer dan beu en voortaan
zouden ze wel overal snacks en proviand kunnen vinden.
Toen Björn en Bridgit aanmeerden werd vlug ingeladen. Björn vertelde
Dirk en Karin dat het de bedoeling was tot in het Vänernmeer naar Mariestad te
varen. Maar het was helemaal niet zeker dat ze zover zouden geraken. Op het
Götakanaal waren er heel wat sluizen. Het was bovendien druk bevaren door
plezierbootjes en ietwat grotere cruiseschepen die in drie of vier dagen van
Stockholm naar Göteborg voeren of omgekeerd. Indien ze teveel tijd verloren met het
versassen, zouden ze misschien halfweg moeten terugkeren om nog voor de nacht
terug te zijn. Maar het zou in elk geval de moeite lonen om dat Götakanaal eens aan
te doen. Olaf raadde Karin en Dirk aan een T-shirt en een short aan te trekken boven
hun badpak, en dingen van waarde sloten ze best in de auto. Ze gingen terug naar
de tent en Greta riep hen nog na: ‘Handdoeken meebrengen voor na het zwemmen!
En zonnebrandolie!’
De zwemvesten bleven op de bodem van de boot liggen omdat het nu een
uitstapje zonder risico’s was en vooral omdat er foto’s zouden gemaakt worden. Dirk
liep nog eens terug naar de tent om ook zijn toestel te halen. Het zou hem de
gelegenheid geven om zonder opdringerig te lijken wat met Karin bezig te zijn.
De oversteek van het meer was al een gelegenheid om iedereen die dat
wenste het stuur te laten nemen voor een eerste kiekje. Dirk en Sven maakten allebei
een paar foto’s van Karin en van de hele groep. Greta nam het apparaat van Dirk om
hem en Karin samen aan het stuur te ‘vereeuwigen’.
Aan de andere oever kwamen ze voorbij Karlsborg in een grote baai en
daarna in een reeks kleinere en grotere meren. Ze voeren tussen granietrotsen,
bossen en struikgewas, moerassen en grasvelden en wat akkers hier en daar, met
landelijke woonhuizen of cottages. Het Götakanaal begon met een sluis en daar
moesten ze wachten tot een reeks jachten en motorboten het sas uitvoer vooraleer
ze er in konden. Er lagen al enkele andere bootjes te wachten en de bemanningen
riepen elkaar een groet en vragen en antwoorden toe. Sven was daarbij de
luidruchtigste, alsof hij de kapitein was, maar het was Björn die het meest met het
besturen van de boot bezig was. Bij het binnenvaren in het sas waren Björn aan het
stuur en Olaf met de touwen en de stootblokken het meest bedrijvig. Hoewel Dirk al
meer schepen had zien versassen, was het toch een eigenaardige ervaring tussen de
hoge muren het sas binnen te varen. Karin vond het zelfs een beetje beangstigend
toen de grote deuren achter hen dicht gingen. Sven maakte van de gelegenheid
gebruik om haar wat te knuffelen.
Daarna stegen ze langzaam omhoog met het binnenstromende water en
de wereld werd opnieuw zichtbaar om hen heen. Op de beide oevers van het kanaal
was die wereld nu zelfs heel nabij, met mensen in hun dagelijkse doen. Sven
commentarieerde: ‘Ik heb niets tegen het werk zelf, het kan zelfs erg zinvol zijn, maar
je verliest er zo enorm veel tijd mee!’ Hij richtte zich hierbij vooral tot Karin, want het
was blijkbaar een van zijn gevleugelde wijsheden die de vrienden al meer gehoord
hadden. Ze lachten er toch weer wat om.
‘Het kan zelfs een zeer goede vorm van therapie zijn’, reageerde Dirk, ‘en
dan verlies je er minder tijd mee dan met ziek te blijven.’ Er werd instemmend
geknikt, ‘Maar wij hebben geen van allen therapie nodig en houden zoveel mogelijk
tijd over te om te reizen’, zei Olaf.
Ze kruisten voortdurend andere motorboten, jachten en zelfs een van de
luxeschepen waarover Björn gesproken had. Het leek wel een scène uit een oude
film toen het opeens van achter een bocht te voorschijn kwam. De mensen aan boord
waren wel zeer reëel. Ze leunden rondkijkend en fotograferend over de reling, of
lagen op comfortabele ligzetels op het hoogste dek. Dirk haastte zich een foto te
maken van Karin met achter haar het cruiseschip dat statig naast hen voorbijgleed.
Maar er kwamen ook voortdurend nieuwe sluizen. Ze verloren telkens
heel wat tijd met vervelend liggen wachten. Er werd beraadslaagd of het wel
raadzaam was door te varen. Ten slotte werd beslist terug te keren naar een van de
meertjes voor de eerste sluis, waar ze een knus baaitje kenden om te zwemmen en
te picknicken.
Er werden nog wat fotootjes genomen met mooie plekjes op de oever als
achtergrond, en voor de sluispoorten. Sven legde daarbij een paar maal een arm om
de schouder van Karin en Dirk begon zich daarover wat te ergeren.
In het bochtige meertje voorbij de laatste sluis stuurde Björn zonder
aarzelen of zoeken de boot naar een kleine baai. Daar was een open plekje tussen
granietrotsen en struikgewas. Olaf sprong het eerst aan land om het touw van de
boot rond een rotsblok vast te sjorren. Hier zouden ze zich gezellig kunnen installeren
om te zwemmen en te picknicken.
‘We zwemmen toch naakt, hé?’ vroeg Sven, terwijl hij zijn T-shirt en short
uitdeed. Hij wachtte even op een antwoord, dat na een korte aarzeling en wat
wederzijdse blikken van de anderen door Björn gegeven werd met een instemmend
gebrom. De mening van Karin en Dirk werd niet gevraagd, maar Katya zei tot Karin:
‘Indien je liever je badpak aanhoudt, mag dat natuurlijk ook’. Ze antwoordde dapper:
‘Niet nodig’. Daarop volgde iedereen het voorbeeld van Sven, die het eerst zijn
zwembroekje uit had en in het water dook. Dirk en Karin waren de laatsten om
behoedzaam in het frisse water te glijden.
Het was prettig naakt in het water te liggen en in de kleine baai heen en
weer te zwemmen naast Karin, Sven en Katya. Björn en Olaf zwommen met forse
slagen verder het meer in en Greta en Bridgit volgden hen op afstand. Ze gingen ook
niet zo ver weg van de oever als hun beide mannen.
Karin was de eerste om terug uit het water te gaan. Dirk, Sven en Katya
volgden haar. ‘Eerst drogen in de zon’, zei Sven, terwijl hij wat heen en weer begon
te lopen. ‘De handdoek dient vooral om erop te liggen!’ Maar Karin en Katya
droogden zich wat af en gingen dan in de boot de olie halen om elkaar bij het
insmeren te helpen. Dirk was op zijn handdoek gaan liggen en kreeg daarna ook het
flesje toegestopt. Katya en Karin gingen liggen op een kleine afstand van hem en
Sven installeerde zich onmiddellijk met zijn handdoek dicht bij hen. Terwijl die drie
met elkaar aan het babbelen waren, dacht Dirk dat hij best de volgende dag zou
opbreken om de reis verder te zetten. Die flierefluiter van een Sven had precies niet
genoeg aan zijn Katya en die had er blijkbaar ook niets op tegen dat hij zo rond Karin
draaide.
Bridgit en Greta waren de volgende die uit het water kwamen en zich
naast Dirk op hun handdoek kwamen neervlijen. Zij waren over hun hele lichaam al
bruingebrand en vonden blijkbaar dat ze geen beschermende olie meer nodig
hadden. Het gaf Dirk een aangenaam gevoel dat ze zo ongegeneerd rond hem bezig
waren. Hun mooie sportieve lichamen hadden niets exciterends, alsof ze allebei
zussen van Karin waren. Katya sprak hem wel wat aan. Was het om de blekere huid
rond haar kleine borstjes? Of was het om haar manier van doen tegenover hem? Het
was niet onmogelijk dat ze Sven aan Karin zou laten indien hij, Dirk zich voor haar
zou interesseren.
Toen ook Björn en Olaf terugkwamen, wat heen en weer liepen en zich
afdroogden, haalden Bridgit en Greta het nodige uit de boot om te picknicken. De
Portugese sardienen en makreel in olijfolie vielen erg in de smaak van de Zweedse
vrienden. Hun conserven smaakten een beetje anders, zeiden ze, maar ze raadden
Dirk en Karin toch aan er bij gelegenheid wat te proeven. Karin knikte zonder veel
overtuiging en Dirk verduidelijkte lachend dat ze al meer ingeblikte vis gegeten had
dan haar lief was.
‘En wat doen we morgen?’ vroeg Sven opeens. Zij bleven alleszins nog
een paar dagen kamperen. ‘Wij moeten morgen opbreken’, hoorde Dirk zichzelf
zeggen. Karin keek een beetje verwonderd, want daar hadden ze nog niet over
beraadslaagd. ‘Zijn jullie gehaast?’ vroeg Katya. ‘Een beetje toch. We moeten nog
door Denemarken en willen een paar dagen in Kopenhagen rondhangen. En ik sta op
een vaste datum om weer te beginnen werken. Ik kan me niet permitteren een paar
dagen te laat te komen’.
‘Zie je nu welke nefaste uitwerking die tirannie van de arbeid kan
hebben?’ jammerde Sven. ‘Die arme Belgen hebben zoveel kilometer moeten rijden
om hier te geraken en ze hebben zelfs de tijd niet om terug mee te gaan en
Stockholm te leren kennen. Moet jij ook op tijd terug naar België?’ wendde hij zich tot
Karin.
‘Nee, maar ik moet wel terug met Dirk. Op mijn eentje geraak ik niet in
België!’ lachte ze.
‘O maar Sven zou je wel terugbrengen als je nog een poosje meegaat
naar Stockholm’, deed Olaf wat ironisch.
‘Je kunt inderdaad wel met ons mee voor enige dagen’, ging Katya daar
een beetje naïef op in, terwijl ze naar Sven keek. Die bevestigde dat onmiddellijk.
Dirk trachtte zijn gevoelens zo goed mogelijk te verbergen, maar hij was helemaal
niet zeker van Karins antwoord. Ze zuchtte even heel diep en lachte dan zo luchtig
mogelijk: ‘Een volgende keer misschien.’
Toen de zon onderging stond Björn op om te vertrekken. Alle blikjes van
Dirk waren leeg en al het brood en de rest van het proviand was op. Er restte alleen
nog wat drank. Iedereen zocht zijn spullen bijeen en trok zijn short en T-shirt aan. Op
het water zou het wat frisser zijn dan op hun beschutte ankerplaatsje. Het leeggoed
werd verzameld en ging mee in de boot. Björn hielp de dames instappen en Olaf
maakte de koord los. ‘Ik ben de eerste matroos en Björn is de kapitein’, verduidelijkte
hij aan Dirk die hem voor had willen zijn.
Het begon al wat te schemeren toen ze aankwamen bij de camping. De
vrouwen hingen de natte handdoeken op de geïmproviseerde waslijn. Björn en Olaf
gingen de boot terugbrengen en de overigen zochten hun tenten op.
Dirk vreesde een beetje dat Karin zijn beslissing om de volgende dag te
vertrekken zou in discussie brengen, maar ze bleef zwijgen terwijl ze zich allebei
uitkleedden. Tenslotte begon hij zelf met: ‘Het is een prettige dag geweest, maar die
Sven lijkt me een eersteklas flierefluiter. Ik begrijp niet goed hoe die twee andere
koppels met hem optrekken.’
‘Ze zijn toch al samen naar Italië en Spanje geweest. De andere leden van
de groep zijn waarschijnlijk zelf nog niet zo lang gesetteld en gedroegen zich
daarvoor misschien ook een beetje zoals hij.’
‘En Katya geeft me de indruk werkelijk het zesde wiel aan de wagen te
zijn. Alsof Sven haar om het even wanneer zou kunnen dumpen.’
‘Ze wil toch nog graag mee naar Griekenland. Ze maakt zich nuttig door
Grieks te leren. Maar of ze daarna nog bij Sven en de groep blijft, weet ze zelf niet
goed.’
‘Die Sven is zo oppervlakkig als wat.’
‘Hij leeft er inderdaad een beetje luchthartig op los.’
‘Zou je zo’n leven kunnen delen?’
‘O, indien hij enkele miljoenen op zijn bankrekening had, zou ik wel een
poosje met hem kunnen optrekken. Maar die heeft hij niet.’
‘Hij lijkt me eerder een armoedzaaier die voortduren op de grens van zijn
mogelijkheden leeft!’
‘Inderdaad. Maar intussen heeft hij het toch niet slecht. En Katya heeft
alleen maar verwachtingen op korte termijn wat hun relatie betreft. Haar wachten dus
geen grote ontgoochelingen.’
‘Ik begrijp niet hoe ze met hem haar tijd wil verliezen.’
‘Misschien is hij een geraffineerde minnaar en hebben ze een niet
onprettige relatie.’
Dirk realiseerde zich opeens dat zijn vroeger gedrag wel wat op dat van
Sven geleek. Was het daarom dat hij zich zo aan hem ergerde? Hij gaf Karin een
vlugge goedenachtzoen en kroop in de slaapzak. Karin was blijkbaar moe genoeg om
zijn voorbeeld te volgen.
49
De volgende morgen werden adressen en telefoonnummers uitgewisseld
tijdens het ontbijt. De Zweedse vrienden beloofden te verwittigen wanneer ze volgend
jaar hun reis naar het zuiden zouden aanvatten. Ze wilden wel enkele dagen in
Vlaanderen blijven hangen om een paar belangrijkste steden te bezoeken. Dirk en
Karin zouden zich daarvoor vrij maken. Dirk zou tijdig een voorraad van de beste
Belgische bieren opslaan in zijn voorraadkelder, zodat ze wat belegen zouden zijn
wanneer de bezoekers kwamen. Zelf moesten ze beloven een jaar later naar
Stockholm te komen.
Terwijl ze de tent aan het opbreken waren, zei Karin: ‘Die twee Noorse
families van boven de poolcirkel zullen waarschijnlijk nooit op bezoek komen, denk je
niet?’
‘Die indruk had ik ook bij ons afscheid daar. Als ze komen, zijn ze
natuurlijk eveneens welkom. Maar dan liefst niet samen met de Zweden!’
Toen alles in de auto geladen was, gingen ze uitgebreid afscheid nemen.
Sven knuffelde Karin nog eens extra en Dirk kreeg van Katya een warme kus op zijn
mond. De ganse groep zwaaide hen na.
Na een poosje vroeg Karin: ‘En wat zijn de verdere plannen?’.
‘Wel, zoals overeen gekomen rijden we naar Helsingborg. Een rit van
ongeveer driehonderd kilometer. Daar hebben we de kortste oversteek naar
Helsingør in Denemarken en zijn er heel veel ferryboten. De overzet duurt nog geen
half uur zodat we deze keer wellicht geen uitgebreid buffet krijgen. Tegen de avond
kunnen we de rand van Kopenhagen bereiken om er een hotelletje te zoeken en te
avondmalen.’
Ze bleven nog een hondertal kilometers langs het Vätternmeer rijden. Ook
verder voorbij Jönköping liep de baan af en toe langs meertjes en rivieren in mooie
dalen, zodat hun aandacht meestal naar het landschap ging. Ze bleven zelfs even op
een parkeerplaats met mooi uitzicht om een foto te nemen en Karin vond het nu al
normaal dat ze daarbij hoorde te staan.
‘In de grond hebben Sven en Katya en de anderen gelijk wanneer ze
zoveel mogelijk op reis gaan en genieten van wat de wereld te bieden heeft’, merkte
ze op. ‘Wij vliegen door Scandinavië alsof de duivel ons op de hielen zit.’
‘Indien we bij elk landschap dat de moeite loont waren blijven stilstaan,
waren we nu nog niet aan de Noordkaap, Karin. Er is ook zo iets als oververzadiging.
Bij het reizen krijg je een overdaad aan landschappen en bezienswaardigheden die
elkaar opvolgen en verdringen. Op de duur ga je er gewoon aan voorbij.’
In de late namiddag kwamen ze aan in Helsingborg. Een schip van de
HH-Ferries had juist de haven verlaten en een ander van de Scandlines kwam er
aan. Dirk ging nog vlug wat Deense kronen halen bij een klein kantoortje op de
parking. Karin insisteerde om mee te gaan en ze wisselde ook wat euro’s voor
eventuele persoonlijke uitgaven. Dat had ze in Noorwegen en Zweden niet gedaan,
merkte Dirk op. Ze antwoordde daar niet op, maar zei: ‘We moeten op het schip weer
eens onze achterstallige boekhouding bijwerken!’ Het duurde niet lang vooraleer ze
konden inschepen. Het was de grootste ferry die ze al meegemaakt hadden. Nadat
ze een rustig plaatsje gevonden hadden en hun uitgaven van de voorbije dagen
hadden opgetekend, bleef er amper tijd over om vanop de voorplecht Denemarken te
zien naderbij komen.
Van Helsingör was het maar een dertigtal kilometer naar Kopenhagen en
Dirk stelde eerst nog voor een dag te blijven logeren ergens in een badplaatsje
onderweg. Die streek was bekend als de Riviera van Denemarken, wist hij. Misschien
konden ze de hoofdstad vandaaruit een paar maal gaan bekijken? Maar Karin vond
dat geen goed idee, zodat ze bleven rijden tot ze de rand van Kopenhagen bereikten.
Daar begon Dirk uit te kijken naar een hotelletje, maar Karin wilde liever wat dichter
bij het centrum zijn. ‘Waarom niet in het hotel waar je de vorige maal verbleef?’ vroeg
ze.
‘Ik kan proberen het terug te vinden, maar langs deze weg weet ik niet of
dat zal lukken. Indien we eerder iets zien dat ons bevalt, kunnen we daar beter halt
houden.’ Hij wilde liever het risico vermijden dat ze hem daar nog zouden kennen.
Ze reden door de Tuborgwijk en voorbij een spoorweg en Dirk begon al uit
te kijken of er in de zijstraten van hun grote invalsweg geen uithangborden van hotels
te zien waren. Links van hen lag de haven, wist hij en in de straatjes daar rond
zouden wel goedkopere hotelletjes te vinden zijn. Hij dacht er al aan ergens links af
te slaan toen ze aan hun rechterzijde een park zagen en Karin onmiddellijk zei dat ze
wel ver genoeg waren. Dirk draaide de volgende straat links in en in de eerste
dwarsstraat was er links en rechts van hen al een uithangbord te zien. Karin koos
links en ze reden tot voor een gerenoveerd pand dat Kalkbraenderihotel heette.
De prijs viel erg mee en Karin nam genoegen met de ietwat minder
aangename kamer waarvan het venster op een besloten rommelig binnenkoertje
uitgaf. Was het omdat ze zelf gekozen had dat ze geen opmerkingen maakte?
Voor avondeten kozen ze een lichtgebakken steak met echte frietjes. ‘We
zijn al dicht bij huis’, merkte Dirk op. Ze kregen een plannetje van de stad en de
dienster zei dat ze op de Østerbrogade, de invalsweg langs waar ze gekomen waren,
verschillende bussen hadden naar het centrum.
‘En is het park aan de overkant van de Østerbrogade dat waar de meisjes
topless liggen zonnen?’ vroeg Karin. De dienster lachte even en zei: ‘Dat doen ze in
verschillende parken, mevrouw.’
Hoe was Karin dat aan de weet gekomen? Had ze het ergens gelezen bij
het doornemen van zijn documentatie? Hij herinnerde zich niet het haar zelf gezegd
te hebben. Had Sven het haar verteld? ‘We kunnen, als het mooi weer blijft, wel eens
door zo’n park wandelen, indien je Deense borstjes wenst te zien’, waagde Dirk.
Maar ze antwoordde onmiddellijk dat ze daar ook wilde gaan liggen.
‘In plaats van bezienswaardigheden en musea te gaan zien, Karin?’
‘We kunnen morgenvoormiddag met een sightseeingbus de meeste
gebouwen en bezienswaardigheden bekijken en in de namiddag tijd nemen voor wat
ontspanning!’ Dirk stemde in, maar Karin merkte ongetwijfeld zijn tegenzin. Het
ergerde hem nu dat het de laatste dagen niet meer wilde regenen. Hij nam zich voor
’s avonds zijn documentatie nog eens door te nemen in de hoop wat belangrijker
dingen te vinden die haar van dat zonnebaden konden afhouden. Hij zag zichzelf
daar niet een ganse namiddag in een park liggen.
Na de maaltijd wandelden ze naar de nog steeds drukke Østerbrogade en
namen een bus naar het centrum. Langs de kaaien van een breed soort kanaal
kwamen ze aan de markt van het Raadhuis. Die omgeving kende Dirk. Ze gingen
eerst eens kijken naar de verlichtingen in het het reusachtige pretpark Tivoli, om
daarna de lange sliert winkelwandelstraten in te slaan naar het Koninklijk Theater toe.
Er was nog heel veel volk op de been. De winkels waren al gesloten maar de vitrines
lokten nog kijklustigen en de terrasjes en restaurants hadden het erg druk.
Musikanten speelden hier en daar vrolijke deuntjes. De stalletjes die worsten
braadden verspreidden een sterke geur, terwijl ijssalonnetjes die allerlei veelkleurige
roomijscombinaties adverteerden blijkbaar nog meer succes hadden. Ze aten zelf ook
nog een grote coupe roomijs op een van de terrasjes.
Het was al behoorlijk laat toen ze op het Kongens Nytorv bij het Koninklijk
Theater een bus namen die in de richting van Tuborg reed.
Terug op de kamer bekeek Dirk vlug zijn documentatie terwijl Karin in de
badkamer was. Het Glyptotekmuseum bleek naast oudere werken een grote
verzameling Deense en Franse impressionisten te bezitten. Dat zou interessanter zijn
dan topless in een park te gaan liggen. Hij kon haar aandacht best terug wat in de
richting van de kunst oriënteren.
Toen ze halfnaakt en met een handdoek als een tulband rond haar hoofd
uit de badkamer kwam, begon hij onmiddellijk over de mogelijkheid in de uitgebreide
verzameling van de Glyptotek het impressionisme van de Denen te vergelijken met
dat van de Franse schilders. Maar ze antwoordde gevat: ‘Misschien kan jij daar eens
gaan zoeken naar de latente inhoud van impressionistische doeken, Dirk, terwijl ik in
een park lig te zonnen!’
‘Maar jij bent mijn challenger, Karin, de toetssteen bij mijn pogingen om
kunst beter te begrijpen.’
‘Wel, voor mijn part is de tijd van de impressionisten voorbij. Ze hangen
goed en wel in musea en in privéverzamelingen. Hun speling van licht en kleur, en
hun visie op de dagdagelijkse werkelijkheid van toen is minder belangrijk geworden
dan hun geschatte waarde, wanneer er nog eens een exemplaar op de markt komt.’
‘De huidige nieuwe rijken snappen er wellicht even weinig van als wij van
de magie en de cultussen bij Afrikaanse en andere “primitieve” kunsten!’
Ze maakte de tulband los en begon met een zoemende haardroger door
haar haarbos te gaan terwijl ze het hoofd nu eens links en dan weer rechts opzij
boog. ‘In Moskou en Dubai kan het hen geen moer schelen wat voor latente inhoud
er in een schilderij steekt. Ze kijken alleen maar naar wat er onmiddellijk voorhanden
is, naar wat jij de manifeste inhoud noemt. Het was vroeger voor de gezette
Hollandse burger trouwens ook niet zo belangrijk wat de schilder mogelijks voor meer
persoonlijks had willen uitdrukken, als het maar een mooi “Haarlempje” of een
bucolisch landschap of een zeezicht was waarmee hij zijn standing kon exhiberen. En
voor mij is het momenteel ook belangrijker in de zon te gaan liggen!’ De ironische
toon waarop ze dat zei liet duidelijk horen dat er geen verdere discussie mogelijk
was.
Kon het maar regenen morgen, dacht Dirk terwijl hij op zijn beurt in de
badkamer ging. Hij bleef er opzettelijk lang bezig en Karin lag boven op haar deken te
slapen toen hij terug kwam in de kamer. Hij kroop in zijn bed zonder haar te storen
voor een nachtkus.
Het was ongetwijfeld waar dat de smaak wat schilderkunst betreft
helemaal veranderd was. Zoals het in het verleden al meerdere malen gebeurd was.
Misschien was het niet meer dan normaal dat mensen die gevormd waren door de
normen en schoonheidsidealen van hun tijd, de stijl van nieuwlichters verfoeiden. En
dat de ‘nieuwe generaties’ het oude maar niks vonden. Zoals de jongeren nu onder
invloed van Amerikaanse thrillers, actiefilms en minderwaardige shitcoms onze betere
Europese ‘cinema d’auteur’ niet meer kunnen appreciëren.
50
Toen Dirk de volgende morgen wakker werd sliep Karin nog en hij bleef
wat liggen nadenken. Hij zou niet aandringen om haar mee te krijgen naar het
museum, maar zou in het park gaan liggen met haar. Dan zou hij tenminste zien wat
er gebeurde.
Hij stond stilletjes op en ging naar de badkamer. Toen hij terugkwam was
ze ook al op. Het zag ernaaruit dat het weer een mooie warme dag ging worden en
ze was een minirokje en een topje aan het klaarleggen. Hij kuste haar goedemorgen
en ze beantwoordde zijn kus alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Misschien maakte
hij van kleinigheden te vlug echte problemen.
Bij het ontbijt kwamen ze overeen eerst een rondrit te maken met een
sightseeingbus en daarna in een park te gaan liggen. De rondrit zou hen wellicht
laten zien welk park daar best voor in aanmerking kwam.
Ze namen de gewone bus tot aan de Rådhuspladsen en moesten daar
niet lang wachten op een van de open dubbeldekkers. Over de hele omloop stapten
ze maar eenmaal uit om bij de citadel aan de haven een paar foto’s te nemen van de
kleine zeemeermin. Er was zoveel belangstelling voor het mooie beeldje op het
rotsblok dat het wat moeite kostte om een foto te maken met Karin en de
zeemeermin zonder figuranten errond.
Toen ze met een volgende bus langs het Rosenborgslot passeerden zei
de stem in de koptelefoon dat daarbinnen de kroonjuwelen te zien waren en dat in
het park errond nog meer ‘schatten’ in de zon lagen. Dirk deed alsof de kwinkslag
hem ontging, maar hij merkte aan het gezicht van Karin dat het bij haar niet in
dovemansoren viel.
Toen ze terug aan het Raadhuis kwamen, stelde Dirk voor bij het eerste
kraampje in de winkelwandelstraat van Strøget een van de worstbereidingen te gaan
proeven. Maar Karin had liever de typisch Deense sandwiches, sneetjes smørrebrød
met allerlei beleg. Het duurde wat vooraleer ze een terrasje vonden waar ze beiden
aan hun trekken konden komen.
Dirk had al die tijd gezwegen over het topless zonnebaden en Karin had
er ook niets meer over gezegd. Maar nu zou een van beiden toch moeten beginnen.
Het was Karin die schijnbaar achteloos zei: ‘Nu kunnen we nog steeds gebruik
maken van die sightseeingbus om terug te keren naar dat Rosenborgpark?’
‘Inderdaad. We kunnen nog de hele dag op- en afstappen over het hele
circuit.’
‘Goed. Laten we dan maar gaan.’ Ze stond op en Dirk volgde haar. Ook
toen ze afstapten aan het park liep ze hem voor, uitkijkend naar een goed plekje waar
ze kon gaan liggen in de zon, zonder nabije concurrentes. Dirk lette intussen meer op
de jonge vrouwen die er met een zonnebril of een sjaaltje over de ogen, in monokini
of zonder bloes en met opgetrokken rokje lagen te zonnen. Een paar van hen waren
vergezeld van een man en enkele mannen zaten in de schaduw van een boom een
krant of een boek te lezen. Dat had hij ook kunnen doen, maar hij had niets anders bij
dan een gids van Kopenhagen. Toen Karin eindelijk een goed plaatsje gevonden
had, deed ze haar topje en beha uit en nestelde zich behagelijk in het gras. Dirk trok
zijn hemd uit en ging naast haar liggen.
Het was bijna alsof hij bij haar in het gevlij wilde komen toen hij begon
met: ‘Eigenlijk is het waar dat we al genoeg impressionistische kunst gezien hebben.
Daar hebben we geen boodschap meer aan.’ Karin reageerde niet. ‘Maar het
Staatsmuseum voor Kunst heeft een interessante verzameling van allerlei Europese
doeken en gravures.’
‘Die kunnen we morgen of overmorgen gaan zien.’ Het was alsof zij
voortaan zou beslissen wat ze al dan niet zouden doen. Maar het ergerde hem niet
echt. Voor hem was er geen enkele echte must meer. Hij kon zich tevreden stellen
met wat zij nog zou willen bezichtigen. Het was ook voldoende voor hem dat ze de
buitenkant gezien hadden van de voornaamste bezienswaardigheden. Hij was al in
zoveel kerken geweest dat hun interieurs hem nog weinig nieuws te bieden hadden.
Paleizen interesseerden hem ook niet erg. De citadel aan de haven zou hij wel nog
willen bezoeken, maar dat zou zij vervelend vinden.
Hopelijk wilde ze toch niet elke namiddag in het park komen liggen.
Na een poosje ging Dirk op zijn ellebogen steunen om wat rond te kijken.
Hij kreeg een rondwandelende man in het oog die hier en daar zonnebaadsters
aansprak. ‘Het lijkt hier een beetje op de vrijgezellenbals van bij ons’, zei hij een
beetje geërgerd. ‘De mannen zoeken een vrouw waarvan het uiterlijk hen bevalt en
de vrouwen wachten ongetwijfeld op een man die een villa, een chique wagen en een
goed inkomen heeft. Als na enige tijd blijkt dat ze een verkeerde keuze gemaakt
hebben, kan het spelletje opnieuw beginnen.’
‘Misscien komen daarbij soms relaties tot stand die wel bevredigend zijn
voor beide betrokkenen?’
‘Je kunt nog beter een partner zoeken via internet. Dan kan je al een en
ander te weet komen vooraleer je begint afspraken te maken.’
‘En dan merk je bij de eerste ontmoeting dat het uiterlijk je helemaal niet
bevalt!’
‘Wat is het belangrijkste? Het innerlijke of het uiterlijke?’
‘Allebei. Maar je verstoort mijn zonnebad. Zou je niet beter de
kroonjuwelen gaan bekijken in het Rosenborgslot?’
Het mannetje had blijkbaar weinig succes. Het verdween achter een
pergola met klimrozen. ‘Misschien kan ik een kleine enquête maken en de
zonnebaadsters vragen naar het waarom en de resultaten van hun aanwezigheid
hier.’ Karin antwoordde niet meer. Dirk bleef nog een poosje rondkijken vooraleer op
te staan. Hij trok zijn hemd aan en probeerde grappig te doen met: ‘Ik hoop je hier
terug te vinden wanneer ik terugkom!’
‘Dat is helemaal niet zeker!’ antwoordde Karin op dezelfde toon.
Omdat juwelen hem niet echt interesseerden, wandelde Dirk in het
Rosenborgslot nogal vlug van de ene vitrinekast naar de andere, door de
verschillende zalen heen. Maar toen hij besefte dat Karin een heel andere uitleg kon
geven aan een haastige terugkeer, vertraagde hij wat en besteedde hij wat meer
aandacht aan de dames. Er waren niet zoveel geïnteresseerden voor die
kroonjuwelen en de bezoeksters waren niet zo interessant als bij vernissages.
Hij verliet dan toch het slot. Hij zou Karin gewoon bekennen dat
kroonjuwelen niet echt zijn ding waren. Maar hij vond haar niet terug. Hij wandelde zo
rustig mogelijk een paar maal heen en weer rond de plaats waar hij dacht dat ze
samen gelegen hadden, tot hij zeker was dat hij zich niet vergiste. Daar lag nu een
ietwat oudere vrouw die haar zonnebril op haar voorhoofd schoof om hem te bekijken
en te zien wat hij daar wel zocht. Hij besloot het hele park rond te wandelen om te
zien of Karin niet ergens een beter plaatsje gezocht had. Er waren hier en daar wel
mooie borstjes te zien, maar daar had hij nu niet echt oog voor. Hij wandelde
tweemaal het hele park rond. Ze was nergens te bespeuren. Nadat hij nog eens
vanop afstand gekeken had of ze niet terug op het eerste plekje lag, verliet hij het
park.
Wat nu gedaan? Zou ze echt meegegaan zijn met een van die yuppies of
met een oudere geilaard die hier een prooi kwam zoeken? Misschien had ze zich
laten meetronen naar het attractiepark Tivoli door een of andere vlotte jongen. Hij
ging terug naar de halte van de sightseeingbus en enerveerde zich omdat het zo lang
duurde vooraleer er een aankwam.
Hij reed mee tot aan Tivolipark en doorkruiste dat in alle richtingen. Bij
verschillende attracties bleef hij staan tot de vrolijk lachende bezoekers buiten
kwamen. Telkens zonder Karin. Misschien liep ze door de straten van Strøget in het
gezelschap van een rijke playboy die haar tegen betaling in natura een duur juweel
zou kopen?
Hij stapte er ongewoon vlug tussen de vele slenterende paartjes en
groepjes mensen door tot aan Kongens Nytorv en terug, zonder Karin tegen te
komen. Was ze intussen niet al teruggegaan naar het hotel? Op de Raadhuisplaats
nam hij de bus naar Tuborg en liep daar van de bushalte vlug naar het hotel.
Karin zat inderdaad een fruitsapje, wellicht een wodka-orange, te drinken
in de bar alsof er helemaal niets aan de hand was. Zijn ongerustheid sloeg om in
ergernis. Hij ging tegenover haar zitten zonder een woord te kunnen zeggen. De
glimlach verdween van haar gezicht toen ze zag dat hij niet in te beste stemming
was. Ze zweeg zelf ook. Wijzend naar het glas van Karin riep hij kortaf naar de
barman: ‘The same!’. Ze bleven zwijgen tot de barman het drankje gebracht had en
Dirk er even aan genipt had. Het was puur oranjesap.
‘Ik dacht je terug te vinden in het kasteel bij de juwelen, maar je was er
niet’, begon ze. Dirk antwoordde niet. ‘Als je er geweest bent, ben je er niet lang
gebleven.’
‘Nadat ik alle zalen van het kasteel doorlopen had, ben ik terug gekomen
naar ons plaatsje in het park. En je was weg …’
‘Eerst ben ik inderdaad …’
‘Al die tijd bedoel je?’ onderbrak hij haar bitsiger dan hij zelf wilde.
‘Vooraleer ik naar het kasteel gegaan ben …’
‘Je was niet in het kasteel, niet in het Rosenborgpark, niet in Tivoli en niet
in Strøget! Wat wil je me dan nog laten geloven?’
Karin zweeg en dronk een grote slok fruitsap.
‘Het beste wat je doen kunt, is me de waarheid vertellen!’ Dirk probeerde
zijn toon wat te milderen, maar dat lukte niet echt.
‘Ik ben niemand rekenschap verschuldigd’, zei ze dan zeer beslist.
‘Nee’, aarzelde hij, ‘maar er bestaat zo iets als het respecteren van
afspraken! Ook stilzwijgende afspraken!’
‘Wanneer de omstandigheden veranderen moet ieder voor zich oordelen!’
‘En zich niet bekommeren om anderen!’
‘Het was toch evident dat we elkaar altijd hier konden terugvinden!’
‘Maar al die tijd liet je me wel in het ongewisse!’
‘Je bent toch geen klein kind meer! En je kent Kopenhagen beter dan ik.’
‘O ja. Mijn plan kon ik wel trekken!’
‘En ik moet aan niemand rekenschap geven van wat ik doe en laat!’
herhaalde ze.
Ze bleven een poos zwijgen tot Karin ten slotte vroeg: ‘Waar gaan we eten
vanavond?’
‘Ik heb helemaal geen honger’, hoorde Dirk zichzelf zeggen. Hij had geen
zin in een langdurige ‘tête-à-tête’ met haar.
‘Maar ik wel’, zei ze. ‘Ik zoek me wel iets.’ Ze stond op.
Dirk stond eveneens op. ‘Ik ga dan maar naar de kamer.’ Terwijl hij op de
lift wachtte, zag hij Karin weggaan uit het hotel.
Op de kamer ergerde hij zich meer en meer omdat hun dialoog zo uit de
hand gelopen was, en omdat hij eigenlijk toch wel honger had. Hij dronk wat wodka
uit de kleine drankenvoorraad van het ijskastje, ijsbeerde wat rond de kamer en stond
daarbij af en toe wat voor het venster te kijken naar het binnenkoertje waar niets
gebeurde. Ten slotte nam hij een douche en kroop onder de lichte deken.
Hij sliep nog niet toen Karin binnenkwam. Ze kleedde zich uit zonder een
woord te zeggen en verdween in de badkamer. Ze bleef er heel lang en hij deed alsof
hij sliep toen ze terugkwam. Ze trok een pyjama aan en kroop in bed.
51
‘Rari nantes in gurgite vasto’, zei Dirk bij zichzelf toen hij wakker werd.
‘Schaarse zwemmenden in de reusachtige draaikolk.’ Het stukje droom dat hem
onmiddellijk voor de geest kwam had veel van een nachtmerrie. Ze waren met de
motorboot, waarschijnlijk samen met Bjorn, Sven en de anderen in een enge sluis
gevaren. Een gesluierde dame opende voortijdig de volgende sluisdeur zodat ze een
stortvloed van water over zich kregen en dreigden te verzuipen in plaats van in het
idyllisch rechtlijnige kanaal te komen. Het was alsof zijn moeder van op de kade
toekeek en alleen maar een vermanende vinger opstak, in plaats van hem een
reddingsboei toe te werpen.
Karin sliep nog. Hij bleef in bed liggen nadenken en probeerde zich meer
droomresten te herinneren. Zijn gedachten bleven draaien rond de relatie van zijn
ouders. Hoe zijn gepensioneerde vader het betutteld worden door zijn vrouw vrij
geduldig verdroeg, met alleen af en toe een klein opstootje van rebellie. Ten slotte
was het comfortabeler met zijn tweeën dan alleen te zitten. Zijn leven was voorbij, zei
hij en er viel niet veel meer te doen dan kijken naar wat er in de wereld gebeurde en
wat anderen nog van hun leven maakten. Het had allemaal niet zoveel belang meer:
de mensheid was toch bezig de eigen evolutie en de hele aardkloot om zeep te
helpen.
Dat soort leven wilde Dirk zeker niet. Niet voor zichzelf en ook niet voor
Karin. Maar nu liep het met haar toch de spuigaten uit. Het had niet veel zin de reis
nog langer te rekken nu de stemming helemaal verbrod was. Het was beter zo rap
mogelijk naar huis terug te keren, langs de kortste weg. Dan vermeed hij ook wat
nutteloze uitgaven.
Hij stond op en ging naar de badkamer.
Toen hij terug in de kamer kwam stond Karin op, zei ‘goedemorgen’ en
verdween op haar beurt in de badkamer, nog voor Dirk er toe kwam haar
morgengroet te beantwoorden.
Ze zeiden allebei alleen het hoogst noodzakelijke terwijl ze zich
klaarmaakten om naar beneden te gaan voor het ontbijt. Dirk wachtte nog om te
zeggen dat hij wilde vertrekken, in de hoop dat zij toch op de een of andere manier
haar ‘fugue’ zou verklaren of de patstelling verbreken. Maar aan tafel vroeg ze alleen
op een heel onverschillige toon wat de verdere plannen waren, zodat hij kortaf
antwoordde dat hij het liefst wilde vertrekken. Alsof ze dat antwoord verwacht had, zei
ze doodgewoon: ‘Oké’.
Dat was het dan. Dirk ging de receptioniste verwittigen en afrekenen.
Daarna pakten ze zonder veel woorden hun bagage in en vertrokken.
Over de Østerbrogade langs waar ze telkens met de bus gepasseerd
waren reden ze naar het centrum en Dirk vond er zonder Karins hulp voldoende
aanduidingen naar de zuidelijke autosnelweg. Hij kon daarbij al zijn aandacht aan de
weg en het verkeer besteden, zodat hij niet hoefde te praten. Het was maar best dat
zij intussen wat rondkeek naar de gebouwen en de straten die voorbijschoven.
Eenmaal buiten de stad had hij wel een gesprek willen beginnen, maar hij
vond geen goede aanzet daartoe. Het was eigenlijk aan haar om op te biechten wat
ze werkelijk gedaan had of zich te verantwoorden.
Tot wat had de reis nu echt gediend? Van zijn opzet was niets terecht
gekomen. Wat een succesvolle verovering had geschenen, bleek achteraf alleen
maar het bevredigen van haar manische sekshonger. Daarna hadden de
veranderingen in hun relatie elkaar opgevolgd als bedrijven van een slecht
toneelstuk: de ontgoocheling van de Noordkaap, de twee Noorse families aan de
Porsangenbaai, de monotonie van de Finse bossen en meren, Tampere, de Zweedse
levensgenieters en nu dat einde ‘en queue de poisson’. De droom die hij rond haar
gefantaseerd had, was in rook opgegaan. Wat zou hij hierna aanvangen? Voor welke
toekomst zou hij nu opnieuw plannen kunnen maken? Hij was een vreemdeling in zijn
eigen leven net zoals Meursault in ‘L’étranger’ van Camus. En net zoals zijn vader
hem had laten inzien hoe het wereldbeeld doorheen al die voorbije culturen keer op
keer veranderd was, waren er in zijn eigen korte leven al verschillende fasen te
onderscheiden waarin zijn wereld ook telkens helemaal veranderde. Na het
familieleven thuis waar hij uit weggegroeid was, waren er de studentenjaren met
Ludwina, daarna Borghild, de stoeipoesjes, en wat zou er nu komen na de mislukte
aanzet tot een monogame relatie met Karin?
Ze reden de hele weg door Sjælland tot aan de lange brug naar het
volgende eiland Falster zonder dat er verandering kwam in hun stilzwijgen en hun
afstandelijke manier van doen. Was het door het opengaan van hun horizon op die
hoge brug met onder hen de wijde zee met de vele kleine bootjes en enkele grotere
schepen dat Karin aanstuurde op een gesprek? Ze verminderde het volume van de
muziek wat en zei: ‘Eigenlijk had je in Kopenhagen toch het Staatsmuseum voor
Kunst moeten bezoeken. Daar hangen veel werken van Asger Jorn en andere leden
van de Cobragroep: zij maakten zeker geen designkunst. Daar had je ongetwijfeld
latente inhouden gevonden.’
‘Je was toch niet erg geïnteresseerd in museumbezoek?’
‘Niet erg in de impressionisten van de Glyptotek. Maar in het
Staatsmuseum hebben ze veel werken van Cobrakunstenaars, waarvan we in België
alleen maar hier en daar eens een geïsoleerd werk of een toevallige
eenmanstentoonstelling kunnen zien. En in het Museum in Amstelveen, dat ik zelf
nog niet heb kunnen bezoeken, hebben ze vooral werk van de Hollandse leden.’
‘En waarom ben jij dan niet naar dat Staatsmuseum geweest?’
‘Dat heb ik gedaan. Het ligt juist naast het Rosenborgslot.’
‘Heb je dat nu bedacht als verantwoording voor je onverklaarbare
verdwijning? En wil je echt dat ik dat geloof?’
‘Je doet ermee wat je wilt, maar zo is het.’
‘En waarom zou je dat dan niet onmiddellijk verteld hebben? Hoe
ongeloofwaardig het ook klinkt!’
‘Je snauwde me zo af en onderbrak me wanneer ik het wilde zeggen!’
‘En waarom moest je dat op je eentje doen, bijna alsof het achter mijn rug
moest gebeuren?’
‘Er was een onnozelaar die me kwam lastigvallen toen ik daar lag te
zonnen.’
‘Een onnozelaar …’
‘Ja. En hij liet niet af. Zo zelfzeker en arrogant deed hij. Hij volgde me
zelfs toen ik opstond en een beetje verder wilde gaan liggen. Ik heb me dan maar
aangekleed en ben het park uitgewandeld. Het museum was daar aan de andere
kant van de straat.’
‘Waarom ben je niet onmiddellijk in het Rosenborgslot gekomen?’
‘Ik sloeg de verkeerde richting in naar de straat toe en ik wilde je ook het
leedvermaak niet gunnen.’
‘Die man kon je toch niet verhinderen …’
‘Hij kwam me nog na tot in de straat en dan ben ik maar het
Staatsmuseum binnengegaan. Omdat ik dacht dat we er de volgende dag samen
zouden terugkomen ben ik er vlug doorheen gewandeld, om daarna naar het
Rosenborgslot te lopen. Maar je was er niet.’
‘Als je recht in je schoenen stond, had je me dat wel vroeger kunnen
vertellen’, probeerde Dirk dan toch positief te reageren op haar eigenaardige uitleg.
‘Ik zou het je allemaal verteld hebben, maar jouw agressief gedrag deed
me ook steigeren. Ik ben geen enkele uitleg verschuldigd, tenzij me dat op een
correcte manier gevraagd wordt. Toen het helemaal uit de hand liep, leek het mij een
mogelijkheid om je duidelijk te maken dat ik jouw eigendom niet ben en dat ik zelf
oordeel over mijn doen en laten, zeker wanneer zich onvoorziene omstandigheden
voordoen.’
Dirk wist niet goed wat hierop te antwoorden. Wat zou hij nu best doen?
Bij de eerstvolgende afrit van de snelweg de wagen keren en terugrijden? Maar haar
woorden lieten evengoed veronderstellen dat zijn kansen nu volledig afhingen van
haar ‘bon plaisir’. Na een lange poos zei hij ten slotte: ‘Cobra kan de pot op.’
Karin grinnikte even. ‘Het is anders wel iets wat je had moeten zien. Die
spontane, naïeve creaties waarmee ze ingingen tegen esthetiserend academisme.’
‘Ach ja, Cobra en de Nabis en de Prerafaëlieten …’ Hij sloeg er zomaar
een paar namen uit van kunstrichtingen waarvan hij zich vaagweg iets herinnerde.
‘De ene benadrukken dit in hun visie of hun techniek en de andere dat. Ik heb
helemaal niet de bedoeling alle kunstrichtingen te gaan bestuderen. Ik probeer alleen
maar mijn gedachten te ordenen en te ondersteunen met wat typische voorbeelden.’
‘Maar de creaties van de cobra-artiesten illustreren dat de aandacht voor
het esthetische in de kunst, waar de Praagse semiotici zoveel studie aan
besteedden, moet opengetrokken worden om er een veelheid van aspekten,
verschijningsvormen in op te nemen en om een ruimere interpretatie te geven aan
artistieke creativiteit.’ Probeerde ze hem toch nog te overhalen om terug te gaan? Hij
had helemaal geen zin om nu nog over kunst te gaan praten. Hij antwoordde niet en
bleef doorrijden.
De teerling was geworpen. Kopenhagen had de laatste pleisterplaats
moeten worden, die misschien nog alles had kunnen goed maken. Maar het was de
definitieve afgang geworden.
Ze reden door Falster en via de korte overbrugging naar Lolland het
laatste eiland van Denemarken op hun traject. Dirk hoopte tegen de avond in
Rødbyhavn nog een veerboot te halen naar het Duitse Fehmarn. Dat zou zeker
lukken indien Karin niet aandrong op een uitgebreid middagmaal. Zelf kon hij best
wachten tot een uitgebreid avondmaal op de boot.
Cobra kon inderdaad de pot op. Zelfs de hele santenboetiek van de
hedendaagse kunst kon hem nu gestolen worden: de pisbak van Duchamp, de lege
eierschalen, mosselschelpen en de platen met betekenisloze lettercombinaties van
Broodthaers. Het plassen op de scène en de machines die stront produceren. Dat
Jan Fabre zich met zijn ‘kunst’ een cocon fabriceerde waarbinnen hij èn zijn
masochisme kon cultiveren èn zijn megalomanie kon koesteren, was goed voor hem,
maar daar hoefde niemand van wakker te liggen. De actuele kunstwereld was
oververzadigd van bullshit en gezeik.
Was het hoofdstuk ‘kunst’ hiermee nu afgesloten voor hem, net zoals hij
vroeger afgerekend had met het hoofdstuk ‘godsdienst’? Er werd tegenwoordig toch
niet veel meer dan ‘tape-à-l’oeil’ geproduceerd en oppervlakkig tijdverdrijf zoals de
films van James Bond. Was het niet typisch dat die nog voortdurend in de tvprogramma’s voorkwamen en dat er zelfs telkens weer nieuwe gemaakt werden,
terwijl de meer realistische verfilmingen van de boeken van John Le Carré eerder
zelden te zien waren? Het lustprincipe domineert het realiteitsprincipe. Het spelen
met vormen en materie op het manifeste niveau vervangt diepere inhouden. Heel wat
creaties en manifestaties die de benaming ‘kunst’ opeisen, horen eerder in een
lagere categorie thuis en zouden een meer specifieke benaming moeten krijgen zoals
‘trottoirkunst’ voor ‘creaties’ die geen hogere sokkel vragen of verdienen dan een
voetpad, of ‘pokerkunst’ voor de objecten die met weinig of geen inhoud een grote
bluf proberen, ‘pin art’ voor wat gecreëerd wordt voor verzamelaars, en business art
voor wat sjacheraars kopen om geld te verdienen met hun investeringen.
‘Designkunst’ is misschien een goede benaming voor ‘kunstige creaties’ die alles van
de vormgeving moeten hebben, en geen gestalt vormen met vier verdiepingen die
onderling verbonden zijn door velerlei relaties. De échte kunst grijpt het leven zelf
vast om te proberen het te begrijpen: ‘saisir la vie’: het eigen leven en de wereld, ‘la
condition humaine’. Dat benaderen, beschrijven, belichten, er vragen over stellen en
naar antwoorden zoeken. In het begin van de ‘concept art’ hebben echte kunstenaars
misschien wel hun concepten op het voetstuk gezet, maar het ziet er meer en meer
naar uit dat de huidige ‘artiesten’ nu zelf op de sokkel willen staan. Daarbij vinden ze
van alles uit om origineel over te komen en een aandeel in de markt te veroveren.
Maar velen onder hen zijn alleen maar bezig met vormexperimenten en zitten in een
doodlopend straatje.
En wat met het hoofdstuk ‘relaties’? Karin was belangrijk geweest, heel
wat belangrijker dan de confrontatie met de kunst. Hij probeerde hun hele reis zo
gedetailleerd mogelijk te herbeleven en zag hier en daar wel ogenblikken waarop hij
anders had kunnen reageren. Maar de intense seksuele interactie had blijkbaar niet
geleid tot een liefdevolle relatie. Zoals de jonge Marguerite Duras op het schip dat
haar naar Europa bracht, wegdreef van haar Chinese minnaar, was Karin van hem
weg geëvolueerd. Zou ze toch niet tot het inzicht kunnen komen dat het een echte
liefdesrelatie had kunnen worden? Het was beter toch nog met haar in contact te
blijven om te voorkomen dat ze helemaal ontspoorde. Eigenlijk had hij haar moeten
doorverwijzen naar een collega toen hij zich begon te realiseren dat zijn gevoelens
verder gingen dan medisch verantwoorde empathie. Maar ‘les choses étant ce
qu’elles sont’, was het niet verantwoord het contact met haar helemaal te verbreken.
Hoe zou hij dat bij haar aanbrengen en hoe zou zij daarop reageren?
Het was Karin zelf die een aanzet daartoe mogelijk maakte. Toen ze op
de achtersteven van de veerboot stonden te kijken hoe Lolland stilaan verdween in
de avondschemering en het kielzog van het schip, zei ze: ‘Al bij al was het toch een
mooie reis en een geslaagd experiment.’
Dirk reageerde verwonderd: ‘Je bent wel van dat hinniken af, maar …’
Ze liet hem niet uitspreken. ‘Het is niet omdat jij niet bereikt hebt wat je
voor jezelf wilde doordrukken, Dirk, dat je de hele reis als een fiasco moet zien.
Misschien zijn we allebei een heel stuk gegroeid en kunnen we nu verder op voet van
gelijkheid doorgaan?’
‘Op voet van gelijkheid? Wat bedoel je?’
‘Misschien besef je het zelf niet, Dirk, maar je hebt niet echt op voet van
gelijkheid met me omgegaan. Je bent wel galant en voorkomend geweest. Meestal
toch. Maar je was de psycholoog die zich dat ex-patiëntje probeerde toe te eigenen
om er een vrouw van te maken aangepast aan jouw eigen verwachtingen.’
‘En je hebt me in Kopenhagen een lesje willen leren?’ zei hij niet zonder
bitterheid.
‘In Finland begon ik al dingen in te zien. Zweden en Rusland hebben
geprobeerd zich dat land toe te eigenen, maar het is er in geslaagd zijn eigenheid te
bewaren. Daar ben ik beginnen inzien hoe je me probeerde in te kapselen. Maar ik
ben een volwassen vrouw, een autonome persoon. Ik wil zelf beschikken over mijn
leven. En omdat je dat tijdens de verdere reis maar niet wilde begrijpen, ben ik
inderdaad in Kopenhagen een beetje kortaf geweest. Je gaf er trouwens zelf de
aanleiding toe.’
‘En je hebt me terug gestuurd naar af’.’
‘Zo zou ik het niet stellen. We kunnen goede vrienden blijven, nog veel
discussiëren over kunst en zolang niet een van ons een vaste relatie begint, nog
prettig samen vrijen ook.’
‘Omwille van de kunst?’ deed hij wat schamper.
‘Nee! Omwille van het vrijen! We hebben toch sensationele nachten
gehad. Ik heb zeker evenveel aan jou te danken als aan Karel.’
Dirk ontweek liever de gedachte aan die Karel. Ze zou toch niet weer met
die kerel aanpappen? ‘Maar ik ben toch niet die jonge Scandinavische boer waarmee
je zelfs in de wildernis een nieuw gezin zou willen opzetten!’
‘Ah, dat was een overdreven formulering van een utopie. Ik zou dat leven
wellicht geen jaar uithouden en hij zou me ongetwijfeld nog veel vroeger de laan
uitsturen als hij merkt wat een armzalige boerin ik maar ben.’
Ze zwegen een poosje. Dirk was enigszins opgelucht, maar hoe de
toekomst eruit zou zien was toch verre van zeker. ‘Waarom ben je niet in het
Rosenborgslot gevlucht voor die man in plaats van naar het Staatsmuseum te lopen?’
hoorde hij zich op een bijna klagende toon zeggen, alsof hij die gedachte eerder
formuleerde voor zichzelf.
‘Hij dreef me die andere kant uit, en toen ik aan de uitgang van het park
het museum zag aan de overzijde van de straat, vond ik dat een betere oplossing.
Daar zou jij me niet betweterig kunnen laten horen: “zie je wel wat voor mannen daar
rondlopen en waarvoor je je te kijk legt”!’
Dirk reageerde niet meer omdat hij dit bijna als een verwijt aanvoelde.
Indien hun relatie goed was geweest zou ze natuurlijk en zonder nadenken naar hem
toe gekomen zijn.
‘Ik zal eerst een weekje bij mijn moeder gaan logeren’, hernam Karin. ‘En
daarna kom ik horen hoeveel schuld ik bij jou heb zodat ik mijn vader om een
overschrijving kan vragen. Die avond kunnen we misschien een feestje bouwen om
onze behouden terugkeer te vieren?’
Na een korte aarzeling antwoordde Dirk: ‘Je hebt mijn nummer, je kan me
altijd bellen.’
‘Jij ook. En je weet waar ik woon.’
Nadat ze zich voor deze laatste maal nog eens te goed gedaan hadden
aan het buffet van de overzetboot, gingen ze in een van de salons een plaatsje
zoeken om er tussen de vele andere passagiers nog een uurtje op de grond te gaan
liggen. Dirk had natuurlijk geen cabine meer besteld. Ondanks de weinig
comfortabele slaapplaats, sliepen ze allebei vlug in.
52
Hij werd wakker met een schok ‘omdat de boot op een zandbank was
gelopen’. Maar dat bleek slechts een droom te zijn. Het was eerder het rumoer van
de medepassagiers die zich begonnen klaar te maken voor de ontscheping dat hem
gewekt had. Hij schudde Karin wakker en nadat ze zich geeuwend wat gerekt had
gingen ze naar het autodek, waar ze in de auto vlug wat toilet maakte en haar haren
kamde.
Het was pas middernacht en Dirk had de bedoeling zo vlug mogelijk door
Duitsland te trekken om niet in een Rasthaus te moeten overnachten met Karin. Hij
had nu helemaal geen zin om met haar te vrijen en wilde ook niet botweg weigeren
indien zij daar zelf zou op aansturen. Tijdens de dag zou hij een paar maal stoppen
voor een vlugge snack en een uurtje rust. Zonder tegenslag zouden ze zo tegen de
avond in België aankomen.
Eenmaal weg uit de helder verlichte haven en op de snelweg naar Lübeck
en Hamburg, bracht Karin de rugleuning van haar zetel naar beneden en viel ze vrij
vlug in slaap. Het begon wat te regenen en Dirk ergerde zich omdat dat nu toch geen
zin meer had. Waarom had het in Kopenhagen niet geregend? Dan was alles
helemaal anders verlopen.
Hij dacht terug aan zijn droom. Zijn boot was inderdaad vastgelopen, maar
wat eerst een zandbank was, veranderde in een zandduin. Er waren rare zigzaglijnen
in het zand. Hij zat midden in een woestijn. Welk dier had die sporen achtergelaten?
Langs die woestijn kwam hij via associaties met Oran en Camus eerst bij
Meursault terecht en dan bij Rieux en Clamence. Zoals Meursault zich in ‘L’étranger’
gedraagt tegenover Marie Cardona had hij zichzelf voor Ludwina in een voor haar
onuitstaanbare afstandelijkheid teruggetrokken.
Maar die vergelijking klopte niet. Hij was niet zo ‘van nature’. Het was
omdat de relatie levensbedreigend werd dat hij die muur opgetrokken had tussen
hem en haar. Terwijl Meursault en Clamence allebei in een soort geestelijk isolement
leefden waarin Camus hen a priori geconcipieerd had.
En wat met Rieux? Die wordt in ‘La Peste’ als de volmaaktheid zelf
voorgesteld en boven alle mogelijke verdenkingen verheven, terwijl hij in zijn
vrouwenloze wereld eerder een sjabloon is van goedkope volmaaktheid en
paternalistisch altruïsme. Camus zelf was doodsbang om veroordeeld of zelfs maar
beoordeeld te worden voor de inconsequenties, de contradicties en de paradoxen
van zijn persoonlijk leven.
Wilde hij zich helemaal niet meer identificeren met hem? Maar wat had
dat allemaal met zijn droom te maken? En met Karin? Zou hij in een woestijn terecht
komen indien ze gebruik maakte van haar ‘emancipatie’ om er op los te gaan leven?
Hoe zou hij dat kunnen verwerken? Zou hij de kans verkijken om meer mens te
worden dan Rieux en Camus indien zijn pogingen hier strandden?
En wat met die zigzaglijnen in het zand? Sporen van een dier … Van een
slang? Cobra? Die het gestrande schip verlaten had? Hem in de steek gelaten had?
De kunst of de discussie over kunst had hem in steek gelaten.
Hij was beter teruggekeerd naar Kopenhagen nadat Karin haar uitleg
gegeven had over haar onwaarschijnlijk gedrag. Maar hij was hardnekkig
doorgereden. En nu was het te laat. Zijn eigen schuld. Hij kon alleen nog proberen te
redden wat gered kon worden.
Zaten de problemen eerder bij hem zelf dan bij Karin?
Ze waren al in de buurt van Bremen toen het ophield met regenen en de
hemel in het oosten begon op te lichten. Karin werd wakker. Ze had honger en Dirk
had zelf ook al trek in een stevig ontbijt. Ze stopten aan de eerstvolgende rustplaats
en aten er spek met eieren en zwart brood. Dirk ging nog eens terug aanschuiven om
voor hem een braadworst met appelmoes te halen en voor Karin een rijsttaartje.
Daarmee zouden ze het een hele tijd kunnen stellen.
Het was Karin die opnieuw het gesprek begon toen ze goed en wel terug
op de autosnelweg zaten. ‘Welk van de vier landen is jou het best bevallen?’ vroeg
ze.
Dirk dacht onmiddellijk aan Noorwegen en de avonden in de tent, maar
dat laatste slikte hij in. ‘Noorwegen is ongetwijfeld het meest spectaculair qua natuur.
Maar door die overrompeling van toeristen verliest het op sommige plaatsen van zijn
charme, zeker aan de Noordkaap.’ Tot aan de Noordkaap waren ze eigenlijk
grotendeels ontsnapt aan die consumptiesfeer van het toerisme omdat ze zozeer op
hun relatie gefocust waren. Maar ook dat hield hij voor zich.
‘Achteraf bekeken is voor mij Finland het sympathiekst. We hadden er
langer moeten blijven en langs de kust afzakken naar het zuiden.’
Dirk ontweek haar opmerking: ‘Zweden lijkt me meer in een hier-en-nu
cultuur te leven, om het allemaal zo aangenaam mogelijk te maken.’ Hij betrok ook
Kopenhagen en Denemarken liever niet in de beoordeling. Hij hoopte het onderwerp
af te sluiten met: ‘We worden natuurlijk beïnvloed door onze beperkte en toevallige
ervaringen. Hoe beter je een land leert kennen, hoe moeilijker het wordt om er
veralgemenende uitspraken over te doen.’
Maar Karin hernam: ‘Het spijt me dat ik de reisdocumentatie over Finland
niet op voorhand wat grondiger heb doorgenomen. Het lijkt me de moeite te lonen om
dat land beter te leren kennen. Met het weinige dat ik er nu over weet heb ik veel
sympathie voor de dapperheid waarmee ze zich hebben weten te handhaven tussen
hun machtige buren, ook voor hun zorg om het verleden en hun eigen leefwereld zo
goed mogelijk te bewaren.’
‘Ze doen blijkbaar hun best om een eerlijke en leefbare maatschappij uit te
bouwen. In vergelijking met de olie-en-gasrijkdom van de Noren, moeten ze het met
veel minder doen.’
‘We waren beter rechtstreeks vanuit Narvik over Kiruna naar het noorden
van Finland gereisd om daar van de midzomernachtzon te genieten en er enkele
dagen langer rond te trekken.’
Dirk besefte dat ze gelijk had, maar hij wist niet goed wat te antwoorden.
Het was inderdaad maar een lullig voorwendsel geweest waarmee hij haar onnodig
tot helemaal in dat hoge noorden meegetroond had. Ze had ook nog kunnen
opmerken dat ze nu een paar dagen te vroeg thuis zouden komen. Maar daar had ze
waarschijnlijk niets op tegen.
Naarmate ze het Roergebied naderden werd het verkeer drukker. Voor
Dirk was dat een goed excuus om alleen nog maar het hoogstnodige te zeggen en te
doen alsof hij al zijn aandacht aan de weg en het rijden besteedde. Hij had wel graag
geweten wat Karin nu allemaal dacht terwijl ze op de radio af en toe zocht naar een
Nederlandse zender en tussendoor met gesloten ogen zwijgend achterover leunde.
Maar hij vreesde een doos van Pandora te openen indien hij ernaar vroeg.
Rond Duisburg geraakten ze in de drukte van de middagspits en Dirk
stopte om bij te tanken, een snack te eten en een uurtje te rusten. Hij sliep in en werd
wakker toen Karin de deur van de auto opende. Ze had wat rond geneusd in de
winkelafdeling en getelefoneerd naar haar moeder.
‘Fit genoeg om door te rijden, Dirk? vroeg ze op haar uurwerk kijkend: ‘Ik
zou vanavond toch niet al te laat willen thuis komen. Morgenochtend staat ze aan
mijn deur.’
‘En voel je je nu sterk genoeg voor de confrontatie?’ antwoordde hij terwijl
hij de wagen startte.
‘Ik heb haar in elk geval gezegd dat ik heel tevreden ben over de reis en
dat ik me kiplekker voel. Zo moet ik morgen dus kunnen overkomen en daarvoor heb
ik vannacht voldoende slaap nodig. Anders bekijkt ze me wantrouwig en probeert ze
de wormen uit mijn neus te halen.’
Dirk bromde instemmend. Hij begreep dat ze haar moeder een
gecensureerde versie van hun reis zou opdissen en dat vond hij ook het beste. Hij
had zeker geen behoefte om erbij betrokken te geraken.
‘Ik zal haar nu ook duidelijk maken dat ze moet ophouden met zagen over
mijn vader. Ik heb met hun relatie of ex-relatie niks meer te maken en zijn versie klinkt
altijd helemaal anders dan die van haar, als hij er al eens iets over zegt. Ik wil niet
meer het pingpongballetje zijn tussen hen twee.’
‘Je denkt het dus een week uit te houden bij haar?’
‘O ja. Ik bel je in elk geval wanneer ik terug ben op mijn eigen kot. En dan
bouwen we zéker een feestje.’ Nu was zij het die een hand op zijn knie legde. Het
was al een tijdje geleden dat hij dat nog gedaan had bij haar.
Ze staken bij Venlo de Nederlandse grens over. Voor het ongeduld van
Karin verminderden de kilometers nu veel te traag. Toen ze eindelijk tegen de avond
stopten voor haar studio, stapte ze niet onmiddellijk uit. Het leek haar alsof alles
helemaal veranderd was, zei ze. Dirk hielp om haar bagage naar boven te dragen en
alles te deponeren midden haar studio. Hij stelde nog voor samen ergens te gaan
souperen om de reis af te sluiten, maar ze schudde ‘nee’. Ze bood Dirk ook niet aan
nog iets te drinken. Ze vroeg hem alleen het nummer van zijn bankrekening. Dirk
noteerde het voor haar en zei dat hij zou bellen om het bedrag van haar kosten mee
te delen. Maar ze wist niet hoelang ze bij haar moeder zou blijven. Ze zou hem zelf
opbellen. Dirk bleef nog wat dralen tot Karin hem duidelijk liet merken dat hij beter
kon vertrekken. Een beetje verrast kreeg hij toch een tongzoen als afscheid.
Terwijl hij naar zijn eigen appartement reed bedacht hij hoeveel verschil er
was tussen de eerste maal dat hij in haar studio geweest was en nu. Hij voelde zich
als een verslagen leger. Wat zou hij doen tijdens de twee vakantiedagen die hem
overbleven? En tijdens de dagen dat ze bij haar moeder was?
Hij haalde een portie nasi goreng met runderlapjes in het Chinese
restaurant en liet de auto in de garage zonder de bagage uit te laden. Zijn
appartement leek hem leeg en veel te ruim. De nasi smaakte hem niet en hij dronk
een halve fles van zijn beste rode wijn om er toch wat van naar binnen te werken. Hij
zette daarna de tv aan om weer aan te knopen met het nieuws en met de rest van de
wereld, maar het duurde niet lang vooraleer hij begon te knikkebollen en in slaap viel.
Rond middernacht werd hij wakker. Hij deed de tv uit, kleedde zich uit en
kroop zonder een pyjama aan te trekken onder de lichte zomerdeken. ‘Zomer’, dacht
hij met wat bitterheid. Het leek hem alsof de herfst al voor de deur stond.
53
Toen hij wakker werd halfweg de voormiddag speelde er een deuntje door
zijn hoofd. Na het een paar maal geneuried te hebben, kwam ook de tekst naar
boven: ‘Deine Laune die hab’ ich vergessen, deine Küsse vergesse ich nie’. Dat was
een door hem ietwat aangepaste schlager die hij indertijd soms zong nadat er
discussie en twist was geweest met Ludwina. Was dat nu een suggestie die ook
Karin betrof?
Hij nam een koude douche, at wat muesli en ging zijn bagage uit de
wagen halen. Hij pakte uit en plaatste de boeken die ongebruikt in de wagen waren
blijven liggen terug in de boekenkast. Daarna liep hij wat verloren rond. Het zou heel
wat moeite kosten om het dagelijkse leven weer op te nemen. Karin had hem
losgewrikt uit zijn gewone doen. Hij was zijn gewoontes en routine kwijt. Hij had zo
naar haar toe geleefd en zoveel verwacht van die reis, waarna alles helemaal anders
zou zijn, dat hij zich nu als in het luchtledige voelde bewegen. Hij verlangde ernaar
haar weer te zien, maar was er ook een beetje bang voor. Hij wilde niet in de rol van
bedelaar terechtkomen, maar wilde ook niet met haar breken.
Hij kon zich misschien wat grondiger documenteren in de bibliotheek van
het museum voor Hedendaagse Kunst om toch de discussie met haar verder aan te
houden. Dat was een dunne draad waarmee hij het contact nog kon bewaren. Hij
besloot daar de volgende morgen mee te beginnen. Hij ging nog vlug wat
boodschappen doen en maakte een ommetje langs het bioscoopcomplex om te zien
of er geen goede film zat in het aanbod van de week, maar er was niks dat hem
beviel.
Terug op zijn appartement at hij de rest van de nasi goreng en bracht de
avond door bij de tv, zappend van het ene programma naar het andere. Even voor
middernacht had hij er genoeg van. Zich uitkledend trok hij naar de slaapkamer.
De volgende dag reed hij na een vlug ontbijt naar de bibliotheek van het
museum. Hij begon met Magritte om na te gaan welke aantoonbaar verdrongen
inhouden uit zijn jeugd schuil gingen achter sommige symbolen. Hij zocht daarbij
eerst ‘De medeplichtigen van de Magiër’ op, om daarna ook te zien of hij in andere
schilderijen diezelfde dualiteit terug vond.
Hij merkte nu dat de titel eigenlijk uit twee delen bestond. De volledige
benaming van het werk was: ‘Les complices du Mage ou l’âge des merveilles.’
Maakte dat de dualiteit niet eerder tot een spanningsveld, een wonderlijke bundeling
van tegengestelde gevoelens? ‘Complices’ leek hem meer een positieve bereidheid
uit te drukken om mee te helpen dan het Nederlandstalige ‘medeplichtigen’, dat
eerder op een gezamelijke schuld wijst. De maagdelijke terughoudendheid en de
erotische overgave worden in dat werk misschien gezien als twee aspecten van de
magische aantrekkingskracht van de vrouw, veilig verenigd en beschut in de
binnenskamerse intimiteit en tegengesteld aan de dorre bergen van het decor, de
buitenwereld? Maar was het wel Georgette die hiervoor geposeerd had, of die
afgebeeld werd? Er leek wat verschil tussen dit model en de Georgette van zijn
overige doeken. Had zij een tijdperk van gelukzalige verzoening van tegenstellingen
ingeluid, of verwees het doek naar iets anders? Magritte schilderde 'Les complices du
Mage' in 1927, vijf jaar na zijn huwelijk. Die dorre bergen zaten wel onheilspellend
dichtbij en de scène op de voorgrond had eigenlijk weinig van een kamer, ondanks
de gordijnen. Het leek eerder een los platform midden een berglandschap. Lossen de
tegenstellingen zich in zijn verder werk wel op? Is er binnenskamerse intimiteit? In
1928 maakt hij minstens twee versies van ‘Les amants’ die hij telkens een sluier over
het hoofd geeft. Moet dat niet negatief geïnterpreteerd worden? Zelfs in de versie
waar de ‘minnaars’ elkaar kussen, verhinderen hun beide sluiers echt intiem contact.
Zijn ze ‘blindelings’ bezig? Op het schilderij waar hun hoofden in dezelfde richting
‘kijken’, zien ze door die sluier ook eigenlijk niets.
Georgette gaat in verschillende werken meer en meer op een sjabloon
lijken. Waarom heet het doek waarop ze wordt afgebeeld met hoofd en bovenlijf in
het blauw van de daarachter afgebeelde zee en hemel, terwijl haar onderlijf dezelfde
roze vleeskleur heeft als de met brede stenen afgebakende muuropening 'La magie
noire' en niet eerder ‘La magie blanche’, gunstige toverkunst in plaats van
kwaadaardige? Vormt de dualiteit in dit doek een harmonische eenheid? Waarom
heeft ze het hoofd lichtjes afgewend en zijn de ogen gesloten? Betekent dat een
zekere terughoudendheid? Of heeft ze ‘la tête ailleurs’? Waarom noemt Magritte een
latere afbeelding van een vrouw, helemaal in roze vleeskleur in ongeveer dezelfde
pose, maar met blinde ogen en met een roos in de hand: ‘De bloemen van het
kwaad’? ‘Les fleurs du mal’ van Beaudelaire verwijzen enerzijds wel naar poëzie,
maar toch ook naar iets kwaadaardigs en verderfelijks.
Is het Georgette die later, in 1948, in 'La liberté de l'esprit', als halfnaakte
vrouw in roze tinten en met een pijp in de palm van haar hand afgebeeld wordt? Zegt
die pijp daar ook ‘Ceci n’est pas une pipe’, zoals in een van zijn meest bekende
doeken? Of moeten we daarbij denken: ‘ceci n’est pas une femme’? Of is de
geschilderde redenering veel complexer? ‘Cette femme pipe’ of ‘cette femme ne pipe
pas’?
De ‘bilboquets’, de balusters en de ronde paardenbellen die herhaaldelijk
terugkomen in de schilderijen waren duidelijk seksuele symbolen, maar in welk
verband staan ze tot elkaar? De meeste elementen uit Magrittes ‘vocabulaire’ zouden
een meer uitgebreide psychologische en sociologische analyse vereisen om een
eventueel erotische connotatie te verklaren. Hij bekende wel zelf: ‘Het lijdt geen twijfel
dat een zuiver en sterk gevoel, erotisme genaamd, me gered heeft van het
traditionele zoeken naar formele perfectie. Wat mij in het bijzonder interesseert, is het
veroorzaken van een emotionele schok’.
Blijkbaar had de erotiek al van jongsaf een belangrijke rol gespeeld. Hij
vermeldt dat hij als achtjarig kind met een eveneens klein meisje op een kerkhof
speelde waar ze binnen geraakten in de bovenbouw van graven, er soms in slaagden
zware ijzeren deuren van grafkelders te openen en af te dalen in donkere ruimten,
wat blijkbaar een mysterieus beangstigend erotisch gevoel veroorzaakte. Hij vertelt
niet hoe de erotiek van die gewild-beangstigende situaties invloed had op hemzelf of
merkbaar was in het gedrag van het meisje. Maar hij zegt wel dat het kind voorwerp
werd van zijn dromen en hij associeert die herinneringen met de schilderkunst ‘omdat
een schilder toevallig op dat kerkhof bezig was’. Associeert hij schilderen met
erotiek? Als een middel om die sfeer op te roepen of vast te leggen?
Als veertienjarige was hij, na de zelfmoord van zijn moeder, samen met
zijn jonger broertje Paul zeer geïnteresseerd in de manier waarop hun vader
profiteerde van zijn herwonnen vrijheid. Een grootmoeder en kindermeisjes werden
ingeschakeld om voor de drie kinderen te zorgen. Welke rol hebben die
kindermeisjes gespeeld? Een van die ‘gouvernantes’ werd blijkbaar de maîtresse van
zijn vader. Hoe zag die jonge vrouw eruit?
Op zijn vijftiende ontmoette hij de twaalfjarige Georgette op de kermis in
Charleroi. De ‘carroussel’ was er blijkbaar dé ontmoetingsplaats voor jonge tieners.
Door de oorlog misschien en door het verhuizen van de Magrittes verloor hij haar uit
het oog, maar in 1920 ontmoet hij haar toevallig terug in Brussel. Ze trouwden in
1922 en bleven na een miskraam kinderloos.
De afbeeldingenen met surrealistische vormexperimenten die Magritte
vooral in Parijs maakte en zijn geschilderde reflexies over taal en beeld bekeek Dirk
maar heel vluchtig. Hij zocht vooral naar de beelden waaruit persoonlijke verdrongen
inhouden konden blijken en teksten over de herinneringen waarover hij zelfs met
Georgette nooit praatte. Dirk herinnerde zich hierbij het doek met het
vrouwenonderlijf en de vissenkop. Wie was er stom? Hij of de vrouw?
In de reproducties van de vroegste en van de latere surrealistische
periode vond Dirk duidelijk elementen terug die verwezen naar dat verleden. In
‘L’assassin menacé’, ‘De bedreigde moordenaar’, geschilderd in 1927, beeldt hij een
scène uit die misschien wel naar zijn voorliefde voor Fantomasfilms verwijst, maar de
‘moordenaar’ lijkt sterk op een handelsreiziger zoals zijn vader, die met valiesje, hoed
en mantel klaar staat om weg te gaan en – zijn vader was ook muziekliefhebber - nog
even nonchalant naar muziek luistert terwijl er achter hem een dode vrouw ligt. De
drie jongenskoppen die door het raam achteraan getuige zijn van het tafereel kunnen
best de drie zoontjes zijn.
'Les rêveries du promeneur solitaire', ‘De dagdromen van de eenzame
wandelaar’ refereert ongetwijfeld aan het nachtelijke drama van zijn moeders
zelfmoord: een rivier met een brug in een nachtelijk landschap, een naakt en kaal lijk
en een mannenfiguur met bolhoed en overjas, die het schrale lijk ook hier letterlijk de
rug toekeert. Is dat René Magritte zelf of is het zijn vader? Of beide?
Zijn die schilderijen geen verwijt om de luchtige manier waarop ze allen
met die dood omgegaan zijn? René zegt dat hij als kind eerder een zekere trots
gevoeld had wanneer hij door dit drama in de belangstelling kwam. En voor de
oorzaak van de zelfmoord werd waarschijnlijk de versie van de vader kritiekloos
overgenomen, als zou zijn vrouw zenuwziek geweest zijn. Maar zijn vrijages na haar
dood laten vermoeden dat hij daarvoor niet alleen voor zakenreizen vaak afwezig
was.
Is ‘La réponse imprévue’, ‘Het onvoorziene antwoord’, van 1933, niet het
antwoord van zijn moeder op het gedrag en de nachtelijke afwezigheden van haar
man? De deur van de kamer waarlangs ze 's nachts heimelijk weggegaan is, kan
nooit meer haar banale betekenis terugkrijgen, hoezeer Magritte ook probeert het
trauma weg te schilderen. In de deur waarin het silhouet van een persoon
'uitgezaagd' is, is de gedaante van de verdwenen persoon blijvend gefixeerd.
En dan was er de grote versteende vogel die vanaf 1936 in enkele
berglandschappen voorkomt en in 1962 in ‘Le domaine d’Arnheim’ de achtergrond
vormt voor een nest met drie eieren op een laag muurtje. Is dat de moeder niet die
letterlijk in het decor opgenomen is en als dusdanig aanwezig blijft zonder dat er nog
dialoog mogelijk is? Zijn de drie eieren niet de drie achtergebleven kinderen? Wie
zelfmoord pleegt, laat de problemen achter voor de anderen. Zou Magritte geweten
hebben dat Arnheim etymologisch kan verklaard worden als ‘arren heem’, ‘arm,
ellendig huis’, zoals het woord armoede voortkomt uit arren moede, een ellendige
toestand? Heeft de versteende vogel de drie eieren niet in arren moede en in een
armzalig huis achtergelaten? Die titel van sommige versies van dat berglandschap
zou geïnspireerd zijn door een verhaal van Edgar Allan Poe: ‘Het domein van
Arnheim’. Het zou de moeite lonen dat verhaal eens te lezen: die berglandschappen
konden wel eens een verdere evolutie zijn van de dorre bergen die reeds voorkomen
in ‘Les complices’.
Is het verdringen van het trauma van zijn moeders dood René Magritte
niet zijn hele leven bijgebleven? Wil hij zichzelf en de toeschouwer daarom een
blinddoek omdoen? Schept hij een raadselachtige sfeer in zijn werk mèt en rond
alledaagse dingen, waardoor alles even mysterieus wordt, om hèt trauma van zijn
leven daarin te laten verdwijnen als een alledaags feit, 'un fait divers'? 'Ne veut-il pas
noyer le poisson?’
En hoe werkte dat trauma door in de relatie met zijn eigen vrouw? Was
Georgette werkelijk de oplossing, ‘L’âge des merveilles’ geworden? Waarom begon
ze dan in 1936 een relatie met een goede vriend van hen? Hij schijnt daar nogal
zwaar aan getild te hebben, hoewel zijn eigen gedrag niet onberispelijk was. Hij had
toen zelf een ‘affaire’ met een jonge ‘English belle’. En zou misschien zelfs bordelen
bezocht hebben. Om daar iets te beleven dat niet kon bij Georgette? De vrouwen
‘zonder ogen’? ‘La magie noire’? ‘La pipe’? Wat heeft zij daarvan geweten en zo ja,
hoe heeft zij het verwerkt? Heeft de erotiek als een gezonde, sterke kracht werkelijk
zijn hele leven kunnen doordringen, of alleen maar zijn kunst? Waarom kon hij niet
met Georgette dialogeren over zijn werk en over zijn verleden? Was niet Georgette
maar hijzelf zo stom als een vis? Waarom schilderde hij in 1936 ‘L’esprit de
géométrie’: een man met een kinderhoofd, die een baby met het hoofd van een
volwassen vrouw op de arm heeft. De vader van Magritte liet zich wel eens uit over
René alsof hij niet helemaal volwassen was en René wilde Georgette het leven van
een burgervrouwtje geven. Slaagde hij er wel in haar gelukkig te maken na de
verlieftheid van de eerste huwelijksjaren? Had hij niet van een onstuimig jong grietje
– wat ze op een jeugdfoto lijkt te zijn – ‘une petite bourgeoise’ gemaakt?
Biografen proberen dikwijls domweg 'hun' kunstenaar als een volmaakt en
voorbeeldig wezen voor te stellen en moffelen feiten weg die een veel juistere kijk
kunnen geven op zijn creaties. Allicht voelen ze zich om een of andere reden daartoe
verplicht, zeker wanneer ze tot de intiemen behoren.
Tijdens een van zijn lezingen erkende Magritte dat hij de kijkers soms had
proberen te schokken, te confronteren met 'het mysterie' door objecten zonder enige
verwantschap te combineren. Maar dat hij zelf ervaren had dat voor hem het resultaat
veel intenser was wanneer die objecten 'op een of andere duistere wijze', 'diep
verloren in zijn gedachten', 'in de schaduw van zijn bewustzijn' verbonden waren.
Soms ‘sloeg een vonk over bij sommige ideeën en bij andere niet’. En ‘sommige
beeldassociaties hadden een veel poëtischer effect dan wanneer hij voorwerpen
samenbracht die geen verband hielden met elkaar’.
Sommige objecten, symbolen en situaties die hij herhaaldelijk opnieuw
uitbeeldt, wezen er op dat hij met specifieke inhouden bezig was. Aan het einde van
een lezing zegde hij ooit ‘dat de onbekende dingen die aan het licht komen, hem
laten geloven dat ons geluk afhangt van een aan de mens verbonden raadsel en dat
het onze enige plicht is te proberen het te ontraadselen’. Maar of zijn werk ertoe
bijdraagt om dat te ontraadselen, valt eerder te betwijfelen. Wat het wel kon, was
hemzelf inzicht geven in de persoonlijke mysteries van zijn eigen leven. En dat is
voor Magritte misschien wel het meest bevorderlijk geweest voor zijn geestelijk
evenwicht en zijn persoonlijk geluk.
Dat alles bewees voor Dirk overduidelijk dat er uit de kelderverdieping van
dat onderbewustzijn zeer goed verborgen en beschermde geheimen naar boven
kwamen die in de beeldtaal van gecodeerde zeer gecompliceerde boodschappen
omgezet werden. Magritte zou een interessant geval zijn voor een psychoanalyse en
zijn werk voor een uitgebreide socioanalyse, wat hij zelf ook heeft mogen beweren.
Maar het was Dirk niet te doen om al Magrittes symbolen te decoderen. Hij had
genoeg stof gevonden om ook met dat werk zijn theorie van de vier niveaus te
verdedigen bij Karin.
Tegen de middag ging hij in de cafetaria vlug een uitsmijter eten met een
paar tassen koffie en daarna haastte hij zich terug naar de documentatieafdeling. Hij
wilde Marcel Duchamp beter leren kennen om te zien of er ook bij hem een
‘kelderverdieping’ te vinden was. Zou er achter die pisbak met zijn zo specifieke
functie en ook achter het flessenrek niet een verborgen betekenis schuilgaan?
Hij bladerde eerst wat in het boekje van Pierre Cabanne: 'Gesprekken met
Marcel Duchamp'. Hij kreeg de indruk dat Duchamp daarin alleen zei wat hij zelf kwijt
wilde en dat dat misschien niet altijd even betrouwbaar was. Hij kon wel appreciëren
dat Duchamp niet gelukkig bleek met de benaming 'artiest' en eerder de voorkeur gaf
aan de vroegere notie van 'ambachtslieden', die een en ander verwezenlijken. Maar
hij leek niet iemand om al zijn uitspraken klakkeloos te geloven. Zo ‘geloofde hij niet
erg in de scheppende rol van de kunstenaar', maar het creatieve was voor Dirk toch
een essentieel aspect van de artistieke communicatie, zelfs bij diegene die alleen met
uiterlijke vormgeving bezig zijn. Wat bedoelde hij daar dan mee?
Gelukkig waren er ook nog andere publicaties, met afbeeldingen en wat
meer 'objectieve' commentaar. Het zag ernaaruit dat de jonge Marcel 'artiest'
geworden was omdat zijn twee oudere broers dat waren en hij naar hen opkeek.
Maar in zeer korte tijd werkte hij zich op een vrij persoonlijke en eigenzinnige manier
doorheen verschillende stijlen en 'ismen', tot hij met een kubistisch-futuristisch doek
in botsing kwam met de groep waartoe die broers behoorden. Zijn 'Nu descendant un
escalier' werd geweigerd voor het 'Salon des Indépendants' in 1912, omdat men het
als een flauwe grap, een aanfluiting van het meer statische werk der 'echte' kubisten
beschouwde. Kort daarna echter maakte datzelfde werk met nog een drietal andere
doeken van hem furore in New York. Het decomposeren van de bewegingen van een
‘kubistische’ gedaante die een trap afdaalt werd daar erg geapprecieerd. Hij is zijn
schilderijen achterna gereisd in 1914 en later is hij na een paar kortere bezoeken in
Amerika gebleven.
Als mens leek Duchamp niet zo bijzonder. Heel intelligent, maar koel en
egocentrisch, ‘fils à papa’, parasiterend gedurende grote delen van zijn leven. Een
eerste huwelijk duurt amper enkele maanden en de vrouw 'is zo vriendelijk om terug
te willen scheiden', zegt hij zelf. Op latere leeftijd trouwt hij opnieuw met de weduwe
van een overleden vriend. En dan kan hij het huwelijk aan iedereen aanbevelen.
Maar het grootste deel van zijn leven is hij vrijgezel, met tussendoor wellicht relaties
met welstellende Amerikaanse dames die een tijdlang in Parijs verblijven en er zelf
een zeer vrije levenswandel op na houden. Nymfomane mannenverslindsters? Een
zeer belangrijk werk, 'La mariée mise à nu par ses célibataires, même' wees blijkbaar
in die richting. Duchamp zei dat het opgedragen was aan de menselijke seksuele
relaties. Het werd ook 'Le grand verre' genoemd en bestond uit twee grote glazen
panelen beschilderd met eigenaardige figuren: een grote vrouwenfiguur als een soort
bidsprinkhaan die zich blijkbaar van haar pantser laat ontdoen, zich laat uitkleden. En
rond die zelfstandige vrouwenfiguur wat kleinere figuurtjes, mogelijks de partnersvrijgezellen binnen handbereik maar toch op een zekere afstand, als een soort
mannelijke harem, wat die vrijgezellen misschien zelf ook wensen. Duchamp zei: ‘La
mariée ne refuse pas cette mise à nu par les célibataires, l'accepter même,
puisqu'elle fournit l'essence d'amour, et va jusqu'à aider à une complète nudité en
développant d'une façon étincelante son désir aigu de jouissance' 16. Was dat een
soort 'Joconde à la Duchamp’, zoals hij ook een reproductie van de 'Mona Lisa' van
een snor en een sikje voorzag en er een letterwoord bijvoegde dat beduidde: 'elle a
chaud au cul': 'ze heeft het warm aan haar kont'. De erotiek was het motief, de stijl,
de basis van zijn werk in die tijd, bekende hij zelf.
16
De bruid weigert niet ontkleed te worden, aanvaardt dit zelfs, vermits dit
(of zij) de liefdesdrank verschaft en zover gaat dat ze meehelpt aan een
volledige ontbloting door op een schitterende wijze haar intense begeerte naar
genot uit te stallen.
In een ander boek vond Dirk een afbeelding van een laatste eigenaardige
installatie die pas na de dood van Duchamp bekend geworden was en waarin hij
blijkbaar nog eens zijn relatie tot de vrouw uitgebeeld heeft. Met de al even
onthutsende titel: 'Etant donnés: 1° la chute d'eau; 2° le gaz d' eclairage.' Duchamp
was er aan begonnen in 1946 en had er met tussenpozen aan gewerkt tot aan zijn
dood in 1968. Het leek erop dat de toeschouwer door een paar gaatjes in een oude
schuurpoort moest gluren om doorheen een opening in een bakstenen muur een
naakte vrouw te zien liggen op een bed van takken en blaren. De vrouw lag met
gespreide benen naar de toeschouwer toe en het hoofd helemaal afgewend.
Ongeveer dezelfde houding als de figuur in het zeer bekende doek van Gustave
Courbet, ‘L’origine du monde’. Maar bij de pop van Duchamp was het schaamhaar
weggeschoren. Ze hield een gaslantaarn in de hand en achter haar was er een stukje
landschap met in de verte een waterval.
Was de vrouw bij klaarlichte dag uit het landschap naar voren gekomen
met een lamp, alsof ze mensen zocht, net als Diogenes? Of had dat lampje en ook
de waterval, een andere connotatie? Zocht of vond ze alleen maar de voyeuristische
toeschouwer aan wie ze zich overgeeft als een gewillig en passief lustobject?
Er was wel een zeer groot verschil tussen de harde dominante figuur van
'La mariée' en de overgave van het wellustige, zachte lichaam van 'Etant donnés'.
Duchamp had in de tijdspanne tussen die twee werken blijkbaar een zekere evolutie
doorgemaakt. Of droomde hij altijd al van 'femmes faciles', ook wanneer hij in zijn
viriele jaren als vrijgezel dominante vrouwen opzocht? Of diende de ‘manifeste lust’
van die vrouwen alleen maar om fantasmen op te wekken voor zijn heimelijke
erotiek? Het leek erop dat Duchamp seksuele relaties zag als exciterende en
ambivalente kicks waarop hij met gemengde gevoelens en soms zelfs met misprijzen
neerkeek.
Misschien was hij een ietwat schizoïde persoonlijkheid. Voor de
buitenwereld hield hij zich vooral bezig met schaken en technische experimenten
zoals het bestuderen van beweging en visuele effecten met zelfgemaakte machines,
terwijl hij af en toe een schijnbaar neutrale readymade uit zijn mouw schudde. Maar
tussendoor werkte hij gedurende acht jaar aan het erotische 'Grand verre' en daarna
in het grootste geheim aan die laatste voyeuristische installatie, 'Etant donnés'. Hij liet
zich in 1921 ook fotograferen vermomd als vrouw, als Rrose Sélavy, (c’est la vie?) en
veel later, in 1950 als Cleopatra.
Wat afbeeldingen van readymades en andere prullerig aandoende
creaties bekijkend, ergerde Dirk zich meer en meer. Kon hij die readymades of 'objets
trouvés' binnen zijn model nog als kunst beschouwen? Als er geen latente inhoud
schuilging achter het banale voorwerp, zoals Duchamp bij hoog en bij laag beweerde
en de toeschouwer er geen boodschap kon aan vastknopen of inhoud in projecteren,
wat schoot er dan nog over? Alleen het symptoomhandelen en de paradoxale
communicatie van de kunstenaar die beweert dat het voorwerp in kwestie kunst is.
Want zelfs het niveau van de manifeste inhoud is leeg: die voorwerpen mogen
volgens Duchamp geen esthetische ontroering opwekken, moeten onverschillig laten
en zo alledaags mogelijk overkomen. Dus zelfs geen design of pure vormschoonheid
van het tweede niveau. Na de eerste readymade was het eigenlijk niet meer nodig er
nog meer te 'maken'. Een tweede was onmiddellijk al 'déja vu', en elk object was
potentiële kunst. Het moest alleen maar ‘geadopteerd’ worden door een ‘erkend’
kunstenaar of in een museum geplaatst worden om tot de status van kunst verheven
te worden. Het hangt dus alleen maar af van externe omstandigheden of het ooit echt
kunst wordt. Maar readymades ‘maken’ was natuurlijk een gemakkelijke manier om
geld te verdienen en in de actualiteit te blijven.
De keuze van die voorwerpen leek Dirk ook niet altijd gebaseerd op een
neutrale, onverschillige ‘look’ en op een totale afwezigheid van goede of slechte
smaak, zoals Duchamp beweerde. Zeker niet bij de pisbak die als 'Fontaine',
neerliggend op de normaal rechtopstaande kant naar voor gekeerd, aangeboden
werd17 voor een tentoonstelling. Die leek eerder symbool te staan voor het
respectloos afbeelden van een geëxciteerd vrouwelijke geslachtsorgaan. Wie er
sublieme extases mee bereikt heeft, zal er nooit aan denken het te vergelijken met
zo’n ordinair gebruiksvoorwerp waar velerlei mannen hun lid 'inbrengen' en erin
plassen. Typeert dat de toenmalige Duchamp niet eveneens als een klant van
nymfomanes die meerdere mannen om zich heen parkeren in een soort status van
vrijgezel en hen alleen maar voor hun 'désir aigu de jouissance' gebruiken? En als
iemand met een zeer dubieuze kijk op sexualiteit?
Het was wel een meesterlijke zet geweest van de schaker Duchamp
waarmee hij zijn tegenspelers in een situatie plaatste waarin ze altijd de verliezers
waren. Indien ze het urinoir niet exposeerden, zouden ze bangeriken blijken die een
'gewoon neutraal betekenisloos readymade' niet durfden opnemen in hun
tentoonstelling. En indien ze de euvele moed opbrachten dit wel te doen, zouden ze
toch nooit durven erkennen wat ze er wél in zagen, zouden ze hem moeten napraten
'dat het een gewoon neutraal betekenisloos readymade was’.
Indien het vrouwelijke geslachtsorgaan een 'fontaine' was, kon de
mannelijke penis evengoed vergeleken worden met het afdruiprek waarop meerdere
flessen, vagina's kunnen gezet worden. Was deze ietwat gewaagde uitleg nu een
verantwoorde interpretatie, een consequente toepassing van zijn model met vier
verdiepingen, of was hij alleen maar erg vulgair? Zou hij hiermee bij Karin niet
overkomen als seksueel geobsedeerd?
Waren de andere meer of echt neutrale readymades dan misschien nodig
om te kunnen doen alsof het allemaal, ook zijn pisbak en afdruiprek, maar
onverschillige dagelijkse voorwerpen waren? Meer nog dan bij Magritte zou een
diepgaande analyse nodig zijn om de persoonlijkheid en het werk van Duchamp te
vatten, terwijl er nog minder werken en gegevens beschikbaar waren hiervoor. Het
zou een delicate kwestie worden om met Karin over hem te debatteren.
17
Als medeoprichter van de 'Society of Independent Artists' diende Duchamp
heimelijk een doodgewone pisbak in voor de eerste tentoonstelling die ze in 1916
hielden in New York. Hij schilderde op deze 'Fountain' de naam R Mutt, de naam
van de firma die die artikels produceerde of verkocht. Allicht kende Duchamp
genoeg Duits om te weten dat 'Mut' ook 'courage' of moed betekende. Het is een
wereldwijde 'practical joke' geworden dat het ding stilletjes (en weinig moedig)
achter de coulissen van de tentoonstelling gehouden werd en niemand er achteraf
durfde over praten met hem toen de zaak uitlekte. Hij trok zich terug uit de
vereniging. Het 'origineel' ging verloren, maar later werden er zes 'replica'
door Duchamp op dezelfde manier 'gesigneerd' en die zijn in respectabele
galeries en musea terechtgekomen. Blijkbaar doet iedereen alsof zijn neus bloedt
en vindt men de 'moed' niet om te wijzen op de mogelijks erotische en scabreuze
interpretatie van dit zogezegd neutrale 'objet trouvé'. Zoveel hypocrisie bij
kunstverzamelaars en kenners is nogal lachwekkend. Het lijkt erop dat Duchamp
hen in feite een lelijke poets gebakken heeft.
Moe maar tevreden en een beetje hongerig verliet Dirk op het sluitingsuur
het museum. Hij ging zich in een van de restaurants waar hij zich wat thuis voelde
tegoed doen aan een lekker maal. Door zijn opzoekingen en de idee dat hij de
dialoog met haar kon verder zetten had hij zich de hele dag een beetje dicht bij Karin
gevoeld.
Terug op zijn appartement belde hij zijn ouders op om hen te vertellen dat
hij terug was. Dat had hij niet vroeger durven doen omdat zijn moeder ongetwijfeld
nieuwsgierige vragen zou gesteld hebben over het waarom van zijn voortijdig
terugkomen. Hij beloofde bij hen langs te komen zodra hij wat ‘op zijn plooi’ was. Hij
overliep daarna zijn programma voor de eerste werkdagen. Vanaf morgen moest zijn
leven weer helemaal normaal worden, met of zonder Karin.
54
Dirk had het erg druk de volgende dagen om aan te sluiten bij het werk
dat door de reis onderbroken was. Dat hielp hem om de tijd op een zinvolle manier
door te krijgen. ‘De therapeutische waarde van het werk’, dacht hij daarbij ietwat
ironisch. Hoe dikwijls had hij dit niet bij patiënten aangepraat.
Maar hij vond toch de tijd om de verhalenbundel van Edgar Allan Poe te
halen in de bibliotheek. Tot zijn grote verwondering was het domein van Arnheim
daarin een groene, bloeiende droomwereld waarin de lezer per boot meegenomen
werd, eerst doorheen schemerduistere enge meanders van een rivier met steile
mosbegroeide oevers, daarna over een diepe wijde glasheldere plas met langs de
linkerzijde een groenbegroeide rotsmuur en langs de andere kant schuine hellingen
vol bloemen. Na een overstap in een mooi versierde kano, dreef die dan doorheen
een opening in de rotsmuur een feeëriek vergezicht tegemoet met in de verte een
soort sprookjeskasteel. Het leek bijna een literaire ver-beelding van een penetratie en
een orgasme, met daarachter een aards paradijs, terwijl het Arnheim van Magritte
met zijn kale rotsen en de versteende vogel duidelijk een heel ander domein
uitbeeldde.
In het verhaal van Poe wordt de schoonheid van het leven en de natuur
hoger geschat dan wat mensen kunnen creëren, behalve voor wat het bijwerken van
landschappen betreft. Een landschapsarchitect kan het natuurlijke landschap
verbeteren of geheel nieuwe landschappen ontwerpen zoals geometrisch geordende
tuinen en dies meer. De verteller zou schilder geworden zijn indien hij niet op de
natuur zelf had kunnen inwerken om de schoonheid ervan nog te verhogen. Magritte
daarentegen was schilder geworden en had de extravagante middelen niet om aan
landschapsarchitectuur te doen. Hem bleef wel de mogelijkheid om in zijn schilderijen
een culturele transformatie toe te voegen aan de natuur. Was het decor van zijn
droomwereld waarin hij veranderingen wenste aan te brengen dan een hard en dor
berglandschap, reeds aanwezig in ‘Les complices’ en verder evoluerend over
verschillende werken tot ‘Het domein van Arnheim’? Was dat de wereld waarin hij
met zijn verbeelding de natuur bewerkte met versteende vogels, mensen en
voorwerpen, met bomen in bladvorm en vogel-planten?
Het verhaal van Poe bracht Dirk op het thema van ‘de schoonheid’. Fabre
nam dat woord te pas en te onpas in de mond, maar voorzover Dirk wist had hij die
‘schoonheid’ nooit gedefinieerd. Ook dat kon een interessant onderwerp worden voor
een gesprek met Karin.
Er is schoonheid die onmiddellijk in het leven en de natuur gegeven is en
aanleiding geeft tot allerlei gevoelens, gedachten en projecties, en schoonheid in de
artistieke creaties die bij de toeschouwer projecties kunnen genereren. Als een soort
medium kan de kunstenaar weergeven wat hij ziet en daarbij condenseren en
intensifiëren. Hij kan de schoonheid van de werkelijkheid en het leven ook bijwerken,
verlevendigen en verfraaien. Hij kan wat hij ziet, herscheppen en er een eigen wereld
mee creëren. Dat was dat een goede aanzet voor een discussie met Karin. Hij moest
de gesprekken met haar zo boeiend mogelijk zien te houden.
Verder was hij ook nog bezig met de foto’s van de reis die hij allemaal in
tweevoud had laten afmaken. Hij klasseerde zijn exemplaren in een album waarbij hij
plaatsen en data noteerde. Het gaf een aangenaam beeld van de reis, want van de
minder aangename momenten had hij weinig foto’s gemaakt. Aan de hand van wat
hij opgetekend had, maakte hij ook de rekening van Karins bijdrage in de kosten.
Daarbij maakte hij hier en daar een raming in haar voordeel of liet hij zelfs wat
achterwege.
De foto’s waren een goed excuus om haar op te bellen en te zien of ze al
terug was in haar studio. Het duurde een hele lange week vooraleer ze de
vrijdagavond tenslotte opnam. Ze was juist die namiddag terug gekomen van bij haar
moeder en had het daar zeer goed gedaan, begon ze heel fier. Ze had haar moeder
duidelijk gemaakt dat ze haar leven nu helemaal in eigen handen had en dat ze door
niemand meer wilde betutteld worden. Haar moeder had dit nu eindelijk begrepen en
had zelfs niet meer aangedrongen om nog langer te blijven. Dirk voelde het aan als
een bedekte verwittiging ook naar hem toe. Maar het was positief dat hij de volgende
avond al mocht komen met de foto’s, ‘voor een koffietje, een stukje cake en met de
kostennota voor haar vader’.
55
Het was toch met een zekere onrust dat hij de volgende avond bij haar
aanbelde. Het duurde een poosje vooraleer ze de deur opende, maar toen stond ze
daar in haar lang mooi gebatikte kleed waaronder de vormen van haar lichaam zich
zo sexy aftekenden. Hij kreeg drie vlugge kussen waarbij de derde dicht bij zijn mond
terecht kwam. Het overrompelde hem een beetje. Ze nam hem bij de hand, trok hem
binnen en liep hem voor, de trap op naar haar studio.
Daar stond koffie en gebak, met een fles cognac en glazen op het tafeltje
bij de comfortabele zetels. Ze bekeken samen de foto’s en hij gaf haar de rekening.
Ze overliep die heel even en zei: ‘Dat komt dik in orde.’
Na wat heen en weer gepraat over de reis en de herinneringen die de
foto’s opriepen, schonk Karin de koffie en de cognac uit en gingen ze zitten in de
zetels. Dirk vertelde dat hij om zijn overblijvende vrije dagen nuttig te gebruiken naar
het museum was geweest en daar wat interessante gegevens gevonden had over
Magritte en Marcel Duchamp. Karin vroeg onmiddellijk of hij ook iets gevonden had
over Duchamps relatie met Maria Martins, de vrouw van de Braziliaanse
ambassadeur in New York. Hij moest bekennen dat hij helemaal niets afwist over die
vrouw. Triomfantelijk zei ze dat hij iets zeer belangrijks niet aan de weet gekomen
was. Ze stond op en ging haar ‘fichebak’ halen. Met die schoenendoos vol
steekkaarten op haar knieën vertelde ze dat Duchamp, toen hij reeds meer dan vijftig
was, gedurende een achttal jaren een zeer emotionele relatie had met Maria Martins,
een mooie flamboyante vrouw die zelf beeldhouwster was en in New York salon hield
in de oude Franse stijl. Kunstenaars en geleerden, politici en 'le beau monde'
kwamen daarnaartoe. En zo ook Marcel Duchamp. ‘La Martins’ voelde zich blijkbaar
geïntrigeerd en uitgedaagd door die afstandelijke cerebrale cynicus en hij is
bezweken voor de charmes van die exotische gepassioneerde vrouw. Het werd een
stormachtige liefdesverhouding die duurde tot haar man verplaatst werd naar Parijs
en zij hem als een trouwe echtgenote is gevolgd. ‘Duchamp schijnt toen kapot
geweest te zijn van liefdesverdriet. Hij heeft haar nog jarenlang geschreven, hopend
dat ze zou terugkomen naar New York’, besloot ze.
‘Waarom ging hij haar niet achterna? Als Fransman ... ‘
‘Dat weet ik niet. Misschien paste dat niet bij zijn imago aldaar?’
‘Dààr zou hij inderdaad lelijk door de mand gevallen zijn. In zijn
“Gesprekken met Pierre Cabane” wordt met geen woord over haar gerept.’
‘Nochtans zat hij zeer dikwijls in haar atelier te kijken hoe ze werkte. Hij
heeft haar ook in surrealistische richting beïnvloed. Zelf heeft hij in die periode een
klein maar vrij erotisch naakt van haar geschilderd dat als een soort aanzet kan
gezien worden van zijn latere installatie “Etant donnés”, want het heet: “Etant donnée
Maria”.’ Ze haalde een paar fiches uit de doos. ‘Waarschijnlijk schilderde hij er zelfs
twee exemplaren van. In 1966 stuurde Maria heel onverwachts zo’n werkje vanuit
Brazilië naar de States voor een retrospectieve van hem. Duchamp was daar
helemaal niet gelukkig mee. In 1951 hadden ze elkaar nog een laatste maal ontmoet
en daarna is hij gaan beseffen dat hij niet meer moest hopen. Net zoals de eerste
liefdes Picasso enorm verrijkt hebben, heeft het leven met Maria Marcel Duchamp
heel wat bijgebracht. Ze heeft hem seksueel laten openbloeien en hem menselijker
gemaakt, opengesteld voor gevoelens. Door haar heeft hij ongetwijfeld geleerd wat
liefde is.’
‘Terwijl Picasso als een dominante stier doorgeraasd is en de vrouwen
van zijn nek geschud heeft wanneer hun aanwezigheid en hun invloed hem
belemmerden in zijn stier-zijn en in zijn kunst.’
‘Picasso was ongetwijfeld een irrationele geweldenaar. Zijn vrouwen
konden niet opwegen tegen hem. Terwijl Maria Martins waarschijnlijk veel gewicht in
de schaal legde bij de meer intellectuele Duchamp.’
‘Misschien heeft ze hem psychologisch helemaal omgeturnd en hem
bevrijd van wat inhibities en mogelijks zelfs van perversies. Sterke emotionele
ervaringen kunnen dat.’
‘Dat verklaart waarschijnlijk ook dat hij in 1954 met Alexina Sattler, de
weduwe van Pierre Matisse, getrouwd is. Hij was toen zevenenzestig en al een tijdje
bevriend met haar. Blijkbaar is hij dan een gelukkige en goede echtgenoot
geworden.’
‘Terwijl Picasso tot het einde toe een wilde stier gebleven is, die bleef
creëren als een gek maar als mens een miserabele degoutante figuur werd. Ik heb de
indruk dat Duchamp en Picasso geen hoge dunk hadden van elkaar.’
‘Inderdaad. Duchamp vond die onstelpbare productiviteit van Picasso een
beetje belachelijk en zei ooit dat zeer weinig kunstwerken echt belangrijk waren.’
‘Picasso heeft ongetwijfeld prachtige werken gecreëerd en een grote
invloed uitgeoefend op veel nakomelingen. Maar ik moet bekennen dat ik me niet erg
aangetrokken voel tot de werken waarin hij zijn vrouwelijke ‘slachtoffers’ met scheve
neuzen en vertrokken gezichten kapot maakte.’
‘De slachtoffers in kwestie waren zelf ook echt bang van die doeken. Zijn
fameus werk “Les Demoiselles d’Avignon” met die harde gezichten beeldt prostituées
uit die misschien wel immuun waren voor zijn possessieve destructiviteit. Er steekt
naar mijn gevoel een zekere vijandigheid in dat doek. Maar het is wel een belangrijk
werk met een heel complexe inhoud. Eén zoals die waarvan Duchamp beweerde dat
er in het oeuvre van om het even welk groot kunstenaar maar vier of vijf zijn die echt
tellen.’
‘Geloof je dat?’
‘Net zoals de meeste van zijn uitspraken moet dit zeker genuanceerd
worden. Als je in vogelvlucht de hele kunstgeschiedenis overloopt, zal dat wel waar
zijn. Maar wanneer je van dichtbij kijkt, zie je dat bij authentieke en eerlijke
kunstenaars de 'minder belangrijke' werken een aanloop kunnen zijn, een langzaam
opbouwen van iets nieuws, dat misschien later in een belangrijker werk helemaal zal
openbloeien. Zoals er bij de salomonszegel en andere bloemen die zich voortplanten
via een wortelstok, veel en geduldig ondergronds werk nodig is om hier en daar een
bloemstengel te produceren. En na grote en belangrijke werken kunnen kleinere
nakomertjes ook nog wat details hernemen en bijwerken. Voor het begrijpen van een
oeuvre kan alles belang hebben. En ik geloof zeker niet dat alleen doeken die
choqueren de moeite lonen, zoals hij eraan toevoegde. Er zijn heel wat andere
kwaliteiten die een werk belangrijk kunnen maken.’
‘Maar sedert men de toeschouwer niet meer aantrekt met “het schone”, is
choqueren de gemakkelijkste truc om succes te hebben en weerklank te vinden. Men
moet dan wel voortdurend gortiger dingen uitvinden om nog op te vallen en dat kan
niet blijven duren! Het is een inflatie die moet ontaarden in het belachelijke.’ Dirk
dacht eraan hier het thema van ‘de schoonheid’ aan te kaarten, maar Karin gaf hem
geen kans daartoe. ‘Ik geloof wel met Duchamp dat het niet nodig is zo aan de
lopende band te creëren’, zei ze, ‘en Picasso heeft van zijn kant waarschijnlijk nooit
de denigrerende houding van Duchamp kunnen verteren. Bovendien, wanneer
Picasso summiere sculpturen maakte met oude rommel die hij soms zelf ophaalde in
Vallauris met een oude kinderkoets, vooraleer de vuilniswagen de ronde deed, ging
Duchamp daarin weer een stap verder door gewone gebruiksvoorwerpen zomaar tot
kunst te verklaren zonder er iets aan toe te voegen.’
‘Zullen die readymades niet vroeg of laat onkunst worden? Als ze echt
geen esthetische waarde noch latente inhoud hebben, volstaat dat magere derde
niveau van communicatie voor de toeschouwer dan om er een vierde niveau aan toe
te voegen en er een kunstwerk van te maken?’
‘Duchamp spreekt zelf over vluchtige smaak en voorbijgaande modes in
de kunst als over strovuur, wat volgens hem niet zou mogen of kunnen. Maar de
positieve of negatieve sanctionering door het publieke circuit is blijkbaar een continu
proces dat in een of andere richting kan evolueren en zelfs volledig omslaan. Veel
werken die nu in musea hangen, werden oorspronkelijk met misprijzen afgewezen en
andere zoals die van Wiertz hebben een bescheiden plaatsje gekregen in een
vergeten museum of in reserves en kelders.’
‘Duchamp is zelf ook niet erg consequent geweest, vrees ik. Na zijn
fietswiel, zijn urinoir en zijn afdruiprek voor flessen was het toch niet nodig nog meer
readymades te produceren?’
‘Misschien niet. En met zijn “Boîtes Vertes” en “Boîtes-en-Valise”18
overdreef hij nog heel wat meer. Daar heeft hij wel driehonderd exemplaren van
gemaakt en die af en toe op bestelling ineengestoken. Met voor elke “Boîte-enValise” één origineel werkje. Weet je wat er in de “boîte” van Maria Martins voor
origineels zat, Dirk?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Een “werkje” met een amoebe-achtige vlek erop. Na analyse bleek dat
spermavocht te zijn!’
‘Was dat een liefdesblijk à la Duchamp?’
‘We weten natuurlijk niet welke connotatie we eraan moeten toevoegen.’
Dirk zag hier de mogelijkheid om zijn scabreuze interpretatie van ‘la
Fontaine’ en het afdruiprek voor flessen, ‘le Hérisson’ ter sprake te brengen. Karin
was helemaal niet gechoqueerd, alsof ze onmiddellijk de gegrondheid ervan zag.
‘Duchamp heeft zich wellicht zijn hele leven lang binnenpretjes kunnen veroorloven
omdat niemand het aandurfde hem tegen te spreken’, beaamde ze. Ze had er
blijkbaar geen probleem mee om de latente inhoud te zien achter die ‘neutrale’
readymades. ‘Maar welke bijkomende betekenis kunnen het fietswiel en zijn latere
“objets trouvés” wel hebben?’
18Dozen
waarin hij fotografische reproducties van zijn werk, documenten en
handgeschreven aantekeningen bijeenbracht en als kunstwerken in eigen beheer
verkocht.
‘Misschien heeft hij die “gevonden” om aan te tonen dat er zeker geen
perverse bijgedachten moeten toegeschreven worden aan die twee eerdere
“creaties”.’
‘Maar het fietswiel op een sokkeltje kwam, geloof ik, voor “la Fontaine”.
Het is wel zo dat hij later experimenteerde met draaiende schijven en roterende
beelden.’ Karin schoof haar schoenendoos met de steekkaarten op het tafeltje. Dirk
dronk intussen het restje van zijn cognac uit en ze vulde zijn glas opnieuw. Het hare
was nog halfvol.
‘Er is wellicht een interessante vergelijking te maken tussen “Etant
donnés” en “Les complices du Mage”, Karin.’
‘Ook tussen “Etant donnés” en “L’origine du monde” van Gustave Courbet.
Ken je het?’ Dirk knikte en Karin ging nog even door: ‘Het is nu eindelijk in een
museum terechtgekomen, nadat het van de ene privéverzameling naar de andere
werd verhandeld en meestal bedekt werd opgehangen.’
‘De pose van het model kan wel dezelfde zijn bij Courbet en Duchamp,
maar Courbet is een realist die op een realistische manier uitbeeldt wat hem
aanspreekt en inspireert. Terwijl de erotiek bij Magritte en Duchamp meestal in een
sterk gecodeerde vorm tot uiting komt. Misschien was hun visie op seks en erotiek zo
afwijkend dat ze voor hun zelfbeeld onderdrukt moest blijven.’
‘Hij droeg zijn “Grand verre” op aan de menselijke seksuele relaties ...’
‘Zoals hij die zag! En dan nog zeer gecodeerd en gecamoufleerd.’
‘Hij zegt dat er geen enkele idee achter steekt. Het waren gewoon “dingen
die geleidelijk kwamen” … ‘
‘Dingen die geleidelijk komen. Zoals verdrongen inhouden kunnen doen’,
onderbrak hij haar. Maar ze ging voorzichtig haar gedachten formulerend verder: ‘Als
een soort symposium van de technische problemen en andere dingen waarmee hij
bezig was. Om zonder veel aandacht te besteden aan het visuele, op een
conceptuele manier iets uit te drukken waarin de “vierde dimensie”19 zou tot uiting
komen.’
Dirk ging liever niet in op die ‘vierde dimensie’. Hij vond het maar gelul,
zoals veel van de pseudo-wetenschappelijke theorieën die in de kunst opgang
hebben gemaakt. Hij volgde liever een ander spoor. ‘Er is bij Duchamp een duidelijke
scheiding tussen zijn heimelijke erotische creaties en de koele werken waarmee hij
naar buiten kwam. Maar wat je me nu allemaal vertelt over die Maria Martins laat me
inderdaad geloven dat die relatie en de daaropvolgende scheiding zijn persoonlijk
groeiproces sterk beïnvloed heeft.’
‘Zijn artistieke creativiteit is daardoor wellicht ook wat opgedroogd. Daarna
heeft hij niks bijzonders meer gemaakt. Zelfs dat 'Etant donnés', duidelijk
19
In navolging van een boek van Gaston de Pawlowski, 'Reis naar het land van de
vierde dimensie', speelden de surrealisten een beetje met de magische
mogelijkheid van een vierde dimensie in onze driedimensionele wereld, waarmee
niet de tijd bedoeld werd, maar waarlangs het onbekende zich zou kunnen
realiseren en integreren in kunstwerken.
geïnspireerd door de afwezigheid van Maria, vind ik niet zo denderend. Hij heeft er
jarenlang aan zitten prutsen en bricoleren en het mocht pas na zijn dood
bekendgemaakt worden.’
‘Bij Magritte lijkt er een scheiding te zijn tussen zijn creativiteit en zijn
relatie met Georgette. Ze poseerde wel voor zijn schilderijen, maar hij
communiceerde niet echt met haar over zijn werk. Zij was het burgervrouwtje dat hij
koesterde en wellicht ook om zich heen wenste voor zijn comfort. Hij hield
ongetwijfeld wel van haar, maar wat voor soort echtgenoot was hij? Wanneer zij op
rijpere leeftijd een relatie begon met een van hun vrienden was hij daar niet erg
gelukkig mee. Maar hij had er zowat aanleiding toe gegeven en had zelf een
liefdesaffaire met een Engelse.’
‘Hij had wat anarchistische bohémienneigingen en zelfs communistische
sympathieën, maar speelde de rol van gezette burger. Hij zat blijkbaar vol contrasten
net zoals veel van zijn werken.’
‘Misschien was zijn innerlijk zo ongenaakbaar en verborg hij het achter
zijn schilderijen zoals de zwarte bolhoedmannetjes ons de rug toekeren of hun
gezicht verbergen achter een appel of een duif. Of zoals die mannenfiguur bij wie
onder alledaagse kleren in de plaats van een torso een vogelkooi met duifjes te zien
is of een allegaartje van symbolen. Een holle man, die van alles “geïnterioriseerd”
heeft, maar waarmee niet te communiceren valt.’
‘Misschien waren de doeken met die holle man alleen maar een gelukkige
surrealistische vondst, zoals er meerdere zijn in zijn latere werken.’
‘In zijn tweede surrealistische periode heeft hij inderdaad wel meer de
kaart van het surrealisme getrokken, maar in de eerste periode lijkt hij vooral bezig
met de mysteries van zijn eigen leven.’ Hier kon Dirk uitpakken met zijn interpretatie
van ‘Het onvoorziene antwoord’ en ‘De dagdromen van de eenzame wandelaar’,
waarvan Karin zijn uitleg vlot aannam. Maar toen hij vertelde van de grote
tegenstelling die hij gevonden had tussen het ‘Arnheim’ van Edgar Allan Poe en de
‘Arnhemse’ berglandschappen van Magritte met de versteende vogel, vond vond ze
dat wel een interessant spoor om die hele droomwereld aan te pakken, maar
aarzelde ze wat om te geloven dat die grote roofvogel symbool kon zijn voor zijn
overleden moeder.
‘Misschien is het geen echte roofvogel maar een complex symbool voor
het beeld van haar in zijn onderbewustzijn. De redundanties in veel van zijn latere
werken doen me ook vermoeden dat hij veel met gevoelsmatige inhouden bezig was.
Indien hij geen specifieke boodschappen uit zijn onderbewustzijn verwerkte, had hij al
de naamwoorden van het woordenboek kunnen uitbeelden in onthutsende
combinaties’, besloot Dirk.
‘De surrealisten speelden wel dergelijke spelletjes met gescheven teksten
en tekeningen. Er zijn trouwens nog steeds grafische kunstenaars die zulke
“willekeurige combinaties” produceren.’
‘Maar dat zijn meestal vrij onbenullige steriele taferelen die hoogstens wat
bevreemdend werken. Puur design. De lezer of de toeschouwer is dan de kunstenaar
indien hij er iets meer kan van maken.’
‘Zelf liepen ze wel hoog op met het vervreemdingseffect dat zo ontstond!’
‘Ik heb ook ooit wat geëxperimenteerd met gedichten schrijven op
willekeurige trefwoorden. De meeste daarvan waren werkelijk minderwaardig. Ik
geloof bovendien niet erg in het zogezegd poëtisch en surrealistisch aandoen van
vreemde woordcombinaties in gedichten. Als daar geen latente inhoud achter zit die
de woordkeuze leidt, ontaardt dat in pure woordenkramerij, knutselen met woorden.’
‘Heb je daar iets van bewaard?’ Ze leunde geïnteresseerd naar Dirk toe
zodat haar borstjes onder haar gespannen kleed mooi op de leuning van haar zetel
lagen. Ze had geen beha aan, ofwel was het een ragfijn dingetje. Om dit ogenblik wat
langer te laten duren legde Dirk een hand op haar arm en nam met de andere zijn
glas op om langzaam de rest van zijn tweede cognac uit te drinken.
‘Eigenlijk heb ik drie soorten teksten geschreven’, verduidelijkte hij dan.
‘Die waarvan ik de titel totaal willekeurig bekwam langs een vrij neutrale omweg,
waren totaal oninteressant. Een tweede soort waarvoor ik zelf een trefwoord of een
titel koos, bleek al heel wat beter omdat ik daarmee blijkbaar een gevoelsgeladen
onbewuste of halfbewuste inhoud aanboorde. En sommige teksten die ik maakte
door stukken van mijn dromen wat bij te werken, vond ik zelfs goed genoeg om ze
gedichten te noemen.’
‘En heb je die nog, Dirk?’ Ze maakte haar arm los en vulde nu de beide
glazen.
‘Misschien kan ik die nog wel terugvinden.’
‘Die moet je eens meebrengen om ze voor te lezen!’
Dat stelde blijkbaar verdere afspraken in het vooruitzicht, maar zou hij die
teksten niet beter eerst wat selecteren en censureren? Ze tikten met hun glazen,
dronken een slok en Karin kwam daarna terug over de leuning van haar zetel liggen.
Waar stuurde ze op aan? Ze had waarschijnlijk een week lang in onthouding geleefd
tijdens dat bezoek aan haar moeder. Verwachtte ze dat hij het initiatief zou nemen?
Misschien best het gesprek nog wat aanhouden om te zien of ze niet wat duidelijker
signalen zou geven. ‘Magritte beweerde wel dat het een miskenning is van de ware
aard van zijn kunst indien men zijn werken gelijkschakelt met bewust of onbewust
symbolisme, maar anderzijds bekende hij “dat het dromen zijn die hij zelf gewild
heeft”, of “dat het gaat om het productief maken van bepaalde visioenen uit de
halfslaap of de droom”, of “het samenvoegen van fragmenten uit de werkelijkheid die
van het begin af aan met elkaar in verbinding staan”. Voor mij zijn dat bekentenissen
die aangeven dat er wel degelijk een latente inhoud schuilt in veel van zijn werken.’
‘Hij produceerde ook geschilderde reflecties over de kunst en over zijn
werk, met woordspelingen en schilderijen in schilderijen.’
‘Ja. Dat waren eerder linguïstieke en semiotische fantasieën. Maar na “Dit
is geen pijp” was het eigenlijk niet nodig daar nog veel varianten aan toe te voegen.
Zijn “woordschilderijen” zouden waarschijnlijk niet als kunst beschouwd worden
indien ze door een linguist of een semioticus gemaakt waren.’
‘Misschien beleefde Magritte er voldoende genoegen aan om zich
meermaals te herhalen.’
‘Ofwel deed hij het onder druk van een galeriehouder die productie wilde?
Misschien zat hij wat krap bij kas en verkocht dat soort doeken goed? Ik kan er alleen
een cerebrale boodschap in zien en geen symptoomhandeling die impliciet een
boodschap inhoudt uit het onderbewustzijn.’
‘Zijn kunstige reflexies over kunst zoals veel werken van conceptuelen, of
de artistieke kunstkritiek van Broodthaers en consoorten dan geen kunst?’ Ze kwam
opeens op Dirks knieën zitten. Hij was eerst wat verrast en zei: ‘Het kan me eigenlijk
niet veel schelen.’ Hij trok haar tegen zich aan voor een lange kus, die overging in
een ‘Deense grondzee’ op de plankenvloer.
Nadat Karin in haar badkamertje verdwenen was, stond Dirk op en dronk
de rest van zijn derde cognac. Zou hij het wagen zo naar huis te rijden? Hij bracht zijn
kleren wat in orde en ging terug in de zetel zitten. Ze kwam gans naakt uit haar
badkamertje. ‘Het is beter dat je niet onmiddellijk vertrekt’, zei ze alsof ze zijn
gedachten geraden had. ‘Ik kan iets opwarmen in de microgolf en nog wat koffie
zetten.’
Dirk vond dat een goed idee en hij knikte instemmend. Ze verdween in het
keukentje. De uitdrukking van haar gezicht was Dirk opgevallen. Ze straalde weer die
zalige rust uit zoals ze die ook soms tijdens de reis na een mooi orgasme vertoond
had. Waarmee ze hem soms aan Hildeke had doen denken. Waren haar ‘Laune’
misschien niet meer dan wat laatste weerstanden vooraleer ze de idee van een
monogame relatie zou aanvaarden? Was er toch een kans dat ze ‘op voet van
gelijkheid’ een intense relatie zouden kunnen realiseren?
Maar terwijl ze vlug een paar borden, kopjes en bestekken op het tafeltje
kwam zetten, zei ze op een toon alsof alles al afgesproken was: ‘Zolang we geen van
beiden aan een monogame relatie beginnen, kunnen we best lekker genieten van
elkaars gezelschap!’
‘Hoe zie je dat in de praktijk, Karin?’
‘Eén of twee maal in de week een gezellig avondje samen doorbrengen,
hier of in jouw appartement’. Ze had blijkbaar alles al goed doordacht.
‘Dat is dan het resultaat van onze “therapeutische reis”?’ Dirk probeerde
het zo positief mogelijk te laten klinken, maar dat lukte niet helemaal.
Ze kwam, nog steeds naakt, op de armleuning van zijn zetel zitten. ‘Je
moet niet ironisch doen, Dirk. Onze reis was een succes! Dank zij jouw aanpak ben ik
nu helemaal bevrijd van de dwangbuis van mijn verleden. Ik ben nu zo vrij als een
vogel. En ik wil daar graag ook samen met jou van genieten!’
‘Alleen maar met mij, Karin?’ Hij streek met zijn vingertoppen over haar
ruggengraat.
‘Ik weet wel dat jij eigenlijk de bedoeling had me in een kooitje te stoppen.’
‘Dat was zeker niet als een kooi bedoeld!’
‘Maar het zou wel een kooi geworden zijn!’
‘En wat wordt het nu?’
‘Qui vivra, verra!’ Ze veerde op en liep naar het keukentje om de spagetti
uit de microgolf te halen. Dirk kreeg wat bedenktijd voor zijn antwoord. Maar ze
verwachtte er blijkbaar geen. Ze bracht de warme schotel en de koffie op het tafeltje
en besteedde al haar aandacht aan het uitscheppen van de lange pastaslierten. Dirk
deed dan ook alsof al zijn aandacht naar het eten ging. Hij deed er nu best aan alleen
maar meer over neutrale dingen te praten om onmiddellijke stellingnames te
vermijden.
Bij het afscheid vroeg hij zo zakelijk mogelijk: ‘Voor wanneer is de
volgende afspraak dan, Karin?’
‘Volgende week’, zei ze. ‘Ik bel je nog.’
‘Hier of bij mij?’
‘Misschien best nog eens hier?’
‘Oké.’ Hij kreeg een lange afscheidskus bij de deur van haar kamer. Ze
ging niet mee tot aan de voordeur want ze was nog steeds poedelnaakt.
56
De volgende morgen belde Dirk zijn ouders op om te horen of hij kon
komen ‘voor de koffie’. Daarmee zou hij de zaterdag door krijgen. Zijn moeder
antwoordde natuurlijk bevestigend. Ze had een cake gebakken zoals ze bijna elk
weekend deed voor het traditionele koffie-en-thee-uurtje. Daarna nam hij een
uitgebreide brunch.
Vooraleer naar het dorp te rijden waar zijn ouders woonden, maakte hij
een ommetje langs de studio van Karin, om te zien of daar niets ongewoons te
bespeuren viel. Door de halfopen gordijnen zag hij alleen wat figuren van het
stucplafond. Hij dacht er een ogenblik aan wat verder in de straat te parkeren als een
detective, maar reed alleen maar even traagjes rond de huizenblok en verliet daarna
de stad.
Hij kwam wat vroeger aan dan verwacht en zijn vader was nog bezig met
zijn siësta. Zijn moeder probeerde al vlug met listige vraagjes aan de weet te komen
‘hoe hij zich gedragen had tegenover die bijzondere patiënte’ die hij meegenomen
had op reis. Hij had inderdaad, een beetje voorbarig hopend op succes, aan zijn
ouders verteld dat hij Karin meenam ‘omdat hij haar van nabij wilde begeleiden in
haar depressieve toestand’. Hij had het voorgesteld als een therapeutisch experiment
en zij hadden hun twijfels daarover niet uitgesproken.
Hij vertelde zijn moeder niet dat hij zijn tent meegenomen had en zei
nadrukkelijk dat er in al de hotel- en gastenkamers ‘lits jumeaux’ geweest waren. En
of het experiment geslaagd was? De patiënte was zeker over het ergste van haar
depressie heen, maar hij zou haar nog een tijdlang elke week ontmoeten om te zien
of haar toestand verder positief evolueerde. En zou hij dat in de toekomst nog doen
met andere patiënten? Indien het paste met zijn vakantieplannen en er toevallig een
geschikte patiënt of patiënte was, misschien wel. Het maakte zijn vakantie dubbel
zinvol, en hielp de kosten drukken.
Toen zijn vader bij kwam zitten, haalde Dirk de sigaren boven die hij voor
hem gekocht had. Als een echte kenner nam zijn vader een ervan tussen drie vingers
van elke hand en voorzichtig betastend snuffelde hij de geur ervan op. ‘Waarschijnlijk
niet slecht, maar het zijn natuurlijk geen Cohiba’s.’ Hij zou er in de veranda een van
opsteken. Hij stelde verder alleen vragen over de fjorden en de Noordkaap en het
eten. Hij deed geen moeite om Dirks leugentjes door te prikken.
Na de koffie insisteerde zijn moeder om te blijven voor het avondeten en
dat deed hij dan ook. Ze herhaalde daarbij nog eens dat het hoog tijd werd om aan
een ernstige relatie te beginnen. Hij antwoordde, eveneens voor de zoveelste maal,
dat hij daarvoor eerst een geschikte partner moest vinden. En zijn vader viel hem ook
nu weer bij ‘dat het voor een psycholoog waarschijnlijk nog moeilijker was dan voor
gewone mensen’. Maar hij voegde er toch een opmerking aan toe, die Dirk niet
ontging: ‘Het is wel zo dat je beter kunt oud worden in een liefdevol familieverband
met kinderen en zelfs kleinkinderen om je heen, eerder dan op je eentje te
vereenzamen. Vereenzamen doe je wel altijd wat en oud worden is geen gratis
geschenk dat aan sommigen gegeven wordt en aan anderen niet. Je betaalt ervoor
met aftakelen en ongemakken.’
Dirk begreep dat hij de laatste jaren wat tekort geschoten was tegenover
zijn ouders en maakte zwijgend het voornemen daar in de toekomst wat aan te doen.
Hij was opgelucht toen hij ten slotte terug kon naar zijn appartement. Hoe heel
anders zou dit bezoek geweest zijn indien hij hen had kunnen aankondigen dat hij
een relatie begonnen was met Karin.
De volgende dag trok hij naar zee om wat te genieten van het zomerweer,
om er wat tussen mensen rond te lopen en om te zwemmen. Maar vooral om de tijd
door te brengen zonder zich te vervelen. De redders moesten hem een paar maal
terug toeteren omdat hij tot in dieper water zwom.
Terwijl hij ’s avonds in een restaurantje op de dijk gebakken tong met
frietjes zat te eten, vroeg hij zich af wat Karin deed gedurende het weekend. Toch
niet de hele tijd aan haar doctoraat werken? Indien ze naar de bioscoop ging of naar
een museum kon ze hem toch meevragen? Wanneer zou ze hem uitnodigen? Kon hij
zelf geen reden of excuus vinden om haar op te bellen? Zou hij die vroegere
‘gedichten’ durven gebruiken als voorwendsel? Ze konden bij haar wel vragen
oproepen waar hij liever niet op inging. Maar indien hij niets beters vond, zou hij het
toch wagen.
Terug thuis vond hij na wat zoeken zijn teksten terug. Hij selecteerde
daaruit wat hij Karin kon laten lezen, maar dat bleek niet echt de moeite waard. Hij
haalde het ruige rendiervel uit zijn rommelkamertje en verlegde het een paar maal
van de zithoek naar de slaapkamer en terug. Het zou nu goed van pas komen. Hij
zou er wel voor zorgen dat ze geen behoefte had aan nog meer seks als ze
tweemaal per week bij hem kwam. Maar hij mocht ook niet de verkeerde indruk
wekken dat hij haar alleen daarvoor liet komen. Dan maar terug naar de slaapkamer
met het ding.
57
Tijdens de eerste dagen van de week ging hij ‘s avonds op restaurant
omdat de tijd daar vlugger voorbijging. En thuis zat hij meestal te zappen bij de tv
zonder bij een of ander programma stil te staan. Toen hij de woensdagavond nog
geen telefoontje gekregen had, kon hij niet laten haar zelf op te bellen. Het duurde
een poosje vooraleer ze opnam en een beetje kortaf vroeg waarom hij haar opbelde.
Een beetje uit zijn lood geslagen kon hij niets anders zeggen dan dat hij wat
‘gedichten’ gevonden had. Ze antwoordde dat ze naar een mooie film aan het kijken
was op tv waarvan ze niets wilde missen en dat hij de volgende avond kon komen.
Daarna legde ze onmiddellijk de hoorn neer.
Hij was eerst tevreden met het behaalde resultaat. Maar daarna ging hij in
de tv-magazines zoeken wat voor belangrijk programma ze wel aan het bekijken was.
Hij had haar de naam van de film moeten vragen. Misschien was het goed die ook te
zien om een onderwerp van gesprek te hebben. Hij vond niets echt bijzonders en
zapte dan maar op zoek naar films die misschien in aanmerking konden komen. Maar
geen enkele leek hem echt de moeite waard.
Toen hij de volgende avond ruim op tijd bij haar aankwam, had ze weer
het gebatikte kleed aan en haar haren waren boven op haar hoofd in een grappig
bundeltje opgestoken. Ze zag er bijna uit als een geisha, werkelijk verrukkelijk. Hij
maakte haar een complimentje en ze leek dat te appreciëren. Vroeger had hij
ongetwijfeld te weinig aandacht getoond voor haar kledij en haar opschik, te weinig
laten merken dat hij haar mooi en elegant vond, ook al was ze meestal erg eenvoudig
gekleed. Daar moest hij voortaan wat meer op letten.
Ze dronken weer koffie met cognac en gebakjes en hij toonde haar zijn
‘minderwaardige poëtische probeersels’. Ze vond die ook geen echte gedichten maar
stelde gelukkig geen indiscrete vragen. Ze had wel zelf een tekst. Ze was er
beginnen op letten ’s morgens of ze gedroomd had en had eindelijk iets kunnen
noteren over een stormwind. Daar had ze achteraf ‘iets van gemaakt’. Ze las met
duidelijk genoegen:
ZONNEBLOEMEN
Felgeel
stellen ze zich
links en rechts
op hoge stelten
om in mijn tuin te gluren.
Ze maken
met hun gezichten
mijn tuin
onveilig.
Ik heb een bondgenootschap aangegaan
met de wind
om ze uit de weg te ruimen.
Want in mijn tuin
moet ik ongezien
kunnen zondigen.
Dirk zei voorzichtig dat hij haar 'gedicht' heel geslaagd vond.
‘Wordt van poëzie tegenwoordig niet verwacht dat ze meer gekunsteld en
onbegrijpelijk klinkt, dat het meer woordkunst is?’ vroeg ze.
‘Misschien wel. Maar zelf vind ik dat niet. Die rebusgedichten van “goede
woordenaars” ontaarden gemakkelijk in geknutsel.’ Hij waagde het niet te beginnen
over latente en manifeste inhoud want de latente inhoud leek hem allesbehalve
geruststellend. Blijkbaar had ze er genoeg van dat hij net als de zonnebloemen
voortdurend bij haar probeerde binnen te gluren en zou ze hem desnoods wegblazen
in een storm van woede. Zag ze dat zelf niet? Of deed ze alleen maar alsof en wilde
ze hem op een schijnbaar onschuldige manier nog eens terechtwijzen? Wat moest hij
er mee aanvangen? Zich excuseren en erkennen dat hij meer respect moest
opbrengen voor haar autonomie? Hij schoof het netelige onderwerp liever opzij en
vroeg naar de film die ze de avond tevoren gezien had. Die was ten slotte toch niet
zo belangrijk gebleken, wuifde zij dan dat onderwerp weg. Ze boog zich vlug naar
hem toe voor een lange kus.
Na wat voorspel stond hij op om zich uit te kleden. Ze volgde zijn
voorbeeld, trok het kleed over haar hoofd en stapte uit haar slipje. Ze wilde het deze
keer liever in de zetel doen,
Daarna spraken ze af dat zij de volgende maal bij hem op bezoek zou
komen. Ze zou hem bellen wanneer hij haar kon komen halen. Hij dronk zijn koude
koffie uit en bij de deur van haar kamer vlijde ze zich nog eens goed tegen hem aan
voor een laatste lange kus. Toen hij halfweg de trap naar beneden nog eens omkeek,
had ze de deur van haar kamer al dichtgedaan.
58
De volgende morgen werd hij wakker met een deuntje in zijn hoofd. Na
wat neuriën kwamen flarden van de tekst naar boven. ‘Wij horen tezamen, als de
wind en de zee … Van jou kan ik niet scheiden, neem me met je mee.’ Een
zeemansliedje uit de oude doos waarin een meisje dapper, ‘lebensbejahend’, haar
verlangen uitzingt om samen met haar visser of zeeman het leven in te gaan. ‘Neem
me mee op de woelige baren … Neem me mee ook al dreigen gevaren …’
Hij herinnerde zich dat hij een van de vorige nachten, waarschijnlijk na dat
zwemmen in de zee, ook gedroomd had dat hij op een vlot of op een wrakkige schuit
een riviermonding afvoer en ietwat ongerust verwachtte in de golven van de zee
terecht te komen.
Dat liedje sloeg natuurlijk op zijn relatie met Karin. Die ‘woelige baren’
verwezen waarschijnlijk evengoed naar het psychische aspect van hun relatie als
naar de puur fysieke seks. Wenste zijn droom dat Karin dat zou ‘zingen’, dat ze het
zou aandurven met hem ‘scheep te gaan’? Karin zat overduidelijk ‘on the crests of
the waves’ en terwijl zij vrolijk op ‘woelige baren’ zat, vaarde hij op een
onbetrouwbaar vaartuig naar haar toe.
Er waren wel meer ‘chansons’ waarvan de poëtische expressie
onderschat werd. ‘What this country needs, is a good five cents poem’, had een jonge
Amerikaanse dichter waarvan de naam hem ontsnapte, ooit gezegd of geschreven.
Sommige van de betere schlagers en levensliedjes waren eigenlijk zulke ‘five cents
poems’. Daar waren er massa’s van. Echte pareltjes soms, maar die niet geacht
werden ‘grote kunst’ te zijn.
Tijdens de veldtocht in Noord-Afrika kropen Britse soldaten van het
Achtste Leger, wanneer de duisternis inviel, tot dicht bij de Duitse linies om ‘Lily
Marleen’ te horen. Wanneer het liedje van Lale Andersen uit de luidspekers galmde
om het programma met verzoekplaatjes van het thuisfront te beginnen, schreeuwden
ze ‘louder comrade’! En de Duitsers gaven wat meer volume. Dan werd er niet
geschoten. Dat moet ongetwijfeld bijgedragen hebben tot een vorm van wederzijds
respect en de faire oorlogsvoering die daar toegepast werd. Het is anderzijds nogal
cynisch dat ze de volgende dag evengoed terug op elkaar schoten. Zou niemand ooit
een psychologische studie gemaakt hebben van dat fenomeen? De nazi’s konden het
liedje helemaal niet appreciëren. Ze vonden het veel te weinig krijgshaftig. Ze
probeerden Lale zelfs het zwijgen op te leggen. Maar omdat ‘Lily Marleen’ al zo
populair geworden was en zelfs radio Londen opkwam voor Lale Andersen konden
ze haar niet uit de ether verbannen.
Het moet wel iets gehad hebben, als Engelse soldaten het van hun
vijanden overnamen en ook Russen het erg apprecieerden. Het werd in vele talen
vertaald en door vele zangers gezongen. Een Duitser, die van dat liedje misschien
iets à la Brecht zou gemaakt hebben, noemde het mannenkoor dat tussen de strofen
door te horen is misprijzend een ‘Kastratenchor’. Misschien sloeg hij de bal niet
helemaal mis en hoorden en voelden de soldaten in hun castrerende frontsituatie
zeer duidelijk het gemis en het verlangen naar alles waarvoor Lily Marleen symbool
stond, wat Lales stem zo goed tot uitdrukking bracht. Was het niet beter dat die vele
hunkerende soldaten er elke avond iets aan hadden, eerder dan dat een stelletje
intellectuele kunstgenieters een ogenblikje esthetisch genot à la Brecht kon
consumeren? Was dat liedje in zijn huidige vorm geen grotere kunst?
Of ze in Amerika van die ‘five cents poetry’ gekregen hadden, wist Dirk
niet. Maar met de popart hadden ze ongetwijfeld ‘five cents paintings’ bij de vleet, die
wel peperduur betaald werden. De blikjes Campbellsoep mochten dan in het leven
van Andy Warhol een grote rol gespeeld hebben en alomtegenwoordig geweest zijn
in het sociale leven, het was maar een ‘five cents’ symboliek en cultuur. De meeste
popartisten trouwens pakten uit met vrij simplistische creaties. Die nivellering naar het
banale toe moest niet de maatstaf worden voor de kunst.
Maar was er geen contradictie in zijn positieve appreciatie van bepaalde
‘goedkope’ poëzie en zijn dédain voor popart? Eigenlijk niet, want de levensechtheid
van het eerste werd niet voldoende geapprecieerd, terwijl de laatste naar zijn mening
fel overschat werden.
Andy Warhols doeken hadden alleen eenvoudige kleuren, zonder
nuances of penseelstreken. Hij schilderde zonder reliëf en kon blijkbaar geen echte
composities maken. Alleen reeksen gezichten en identieke meestal banale
voorwerpen als een soort ikonen. In zijn films kon hij ook geen verhaal steken. Net
als Godard en Duchamp had hij wel een vernieuwing in de kunst gebracht, maar op
zich waren zijn eigen producten niet zo denderend.
59
Elke avond zat Dirk zelf ook te hunkeren naar Karins aanwezigheid, net
zoals de soldaten in de woestijn. Hij zou er veel voor over hebben om met haar
scheep te gaan, hoe riskant het ook mocht lijken. Hoe moest hij het volgende
weekend weer doorkrijgen? Wat zou hij doen als het regende? Aan de volgende
winter mocht hij al helemaal niet denken. Kon hij Karin niet uitnodigen voor af en toe
een ‘seksloze’ ontmoeting? Ergens een culturele activiteit of gewoon samen naar de
bioscoop? Een wandeling in de natuur, een uitstapje naar zee, een terrasje doen of
samen souperen?
Als een geschenk uit de hemel vond hij in de tv-programma’s dat
'Turandot', de opera van Puccini aangekondigd werd voor de zaterdagavond. Omwille
van de aria 'Nessun dorma' en het ijsdansen van Sophie Moniotte en haar partner op
die muziek wilde hij dat zeker zien, maar het was vooral een goede gelegenheid om
Karin te inviteren. Hij ging wat surfen op internet en de encyclopedie consulteren om
er eerst zelf wat over te leren.
Turandot bleek een hardvochtige prinses te zijn. Een van de aria's bezingt
haar als 'gevat in ijs': 'tu che di gel sei cinta'. Ze had zich voorgenomen alle mannen
die verliefd op haar werden te doden omdat vroeger een vrouw uit haar familie
verkracht en vermoord werd. Ze stelde aan de pretendenten die het toch waagden
haar hand te vragen drie raadsels en de ongelukkigen die geen van allen de juiste
antwoorden vonden, werden onverbiddelijk gehalsrecht.
Calaf, een Tartaarse prins, vindt bij de terechtstelling van zo’n ongelukkige
pretendent zijn vader Timoer terug, die als een oude blinde bedelaar rondtrekt met
het slavenmeisje Lioe. Door vijanden uit hun rijk verdreven, verblijven ze alle drie
incognito in het land van Turandot. Lioe bekent aan Calaf dat ze voor zijn vader is
blijven zorgen omdat hij, de prins, in het paleis ooit naar haar geglimlacht had. 'Tanto
amore segreto'. Maar Calaf wordt hopeloos aangetrokken door de wreedaardige
schoonheid van Turandot. Spijt alle waarschuwingen slaat hij op de gong als teken
dat hij de uitdaging van de raadsels aanvaardt. Hij slaagt er ook in ze alle drie op te
lossen en zeer edelmoedig geeft hij de wanhopige Turandot nog een laatste kans,
omdat hij ze niet tegen haar wil, maar liefdevol wil omarmen. Indien ze tegen de
volgende dag weet wie hij is, is hij bereid toch nog te sterven. De ijzige Turandot
beveelt dat gedurende de hele nacht niemand mag slapen: 'Nessun dorma!’ Iedereen
moet trachten Calafs naam te weet te komen. De lieve Lioe wordt daar het slachtoffer
van: ze is samen met Timoer gezien in Calafs gezelschap en wordt gefolterd opdat
ze zijn naam zou zeggen. Ze blijft zwijgen en slaagt erin zelfmoord te plegen met de
dolk van een der soldaten. Het offer van Lioe en een kus van Calaf doen Turandot
ontdooien. Hoewel Calaf zich nog eens blootstelt aan haar macht en willekeur door
voortijdig zijn naam bekend te maken, gaat ze door de knieën voor zijn liefde en zijn
dapperheid.
Puccini schiep blijkbaar een zeer persoonlijke wereld in zijn opera's en
bespeelde heel sterk de gevoelens van het publiek, las Dirk. Hij schrok niet terug
voor theatrale effecten van tederheid, sensualiteit en erotische passie, van wanhoop
en pathos. Dat leek Dirk allemaal erg geschikt om de gevoelens van Karin wat in
positieve zin te beïnvloeden. Ze kon er een en ander uit leren indien ze voor zichzelf
de vergelijking wilde maken met Turandot. Had ze maar het karakter van die lieve
Lioe.
Hij belde haar op en na wat aarzelen en argumenteren aanvaardde ze zijn
voorstel ‘om alleen omwille van de cultuur zaterdagavond bij hem op bezoek te
komen’. Ze hield wel meer van toneel, zei ze. Opera vond ze nogal overtrokken en
barok, maar ze hoorde toch graag sommige aria's. ‘Kende je deze opera al van
vroeger?’ vroeg ze. Dirk verzweeg dat hij zopas een en ander opgezocht had. Hij zei
dat hij alleen de aria 'Nessun dorma' kende van dat nummertje ijsdansen.
60
Ter herinnering aan Scandinavië zorgde Dirk die zaterdagavond voor een
koude schotel met allerlei soorten vis, met daarbij wodka en witte wijn. Het rendiervel
liet hij in de slaapkamer liggen. Indien het eventueel toch van pas kon komen moest
dat liefst zo toevallig mogelijk gebeuren.
Toen hij Karin ruim op tijd ging afhalen was ze nog bezig met haar
computer. ‘Zie je wel dat ik voortdurend heel hard bezig ben met mijn thesis?’ zei ze
heel nadrukkelijk. Dirk had de indruk dat ze ook nog bezig zou geweest zijn indien hij
later was gekomen. Ze wees hem te gaan zitten in een der zetels.
‘En kan je een en ander uit onze gesprekken gebruiken?’ vroeg hij terwijl
hij ging zitten.
‘Een en ander wel’, zei ze, ‘maar ik wil me meer concentreren op de
hedendaagse kunst. Externe factoren en actoren beïnvloeden nu sterk de markt. De
reclame, de manipulatie en wat de consumenten verlangen gaat de innerlijke “drive”
van vele kunstenaars overheersen. In je derde niveau hou jij niet genoeg rekening
met de feedback van het milieu en van de verzamelaars.’
‘Vroeger waren het de “machtigen der aarde” en de kerk die een enorme
invloed uitoefenden op het werk van de kunstenaars, maar sterke persoonlijkheden
wisten daar toch boven uit te komen.’ En in het Parijse kunstenaarsmilieu van de
vorige eeuw kwam de feedback vooral van dat milieu zelf...’
‘Maar als nu Russische oligarchen en Arabische oliesjeiks waanzinnige
bedragen betalen voor wat jij design of curiositeiten zoudt noemen, beïnvloedt dat
ongetwijfeld heel wat op geld en faam beluste artiesten om op die kar te springen.
Ook trendsetters en kunstgoeroes kunnen een hype creëren. Een zekere Niels
Werber20 heeft de evolutie van kunststijlen vergeleken met de levenscyclus van
gewone marktproducten. Hij vond dat er voor kunstwerken ook een
productlevenscyclus en een zekere “mode” aan te tonen was. Een nieuwe stijl begint
als een onbekende nieuwigheid. Wanneer hij kan doorbreken, komt er een periode
van succes en grote productie tot de markt verzadigd is en de epigonen van de
20
Meer hierover in 'Markteconomie en Kunst' een bundel essays verzameld
door Ingeborg Dusar en Hilde Meersman. Acco Leuven/Voorburg.2008.
eerste meesters niets nieuws meer kunnen brengen. Wanneer die uitgepraat zijn is er
dan weer plaats voor een nieuwe stijl.’
‘Maar een goed schilderij zal altijd een waardevol bezit blijven, terwijl
readymades wellicht vroeg of laat bij de oude rommel zullen terecht komen. ’
‘Misschien wel. Maar we kunnen niet blijven stilstaan bij wat de epigonen
van de epigonen nog produceren.’
‘Bij de hedendaagse kunst zijn we misschien ook al aan de epigonen van
de epigonen toe. Na de strontmachines en het pissen van actrices op de scène kan
die evolutie toch niet veel verder gaan? Veel van die moderne vormexperimenten en
strekkingen zoals ‘Minimal Art’ lijken me straatjes zonder eind.’
‘Je overdrijft, Dirk. Het is misschien wel waar dat het uiterlijke van
kunstwerken tegenwoordig belangrijker lijkt dan hun inhoud. Maar iets wat jij puur
design noemt, kan bij nader toezien toch een volwaardig kunstwerk blijken. Het kan
als een soort understatement een heel rijke inhoud verbergen.’
‘Wanneer het rookgordijn van de bluf waarmee het gepresenteerd werd
opgetrokken is, kunnen we misschien het ware gehalte aan kunst beter inschatten’,
gaf hij toe. ‘Maar creaties speciaal gemaakt voor verzamelaars en onbenulligheden,
zou ik eerder “pin art”, “trottoirkunst” of “pokerkunst” noemen.’
‘Maar het is soms erg moeilijk om onderscheid te maken tussen wat jij
“trottoirkunst” zou noemen en “Arte povera”, die niet altijd povere kunst is. Een
minimale vormgeving kan een zeer sterke expressie zijn van een belangrijke inhoud!’
‘Inderdaad. Ik voel ook wel iets voor “Arte Povera”, hoewel dat
gemakkelijk kan ontaarden en de deur wagenwijd openzet voor povere naäpers.
Maar de meer Amerikaanse ‘Minimal Art’, zoals die van Donald Judd en Sol LeWitt,
vind ik wel heel erg miniem, hoeveel exegese men er ook tegenaan gooit.’
‘En als je met “pin art” kunstwerken bedoelt die speciaal gemaakt worden
voor verzamelaars en musea, behoorde veel van wat nu volgens jouw definitie
volwaardige kunst is, oorspronkelijk tot dat soort. Veel Vlaamse schilderijen en
wandtapijten die naar Spanje en Oostenrijk uitgevoerd werden verdwenen in
koninklijke kabinetten en andere verzamelingen. Er zijn trouwens ook zoveel
tussenvormen en objecten waarin de ene toeschouwer jouw verschillende niveaus
kan zien en een ander alleen de pure vorm.’
‘Ik vrees dat de meerderheid der huidige kunstconsumenten vooral op dat
laatste focust. Wat ongetwijfeld een verarming is.’
‘Maar die evolutie zal jij niet tegenhouden!’ Ze had tussendoor nog enkele
toetsen aangeslagen en sloot nu haar computer af. Terwijl ze naar haar badkamertje
ging, begon ze zich al uit te kleden. ‘Je vergeet ook dat kunstenaars moeten
produceren en verkopen als ze willen in leven blijven. Kunst is ook koopwaar.’
‘De kunstconsumenten worden daarbij heel erg gemanipuleerd, en de
naam en faam van de maker spelen een overdreven rol. Voor Duchamp was het
voldoende dat hij een voorwerp in de publieke belangstelling bracht om het als kunst
te verkopen. "C’est le choix de l’artiste qui crée l’objet d’art’’. De prijzen worden ook
kunstmatig opgedreven, wat de appreciatie van de werken nog meer vervalst.’
‘Hedendaagse creaties moeten vooral origineel en spectaculair zijn, een
speciale visie, een andere kijk op de dingen brengen.’ Ze kwam helemaal naakt uit
het badkamertje en klauterde het trapje op naar haar duplex waar ze kleren uit de
open wandkast haalde. Ze trok een ragfijn behaatje en een sexy slipje aan en kwam
met een gebloemd rokje en een bloes over de arm terug naar beneden. ‘En het zijn
de kunstenaars, galeriehouders, musea, critici en andere autoriteiten die in een soort
consensus bepalen wat als belangrijke kunst moet worden beschouwd.’ Ze stapte in
het rokje, trok het omhoog en sloot met een vlugge beweging de rits. Daarna schoof
ze haar armen in de bloes die een zeer lage uitsnijding bleek te hebben, en ging zich
bekijken voor de spiegel in het badkamertje. Ze aarzelde of ze de bloes in haar rok
zou steken, maar liet die dan los hangen.
Diende de hele show om hem op te jutten? ‘Cockteasing’ om te zien of hij
zich wel aan de afspraak van een louter ‘culturele’ avond kon houden? Dirk bleef een
ogenblik sprakeloos toekijken. Dan reageerde hij een beetje verstrooid: ‘Maar die
appreciatie kan veranderen en zelfs helemaal omslaan in positieve of negatieve zin,
zoals bij Wiertz en Van Gogh. En het blijft nog steeds aan het individu om zich al dan
niet aan te sluiten bij de algemene consensus. Iedereen bepaalt soeverein voor
zichzelf of hij iets kunst vindt of niet. Voor mij is een pisbak nog altijd een pisbak, ook
al staat er een naam op geschilderd. Ofwel zijn alle pisbakken kunst! De geste van
Duchamp om het ding bij een kunsttentoonstelling te presenteren kan door sommigen
als kunst aanzien worden, maar voor mij is het eerder een ludieke zet van een
dwarsdrijvende schaker, die zijn zelfingenomen ‘progressieve’ collega’s een loer
gedraaid heeft. Die grap is aardig uit de hand gelopen en Duchamp heeft daar handig
gebruik van gemaakt om er nog meer …’
‘Kom, we gaan!’ onderbrak ze hem. ‘Ik heb honger gekregen. Je hebt toch
hapjes voorzien, of wordt het alleen maar cultuur?’
‘Ik heb een koude visschotel.’ Hij nam de hand die ze naar hem uitstak en
liet zich optrekken uit de zetel.
‘Dat is prima.’
Onderweg kwam Karin nog even terug op hun discussie: ‘Tijdens de
“Gouden Eeuw” kwamen de Haarlempjes, landschappen, zeegezichten, stillevens,
genrestukjes en dies meer ook soms terecht in verzamelingen van rijke kooplui in
plaats van individuele huizen te sieren…’
‘Er zou misschien een interessante studie te maken zijn over de
verschillende motivaties die de schilders ertoe brachten dit of dat genre te verkiezen.
Maar ik weet er te weinig over om me daaraan te wagen.’
‘Misschien de voorkeur van de kopers of gewoon omstandigheden?
Johannes Vermeer wist ongetwijfeld wat goed in de markt lag. Hij was namelijk ook
handelaar in kunst. Met zijn groot gezin was hij zeer welstellend hoewel hij maar een
paar doeken per jaar produceerde. Veel van zijn genrestukjes hadden een
moraliserende ondertoon. Soms kwam er zelfs een knipoog naar de toeschouwer bij
te pas. Veel van zijn mooie vrouwenfiguren situeerde hij in een door hem
gecomponeerd interieur. Hij bracht allerlei elementen en détails samen in een fraai of
betekenisvol geheel.’
‘Deed hij dat om voor zichzelf een momentopname van een soort
geïdealiseerde wereld te scheppen, of maakte hij zijn werk alleen maar zo mooi
mogelijk om goed te verkopen en hogere prijzen te scoren dan zijn collega’s?’
‘Dat weet ik niet. Hij had wel dure kleuren op zijn palet, en een paar zeer
rijke burgers hadden een echte verzameling van zijn werken. Waren dat dan
pincollecties of passen die doeken wel in je schema van vier niveaus?’
‘Daar hang je me een heel ander beeld op van Vermeer. Er stak dus wel
een boodschap in zijn werken, en ik projecteer er gemakkelijk een vierde niveau van
mij in. Ik kan hem meer dan een louter financiële motivatie toeschrijven bij het
scheppen van geïdealiseerde interieurs. Wat er achteraf ook met zijn werken
gebeurde.’
‘Maar kunnen de Russische oligarchen en de oliebaronnen niet eveneens
een vierde niveau zien in hun spectaculaire aankopen die jij puur design en
vormexperimenten noemt?’
‘Misschien.’ Karin scoorde hier blijkbaar een punt en daar ging hij nu liever
niet op in. ‘Misschien is er bij Vermeer een verscheidenheid aan motivaties te vinden
in de verschillende delen van zijn werk?’
‘Er is ongetwijfeld een evolutie te zien in zijn oeuvre. Hij begon met een
paar religieuze en mythologische thema’s, maar schakelde al vlug over naar
genrestukjes die blijkbaar vooral in het begin een moraliserende of zelfs ietwat
spottende connotatie meekregen. Later werden de decors waarin hij mooie
vrouwenfiguren situeerde vooral mooi en kwamen er zelfs enkele meisjeskopjes die
voor portretten kunnen doorgaan.’
‘Waaronder het prachtige ‘Meisje met de parel’. Een heel andere soort
‘Mona Lisa’! Waren dat misschien zijn fantasma’s die hij sublimeerde in schilderijen,
terwijl zijn vrouw opdraaide voor hun talrijk kroost en de huiselijke beslommeringen?’
‘Hij heeft, geloof ik maar één werk gemaakt met een zwangere vrouw
waarvoor misschien zijn echtgenote model stond. En na de vele vrouwen- en jonge
meisjesafbeeldingen kwam er nog een ‘Allegorie op het geloof’ die grotesk aandoet
en een mislukt schilderij wordt genoemd.’
‘Doorzag hij toen al de religieuze schone schijn en de woordenkramerij?’
‘De man is jammergenoeg niet erg oud geworden, en hij is arm
gestorven. Het Franse leger dat in de Nederlanden oorlog kwam voeren, ruïneerde
hem en hij bestierf het.’
‘Dat was Lodewijk de Veertiende zeker? “Le Roi Soleil” die besliste dat
Frankrijk recht had op natuurlijke grenzen en die alles wat langs zijn kant van de Rijn
lag, wilde inpalmen?’
‘Om daarmee ook een hoop rijke onderdanen binnen te halen die hem
belastingen zouden betalen!’
‘Misschien was dat wel de voornaamste bedoeling. Maar hij veramde
Frankrijk heel erg door zijn oorlogen, en zijn opvolgers hebben daar de nefaste
gevolgen van moeten dragen.’
Aangekomen aan zijn appartement, reed Dirk weer de keldergarage
binnen. Daar kon nog gelegenheid zijn voor een stoeipartijtje achteraf, indien Karin in
zijn appartement haar ‘cockteasing’ wat verder zette. Ze waren ruim op tijd voor het
tv-programma en ze verkoos onmiddellijk de koude schotel aan te spreken. Ze liet het
zich smaken, maar bleef matig met de wijn. Dirk begon intussen te vertellen wat hij
‘sedert zijn telefoontje’ over Turandot en de opera opgezocht had.
Daarna gingen ze in de brede sofa zitten tegenover de tv en Dirk liet
daarbij een beetje plaats tussen hen beiden: genoeg om niet direct lichamelijk contact
te hebben, maar toch dicht genoeg om dat toe te laten indien toenadering mogelijk
werd. Hij had de glazen en de wijnfles meegenomen naar het salontafeltje, maar
Karin had ‘neen’ geschud toen hij haar glas had willen vullen.
Gelukkig waren er ondertitels, waardoor ze het verhaal beter konden
volgen. Het eerste bedrijf begon zeer sterk. In korte tijd werden de verschillende
hoofdrolspelers en de kern van het drama voorgesteld. Dirk kon niet nalaten dat op te
merken en Karin beaamde dat het blijkbaar een goed libretto was. Ze keek en
luisterde heel aandachtig. Toen hij tijdens de korte pauze na het eerste bedrijf zijn
eigen glas vulde, schoof ze toch ook haar glas naderbij. Ze vond dat Calaf zijn
beslissing om zijn leven op het spel te zetten maar zwakjes verantwoordde, niet
alleen tegenover de gekke clownachtige Ping, Pang en Pong die hem voor
krankzinnig uitscholden en lachten dat hij wel honderd andere vrouwen kon krijgen,
maar vooral tegenover zijn vader en Lioe: die zouden van zijn hulp verstoken blijven
indien hij faalde. ‘In een film zou zijn “coup de foudre” wel veel aannemelijker kunnen
gemaakt worden dan wanneer alles met aria’s moest uitgedrukt worden’, verdedigde
Dirk Calaf en Puccini. Het was nu eenmaal opera.
Wanneer de lieve Lioe in het tweede bedrijf haar hart uitstortte in een zeer
gevoelvolle aria en daarvoor een ovatie kreeg van het publiek, gaf Karin geen
commentaar. Maar toen Turandot halsstarrig weigerde zich neer te leggen bij de
overwinning van Calaf, vond ze dat die haar standpunt met verve kon verdedigen.
Het derde bedrijf begon onmiddellijk met dramatische actie én met een
mooie aria gezongen door een onzichtbaar koor, waarin het thema van ‘Nessun
dorma’ al ‘en sourdine’ aangebracht werd. De krachtige stem van Calaf kwam dan
het thema overnemen. Het wàs een prachtige aria en dankzij de ondertitels kon Dirk
nu lezen wat de dappere prins zong. Zelfzeker zou hij met zijn liefde de ijskoude
Turandot voor zich winnen. Niemand zou zijn geheim te weten komen. Hij zou zelf de
stilte verbreken en met een vurige kus zijn naam bekend maken bij het verdwijnen
van de nacht. Karin vond het ook een prachtige aria en een zeer sterk begin van dat
bedrijf. Maar daarna grinnikte ze weer om Ping, Pang en Pong die Calaf nu
probeerden te overtuigen de stad te verlaten vooraleer Turandot haar frustraties zou
botvieren op hen en op de bevolking. Ze trachtten hem andermaal af te leiden met
wel honderd lenige vrouwenlichamen, waarvan er enkele prachtige exemplaren
opgevoerd werden. ‘Heel wat aantrekkelijker dan de diva in de rol van Turandot!’
deed Karin een beetje ironisch. Lioe pleegde ook op een zeer onwaarschijnlijke
manier zelfmoord wanneer ze ondanks de even irreële folteringen de naam van Calaf
niet wilde bekendmaken. Maar dat moesten ze in de operacontext allemaal voor lief
nemen, vond Dirk.
Toen hij na de slotscène voorzichtig waagde ‘dat de liefde overwon’,
reageerde Karin erg nuchter: ‘In de opera toch. De vrouwelijke reactie van Lioe op de
glimlach van Calaf was in elk geval veel subliemer dan die van de grootmogol op de
glimlach van Granaatappelbloesem!’
‘Het is natuurlijk maar opera met sterk opgedreven symboliek, maar in
plaats van Lioe had Turandot best wat foltering verdiend voor de vele vermoorde
pretendenten. Calaf had haar gerust eens grondig onder handen mogen nemen!’
‘Dat was sterker dan haarzelf, door de verkrachting en de moord op een
van haar tantes of grootmoeders! Bovendien wisten die mannen welk risico ze
aangingen wanneer ze achter haar aan zaten!’
‘Een man die een vrouw begeert en tracht haar te veroveren, verdient
daarom de doodstraf niet als hij te licht bevonden wordt!’
Dat dreigde de sfeer een beetje te verbrodden. Dirk betreurde dat hij nooit
aan troetelnaampjes of verkleinwoordjes gedacht had voor Karin. Dat kwam wellicht
omdat hij niet neerbuigend had willen doen, zelfs al moest hij haar wat in
bescherming nemen. Nu zou het een oplossing geweest zijn indien hij haar had
kunnen vastnemen en ‘Katja’ noemen, of ‘Karinka’ of om het even wat. Hij
veranderde dan maar van onderwerp en stelde voor dat ze voortaan wel af en toe
samen naar een opera, naar toneel of naar de bioscoop konden gaan: een avond in
de week reserveren voor culturele activiteiten. Karin antwoordde nuchter dat het zou
afhangen van de kwaliteit van de aangekondigde vertoning en dat het vooral zou
moeten passen in haar bezigheden. Dirk dacht dat het werk met haar
doctoraatsthesis toch gemakkelijker aan te passen was dan vooraf vastgestelde uren
en dagen van vertoningen, maar moest vrede nemen met deze halve toezegging.
Ze wilde daarna niets meer eten of drinken. Dirk probeerde nog een
discussie te beginnen: ‘Naast de “schoonheid” die onder om het even welke vorm
onze gevoelens kan aanspreken, zijn er ook een soort van “regels” die stipuleren wat
in een bepaalde kunstvorm voor mooi gehouden wordt’, begon hij. ‘En die zijn
blijkbaar heel verschillend voor film en opera.’ Maar ze had er geen oren naar en
vroeg om naar haar studio terug te keren. Een beetje teleurgesteld stemde hij
daarmee in en ze daalden af naar de garage. Eenmaal in de auto wilde hij de laatste
kans nog benutten en zei dat ze beter hier konden afscheid nemen dan in de straat
voor haar deur. Ze liet zich omarmen en reageerde eerst positief op de tongkus die
hij zo lang mogelijk aanhield. Maar dan duwde ze hem zacht van zich af: ‘Vandaag
was het ons alleen maar om de kunst te doen, Dirk. Louter platonisch!’
‘Is daar een reden voor?’
‘Tijdens onze “huwelijksreis” waren alle excessen toegelaten. Maar nu
moeten we ons wat meer “normaal” gedragen!’
‘Huwelijksreis?’ deed hij verwonderd.
‘Nou ja. Het zijn zowat wittebroodsweken geweest, wel zonder huwelijk
maar toch met een soort relatie tot gevolg.’
‘En wat is normaal? Ik dacht dat we een paar maal in de week …’
‘Het mag geen routine worden. Een beetje abstinentie scherpt het
verlangen!’ ontweek ze zijn vraag.
‘Wanneer zie ik je dan terug?’
‘Midden volgende week? Misschien zouden we best voortaan een vaste
dag uitkiezen voor onze wekelijkse ontmoeting?’
‘Misschien wel’, gaf hij aarzelend toe, hoewel hij niet goed inzag waarvoor
dat nodig was en zich afvroeg of dat dan geen routine was. Hij startte de wagen en
ze reden naar haar appartement. Karin zei nog dat ze het een fijne avond gevonden
had. Dirk wist niet goed wat daarop te antwoorden en knikte alleen maar. Voor ze
uitstapte kreeg hij nog een vlugge kus en zei ze: ‘Tot woensdagavond dan!’
Dirk knikte opnieuw. Hij wachtte nog om door te rijden tot ze zonder
omkijken in het huis verdween. Waarom was ze nu opeens zo ‘platonisch’? Ze had
eerst een hele show opgevoerd alsof ze hem wilde opjutten en daarna hield ze de
boot af. Had hij feller moeten aandringen? Of zou ze dan heel verontwaardigd
gedaan hebben? Was haar manische periode misschien voorbij zonder dat er een
depressie op volgde?
Het was toch niet omdat hij helemaal vergeten was haar een cadeau te
kopen als aandenken? Ze had niets meer gezegd over de ‘beloning’ die ze verwacht
had na de reis en door dat einde in mineurstemming was hij het zelf ook helemaal
vergeten. Dat was iets wat hij nog goed kon maken. Misschien liefst zo vlug mogelijk.
Ontgoocheld en verward keerde hij terug naar zijn appartement, dronk de
rest van de wijn uit en kroop in bed. Terwijl hij insliep realiseerde hij zich vaagweg dat
hij zelf ook niet voor een lieve Lioe koos maar voor een onhandelbare Turandot.
61
De volgende morgen werd hij heel laat wakker. Het was al bijna middag
en het regende. Hij had gedroomd dat hij als een Tartaarse prins aan het
rondzwerven was op een bloeiende purperen heide. Hij hakte met zijn zwaard in het
rond tot hij een open plekje had waar hij zich kon neervlijen. Grote lenige hagedissen
kwamen om hem heen lopen, net als de soepele vrouwen uit de opera. Ze lieten zich
gemakkelijk vangen. Stopte hij ze in een reusachtig terrarium? De mooie exotische
dieren lieten zich rustig bekijken en strelen.
Als kind had hij hagedissen gevangen in het stukje wildernis tussen een
kanaal, een riviertje en een spoorwegberm, in een verre uithoek van het dorp. In het
voorjaar wanneer ze pas uit hun winterslaap kwamen, waren de koudbloedige
diertjes nog niet zo vlug als tijdens de warme zomermaanden. Af en toe lukte het
hem dan er een te verschalken. Hij stopte die thuis in een zelfgemaakt terrarium en
ving er vliegen en spinnen voor en zocht in de tuin naar kleine regenwormen. Maar
de vlugge ‘krokodilletjes’ slaagden er na enige tijd in om te ontsnappen. Zijn
lievelingsdiertjes bleven liever niet in zijn terrarium.
Hij had Karin ook willen strikken terwijl ze in minder goede conditie was.
Zou ze hem eveneens ontsnappen? Maar dat was niet de enige associatie die volgde
op zijn droom. In een belangrijke juwelierszaak had hij ooit een zilveren broche
gezien: een elegant kronkelend hagedisje versierd met wat kleine diamantjes. Zou hij
misschien zo een broche kopen voor Karin? Het resultaat van de reis was niet van
die aard dat ze een duur souvenir verdiende, maar misschien kon het haar gedrag
beïnvloeden naar de toekomst toe.
Hij bereidde een brunch met de bedoeling tegen de avond terug op
restaurant te gaan. Maar wat zou hij doen in de namiddag? Nadat hij gegeten had en
de tafel had afgeruimd wist hij nog steeds niet wat hij zou doen, maar hij ging naar
beneden in de garage en startte zijn wagen. Hij reed naar de kant van de stad waar
Karin woonde, reed wat rond in die wijk en parkeerde ten slotte zijn wagen in haar
straat, op een zekere afstand van haar studio. Het regende nog steeds en hij moest
af en toe de ruitenwissers aanzetten om het huis waar ze woonde goed te kunnen
zien. Het was maar nadat een paar voorbijgangers wat nieuwsgierig in zijn auto
gekeken hadden dat hij begon te denken dat Karin misschien ook op stap was en
hem kon betrappen. Hij reed langzaam weg, toerde nog eens rond het huizenblok
van haar studio en reed dan naar de Schelde om er in het restaurant van het
Zuiderterras naar de rivier en de regen te zitten kijken en een paar ‘Koninckskes’ te
drinken.
Op een van de rijnbakken die voorbijvoeren stond een vrouwennaam. Hij
herinnerde zich de vrouwen die in zijn leven waren voorbijgedreven en een uitspraak
van een zoöloog die vaststelde dat hij in zijn voorkeur voor vrouwentypes geen vast
patroon kon ontdekken. Terwijl relatiedeskundigen wel vaststellen dat mensen na een
scheiding dikwijls terugvallen op een zelfde type partner. Maar Karin was heel anders
dan Ludwina. Misschien had hij in haar een tweede Hildeke gezien. Maar ook die
vergelijking ging niet helemaal op. Het beste wat hij nu doen kon was volharden en
de praktijk laten uitwijzen wat ervan terecht zou komen.
Hij reed daarna naar de andere kant van de stad om de vitrines van de
gesloten juwelierszaak te bekijken. Er lag geen hagedisje tussen de uitgebreide
verzameling juwelen. Maar misschien zou hij er morgen toch eentje kunnen bestellen.
Hij ging in een ietwat duurder restaurant een uitgebreid avondmaal nemen en bracht
daarna de rest van de avond thuis door voor de Tv.
De volgende dag maakte hij zich een uurtje vrij om naar de
juwelierswinkel te gaan. Na wat zoeken in de vele laden vond de man een broche
met een hagedisje. Ze viel wat duur uit, maar ze was erg mooi. Het beestje kronkelde
mooi sensueel. De stand van zijn pootjes suggereerde dat het aan het kruipen was.
Hopelijk zou dit geschenk de zwakke band die hen verbond wat kunnen
verstevigen.
62
Toen hij Karin de woensdagavond ging afhalen, had ze het jeanspakje
aan dat ze in Scandinavië een paar maal gedragen had. Wou ze herinneringen
oproepen? Hij wilde haar in elk geval zelf herinneren aan de reis. Net zoals ze hem
de vorige maal met haar ‘onschuldige’ striptease toch zeer expliciet uitgedaagd had,
wou hij haar nu uitdrukkelijk confronteren met het rendiervel. Hij had het in een hoek
van de woonkamer gelegd en daar kon ze zeker niet naast kijken.
Maar ze deed alsof ze het niet zag liggen wanneer ze even rond de
woonkamer wandelde. Ze merkte wel dat ‘De schepping’ van Michelangelo nu in een
hoekje hing en vervangen was door de ets van Luc Claus waarop een grote vogel
met lang uitgerekte hals een nachtelijke roep lijkt uit te stoten naar een maan met
donkere halo errond. ‘Ja, ik heb dat machogedoe de plaats gegeven waar het thuis
hoort: in de hoek’, beantwoordde Dirk haar opmerking. En dan een beetje ironisch: ‘Ik
identificeer mezelf eerder met een eenzame lunatieker dan met een bodybuilder die
zich gemaakt waant door een god.’
‘Het is wel een zeer mooie ets’, negeerde ze zijn insinuatie.
‘Toen ik het werk van hem kocht, zei Claus: “Een lijn trekken is niet
moeilijk, maar het komt erop aan lijnen te trekken die leven.” En die vogel lééft!’
‘Maar Adam en God de Vader en zelfs dat poedeltje van een Eva léven
ook in dat werk van Michelangelo!’
‘Ja, maar ze leven in een wereld die mij vreemd is.’
‘Er zijn inderdaad heel veel verschillende werelden.’ Ze keerde terug naar
de kant van de woonkamer waar de tafel gedekt stond. Dirk beduidde haar met een
handgebaar te gaan zitten, opdat ze het kleine doosje zou zien dat naast haar bord
stond.
Hij had weer een schotel paella voorzien, maar die moest eerst nog in de
microgolf. Hij schonk intussen twee glazen kir in als aperitief. Toen pas zag ze het
doosje. Ze keek verwonderd naar Dirk.
‘Ik heb wat moeten zoeken vooraleer ik vond wat ik je als aandenken van
de reis wilde geven, Karin.’
Ze opende het doosje en aan haar gezicht te zien vond ze het een zeer
mooi geschenk. Maar zo kostbaar dat ze het alleen bij uitzonderlijke gelegenheden
zou kunnen dragen, zei ze. ‘Om naar de opera te gaan’, suggereerde Dirk. ‘Of op
restaurant.’
Ze nam het zilveren hagedisje in de hand. ‘Zijn het echte diamantjes?’
wees ze op de kleine edelsteentjes. Dirk haalde het certifaat boven dat de juwelier
ondertekend had.
Had hij niet wat overdreven met zo’n duur geschenk?
Zeker niet. De reis met haar was toch een heel bijzondere ervaring
geweest. En daar was hopelijk een blijvende vriendschap uit voortgekomen?
‘Het was inderdaad een heel bijzondere reis’, beaamde ze, legde de
broche terug en liet het open doosje naast haar bord staan. Dirk ging de paella uit de
microgolf halen. Ze beperkte zich tot een glas wijn, maar deed zich wel tegoed aan
de paella. Ze was tijdens de reis wat vermagerd en mocht zich nu wat ‘kleine
excessen’ permitteren.
En dan vertelde ze opeens dat er binnenkort een mooi schilderij zou
hangen in haar studio. Ze merkte gelukkig niet dat Dirk even schrok en vertelde
verder dat de schilder van het gelijkvloers af en toe op bezoek kwam bij haar 'om te
zien of ze nog leefde'. Hij bleef dan een beetje praten en zei telkens dat ze meer van
het leven moest genieten en zich niet mocht opsluiten. ‘Na een eerste bezoek al heeft
hij gevraagd of ik niet wilde poseren, omdat ik soms zulke mooie kleurschakeringen
heb in mijn kleren, die zo goed passen bij de rossige schijn van mijn haar. Mijn
gezicht vindt hij erg geschikt voor een doek à la Paul Joostens.’ 21
‘En daar ben je op ingegaan?’ Dirk was eerst wat opgelucht toen hij
hoorde dat het niet om het schilderij van die Karel ging, maar ergerde zich toch bij de
gedachte dat ze zich zou laten verleiden om te poseren.
Ze had al een paar maal geposeerd met de opschik die ze zelf het best
geschikt vond voor haar portret. Het was dan toch geen naakt, dacht Dirk enigszins
gerustgesteld. Het was heel prettig geweest. Het gaf haar een speciale kick zo intens
en langdurig bekeken te worden, zei ze.
‘En wordt het iets herkenbaars of iets heel moderns?’
‘Herkenbaar. Hij heeft al heel origineel werk gemaakt.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik heb zijn fotoboek gezien.’
Ook dat nog, dacht Dirk, maar hij zweeg.
‘Je zult het resultaat wel zien als het doek af is. Ik krijg het cadeau als een
talisman voor mijn “tweede leven”.’
Dirk kon daar onmogelijk enthoesiast op reageren. Het lag er vingerdik op
dat die man aan het proberen was haar binnen te halen. Was het daarom dat hij zelf
21
Antwerpse schilder (1889-1960). Maakte deel uit van de Belgische avantgarde met collages en dadaïstische assemblages. Experimenteerde met cubisme
en een vorm van abstract schilderen. Beïnvloed door de dichter Paul Van
Ostayen schreef hij ook vreemde gedichten. Op latere leeftijd takelde hij
af en schilderde vrouwenfiguren en portretten die hij zijn 'poezeloezen'
noemde.
maar om de week mocht komen? Het gesprek viel een beetje stil en Dirk begon te
beseffen dat zijn duur geschenk een slag in het water was. Met wat verf op een doek
te smeren bereikte die schilder op een heel goedkope manier minstens evenveel.
‘Ik heb het rendiervel klaar gelegd als een herinnering aan de reis’, zei hij
dan schijnbaar terloops. ‘Verkies je het bed of dat?’
‘Ik denk dat ik het bed verkies’, antwoordde ze even zakelijk. Dirk ging
haar voor naar de slaapkamer en draalde een ogenblik tot hij zag dat ze zich begon
uit te kleden zonder te wachten op zijn hulp. Hij volgde dan haar voorbeeld, trok het
deken weg en haar omarmend ging hij met haar neerliggen.
‘Cette fois-ci je préfère que tu me fasses l’amour’, zei ze en sloot de ogen.
Achteraf leek het hem alsof hun relatie routine zou worden, met
sporadische vooraf geplande ontmoetingen. Dat was geen prettig vooruitzicht. Terwijl
hij Karin terugbracht naar haar studio, probeerde hij haar te overhalen om op zijn
appartement af en toe samen films van Jean-Luc Godard te bekijken. Hij had er
enkele geregistreerd en van de overige kon hij wel een cassette of een dvd ontlenen
in de bibliotheek. Bij gelegenheid kon dat wel, antwoordde ze ontwijkend, maar toch
liever niet systematisch de hele reeks. Dat zou ze ongetwijfeld kotsbeu worden.
Aan haar studio gekomen vroeg Dirk: ‘Tot volgende week woensdag dan,
Karin?’ Ze knikte, nam afscheid met drie vlugge kusjes en haastte zich naar binnen.
63
Karin had hem blijkbaar netjes geparkeerd in een deeltje van haar leven
en hield de rest vrij 'voor eigen gebruik'. Die doctoraatsthesis was vooral een goed
excuus om pottenkijkers op afstand te houden. Werkte ze daar elke dag aan? Wat
deed ze ‘s avonds? Poseren en flikflooien met haar schilder?
De vrijdagavond, toen hij aan het denken was met welk voorwendsel hij
haar kon contacteren of hoe hij anders het weekend zou doorkrijgen, kreeg hij
opeens een telefoontje. Ze zei dat ze alleen behoefte had om wat te babbelen, maar
hij hoorde aan haar stem dat er iets scheelde. Hij hield haar aan de praat tot ze hem
toch voorstelde naar haar studio te komen voor een koffie of een glas wijn. Daar ging
hij natuurlijk graag op in. In een minimum van tijd was hij bij haar met wat kaas uit zijn
frigo en een pas geopende fles rode wijn.
Ze had een joggingpak aan - wat hem nogal ongewoon leek - en er stond
een halve fles rode wijn op tafel met kaas en brood. Hij zette er zijn fles en kaas
naast en zei: ‘een goed avondvullend programma.’ Ze lachtte en liet zich gewillig
omarmen voor een lange kus. Ze had blijkbaar al een glaasje op.
Ze had de schilder van beneden verwacht, zei ze dan. Maar die was zich
waarschijnlijk ergens aan het bezatten in de stad en ze had geen zin om alleen te
blijven zitten. Ze merkte dat Dirk wat moeite had om die informatie te plaatsen en
begon dan maar het hele verhaal.
Bij een vorige poseersessie had de schilder wat te veel jenever gedronken
en was een beetje uit zijn evenwicht geraakt. Het ging niet goed meer om verder te
schilderen, zei hij en hij wilde graag een paar schetsen maken met andere poses.
Met naakte tors. Ze had toegegeven en hem een paar tekeningen laten maken van
haar naakt bovenlijf. Toen ze daarna wilde weggaan, was het een beetje uit de hand
gelopen. Hij had zijn deur gesloten en was er met zijn rug gaan tegenstaan. Hij wou
haar maar laten gaan als ze eerst wat met hem wilde vrijen. Hij had zijn broek laten
zakken en zijn stijve penis wat op en neer gezwaaid. Ten slotte had ze hem
gestimuleerd tot hij ejaculeerde.
‘En dié man zou je hier vanavond weer ontvangen hebben?’ vroeg Dirk,
nu met duidelijke ergernis.
‘Maar sindsdien ga ik niet meer poseren bij hem. Hij moet mijn portret nu
maar verder alleen afmaken, en wanneer hij naar hier komt, laat ik hem maar binnen
als ik merk dat hij niet bedronken is.’
Blijkbaar was ze door het wegblijven van die kerel onrustig geworden. ‘Je
neemt toch grote risico's. Dat kan een escalatie worden zonder einde.’
‘Helemaal niet. Ik masturbeer hem in mijn keukentje met zijn rug tegen de
ijskast en met de deur van mijn studio op een kier.’
‘En waarom is hij nu niet gekomen?’
‘Als hij op de zuip gaat, weet je nooit wanneer hij terug thuis komt. Ik laat
hem alleen maar binnen wanneer ik dat zelf wil en wanneer hij nuchter is. Maar als hij
een andere vrouw ontmoet op zijn tocht of ergens in een café blijft hangen, komt hij
helemaal niet.’
Als ze kat en muis speelde met die kerel zat ze natuurlijk zelf met
behoorlijk wat nerveuze spanning wanneer hij achterwege bleef. Dirk realiseerde zich
dat hij nu misschien zelf kon profiteren van die situatie. Toch kon hij niet nalaten te
vragen: ‘Hoe kun je je zo laten gebruiken?’
‘Ik gebruik hem nu meer dan hij mij. Alleen in het begin is het een beetje
moeilijk geweest. Maar dat gaf ook wel een kick. En nu heb ik alles onder controle.’
‘Alles? En waar is hij nu? Met mij kun je afspraken maken. Van mij krijg je
tenminste menselijke warmte. Als je leeft met periodische intense kicks die je zelf niet
onder controle hebt, die niet goed geïntegreerd zijn in je leven, kan je gedurende de
“dode tijd” tussenin niet veel meer doen dan zitten wachten en de tijd verdrijven of
verdrinken!’ Dat ze hem zelf nu misschien ook alleen maar ‘gebruikte’, krenkte Dirk
erg. Hij zag hun ontmoetingen helemaal niet als elkaar ‘gebruiken’.
‘Met jou is het inderdaad helemaal anders. Mijn lichaam vindt het best
prettig als je met me vrijt. Het doet me goed. Maar hij geeft me een heel andere kick.
Bovendien heeft hij beloofd me mee te nemen naar een schildersorgie op het atelier
van een vriend, waarbij verschillende figuranten helemaal beschilderd worden terwijl
er films en foto's gemaakt worden.’
‘Ga je meedoen met zoiets?’
‘Het is anoniem, hoor! In het begin draagt iedereen een masker. De
gezichten komen pas op de film wanneer ze helemaal onder de verf zitten. Ik wil dat
graag eens meemaken en zien wat daar allemaal gebeurt.’
‘Dan kan je ook nog met drugs gaan experimenteren en binnen afzienbare
tijd ergens in een privéclub geraken waar je helemaal geen controle meer hebt over
wat er met je gebeurt!’
‘Je overdrijft.’
‘Ik ben bezorgd om je, Karin.’
‘Ik kan niet overweg met die bezorgdheid. Ik ben volwassen. Ik wil mijn
eigen leven leiden en zelf beslissen wat ik doe en laat! Of mag ìk misschien niet zelf
beslissen welke soort relatie ik verkies?’
‘Natuurlijk wel. Maar …’
Toen hoorden ze het lawaai van de schilder die thuiskwam en een paar
maal iets onverstaanbaars riep beneden aan de trap. Karin beduidde Dirk zich stil te
houden, en de schilder trok zich na een poosje terug in zijn studio.
‘Die zal ik in de eerste dagen niet terugzien’, zei Karin. Ze ging naar de
tafel en schonk wijn uit haar fles in beide glazen. Ze gingen zitten en begonnen aan
de geïmproviseerde kaastafel.
‘Met een betrouwbare partner in een liefdevolle relatie kun je veilig
experimenteren en grenzen verkennen. De wederzijdse gevoelens maken daarbij
alles veel intenser’, herbegon Dirk,
‘Inderdaad. Maar risico en een beetje angst geven ook een enorme kick.’
‘Wanneer het gevoel meespeelt in een liefdevolle relatie, kan je een
hogere intensiteit van extase bereiken op een minder agressieve manier, terwijl je
met een vreemde niet weet waar het ophoudt! En je voortdurend heviger prikkels
moet zoeken wanneer je het alleen maar om de sensatie doet!’
‘Er moet wel heel wat te beleven zijn wanneer je vrij bent te kiezen en niet
voortdurend rekening moet houden met een partner en met gevoelens en
gevoeligheden. Het aangaan van een nieuwe relatie biedt telkens de kans op totaal
nieuwe sensaties en ervaringen.’
‘En wat doe je met de pijn die je veroorzaakt of zelf moet incasseren
wanneer je die relatie afbreekt of zelf afgedankt wordt?’ Dat had ze met die Karel
toch zelf ervaren.
‘Men betaalt voor alles wat men krijgt of neemt. Maar als men het aandeel
van de gevoelens zo laag mogelijk houdt, is die pijn wel minder’, deed ze alsof ze de
allusie niet begreep.
‘Dan krijg je ook veel minder. Waarom scherm je je nu zo af voor
gevoelens? Dat kan niet alleen de schuld zijn van die Karel.’ Omdat ze daar niet op
antwoordde, insisteerde hij: ‘Ik geloof niet dat je er goed aan doet dat alles onder het
tapijt te vegen. Bovendien kan je andere mensen niet beletten wèl gevoelens te
investeren in de relatie.’
‘Dat is dan hùn probleem’, zei ze kort en hard.
‘Je weet toch even goed als ik dat mensen die een relatie aangaan zeer
kwetsbaar zijn en dat het zich kan herleiden tot een kwestie van pure macht indien er
niet van beide kanten oprechte gevoelens bij te pas komen.’
‘Zelfs dan nog kan diegene die het minst verliefd is, misbruik maken van
de andere.’
‘Dat heb je inderdaad zelf meegemaakt, terwijl je in het begin de hele zaak
vrij nuchter leek te bekijken.’
‘Inderdaad. Maar toen hij me echt begon het hof te maken, zag het
ernaaruit dat hij een permanente, monogame relatie wilde. En voor het onervaren
domme gansje dat ik toen was, was het een enorme sensatie zo’n ervaren vrijer in
mijn studio te hebben.’
‘En indien die relatie niet stuk gegaan was? Indien het werkelijk een
monogame relatie was geworden?’
‘Dan was ik ongetwijfeld een brave monogame echtgenote geworden.’
‘Een gelukkige moeder met kinderen …’
‘Zeer waarschijnlijk. Maar nu ben ik een andere weg opgegaan. We zullen
zien wat er komt.’
‘Ik hoop dat je daarna tot andere inzichten komt!’
‘Dat is niet uitgesloten. Maar voorlopig wil ik eerst die weg wat volgen.’
‘Misschien kan ik een stukje meegaan?’ hoorde Dirk zichzelf zeggen. Hij
stond op en ging achter haar stoel staan. Hij gleed zijn beide handen in haar bloese
en zij greep met een hand naar zijn gulp. Ze voelde dat hij een erectie had. Ze stond
op en trok hem in de dichtstbije zetel.
Toen hij na middernacht afscheid van haar nam bij de deur van haar
studio zei hij nadrukkelijk: ‘Tot woensdag, Karin!’
‘Eigenlijk heb je je beurt al gehad, Dirkje’, protesteerde ze een beetje pro
forma.
‘Dat was uitzonderlijk: ambulante nazorg’, gekte hij. ‘Je mag me trouwens
altijd oproepen voor dergelijke interventies!’ Hij voelde zich weer wat zekerder van
zijn stuk. ‘En woensdagavond is er met Jean-Luc Godard eerst een beetje kunst en
cultuur!’
‘Psychologen zijn vooral sterk in rationalisaties!’ antwoordde ze en duwde
hem gemaakt heftig maar lachend in de traphal.
‘Ik kom je halen rond achttien uur!’ kon hij nog juist antwoorden vooraleer
ze de deur sloot. Aan de buitendeur aarzelde hij even of hij niet eens bij de schilder
zou aankloppen om met hem te praten, om te vragen naar het portret dat hij van
Karin maakte. Maar dan oordeelde hij het toch beter wat afstand te bewaren
tegenover die kerel. Het was ook beter dat Karin voortaan bij hem kwam.
64
De volgende morgen werd hij heel laat wakker. Hij stond met tegenzin op
en trok het gordijn open: een melancholische augustushemel als uit zijn
jeugdherinneringen, met zon en traag voorbijschuivende wolken. Op de vensterbank
leunend bleef hij er even naar kijken. Hoe zou hij de dag weer doorkrijgen? Zou de
rest van de zomer nu zo nodeloos voorbijgaan? Uitkijkend naar wat?
Waar kon hij naartoe gaan? Weer naar zee? Of naar de Ardennen? Op
zijn eentje gaan kayakken op een van de zijriviertjes van de Maas? Gaan wandelen
over de hoge Scheldedijken? Of een paar dagen naar Parijs om te zien wat daar
momenteel op kunstgebied te beleven viel?
Het was beter dat hij bereikbaar bleef en er niet twee dagen lang op uit
trok. Karin kon hem onverwacht opbellen. Waarom kon ze niet met hem voor een
weekend naar Parijs gaan of naar Londen of Amsterdam, zoals ze met die Karel
gedaan had?
Hij zou ook naar de bibliotheek kunnen gaan en weer boeken beginnen
lezen. Voor hij naar de universiteit trok was hij een echte boekenwurm. En sindsdien
waren er heel wat romans verschenen die hij zich voorgenomen had later ooit te
lezen. Zou hij daarmee nu de rest van de zomer doorbrengen? Hij kon op een
duintop zitten lezen of in een park of in een bos. Alleen bij regenweer bleef hij beter
thuis of ergens binnen. Hij kon ook de films van Godard bekijken om wat commentaar
voor te bereiden vooraleer hij die samen met Karin zag. Maar dat was zo’n stroeve
karwei dat hij er liever niet aan begon.
Hoe zou het nu met die Karel zijn? Waarschijnlijk had hij al contact met
haar opgenomen. Waarom had ze daar nog niets over gezegd? Zou hij hem zelf niet
eens uitnodigen voor een gesprek? Ze zaten een beetje in hetzelfde schuitje nu. Hoe
zou hij de breuk met haar verwerkt hebben?
Hij had geen honger genoeg om te ontbijten en besloot op een terrasje te
gaan zonnen met een speciaal biertje om daarna weer op restaurant te gaan.
Er was nogal wat volk op de been en op alle zonnige terrassen waren de
tafeltjes druk bezet, zodat hij vrede moest nemen met een plaatsje langs de
schaduwzijde van het plein. Het deed hem goed tussen de mensen te zijn.
Zijn glas was al een poosje leeg toen de dienster wat lang draalde en hem
aankeek terwijl ze iets bracht aan het tafeltje naast hem. Hij hief zijn glas dan maar
een beetje op en knikte. Ze lachte en knikte terug. Het was waarschijnlijk een
studentinnetje. Toen ze het tweede glas bracht, rekende hij af en gaf haar een
overdreven fooi. Ze trok haar wenkbrouwen op en hij zei: ‘Studenten hebben altijd
geld tekort’. Hij had blijkbaar goed geraden want ze dankte hem zeer nadrukkelijk en
ging lachend weg. Indien hij erop uit geweest was haar te versieren zou hij nog een
derde glas gedronken hebben en weer dezelfde fooi gegeven hebben. Maar hij
besefte dat hij dat beter niet deed. Het zou hem hinderen in zijn relatie met Karin en
hij moest die niet nog ingewikkelder maken dan ze al was. Toen zijn glas uit was,
stapte hij op.
Het was natuurlijk Karin die nu van zijn leven zo’n warboel maakte. Indien
hij voldoende aan zijn trekken kon komen, zou hij verdragen dat ze er die schilder bij
nam voor wat ogenblikken van sensatie. Maar die schildersorgie waar ze wilde aan
meedoen was een al te gevaarlijk experiment. Daar moest hij haar zeker voor
behoeden. Maar hoe? En hoe kon hij de volgende woensdagavond inkleden zodat
het meer werd dan een partijtje neuken? Met een film van Jean-Luc Godard? Hij
moest haar in elk geval duidelijk maken hoezeer hij haar centraal wilde stellen in zijn
leven. Niet uitsluitend als een lustobject, maar als een persoon, helemaal. Misschien
moest hij haar af en toe eens opbellen, alleen maar om wat met haar te babbelen.
Toen hij aan tafel zat in een restaurant waar hij soms met interimgrietjes
gekomen was, vroeg de dienster waarmee hij vroeger af en toe een grapje maakte:
‘Niet op vakantie?’
‘Al geweest’, antwoordde hij ontwijkend. Ze sloeg de kaft van de spijskaart
open en wees hem in het lijstje van de specialiteiten op Provençaalse parelhoen: ‘Die
is vandaag bijzonder lekker’, zei ze. En dan wat stiller: ‘Ik heb er zelf al van geproefd.’
‘Oké dan maar. Met een karafje wijn van het huis en de soep van de dag!’
Terwijl ze de spijskaart terugnam, lachte ze nog: ‘Weduwnaar voor de rest
van de vakantie?’ Dirk aarzelde even met zijn antwoord en ze bleef hem aankijken tot
hij toegaf: ‘De vakantie is elk jaar wel een moeilijke periode.’
‘Er zijn mogelijkheden om die te overbruggen’, zei ze, terwijl ze zich vlug
omdraaide en verdween. Ze had blijkbaar een visje geworpen om een snoek te
vangen. Hij zou hier zo vlug mogelijk eens met Karin moeten komen om te tonen dat
hij geen ‘weduwnaar’ was, maar nu deed hij er goed aan op een diplomatische
manier de boot af te houden. Waarom was hij eigenlijk onbewust naar dit restaurant
gekomen?
Toen ze de soep bracht zei hij: ‘Tussen de herexamens door heeft de een
of de ander toch wel eens een avondje vrij. Voorlopig zal ik het niet besterven!’ Nu
kon zij niet vlug een passend antwoord vinden. ‘Gelukkig maar’, zei ze dan terwijl ze
wegging.
Bij de hoofdschotel die inderdaad zeer lekker was en bij het dessert werd
alleen maar over het eten gepraat. Intussen bedacht Dirk dat hij de volgende
weekends misschien toch beter naar een van de belangrijke steden van de
buurlanden kon reizen. Hij kon beginnen met Parijs of Londen.
Hij reed terug naar zijn appartement en sliep een lange diepe siësta. Hij
was blij dat het al bijna avond was toen hij wakker werd. Bij de tv was er gelukkig
meestal een voldoende aanbod van programma’s dat hem hielp om de overgang te
maken tussen de dag en de leegte van de nacht. Naast de nieuwsberichten waren er
allerlei reportages en films, waarbij hij, meer dan door het verhaal of de inhoud,
geboeid werd door rol die jonge frisse actrices soms speelden met heel veel inzet. Zij
waren nu een beetje zijn starlets en zijn stoeipoezen.
65
De volgende morgen wist Dirk nog steeds niet wat aan te vangen met die
zondag. Hij bleef weer wat liggen nadenken vooraleer op te staan. Zou hij het verhaal
van zijn reis met Karin niet proberen neer te schrijven als een soort zelfanalyse? Zou
hij daarbij met een schone lei beginnen en de studentinnen en Ludwina helemaal
buiten beschouwing laten? Dat zou het werk wat vereenvoudigen. Maar was het wel
met een schone lei dat hij Karin leerde kennen?
Hij stond op en toen hij de gordijnen opentrok was er weer diezelfde
‘augustuslucht’. Bij regenweer had hij onmiddellijk na het ontbijt kunnen beginnen
schrijven. Maar nu kon hij er niet toe besluiten. Wat zou hij dan wel doen?
Hij nam een uitgebreide brunch en bedacht intussen dat hij ergens in de
natuur kon zitten schrijven. Dat was een goed compromis. In de duinen dicht bij het
Zwin zou hij wel een rustig plekje vinden. Daar was er ook altijd plaats om de auto te
parkeren.
Hij trok een T-shirt en een short aan en haalde zijn sandalen uit het
schoenkastje, ongepoetst zoals hij ze weggezet had na de Scandinavische reis. Hij
stopte een blocnote en een paar balpennen, een flesje water en wat koekjes, een
zwembroek en een handdoek in een plastic zak en was klaar om naar de garage te
gaan.
Maar waarom niet eerst eens Karin opbellen om haar een weekendtrip
naar Londen of Parijs voor te stellen? Dat was een goed excuus om haar nog eens
aan de lijn te hebben en om haar terloops te vragen of ze de schilder nog had terug
gezien. Het duurde een poosje vooraleer ze opnam.
‘Dag Karin.’
‘Dag Dirk. Wat gebeurt er? Speciaal nieuws?’
‘Niets speciaals. Ik bel alleen maar in het kader van de ambulante nazorg’,
trachtte hij grappig te zijn.
‘Alleen maar dat? Vind je dat echt nodig?’
‘Niet echt, maar ik heb gedacht dat we misschien eens een weekend
samen naar Londen of Parijs konden gaan en ik wou ook eens horen of je je
onderbuur al teruggezien hebt.’
‘Ja, heel even in de gang.’ Ze voegde er snel aan toe: ‘Ik zou inderdaad
wel eens moeten gaan rondneuzen in Parijs. Ik moet er wat informatie verzamelen
voor mijn thesis. En in Londen is er de spectaculaire verzameling van Saatchi. De
collectie van Ingvild Goetz in Munchen interesseert me ook heel erg. Ze bezit heel
wat werken die ongetwijfeld meer passen in jouw schema van vier verdiepingen.
Maar buiten een paar tentoonstellingen die mevrouw Goetz jaarlijks organiseert, is
haar verzameling voor zover ik weet slechts op aanvraag te bezichtigen.’
‘Dus eerst naar Parijs en Londen?’
‘Ja, maar nog niet onmiddellijk, hoor!’
‘Wacht er niet te lang mee! Ik ben blij je intussen eens gehoord te
hebben!’
‘Oké. Bye bye!’ Ze legde de hoorn neer. Hij had niet meer kunnen vragen
wat ze vandaag zou doen en zij had niet gevraagd wat hij van plan was. Nadenkend
daalde hij af naar de garage. Het vooruitzicht op een weekend met haar in Parijs,
Londen en mogelijk andere steden kleurde de toekomst weer wat positiever.
Het was een goed idee geweest om aan zee te beginnen met zijn notities,
dacht hij toen hij aan het rijden was. Hij luisterde nog maar eens naar het jazzalbum
van Sjostakovitsj en genoot van de rit. Op de ruime parking voor de ingang van het
Zwinreservaat was er een gezellige drukte. Enkele families waren er aan het
picknicken en de kinderen voerden bang maar dapper grote ooievaars die tot heel
dichtbij stukjes vlees en brood kwamen oppikken. Nadat hij de wagen geparkeerd
had, bleef hij een poosje kijken en ging zelfs wat dichterbij om ook een paar koekjes
te sacrifiëren. Daarna liep hij langs het duinenpad en verder over de harde strook nat
zand langs de uitdeinende golfjes tot zo dicht mogelijk bij de Zwingeul om daar op
een hoge duintop een comfortabel plaatsje te zoeken met uitzicht over het hele
strand en het Zwin.
Hij was daar vroeger nog geweest met een van zijn stoeipoezen. Ze had
in een mandje een hele picknick bij en ze waren tot ver in de inham tussen de
schorren op een groen eilandje geraakt dat met riet omzoomd een zekere privacy
garandeerde. Dat exciteerde Ninotchka, zoals hij haar noemde, zo erg dat ze
onmiddellijk een vluggertje gemaakt hadden. Daarna bleek dat ze alleen maar voor
vluggertjes te vinden was, zonder helemaal uit de kleren te gaan. Ze had een grote
donkere moedervlek op haar onderbuik en was daardoor een beetje gecomplexeerd.
Het was een aangename namiddag geweest, met na het eten zalig op de
rug liggen en naar de wolken kijken. Een ‘faits divers’ uit zijn vroegere leven. Hij
realiseerde zich nu dat het vooral de persoon is waarmee je dergelijke dingen doet,
die waarde en betekenis geeft aan die herinneringen. De vele intense ervaringen die
hij met Karin opgedaan had tijdens de reis betekenden oneindig veel meer, ondanks
de momenten van onenigheid.
Hij zat een hele tijd boven op zijn duintop zonder dat er iets op papier
kwam. Waarmee zou hij beginnen? Met de eerste ontmoeting bij de intake? Hij
probeerde Karin te beschrijven, maar doorstreepte het telkens weer. Het leek op een
portret geschilderd door een onhandige amateur. Hij kon wel enkele associaties
duiden die ongetwijfeld gemaakt hadden dat hij zich op een onbewuste manier tot
haar aangetrokken gevoeld had, maar als inleiding voldeed het hem niet.
Hij trok daarom zijn zwembroek aan en ging met zijn spullen in de
plastieken zak naar de zee toe. Hoewel het daar verboden was te baden, waren er
enkele zwemmers te zien over het heel lange strand. Het water leek eerst een beetje
fris, maar nadat hij in een aankomende golf gedoken was, viel het best mee. Hij bleef
een hele tijd in de brekende golven rondzwemmen om niet al te ver in zee te gaan en
liep daarna een paar keer heen en weer over het strand om wat te drogen. Toen hij
terug op zijn duintop kwam, dacht hij er niet meer aan zijn blocnote boven te halen.
Hij ging op zijn handdoek liggen en sloot de ogen. Hij dommelde zowaar in en toen hij
wakker werd stond de zon al een heel stuk lager. Tijd om wat te gaan eten in een van
de restaurantjes op de dijk. Hij kleedde zich vlug aan, keerde terug naar de parking
waar al heel wat wagens vertrokken waren en reed naar de rand van het badstadje.
Hij moest nog een heel stuk lopen over de dijk, voorbij kastelen van villa’s en chique
appartementsblokken, vooraleer hij een restaurantje vond.
Het was al donker toen hij ’s avonds thuis kwam. Hij hing zijn zwembroek
en de nog wat vochtige handdoek te drogen, legde zijn blocnote en balpennen op het
salontafeltje en liet zich op de canapé neervallen voor de onvermijdelijke tv-avond.
Zelfs als er buiten een late samenvatting van ‘De Zevende Dag’ niets belangrijks te
beleven viel, zou hij rustig zappend de rest van de avond doorbrengen.
66
Het vooruitzicht op woensdagavond hielp Dirk om de eerste dagen van de
week door te krijgen. Toen hij Karin die avond om achttien uur ging afhalen had hij
voor een koude schotel gezorgd en wat hapjes met een fles schuimwijn. Hij had een
dvd klaargelegd met die eerste film van Jean-Luc Godard, ‘A bout de souffle’. Hij zou
alles overlaten aan de inspiratie van het ogenblik en zeker niet onmiddellijk beginnen
over de schilder en het portret dat van haar gemaakt werd, of over Karel.
Karin had de hagedisbroche opgestoken op een dun pulletje. Losjes
hangend boven een halflange wijde rok en met daaronder haar blote benen, gaf het
Dirk een indruk van zwierige ‘laisser aller’. Hij trok een goedkeurend gezicht en
drukte haar dicht tegen zich aan bij de verwelkoming om goed haar lichaam te
voelen. Tijdens de rit leek ze helemaal in een stemming die samenging met haar
kledij. Het beloofde een spitante avond te worden.
‘Hoe zit het programma in elkaar?’ vroeg ze in de lift, alsof alles wat er
komen zou niet vanzelfsprekend was.
‘We kunnen beginnen met wat hapjes bij “A bout de souffle”. En om de
avond af te sluiten is er een koude schotel. Maar tussenin is er natuurlijk het
“intermezzo” …’ Hij had het rendiervel in de slaapkamer laten liggen, maar haar kledij
en haar gedrag lieten hem vermoeden dat het deze keer wel van pas zou komen.
‘Natuurlijk. Voor het beoordelen van de film, om te zien of hij al dan niet
kunst is’, deed ze heel onschuldig.
Ze installeerde zich knusjes in de canapé, schopte haar schoenen uit en
schoof haar benen half onder zich, zodat ze lichtjes tegen Dirk aanleunde. Hij vulde
de glazen en trok de schotel met de hapjes wat dichterbij. Ze tikten en dronken, en
Dirk startte de vertoning.
Bij het begin al, waar Michel Poiccard op een vrij gratuïte manier een van
de twee gemotoriseerde politiemannen neerschiet die hem in zijn gestolen auto
achtervolgden, kon Dirk niet nalaten op te merken hoe dom hij deze scène vond.
Karin beduidde hem te zwijgen. ‘Dat was nodig om van het verhaal een thriller te
maken! En misschien wordt het verder wel beter’, zei ze.
Maar gedurende de rest van de film draait Poiccard rond Patricia als een
onhandige tiener terwijl hij sigaretten rokend stoere gezichten trekt, telefoneert om te
informeren naar geld dat hij moet krijgen en af en toe een andere auto steelt.
Gelukkig was er het prettige gezichtje van Jean Seberg in die rol van Patricia. Maar
haar personage was ook al erg onbenullig. Ze is reeds met Michel naar bed geweest,
maar ze weet niet of ze van hem houdt. Bij de politie die haar een klein beetje onder
druk zet, verklikt ze hem. Wanneer ze hem dan zelf daarvan op de hoogte brengt,
geeft ze als reden ‘dat hij aldus wel uit haar leven zal moeten verdwijnen'. Waarna ze
hem evengoed vertelt 'dat ze enorm van hem houdt'. Dat vond ook Karin erg
ongeloofwaardig gedrag voor zo’n sympathiek grietje.
‘Jean Seberg kan inderdaad niet verstoppen dat ze helemaal geen kipzonder-kop is en Belmondo kan moeilijk verhelen dat hij in de grond een toffe knul is.
Maar door de onwaarschijnlijke personages waarmee ze opgezadeld zitten, oscilleren
ze tussen die ongeloofwaardige rol en hun eigen uitstraling.’
‘Sommige figuranten doen het ook echt stuntelig. De politie die hem in de
stad achtervolgt, lijkt een stel hopeloze dilettanten, alsof ze in een parodie
meespelen.’
‘En wanneer Poiccard dan eindelijk van zijn vriend de tas geld krijgt waar
hij de hele film voor rondloopt en telefoneert, zit de politie hem dicht op de hielen en
zegt hij “dat hij het allemaal niet meer ziet zitten”. Maar hij loopt nog weg en raapt
domweg de revolver op die hij eerst geweigerd heeft, maar die zijn vriend hem
nawerpt. Door de politie beschoten en gekwetst, loopt hij nog een heel lange straat
door om aan het einde ervan neer te vallen en op een domme manier te sterven.’
‘Die stervensscène is inderdaad nogal lachwekkend’.
‘Van een onvoorstelbare kunstmatigheid. Bijna als in een opera. Er
ontbreekt alleen maar dat hij stervend een aria zingt, begeleid door het koor van de
omstanders, om er een opera buffa van te maken. Terwijl Godard een realistisch
verhaal wil opdissen met mensen van vlees en bloed in reële settings.’ Dirk
schakelde tv en dvd-speler uit en vulde de glazen met de rest van de fles.
‘Ik weet weinig af van Godard en zijn films, maar deze lijkt me inderdaad
nogal onbenullig’, beaamde Karin.
‘In tv-magazines wordt hij aangeprezen als de “ultieme film noir”, maar het
is eerder een heel slordige imitatie van een ordinaire Amerikaanse B-film. Godard
heeft wel samen met zijn companen van “les Cahiers du Cinéma” een breuk
veroorzaakt in de manier waarop films gerealiseerd werden, maar vernieuwingen in
vorm en techniek volstaan niet om vanzelf goede films te maken. Hij kon het zélf niet
echt waar maken. Zeker niet in deze film.’
‘En waarom kon hij het niet?’
‘Godard zal wel een heel intelligente kerel zijn, met een eigen kijk op veel
dingen. Maar hij is naar mijn gevoel een cerebrale koele kikker, veel te veel
theoreticus om een écht cineast te zijn. Veel van zijn latere films drijven meer op
woorden dan op beelden en geven soms de indruk dat hij zomaar wat bij elkaar
geflanst heeft en de acteurs aan hun lot overlaat. Hij debiteert daarbij gemakkelijk
halve waarheden en goedkope paradoxen.’
‘In deze film laten de dialogen ook hier en daar te wensen over’.
‘Hij schreef vlug-vlug het scenario naar een verhaal van Truffaut en
wegens de beperkte financiële mogelijkheden moest alles in ijltempo opgenomen
worden, zonder de minder goede opnames over te doen. Wat helemaal fout was
werd er dan maar gewoon tussenuit geknipt. Het lijkt me alsof Truffaut en Godard
een Franse kopie wilden maken van Humphrey Bogart, zoals die in het begin van zijn
carrière de slechterik speelde, maar ook dat ze de figuur van Poiccard iets hebben
willen meegeven van Meursault, de moordenaar uit “l'Etranger” van Camus. Het
resultaat is een zeer heterogeen mengsel geworden. Meursault blijft gevoelloos in
alles gedurende het hele verhaal en Bogart zet in elk van zijn films een coherent
personage neer, terwijl Belmondo in zijn onsamenhangende rol van hot naar her
moet springen.’
‘Met zijn gestes van would-be stoere jongen draait hij rond Patricia eerder
als een vrijer van de eerste lange broek.’
‘Truffaut had zijn verhaal beter zelf verfilmd. Hij zou wellicht een
homogene kalligrafie gecreëerd hebben, terwijl Godard er een haastig ineengeflanste
brouillon van gemaakt heeft. Die techniek van het opnemen met een draagbare
camera in de straten van Parijs en in een enge hotelkamer was wel vernieuwend,
maar toch niet helemaal origineel. Sommige tijdgenoten brachten al een aanzet van
vernieuwing. Jules Dassin had jaren voor Godard, soms met verborgen camera’s,
straatscènes opgenomen in New York. En het “revolutionair” verknippen van de
opgenomen scènes was noodzakelijk wegens gebrek aan geld en middelen. Maar
het aanwenden van nieuwe technieken en werkmethodes garandeert niet
automatisch een goed resultaat. Het product kan evengoed minderwaardig zijn.’
‘Wanneer de Vlaamse primitieven met olieverf op houten panelen zijn
beginnen schilderen in plaats van kleuren te mengen in de specie en fresco’s aan te
brengen op de muren zoals de Italiaanse kunstenaars voor hen deden, was het ook
niet de nieuwe techniek maar de kwaliteit van hun werk die bepaalde of het
meesterwerken werden.’
‘Net zoals de compositie van kleuren, lijnen en beelden bij schilderijen
belangrijk is, moet bij de film de keuze der acteurs, de manier waarop ze hun rol
spelen in onderlinge samengang, de correcte typering van decor en details en
begeleidende geluiden tot een eenheid van compositie leiden, en daar slaagt Godard
zelden of nooit in. Maar hij was een gevreesde criticus van “les Cahiers du Cinéma”
en zijn kompanen zullen hem wel ontzien of positief beoordeeld hebben. Terwijl ze in
hun “Cahiers” zeer negatief deden over hun voorgangers en tijdgenoten. Een van hen
veegde zelfs Bunuel de mantel uit en verontschuldigde zich achteraf daarvoor “omdat
hij toen niet wist wie Bunuel werkelijk was”. En Truffaut telefoneerde ooit naar een
cineast die hij met zijn kritiek aangevallen had, om van de brave man begrip te
vragen voor de beginneling die hij was, die sterk naar voren wilde komen “om zich te
profileren”.’
‘Intussen is Godard wel “un monstre sacré” geworden!’
‘Maar echte cineasten maken van hun films geen slordig aan elkaar
genaaide lappendekens zoals hij meestal doet. Dat moet misschien de grote vrijheid
illustreren die “la Nouvelle Vague” opeist, maar goede auteursfilms zoals die van
Truffaut zijn het resultaat van echt ploegwerk, terwijl Godard vooral zichzelf aan bod
laat komen. Hij is een arrogante egotripper. Truffaut heeft hem ook later in die zin
harde verwijten gemaakt in een scheldpartij die Goddard tegen hem begonnen was.
De vroegere vrienden en collega’s werden bittere vijanden.’
‘Die film is dus duidelijk geen meesterwerk. Maar is hij kunst?’
‘In vergelijking met de grootmeesters van de filmkunst is Godard als
cineast voor mij niet groter dan een baby, zoals hij ooit van zichzelf gezegd heeft.
Vergelijk “A bout de souffle” maar eens met “Chinatown” van Polanski! Zolang
sommige van zijn films in filmclubs gespeeld worden en af en toe nog eens op tv
komen buiten de piekuren zullen ze allicht het etiket “kunst” blijven krijgen. Maar er
zijn er ook al die we niet meer te zien krijgen. “Une femme” bij voorbeeld waarin hij
een actrce laat rondlopen als een kip zonder kop…’
‘Ook al? Was hij een beetje een vrouwenhater?’
‘Weet ik niet. Maar hij wilde in elk geval die film “La femme” noemen, en ik
meen te weten dat hij gezwicht is voor de reacties en de titel afgezwakt heeft tot “Une
femme”.’
‘En hoe verklaar je dan de lovende kritieken die nu nog steeds een
meesterwerk willen maken van “A bout de souffle”?’
‘Het is wel zo dat de stijlbreuk die “la Nouvelle Vague” veroorzaakt heeft,
ervaren werd als positief en verfrissend. Daarbij zien ze de manifeste en zelfs
moedwillige “gebreken” misschien door de vingers of praten gewoon na wat
bevooroordeelde critici ooit schreven. Hij blijft immers een zeer belangrijke
theoreticus. Samen met zijn companen heeft hij de filmwereld wel beïnvloed. De
correcte appreciatie van kunstwerken volgt evenwel dikwijls pas na jaren, wanneer de
invloed van die heersende mode weggeëbt is.’
‘En zijn de films van die voorgangers nu onkunst geworden?’
‘Sommige misschien wel, maar de films van René Clément, Clouzot, Max
Ophüls en enkele anderen blijven overeind. Over schoonheid in het algemeen en
schoonheid in de kunst valt er heel wat te discussiëren.’
‘Maar dat is voor na de koude schotel!’ Ze draaide zich naar hem toe en
zwaaide een been over die van hem zodat ze schrijlings op zijn knieën zat.
‘Zo lenig als een hagedisje.’ Hij trok haar tegen zich aan voor een lange
kus die het begin werd van het intermezzo. Op de canapé en niet op de rendierhuid.
Bij de koude schotel herbegon Dirk: ‘Kunstkritiek is altijd erg subjectief.
Ook die van mij. Maar over schoonheid en de esthetische functie van de kunst kan
wellicht een meer objectieve studie gemaakt worden.’
‘Francis Bacon zei: ”Kunst is rapporteren”. Weergeven wat er allemaal te
zien is of wat van binnen naar buiten wenst te komen. Moet het gerapporteerde wel
noodzakelijk schoon zijn? Artiesten die de gebruikte voorwerpen die op een tafelblad
voorkomen, vastplakken en dat blad zo ophangen aan de muur, of die zoals
Guillaume Bijl installaties maken van gewone winkels en alledaagse situaties, maken
er ook niet noodzakelijk iets moois van!’
‘Schoonheid heeft voor mij te maken met intense gevoelens en
gevoelsassociaties. Een Chinese kunstenaar zei dat het leven schoonheid is.
Wanneer men met zulke ogen naar de wereld kijkt, is inderdaad alles schoonheid. En
dan hang je beter je eigen spullen aan de muur en neem je genoegen met de
installaties die je rond jezelf creëert om erin te leven en om ervan te genieten.’
‘Maar er zijn dingen, situaties, gebeurtenissen die ons ongewoon sterk
kunnen aanspreken en waarover kunstenaars bij voorkeur rapporteren. Ze beperken
zich dan niet zozeer tot het louter weergeven van wat ze zien. Ze condenseren,
selecteren, componeren, verfraaien. Ze verwerken meestal hun persoonlijke visie in
wat ze weergeven. Ze herscheppen de wereld die ze zien.’
‘Of wanneer ze willen rapporteren over wat in hen leeft en wil uitgedrukt
worden, zullen ze die lijnen, kleuren, vormen, symbolen gebruiken die voor hen het
sterkst de gevoelens en de betekenis weergeven. Ik denk dat we de schoonheid
moeten zoeken in die uitzonderlijke indrukken die ons treffen en in de uitzonderlijke
middelen en manieren van iets uit te drukken.’
‘Maar we worden toch ook aangesproken door dingen en situaties
waarvan we walgen en waarbij we afkeer, weerzin, medelijden of zelfs verveling
ervaren. En ook dat wordt uitgedrukt in kunstwerken. Wellicht moet er onderscheid
gemaakt worden tussen “de schoonheid” in het algemeen en de esthetica in de kunst,
die aan een land of een periode, of aan een bepaalde “mode” kan gebonden zijn. En
die soms niet echt “schoon” is.’
‘Er gelden blijkbaar ook andere regels voor opera en toneel en film, en
zelfs voor “art brut”, “art modeste” en “art primitif” dan voor de “klassieke”
kunstvormen. Ze vragen een verschillende ingesteldheid van de ontvanger.’
‘Ook voor conceptuele kunst: daarin is naast de originaliteit van het
concept eventueel nog de schoonheid ervan belangrijk, maar de uitvoering is van
minder belang.’
‘Sommige creaties moeten nu vooral gedurfd, nieuw, grenzenverleggend
zijn en aan de eigenaar ervan toelaten een zekere “life-style” te exhiberen. En ik heb
er in die gevallen moeite mee om van schoonheid te spreken.’
‘Maar Jugendstil en Art Nouveau, en de schilderijen bij de Hollandse
burgerij en de Vlaamse kunst van Van der Weyden tot Rubens exhibeerden
evengoed bij de adel en de koninklijke hoven een bepaalde “life-style”…’
‘Maar toen had die kunst een intrinsieke waarde die de bezitters en hun
omgeving konden appreciëren. Terwijl de huidige oliebaronnen, oligarchen en andere
financiële potentaten nu de mogelijk lucratieve investering zien en het epateren van
hun kennissenkring en concurrenten met waanzinnig dure “curiositeiten” die het goed
doen op de kunstmarkt.’
‘Wat niet belet dat ze in de werken die ze zo duur betalen toch een vierde
niveau kunnen projecteren zodat die ook een intrensieke waarde kunnen hebben!’
‘Curiositeitenwaarde als je het mij vraagt! Zou het aan het niveau van de
de investerende verzamelaars liggen of aan de algemene tijdsgeest, dat de kwaliteit
van de hedendaagse kunst zo gezakt is?’ Omdat Karin daar niet onmiddellijk op
antwoordde, ging hij door: ‘De media en de reclame herleiden beelden en
boodschappen tot hun uiterlijke verschijningsvorm. Diepgang is vervelend, werkt
afstotend. Alles moet gemakkelijk te begrijpen en vlug verteerbaar zijn. En allerlei
symbolen met een potentieel rijke inhoud worden gebruikt als rudimentaire of luchtige
aandachttrekkers à la Beneton. We leven in een wereld van opgeklopt schuim en
oppervlakkigheid.’
‘Je bent wel heel erg negatief, Dirk!’
‘Met reden! Het ligt waarschijnlijk ook voor een deel aan de huidige
kunstenaars zelf. Er zijn nogal wat jonge snoeshanen die niet veel verder zien dan
het manifeste niveau van hun werk en de communicatie naar de omgeving toe, en
vooral bezig zijn met hun eigen marktwaarde.’
‘Maar er zijn er ook nog heel veel anderen die werk maken dat wel in je
model van vier niveaus past. Zoals mijn buurman-schilder.’
‘Ha! En hoe gaat het met je portret? Is dat nu bijna af?’ Dirk was blij dat ze
er zelf over begon en een andere wending gaf aan het gesprek dat misschien weer
kon ontsporen indien hij doorging met zijn negatieve kritiek.
‘Dat weet ik niet. Hij werkt eraan, zegt hij. Volgende vrijdagavond ga ik
met hem naar een vernissage in “De Zwarte Panter”. Je kunt er ook naartoe gaan als
je wilt.’ Ze zei niet: ‘je kunt met me meegaan’.
‘Heb ik daarvoor geen invitatie nodig?’
‘O nee! Bij Adriaan gaat het er niet zo formeel aan toe.’ Blijkbaar was ze
nogal vertrouwd met die galerie, wat voor haar vak niet ongewoon was.
‘Misschien ga ik er inderdaad naartoe. Het is een gelegenheid om die
schilder van jou te leren kennen.’
‘Inderdaad.’
‘En heb je intussen ook al iets gehoord van Karel, Karin?’ waagde hij nu
ook.
Dat had ze inderdaad. Hij had haar opgebeld en had aangedrongen om
haar eens te komen bezoeken. Ze had voorgewend nog niet helemaal op haar
positieven te zijn en had beloofd binnenkort een afspraakje te maken ergens in de
stad. ‘Dat “binnenkort” kan best nog een poosje duren’, lachte ze.
Dat stelde Dirk ietwat gerust en hij vond het beter niet verder te insisteren.
Ze concentreerden zich verder op de koude schotel en terwijl hij haar naar
huis voerde, werd er ook alleen maar meer over koetjes en kalfjes gebabbeld.
Maar terug thuis lag hij nog een hele tijd te piekeren terwijl hij tv keek en
verstrooid van het ene kanaal naar het andere zapte. Karin was zo losjes en
opgewekt geweest alsof ze in ‘le meilleur des mondes’ leefde. En de seks was ook
heel goed geweest. Maar ze verschoof zijn weekendplannen naar een niet al te
nabije toekomst, net zoals ze die Karel met een kluitje in het riet stuurde. Ze
domineerde soeverein de hele situatie.
Naar die vernissage zou hij in elk geval gaan. Niet alleen om kennis te
maken met die schilder, maar ook om te zien hoe Karin zich gedroeg tegenover die
kerel.
67
Er was al heel wat volk in de Zwarte Panter toen Dirk er die vrijdagavond
binnenliep. De tentoonstellingsruimte was vroeger blijkbaar een kleine kerk of een
ruime kapel geweest. Hij liep eerst eens rond alsof hij een vlugge blik wilde werpen
op de schilderijen die er hingen, maar hij loerde meer naar de bezoekers om te zien
of Karin er al was. Dat bleek niet het geval te zijn. Daarom begon hij de vrij grote
doeken te bekijken die aan de wit geverfde muren hingen. Het waren er niet veel,
maar wel stuk voor stuk sterke composities, goed van kleur en met een ‘leesbare’
symboliek. Een naakte ruiter met allerlei rommel rondslingerend op zijn rug stormde
op een paard, dat gedeeltelijk uit mechanische onderdelen bestond, een groen
landschap binnen. Daarnaast een donker doek met een soort halfmechanische
wildeman die een elektrisch snoer achter zich aan trekkend naar een rondtollende
wereld van donkere kleuren rende. Dirk ging juist een derde doek bekijken waarop
een bont gezelschap van een schuin hellende vloer afgleed, toen hij merkte dat Karin
binnenkwam, vergezeld van twee mannen, allebei in jeansbroek. De broek van de
ene was van een modieuze snit en hij droeg een pull met rolkraag, terwijl de andere
een ietwat slordiger broek en jeansvest aanhad. Ze gingen resoluut tussen de
bezoekers door naar een groepje, waar ze eerst een niet al te grote man met een
dikke zwarte haarbos en een bril met donkere montuur de hand gaven.
Het leek Dirk moeilijk om haar daar te benaderen. Hij bleef dan maar doen
alsof hij de rest van de doeken een voor een bekeek, maar had meer oog voor dat
groepje. Ze voerden een levendig gesprek en Karin deed daar goed aan mee. Zou hij
dicht bij hen gaan passeren zodat Karin hem kon zien, om te testen of ze hem erbij
zou halen? Of zou hij achter haar wat dralen om te horen waarover ze het hadden?
Maar ze stonden dicht bij wat vroeger de communiebank geweest was en daar was
alleen een nauwe doorgang naar het vroegere koor van de kerk. Het zou moeilijk zijn
een schijn van toevalligheid hoog te houden indien hij daar rond haar ging draaien.
Hij bleef dan maar halfweg het schip van de kerk staan om hen zo onopvallend
mogelijk in het oog te houden.
Het duurde niet lang vooraleer de man met het zwarte haar met iets op de
communiebank klopte en om stilte vroeg. Hij stelde een spreker voor die de
vernissage zou inleiden. Die deed dat nogal schoolmeesterachtig, verwijzend naar de
symboliek van de tentoongestelde schilderijen. Dat veroorzaakte wat ironisch
gegniffel en geroezemoes. Blijkbaar was het in dat milieu eerder ‘bon ton’ om met
enkele luchthartige, spitsvondige opmerkingen het publiek een aangenaam momentje
te bezorgen.
Toen de spreker stopte met zijn uiteenzetting, blijkbaar zijn tekst wat
inkortend, verliet de man met de bril en het zwarte haar zijn groepje en haastte zich,
waarschijnlijk samen met de schilder van de tentoongestelde werken naar andere
genodigden. Karin kwam met haar twee begeleiders in zijn richting, kijkend naar de
opgehangen werken. Dirk ging naar haar toe en het was pas toen hij bijna voor haar
stond dat ze hem zag.
‘Ha, daar ben je dus ook’, zei ze en ze draaide zich naar de twee mannen
om hem voor te stellen als ‘haar reisgezel van de Noordkaaptrip’. Die twee mannen
waren ‘Bert, de onderbuur’ en ‘zijn vriend, John Haenens’, ‘allebei kunstenaars’. Die
laatste was het meer modieuze type.
‘Schilders?’ vroeg Dirk.
Bert knikte en John zei rondkijkend: ‘Vroeger wel.’
‘Sedert Duchamp aangetoond heeft dat alles kunst kan zijn, moet je niet
noodzakelijk meer schilderen om plastisch kunstenaar te zijn’, verduidelijkte Karin
naar Dirk toe. Wat hij natuurlijk wel wist.
‘En wat vinden ze van wat hier hangt?’ vroeg Dirk haar.
‘In deze galerie zou jij heel dikwijls je gading vinden,’ zei ze vlug.
‘Wat hier hangt, is “hiel staark waark”,’ zei John, blijkbaar een lokale
uitdrukking gebruikend. ‘Maar Tone is een beetje een buitenbeentje in de galerie. Om
zo één doek te schilderen, heb je weken en soms maanden nodig. Dat is niet goed
voor de productiviteit. Je moet regelmatig op de markt komen om niet in de
marginaliteit te verdwijnen.’
Die John Haenens leek nogal zelfverzekerd. ‘En wat voor werk maak jij
nu?’ tutoyeerde Dirk hem met opzet.
‘Ik heb ooit figuratief geschilderd, maar niet echt verhalend, niet zoals dit
werk hier. Eerder sfeerscheppend, een toestand uitbeeldend. Niet echt abstract.’
‘En nu?’ herhaalde Dirk.
‘Er waren enkele verzamelaars die regelmatig werk kochten’, ging hij
onverstoorbaar verder. ‘Maar nu experimenteer ik met constructies waarvan ik niet
alle onderdelen meer zelf vervaardig. Met hout in allerlei vormen geplooid, stukken
betonijzer en allerlei ander materiaal maak ik tuigen die spanning en weerstand en
kracht uitdrukken.’ Hij keek even rond of er niet ook nog andere mensen naar hem
kwamen luisteren, maar ging dan door voor zijn drie toehoorders: ‘Vroeger geloofde
ik ook alleen maar in schilderkunst, in die moeizame dialoog met verf en materie, in
kleuren, vormen en lijnen. Maar nu …’
‘Maar het is toch nog steeds belangrijk hoe een kunstwerk tot stand komt!’
onderbrak Dirk hem. ‘Wanneer je alles zelf maakt, kunnen tijdens de dialoog met de
materie veel details en correcties toegevoegd worden aan het beeld, het concept
vanwaar je vertrekt. Maar jij laat dus een deel van het werk doen door helpers?’
‘Ja. De afwerking gebeurt natuurlijk onder mijn toezicht, maar wie de
handelingen uitvoert is niet belangrijk. Het is ook de enige manier om zelf met
creatieve dingen bezig te blijven én voldoende productie te halen. Warhol heeft in zijn
“fabriek” duizende zeefdrukken gemaakt en vooral laten maken. En hoe denk je dat
Jan Fabre te werk gaat? Of Damien Hirst? Die heeft wel honderdvijftig medewerkers
in een zestal ateliers verdeeld over de hele wereld’, tutoyeerde hij Dirk op zijn beurt
ook.
‘En die maken “schilderijen” met vlindervleugels aan de lopende band!’
wist Bert.
‘Zou Jan Fabre daarin de inspiratie gevonden hebben om met dekschilden
van kevers te beginnen? Of was hij zelf eerst?’ vroeg Karin zich af.
‘Het is niet belangrijk wie waar zijn inspiratie haalt. Sedert Duchamp is
kunstenaar zijn eerder een manier van leven. Maar dan niet meer zoals in de tijd van
de romantiek of van de berooide artiesten die in Parijs in de miserie leefden.
Duchamp …’
‘Maar die business met peperdure massaproducten gaat toch helemaal in
tegen de bewering van Duchamp dat er van elke kunstenaar slechts enkele werken
echt belangrijk zijn!’ onderbrak Dirk hem.
‘Je kunt de vele reeksen zeefdrukken van Warhol en de honderden
variaties van bepaalde creaties van Hirst misschien zien als telkens één belangrijk
werk, maar zijn doodshoofd bezet met diamanten zegt me ook meer dan zijn vele
“mantra’s” van vlindervleugels’, dacht Karin luidop. En dan tot Dirk: ‘Net zoals jij een
latente inhoud ziet achter de “fontaine” van Duchamp, zie ik in dat schandalig duur en
kitscherig ding de dood die zwijgend aanwezig is achter al onze drukdoenerij en valse
waarden.’
‘Het is inderdaad een schandalig meesterwerk’, viel Haenens haar bij.
Waarna hij hernam: ‘Duchamp heeft niet veel werken gemaakt, maar hij was wel zeer
creatief en wist zich voortdurend in de belangstelling te werken. Dat is nodig om de
marktwaarde van je werken te handhaven en te verhogen. Kijk naar deze
schilderijen: hoe goed ze ook zijn, als ze verdwijnen in privécollecties en als de
maker ervan niet voldoende in de publiciteit komt, kan het gebeuren dat ze later veel
van hun huidige waarde verliezen!’
‘De hedendaagse kunst is dus vooral een kwestie van business,
marketing en reclame!’ deed Dirk wat schamper. Het dwangmatig “moeten creëren”
dat in extreme gevallen zelfs een neurotisch tintje heeft, wordt vervangen door een
zakelijk “moeten produceren” om de uitgebreide “studiebureaus” en de hele
achterban te financieren!’
‘Er zijn inderdaad heel wat mensen die er alle belang bij hebben om kunst
te promoten en de werken die ze in hun bezit hebben in waarde te laten stijgen’,
probeerde Karin de discussie wat te milderen.
‘En daar gebruiken ze alle mogelijke middelen voor!’ beaamde Bert.
‘Ja, maar als kunstenaar moet je productie hebben én goed op de markt
letten om te zien wat verkoopt!’ Hield Haenens voet bij stuk.
‘Net als in de mode!’ spotte Dirk.
‘Ongeveer. Je moet vooral proberen een trendsetter te zijn en telkens
weer met iets nieuws voor de dag komen.’
‘En desnoods strontmachines maken om anderen lengtes voor te zijn!’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb de indruk dat de huidige epigonen van de conceptuelen nog een
stap verder gaan dan de kunst in vraag te stellen, dat ze soms op een dubieuze
manier de spot drijven met hun eigen bezigheden én met hun klanten-verzamelaars.
Ze herleiden kunst tot dat ene aspect van curiositeiten. Voor mij zijn Delvoye, Hirst en
consoorten niet veel meer dan professionele curiositeitenmakers. Ik zou ze wel in
eenzelfde categorie onderbrengen als circusartiesten en acrobaten, goochelaars en
kunstschaatsers, met dien verstande dat deze laatsten bij het ijsdansen in de hogere
categorie van het balletdansen kunnen komen.’
‘Alle kunstwerken zijn curiositeiten,’ antwoordde Haenens geprikkeld.
‘Maar niet alle curiositeiten zijn kunstwerken! Circusartiesten laten zien
wat ze met hun lichaam en hun behendigheid zoal kunnen presteren. Delvoye en
konsoorten exhiberen wat hun fantasie zoal kan realiseren, of laten realiseren door
helpers of bekwame “onderaannemers”. In het circus wordt misschien meer
schoonheid gecreëerd, dan…’
‘Je kunt niet alle kunst onder één hoedje vangen.’ Karin voelde dat het
gesprek wat vijandig begon te worden en stuurde het vlug een andere kant op. ‘Kijk
maar naar deze doeken hier. We zouden beter eens rondlopen om ze van dichtbij te
bekijken.’ Ze nam Bert bij de hand en trok hem mee tussen andere mensen door naar
het meest nabije doek. John Haenens en Dirk volgden hen.
Zo wandelden ze tussen de massa door van het ene schilderij naar het
andere. Wat is dan het verschil tussen een écht kunstwerk en pure curiositeiten,
dacht Dirk nog verder na. Dat een echt kunstwerk een curiositeit is waarin voldoende
van de vier verdiepingen van zijn model ingevuld waren? Dat kon hij hier natuurlijk
niet gaan uiteenzetten. Hij volgde zwijgend en kreeg pas toen ze bijna terug aan het
eerste doek waren de kans om Karin te vragen: ‘Wat doe je hierna?’
‘Hierna zijn Bert en ik geïnviteerd om het atelier van John te gaan
bezoeken’, fluisterde ze, alsof ze een geheim verklapte.
Toen ze helemaal rond waren en Dirk wachtte op wat er gezegd of
gedaan zou worden, zei Haenens inderdaad tot Karin en Bert: ‘Gaan we dan?’ En tot
Dirk, de hand uitstekend: ‘Het was me aangenaam.’
Dirk drukte met tegenzin de uitgestoken hand en bleef een beetje over het
hoofd geslagen staan terwijl Karin met haar twee begeleiders tussen de overige
aanwezigen verdween.
Hij ging kijken of er nog wat overbleef van de hapjes die hij op een tafel
achter de communiebank gezien had en kon er ook nog een glas schuimwijn krijgen.
Er bleven wat mensen napraten in de omgeving van de man met de zware
brilmontuur die Adriaan moest zijn, en de schilder van de geëxposeerde werken. De
inleider was blijkbaar verdwenen.
Het ergerde hem dat Karin met die verwaande Haenens meegegaan was.
De buurman van het gelijkvloers, Bert, viel nog mee. Hij kon Karin vergeven dat ze
die wat gunde. Maar die Haenens! Misschien was dat wel de man van de orgieën. In
welke toestanden zou Karin niet verzeild geraken?
En wat zou hij zelf doen met de rest van de avond? Hij had geen zin om
direct terug te gaan naar zijn appartement. Hij liet zijn wagen staan op de parking
langs de Schelde en ging naar de Grote Markt om er een pint te drinken. Hij deed in
korte tijd een drietal cafés aan, waar hij telkens op zijn eentje aan de tapkast stond
tussen groepjes bezoekers. Om zijn kleine kroegentocht te eindigen, ging hij nog
even binnen in ‘de Buster’ waar een try-out van een New Orleansbandje aan de gang
was. Het was er bomvol, maar er was nog een barkrukje vrij naast een oudere man
die met zijn rug tegen de toog aanleunde en een hand op de knie gelegd had van een
schattig jong meisje dat naast hem zat. Dat intrigeerde Dirk een beetje. Hij was van
plan geweest af te sluiten met een koffie, maar hij bestelde nog maar eens een
‘Koninckske’. Het meisje zat zoals veel van de toehoorders mee te bewegen op het
ritme van de muziek. Dirk schatte haar ongeveer vijfentwintig jaar oud, terwijl de man
er misschien zestig kon zijn. Dirk begon om in gesprek te geraken met hen: ‘Ook
amateurs van New Orleans?’ Hij moest schreeuwen om boven de muziek uit te
geraken. Het meisje knikte enthoesiast en de man boog naar Dirk toe om te zeggen
dat hij met haar meegekomen was omdat zij die muziek graag hoorde. Hij hoorde
liever echte dansmuziek. Dirk durfde niet vragen of ze misschien zijn kleindochter
was. Er leek een andere soort intimiteit te zijn tussen hen. ‘U bent met zo’n fijn jong
ding op gang’, zei hij aan het oor van de man. Hij hoopte hiermee flatterend genoeg
te zijn om een zinnig antwoord te krijgen en het lukte. Ze was zijn vriendinnetje, zei
de man, gelukkig glimlachend. Ze woonden al vijf jaar samen en hij had haar leren
auto rijden, biljarten en tango dansen, voegde hij er meteen aan toe. Het meisje
besteedde al haar aandacht aan de muziek en het orkestje, terwijl de man erg
spraakzaam bleek. Hij had haar leren kennen in een dancing. Ze zat daar op haar
eentje en hij had de hele avond met haar gedanst. ‘Haar ouders waren gescheiden
en haar moeder woonde bij een andere vent. Die twee keken haar werkelijk buiten.
Bij haar vader was ze ook niet welkom. Daarom heb ik haar voorgesteld mee te
komen met mij toen de muziek stopte. En ze deed dat. Ik ben al een hele tijd
weduwnaar, zie je.’ ‘En ze is bij jou gebleven?’ ‘Ja. Ze heeft eerst een paar nachten
in de logeerkamer geslapen. Ik voerde haar naar haar werk omdat haar fiets bij haar
moeder gebleven was. Maar nu rijdt ze met mijn wagen!’ ‘En dat biljarten?’ ‘We gaan
af en bij een paar vrienden van mij die in zo’n rusthuis zitten voor ouden van dagen,
biljart spelen. Daar heeft ze dat ook geleerd. En jaloers dat mijn vrienden zijn!’ ‘Dat
kan ik geloven. Het ziet er echt een schatje uit!’ ‘Dat is ze ook. En ze zegt dat ze bij
me blijft totdat ik sterf, nietwaar Josianneke?’ wendde hij zich nu tot haar.
Waarschijnlijk had ze een en ander kunnen horen van wat Dirk en de man in elkaars
oor riepen. ‘Da’s zeker!’ riep ze terug en gaf hem een smak van een kus op zijn
wang, waarna ze weer een en al aandacht was voor de muziek.
Omdat Dirk nog met een vraag bleef zitten die hij niet direct durfde stellen,
bestelde hij nog een rondje voor hen drieën. Het meisje dronk fruitsap ‘omdat zij
chauffeur was’. ‘En hoe zit het met de seks?’ vroeg hij ten slotte zo weinig luid
mogelijk. ‘Dat gaat’, knikte de man zonder enige verlegenheid. ‘Het duurt wat langer
en ze moet wat geduld met me hebben. Maar als je wat ervaring hebt is het er niet
minder aangenaam om.’ En na een korte poos zei hij wat stiller aan Dirks oor: ‘Ze is
echt niet erg gesteld op jonge mannen en na mij heeft ze daar nog alle tijd voor!’ ‘Met
zo’n grietje in je bed word je zeker honderd.’ ‘Voor mij niet gelaten!’ De man grinnikte
en gaf Dirk een klap op zijn bil. Hij was al vijfenzestig. Dirk zei dat hij er heel wat
jonger uitzag. ‘Dat hebben ze me nog gezegd’, lachte de man.
Na een poosje luisteren naar de muziek, boog Dirk zich weer naar hem
toe: ‘Jij bent nog beter af dan koning David uit de Bijbel!’ ‘O ja?’ ‘Ja, toen die oud
geworden was, beweerde hij dat hij zich niet meer kon verwarmen in zijn bed. Er
moest een maagdeke bij hem slapen!’ ‘Echt waar?’ ‘Ja, en vermits de meisjes er toen
heel jong uitgehuwelijkt werden, waren maagdekes daar in feite kinderen! Terwijl
jouw Josianneke een schat van een jonge vrouw is. Hoe oud is ze nu?’ ‘Vijfentwintig.’
‘Koning … Hoe heet je eigenlijk?’ ‘Herman.’ ‘Koning Herman, ik benijd je en wens je
heel veel geluk!’ Dirk greep de hand van de man. Hij begon te beseffen dat hij al wat
‘onder invloed’ was. Hij zou er goed aan doen zijn appartement en zijn bed te gaan
opzoeken zodra zijn glas uit was.
Maar de man wilde ook nog een rondje trakteren. Dirk probeerde te
weigeren, maar Herman drong aan. Hij nam dan nog maar een ‘Koninckske’. De man
vertelde intussen dat zijn eerste vrouw tien jaar lang ziek geweest was vooraleer ze
stierf en dat hij haar al die tijd goed verzorgd had in hun eigen huis. Er klonk
ontroering in zijn stem wanneer hij het had over haar. Zij had hem gezegd dat hij
zeker niet alleen moest blijven wanneer ze er niet meer was. En nu had hij een
contract van samenwonen afgesloten met Josianneke. Sedert die bij hem ‘onder dak’
was, had ze ook weer een goed contact met haar moeder, haar stiefvader en haar
vader. Ook hijzelf was nu goed bevriend met haar familie.
Terwijl Dirk dat laatste ‘bolleke’ uitdronk, voelde hij dat hij zijn bekomste
had. Hij vroeg de bazin een taxi op te bellen. Herman stelde voor hem naar huis te
voeren, maar dat kon pas voor Josianneke wanneer het orkestje stopte en dat zou
nog wel een tijdje duren. Dirk was wel graag wat langer bij het ongewone paar
gebleven, maar het was beter naar huis te gaan. Hij kwam van zijn barkruk af. ‘We
komen hier af en toe een tryout beluisteren’, zei de man. ‘Dan zien we elkaar ooit wel
terug’, beantwoordde Dirk de voorzichtige uitnodiging. Terwijl hij aan het afrekenen
was, kwam een taxichauffeur met vragende blik naar de bazin kijkend, tot bij de
tapkast. Ze wees hem Dirk, die knikte en vlug afscheid nam van Herman en
Josianneke. Hij had haar graag een kus gegeven, maar ze gaf hem alleen maar een
hand. Buiten zei hij de chauffeur zijn adres en die hield de deur van de taxi voor hem
open. Zag die dat hij al wat aangeschoten was?
Tijdens de rit naar de randgemeente waar hij woonde, herinnerde Dirk
zich ook nog een andere ontmoeting in een restaurant langs een Franse autostrade.
Hij was er aan een tafeltje gaan zitten naast een jong paar en het was pas toen hij
goed en wel neerzat dat hij merkte dat de man in een rolstoel zat. Ze hadden een
aangenaam gesprek gehad. De man en zijn vrouw zagen er erg gelukkig uit. Hij was
een paar jaar daarvoor door een auto-ongeval verlamd geworden toen ze nog maar
verloofd waren. Ze waren toch getrouwd, op aandringen van de vrouw. ‘Ik ben er heel
zeker van dat hij me nooit zal bedriegen’, zei ze lachend. Ook de man kon
ongecomplexeerd spreken over zijn handicap. Ongetwijfeld kon zij hem nu rijkelijk
bemoederen. En omdat hij ondanks zijn handicap, naast zijn huwelijk ook nog een
interessante job had als technisch tekenaar, bleek hij een goed gevoel van
eigenwaarde te hebben. Dirk had hen gezegd dat hij heel blij was hen ontmoet te
hebben. Het was inderdaad een van de beste koppels die hij ooit leerde kennen. En
nu was er ook nog Herman en Josianneke. Terwijl hij zelf in een sukkelstraatje zat
met Karin.
In zijn appartement deed hij zijn bovenkleren uit en kroop onder het dunne
zomerdeken.
68
De volgende morgen werd hij laat wakker met een beetje van een kater.
Hij stond op en ging Karin opbellen om te informeren hoe zij de rest van de avond
doorgebracht had. Maar ze nam niet op. Hij ging douchen en probeerde opnieuw,
weer zonder resultaat. Het was pas na zijn ontbijt dat ze bij de derde poging de hoorn
opnam en onmiddellijk zelf zei dat ze heel wat te vertellen had. Die Haenens was
inderdaad de schilder 'met het atelier van de orgieën'. Ze hadden gedrieën tot heel
laat gepraat en zijn werk bekeken. Maar er was zoveel te vertellen dat ze het liever
niet over de telefoon deed. Konden ze niet afspreken om in de namiddag samen een
terrasje te gaan doen? Dirk was liever naar haar studio gegaan. Hij wierp op dat het
weer er niet al te best uitzag. De hemel was inderdaad helemaal overtrokken en het
kon best gaan regenen. ‘Dan gaan we in een knus cafeetje een koffie drinken en een
wafel of een pannenkoek eten’, hield ze voet bij stuk. ‘Oké, dan maar’, gaf hij met
tegenzin toe. Waarom konden ze niet bij haar of op zijn appartement samenkomen?
Ze stelde voor hem te ontmoeten om halfdrie aan het Rubensstandbeeld op de
Groenplaats. ‘In regenkledij’, deed Dirk een beetje sarkastisch. ‘Een paraplu zal wel
volstaan zeker? Tot dan!’ En ze legde vlug de hoorn neer.
Het was al bijna middag. Na dat late ontbijt kon hij nu onmogelijk nog wat
eten vooraleer naar de afspraak te gaan. Hij moest ook nog zijn auto terughalen van
de parking op de Scheldekaaien. Dat was zowat het enige dat hij in die korte tijd kon
doen. Maar hij zou ook met Karin van de Groenplaats naar een van de terrassen
langs de rivier kunnen wandelen om daar in het restaurant wat te eten. Met zicht op
de rivier. Dat was beter dan zijn wagen eerst nog te verplaatsen naar de parking
onder de Groenplaats. Hij ging een uurtje op de canapé liggen en trok daarna met het
openbaar vervoer naar het centrum. Met een bang voorgevoel van wat er wellicht op
komst was.
Hij was wat te vroeg aan het standbeeld van Rubens zodat hij eerst nog
een wandelingetje maakte langs de kathedraal en de Markt om langs de Oude
Koornmarkt terug te komen naar de Groenplaats. Karin stond er al. Na de drie
kussen zei hij dat zijn wagen nog langs de Schelde stond en dat ze misschien in het
restaurant van het Noorderterras een koude schotel of koffie met pannenkoeken
konden gaan eten. Daar konden ze nog kiezen tussen het terras en de zaal waar ze
achter de beschutting van een raam even goed zicht op de Schelde hadden. Karin
stemde daarmee in en ze wandelden erheen.
‘Ga je dikwijls naar de Zwarte Panter, Karin?’ begon hij zo neutraal
mogelijk.
‘Tijdens mijn studies ging ik er vrij regelmatig. Maar nu was het al een
tijdje geleden dat ik nog een vernissage bijgewoond had. Het is nochtans belangrijk
af en toe naar een galerie te gaan, vernissages bij te wonen en met artiesten te
praten.’
‘Ongetwijfeld. Maar we zouden dat ook samen kunnen doen?’
‘Ja, maar ik voel me vrijer als ik bij zulke gelegenheden alleen ben. Je was
al bijna ruzie aan het maken met John. Gelukkig kon ik op tijd tussenkomen!’
‘Een confronterend gesprek is nog iets anders dan ruzie maken!’
‘Maar het kan ontsporen. John vindt dat de studies die ik gedaan heb en
mijn thesis wel heel interessante confrontaties zullen toelaten. Hij wil zich graag eens
meten met iemand “die de pretentie heeft het beter te weten dan de artiesten zelf”,
zoals hij het uitdrukt. Maar wij doen dat niet op zo’n agressieve manier.’
Ze had zich blijkbaar laten versjacheren aan die kerel. Dat ergerde Dirk,
maar hij trachtte zo kalm mogelijk te blijven. ‘En zal hij je ook betrekken bij zijn
orgieën?’
‘Ja, hij zal me verwittigen bij een volgende filmopname. Hij is ongetwijfeld
een authentieke kunstenaar, van wie ik heel wat kan leren. Hij heeft belangrijk werk
gemaakt en verkoopt van tijd tot tijd een van zijn constructies. Het is alleen maar af
en toe dat hij zijn atelier laat gebruiken voor erotische fotosessies en filmpjes.’
‘En hij ronselt vrouwen die bereid zijn zich hiervoor te laten gebruiken?’
‘Hij heeft wat vriendinnen die daar aan meedoen. Waarschijnlijk zijn er wel
een paar waarmee hij soms naar bed gaat. Maar hij wacht momenteel op nieuwe
inspiratie, heeft hij later op de avond gezegd: een nieuwe liefde om nieuw sterk werk
te kunnen maken. Net als Picasso enkele malen deed.’
‘En net als Picasso zal hij die een tijdje opvrijen, om ze daarna te dumpen
of te confronteren met nieuwe rivalen of zijn vroegere liefdes. Je weet toch ook hoe
Picasso roofbouw pleegde op de achtereenvolgende vrouwen die hem inspireerden.
Hoe hij zich zelfs vermeide in hun frustraties en aftakeling! Hoe hij sommige als
wrakken achterliet wanneer hij een nieuw slachtoffer gevonden had! Hoeveel hebben
er zelfmoord gepleegd? Twee? Drie?’
‘Meedoen met die fotosessies betekent nog niet met hem naar bed gaan!’
ging ze ook een toon hoger. ‘Ik beslis zelf wel tot waar ik het laat komen!’
‘Maar hij is de sterkste. Hij kan genoeg vrouwen ronselen voor zijn
sessies. Als jij mordicus wilt meedoen, zal je toegevingen moeten doen.’
‘Zoveel als ik zelf wil! Ik weet dat ik nu veel steviger in mijn schoenen sta.
Wanneer hij me, nadat we wat borrels op hadden, voorstelde om bij hem in te
trekken, heb ik hem rustig geantwoord dat ik een eigen studio heb en daar wens te
blijven. Hij probeerde nog ‘dat een lat-relatie ook wel kon’. Hij maakte werkelijk geen
omwegen. Maar ik heb de boot afgehouden. Ik heb helemààl geen zin om het
aanhangsel te worden van een artiest. Maar ik wil wel van hen leren. Ik wacht dus
alleen maar op een invitatie voor zo’n kunstorgie.’
‘Ik kan niet goed kan verdragen dat je zulke risico’s gaat lopen omdat ik
bezorgd ben om je, Karin.’ En ook wel omdat hij zich tekort gedaan en gefrustreerd
voelde. Maar dat zegde hij haar beter niet.
‘Maar al met al zou ik het belangrijkste nog vergeten.’
‘Nog een deus ex machina, Karin?’
‘Zo mag je het misschien wel noemen. John is momenteel bezig met een
grote structuur voor een bedrijf dat op zoek is naar een embleem en een logo. In het
atelier hebben we de maquette gezien en al een stuk van de uitvoering op ware
grote. Het is een soort aanzet van een hangbrug in gegolfd plaatijzer, tussen twee
hoge palen. Spankabels zullen die schuin achteroverhellende palen en het hele
gevaarte stevig in de grond verankeren. Een sterk streven naar een onbestemd iets
én een vast verankerd zijn. Samengebalde spanning en evenwicht. Het zal “La
grande velléité” heten, wat hij vertaalt als: “Het grote gaarne willen”. Wat meer
spanning dan evenwicht laat vermoeden.’
Dirk begon te voelen dat er stront aan de knikker zat. Maar hij kon zijn
vermoeden niet goed onder woorden brengen. ‘Dat is toch niet…?’
Karin begreep wat hij bedoelde. ‘Toch wel! John vertelde dat een vroegere
vriendin van hem, Irina, met een man gekomen was die ze korte tijd daarvoor had
leren kennen. Hij heette Karel. Ze kwamen naar het atelier omdat hij op zoek was
naar een kunstwerk. Ze was tweemaal meegekomen, maar daarna kwam hij alleen.
Wellicht zat er bij hen een haar in de boter.’ Daar kwam de duivel toch nog uit de
doos, dacht Dirk, sprakeloos. ‘We hebben op Johns aandringen Karel opgebeld en ik
heb hem gelukgewenst met zijn keuze, want hij had een optie genomen op een werk
van John. We hebben een heel lang gesprek gehad.’
‘O ja?’
‘Ja. Het is dezelfde Karel niet meer die ik gekend heb. Achteraf
beschouwd is het niet onmogelijk dat ik een verkeerde inschatting maakte bij alles
wat die Irina me vertelde. In elk geval was mijn reactie fel overdreven.’
‘En ga je hem nu terug ontmoeten?’
‘We gaan morgen naar Vlassenbroek.’
‘Naar Vlassenbroek?’
‘Ja, daar komen nogal wat zondagschilders. Voor ik die pillen slikte waren
we van plan geweest er eens heen te gaan.’
‘En dan ga je terug met hem aanpappen?’
‘Waarschijnlijk niet, maar er valt heel wat uit te praten. Hij is blijkbaar geen
workaholic meer en wil nu zeker tijd maken om een echte vader te zijn voor eventuele
kinderen.’
‘Dat waren jouw voorwaarden toen?’
‘Zo ongeveer, ja.’
‘Dus is hij nu bereid die aan te nemen, en …’
‘Maar dat was toen en nu is nu.’
Het was te fris om buiten op het terras te gaan zitten en ze vonden binnen
nog een vrije tafel bij een raam. Ze bestelden allebei koffie met pannenkoeken.
Zelfs als Karin niet helemaal zou ingaan op voorstellen van die Karel, kon
hij toch een bijkomende minnaar worden in haar menagerie. Dirk wist niet goed hoe
hierop te reageren en Karin deed alsof alles nu gezegd was. Ze zwegen een hele
poos. Nadat ze hun pannenkoeken gekregen hadden, hernam ze: ‘Mijn moeder is
heel blij dat ik nu zo zelfstandig geworden ben’.
‘En schrijft ze dat toe aan mijn “therapeutische aanpak”?’ deed Dirk een
beetje schamper. Karin kon een lachje niet onderdrukken.
‘Ik zal haar daar volgende maal op wijzen, Dirk.’
‘Dat is heel lief van je.’
‘Je zou een volgende maal kunnen meekomen wanneer ik haar ga
bezoeken. Indien je daar op gesteld bent, natuurlijk.’
‘Niet echt.’
Na het eten vroeg Karin of hij haar naar haar studio bracht. Dirk knikte.Hij
zag werkelijk niets dat hij haar nog kon voorstellen. Hij legde een bankbriefje in het
schoteltje bij de rekening en zonder op het wisselgeld te wachten gingen ze door.
Ze hadden wat moeite om zijn auto te vinden. ‘Gisteren wat te diep in het
glas gekeken?’ lachte Karin.
‘Toch niet op de vernissage.’
Toen hij stopte voor haar studio kreeg hij vlug drie kussen en zei ze: ‘Tot
volgende woensdag dan?’ Hij knikte alleen maar.
Terwijl hij de wagen weer startte, vroeg hij zich af wat hij met de rest van
de dag kon doen. Alleen op kroegentocht gaan? Indien hij het adres van Herman had
gevraagd, of zijn telefoonnummer, had hij die een bezoekje kunnen brengen. In de
tijd van de interimgrietjes had hij nooit problemen gehad om het weekend door te
komen. Dan had hij het meestal zelfs erg druk gehad. Zelfs wanneer er niets
speciaals op het programma stond, wist hij altijd wel wat te doen en nam hij ook
dikwijls wat vakliteratuur door. Maar nu had hij daar een hekel aan. Ook aan het
alleenzijn op zijn appartement. Terwijl hij vroeger niet wist wat eenzaamheid was.
Toen had hij alles goed onder controle. Nu was het alsof hij met Karin op een tandem
reed, waarvan zij het stuur in handen had en hij zelfs de pedalen was kwijtgeraakt.
‘Einsamkeit hat viele Namen’. Hij probeerde zich de muziek van dat liedje te
herinneren en neuriede het terwijl hij terugreed naar de Groenplaats.
Hij parkeerde zijn wagen in de ondergrondse parking en ging kijken naar
‘den Buster’ of er niet weer een try-out was. Maar het was nog te vroeg daarvoor. Er
zaten enkele klanten aan de tapkast, blijkbaar trouwe bezoekers. Herman was er
niet. Dirk dronk een ‘bolleke’ en vertrok. Het was nog wat vroeg om ergens te gaan
souperen en toch reed hij naar het restaurant waar de dienster een boontje voor hem
had. Hij had nog nooit haar naam gevraagd, maar vanavond zou hij dat doen.
Misschien konden ze afspreken in ‘den Buster’ na haar werk? En indien Herman er
was met zijn Josianneke konden ze samen een stapje in de wereld zetten.
Maar de dienster in kwestie was er ook al niet. Hij liet zich een visschotel
aanpraten en zat daarna verstrooid te piekeren over de volgende dag. Waarom niet
ook naar Vlassenbroek gaan om te proberen Karin en Karel heel toevallig tegen het
lijf te lopen? Dat was wat erg doorzichtig, en een confrontatie met Karel ging hij nu
ook beter uit de weg. Maar die ontmoeting Karel-Karin intrigeerde hem wel.
Misschien kon hij toch per trein naar Dendermonde rijden om er in het station een
fiets te huren en over de Scheldedijken naar Vlassenbroek te fietsen. Indien hij hen
van ver zag wandelen kon hij omkeren of stoppen en hen van op afstand in de gaten
houden. Hij kon een oude vest aantrekken, een pet en een zonnebril opzetten om
minder goed herkenbaar te zijn. Indien hij hen niet zou tegenkomen, zou hij zo toch
de zondag op een min of meer zinvolle manier doorkomen. Vanop de hoge dijken
had men een mooi uitzicht op de Schelde en op de lagergelegen weiden en
landerijen. En een beetje verder was er dat mooie grafmonument van Verhaeren.
Na de maaltijd had hij geen zin meer om nog alleen op café te gaan, en hij
reed naar huis. Het zou dus weer eens tv-kijken worden.
69
De volgende morgen werd Dirk wakker met een vaag gevoel van onlust.
Hij ging het gordijn opentrekken en uit de wolken viel een druilerige regen. In zo’n
weer zouden zijn oude vest en klak niet erg opvallen. Alleen een zonnebril zou wat
ongewoon zijn. Hij bekeek de uurtabellen van de trein naar Dendermonde. Zou hij
tegen de middag proberen in Vlassenbroek te zijn, of pas in de namiddag? Zou Karel
Karin een soupertje aanbieden ’s avonds, of alleen maar koffie met een gebakje in de
namiddag? Het soupertje leek het meest waarschijnlijk als hij de bedoeling had haar
te strikken voor de nacht.
Dirk bereidde zich een stevige brunch en reed daarna naar het station van
Berchem om er de trein naar Mechelen met een overstap naar Dendermonde te
nemen. Een beetje voor één uur kwam hij daar aan. Hij kreeg er een mooie fiets en
vond vlug zijn weg naar de rivier.
Het regende niet meer, maar de enkele wandelaars en fietsers die hij
tegenkwam, hadden allemaal een paraplu bij of regenkledij aan. Het was laag water
op de rivier en de zwartgrijze banken slib op de oevers staken met de donkere hemel
sinister en fel af tegen de groene weiden en begroeiingen beneden de dijk.
Toen hij Vlassenbroek in zicht kreeg vertraagde hij wat. Liepen Karin en
Karel misschien daar beneden in de straatjes, kijkend naar de winkels of zoekend
naar een restaurant? Misschien zaten ze al in een of ander restaurant? Zou hij
afdalen en wat rondrijden in de straatjes? Dan kon het gebeuren dat hij pardoes
tegen hen opbotste. Hij bleef traag doorrijden omdat hij niet tot een beslissing kon
komen. Eenmaal voorbij het dorp versnelde hij weer. Zou hij niet beter tot aan het
volgende dorp rijden en daar zelf een koffie met appeltaart of pannenkoeken nemen?
Was hij niet iets erg dom aan het doen? Besluiteloos reed hij verder door. Hij reed
voorbij Sint-Amands, naar het volgende dorp, Mariekerke, waar hij in een bocht van
de rivier het parkje wist met de mooie graftombe van Emile Verhaeren. Beter daar op
een terras gaan zitten. Daar zouden Karin en Karel wel niet komen en kon hij rustig
overleggen wat hij verder doen zou.
Hij ging er eerst nog naar de tombe en naar het lange bijna rechte stuk
rivier kijken dat vandaar tot aan de einder reikte. Verhaeren die gedichten en proza
schreef in het Frans was zo beroemd in zijn tijd dat hij hier een graf gekregen had
buiten de ‘gewijde grond’ van een kerkhof.
Toen hij de weg terug nam stopte ter hoogte van Vlassenbroek om te
kijken naar de wandelaars in de straten. Hij had geen zin om al terug naar huis te
gaan en ging op een der banken zitten die hier en daar boven op de dijk stonden. Het
kon hem niet meer schelen dat ze hem hier mogelijks konden aantreffen.
Na zowat een half uur besloot hij langs een schuin fietspad af te dalen in
de straatjes van het dorp om er een restaurant op te zoeken. Hij hoopte nu zelfs hen
ergens tegen het lijf te lopen. Hij zou wel zien hoe zich uit de slag te trekken. Hij
zocht naar wat hem het duurste en chicste restaurant leek, omdat hij veronderstelde
dat Karel dat zou gekozen hebben.
Hij sloot de fiets af en ging binnen. Er zat wat volk voor koffie en gebak,
maar het was nog te vroeg voor het avondeten. Hij keek even rond en ging zitten aan
een tafeltje bij een raam. Hij bestelde nog maar eens pannenkoeken, koffie en ook
een cognac. Hij deed er zo lang mogelijk mee in de hoop hen nog te zien
binnenkomen. Maar dat gebeurde niet. Ze waren ook niet onder de voorbijgangers in
de straat.
Hij reed nog eens opnieuw in de richting van Mariekerke, maar toen het
begon te regenen droop hij af naar Dendermonde zonder Karin en Karel gezien te
hebben. De vloed was intussen opgekomen en het water stond nu tot in de
rietvelden, die hier en daar de rivier omzoomden. Een verloren dag. Wat zouden die
twee intussen allemaal gedaan hebben? Terug thuis zou hij Karin opbellen om te
vragen hoe de ontmoeting met haar Karel verlopen was. Waarom kon ze een hele
zondag optrekken met die vent en moest hij zich tevreden stellen met één avond in
de week? Die Karel was ongetwijfeld heel wat rijker, maar toch ook ouder. Hij had
haar bovendien bedrogen met die Irina, terwijl hijzelf altijd het beste met haar had
voorgehad.
Terug thuis belde hij onmiddellijk, maar ze nam niet op. Hij ging in de
canapé liggen en zapte verstrooid van het ene tv-programma naar het andere.
Wellicht probeerde Karel haar zo lang mogelijk aan het lijntje te houden. Mischien
was ze wel meegegaan met hem? Af en toe van de tv naar de telefoon lopend, bleef
Dirk haar opbellen gedurende een paar uur. Eindelijk nam ze op. Ze was juist terug
thuis, zei ze. Ze waren in de stad gaan souperen.
‘In de stad?’
‘Ja, met dat slechte weer zijn we niet naar Vlassenbroek geweest. Dat zal
voor een volgende maal zijn.’
‘Een volgende maal?’
‘Ja, het bezoek van Karel is erg meegevallen.’
‘O ja? Wat hebben jullie dan wel gedaan?’ Het was eruit vooraleer Dirk
zijn woorden en zijn toon wat had kunnen matigen.
‘O, niets bijzonders. We hebben in mijn studio eerst veel gepraat. Hij had
een taartje mee en ik heb koffie gezet.’
‘De hele namiddag?’ Hij hoorde dat zijn toon erg ongelovig klonk.
‘We hebben ook nog iets anders gedaan. Maar eerst moet ik je zeggen
dat hij erg gebeten is op jou. Hij denkt dat je me met loense trucs van hem
weggehouden hebt en dat het jouw schuld is indien hij zijn standpunt niet goed heeft
kunnen uiteenzetten en verdedigen bij mij.’
‘Je was er toch ook bij!’
‘Ja, maar ik was een beetje het noorden kwijt.’
Dirk dacht vooral aan dat ‘iets anders’. ‘En wat hebben jullie dan verder
nog gedaan?’
‘Hij had dat schilderij van Thomas Lange mee en we hebben het
opgehangen recht tegenover het portret dat Bert van me gemaakt heeft. Erg zinvol:
mijn portret kijkt nu naar de vage contouren in het werk van Thomas Lange. Het lijkt
wel een dialoog: ‘Wat zal er voortkomen uit die vage wereld van jou’, vraagt het
portret. En het werk van Thomas Lange antwoordt: ‘Ben jij wel zo zeker van je stuk,
zoals je daar staat?’ Bert heeft me inderdaad nogal zelfbewust afgebeeld. Een beetje
hoekig, maar erg herkenbaar.’
Dirk bleef sprakeloos. Die Karel had haar dus dat dure schilderij gegeven,
en die Bert was daarvoor ook al met dat portret bij haar geweest. Dat was
ongetwijfeld allemaal niet zonder ‘tegenprestaties’ gebeurd.
Karin ging verder: ‘Karel heeft me dat werk cadeau gedaan om me te
bedanken voor de aangename tijd die we samen doorbrachten, hoe kort die ook
geweest is. “After all” heb ik bij hem een hele mentaliteitswijziging op gang gebracht.
Hij is inderdaad erg veranderd.’
‘Het wordt dus toch iets tussen jullie beiden?’
‘Iets wel, maar wat het wordt, is nog niet uitgemaakt. Ik ben zelf ook erg
veranderd en pas niet meer in het beeld dat hij van me heeft.’
‘In elk geval ben ik de verliezer’, kon Dirk niet laten bitter op te merken.
‘Er zijn geen winnaars en geen verliezers, Dirk! Je bent nog steeds de
woensdagavond welkom!’
‘En Karel en Bert?’
‘Daar hoef jij je niets van aan te trekken.’
‘En de schildersorgie op het atelier van Haenens?’
‘Ik zal zien wat ik daarmee doe.’
‘En heb je dat ook aan Karel gezegd?’
‘Karel is evenmin mijn engelbewaarder als jij!’ ontweek ze zijn vraag.
‘Het wederzijdse huwelijksbedrog’, hoorde Dirk zich citeren. Was dat geen
stuk van Molière?
‘Misschien speel ik zelf voorlopig wel een beetje vals, maar Karel lijkt me
heel oprecht te zijn. Bijna van een ontwapenende naïviteit. Bij een man van zijn
leeftijd is dat echt ontroerend.’
‘Nu zijn de rollen dus omgekeerd en houd jij hem aan het lijntje zoals hij
vroeger deed met jou!’
‘Een beetje, ja. Maar ik heb hem wel verteld over onze reis naar de
Noordkaap. En het portret dat Bert van me geschilderd heeft, heeft hij dus ook
gezien.’
‘En terwijl jij dubbel spel speelt, denk je dat hij oprecht en naïef is! Wie is
er dan naïef?’ Hij voelde zich bitter en agressief worden.
‘Wel, ik ben nu zékér niet meer naïef en ik denk ook dat hij het eerlijker
speelt dan jij gedaan hebt!’ beet ze van zich af. De dialoog was aan het ontsporen.
Hoe kon hij nog op een positieve toon afsluiten? Het duurde een ogenblik vooraleer
hij zei: ‘Ik wilde een monogame relatie opbouwen met jou, Karin.’
‘Dat neem ik aan. Maar het is blijkbaar niet gelukt.’
‘En de kans dat het toch nog lukt, wordt voortdurend kleiner.’
‘Hoe de dag van morgen er zal uitzien weet niemand’, zei ze een beetje
raadselachtig.
‘Dat zullen we woensdag weten’, probeerde hij een ietwat sarcastisch
grapje te maken.
‘Hoezo?’
‘Volgende woensdag zullen we weten hoe het maandag geweest is’,
verduidelijkte hij.
‘Ah zo. We zullen zien. Je komt woensdag best weer eens bij mij, Dirk.
Dan kan je mijn aanwinsten bewonderen.’
‘Tot woensdag dan, Karin.’ Zij was de eerste om de hoorn neer te leggen.
Hij bleef een hele poos peinzend bij de telefoon zitten. Zijn dure zilveren
hagedisje met de kleine diamantjes was blijkbaar helemaal in de vergeethoek geraakt
door die verdomde schilderijen. En ook alles wat hij voor haar gedaan had.
Hij kleedde zich uit en ging naar bed. ‘Elke dag heeft genoeg aan zijn
eigen leed’, zei hij bij zichzelf.
70
De volgende avonden kon Dirk met niets ernstigs meer bezig zijn. Hij kon
alleen maar dingen doen die de tijd hielpen doden en weinig concentratie vereisten.
Hij ruimde zijn garage wat op, gaf zijn appartement een grondige poetsbeurt, ging
met zijn wagen naar de carwash. Hij zat tv te kijken tot hij erbij in slaap viel. Hij
besefte wel dat deze manier van leven niet kon blijven duren. Maar hij moest die
dagen zien door te krijgen en te overleven. Tot wanneer?
Hij was opgelucht, maar toch ook gespannen om wat er allemaal uit de
bus kon komen toen hij de woensdagavond eindelijk naar haar studio reed.
Karin gedroeg zich erg zakelijk. Hij werd onmiddellijk geconfronteerd met
de beide schilderijen die recht tegenover elkaar opgehangen waren. ‘En?’ vroeg ze
nieuwsgierig naar zijn mening. Dirk bekeek eerst een hele poos het portret, omdat dat
het best ‘leesbaar’ was. Er straalde een soort jeugdige zelfzekerheid uit het gezicht
en uit de hele houding van de ietwat expressionistisch geportretteerde Karin. Hij had
haar wel anders gekend, maar nu was ze ongetwijfeld zo. Zeker tegenover die Bert,
meende hij begrepen te hebben uit wat ze over hem verteld had. ‘De huidige Karin is
inderdaad zeer goed weergegeven en het is ook een zeer goed schilderij’, kon hij
haar met overtuiging plezieren. Ze knikte gevleid en wees naar het andere doek. Dat
was andere koek. Dirk zag eerst een bleke vage mensenfiguur die min of meer
voorovergebogen als uit een jungle naar hem toe scheen te komen. Het was niet
duidelijk of het een man was of een vrouw, maar er sprak toch een soort vrouwelijke
elegantie uit de houding. Er waren overal verfspatten en vlekken over het schilderij
verspreid en dan was er een zeer donkere hoek, links onderaan, waarin een zwarte
schim liep alsof ze wegvluchtte. Ga ik bang een onzekere toekomst tegemoet, of loop
ik weg in duisternis? dacht Dirk. Maar hij zei: ‘Het verwondert me dat dit doek je al zo
sterk aansprak toen je met Karel nog “on the crests of the waves” zat. Het lijkt meer
op de Karin die ik in het UZ heb leren kennen.’
‘Ik had het al gezien voor ik hem kende. Wellicht confronteerde het me
met mijn jeugdjaren en was ik daarna bang voor wat er nog uit de achtergrond kon
komen.’
‘Dat kan. Het is in elk geval een zeer interessante confrontatie tussen die
beide doeken.’
‘Met het portret daartegenover is het echt een uitdaging: waar gaat die
vrouw heen? Wat ga ik aanvangen?’
‘Wat ga je aanvangen, Karin? Je staat voor een keuze, en zoals ik je al zei
is het weten, het inzicht, de kennis dé belangrijkste hefboom waarmee we invloed
kunnen uitoefenen op de keuzes die we moeten maken.’ Hij was weer aan het
vervallen in zijn rol van therapeut.
‘Dat heb je me inderdaad al gezegd. Maar ik weet nog steeds niet, wat ik
ga doen.’
‘Ik hou van je, Karin.’ Hij wilde haar in zijn armen nemen, maar ze week
een stap achteruit. Hij besefte dat hij het veel vroeger op die manier had moeten
zeggen. Nu kwam het blijkbaar te laat.
‘Ja, maar wel op jouw manier, Dirk.’ Dat had ze vroeger ook tegen Karel
gezegd.
‘Ik moet je gelijk geven, Karin. Maar ik kan ook veranderen!’
‘Misschien wel. We zullen zien.’ Ze zweeg even en zei dan nadenkend:
‘Indien ik met Karel optrek moet het een streng monogame relatie worden, met alles
wat daarbij komt kijken. Eén misstap zou een totale mislukking betekenen. En ik weet
niet of ik dat aankan, zoals ik nu ben. Terwijl het met jou een avontuur kan worden
waarbij ik helemaal niet garandeer dat ik niet wat rondkijk naar wat er in de wereld te
beleven valt. Waarschijnlijk zouden we daarbij heel dikwijls ruzie maken en ons
daarna weer verzoenen, tot er misschien een nieuwe “deus ex machina” verschijnt.’
‘Het kan ook zijn dat we allebei evolueren als we aan het avontuur durven
beginnen en dat we met vallen en opstaan een zeer goede relatie kunnen
opbouwen.’
‘Misschien. Als het lijkt te mislukken, kunnen we er gewoon mee stoppen.
Maar als ik daarvoor kies, verlies ik onmiddellijk het alternatief met Karel.’
‘Het moet niet noodzakelijk mislukken, Karin.’
‘Misschien niet. Maar ik wil de beslissing wat uitstellen. Ik heb een
studiebeurs aangevraagd om zes maanden naar Parijs te gaan, om er
opzoekingswerk te doen en mijn doctoraat af te werken. Ik heb uiteindelijk gekozen
voor de feedback die de impressionisten en consoorten daar kregen in de vorige
eeuw van hun collega’s en van het artistieke milieu waarin ze leefden, om die te
vergelijken met de feedback die nu uitgaat van de mondialisatie, de media en de
manipulaties van de financiële wereld.’
‘Is dat niet ook een vlucht?’
‘Misschien. Maar het is vooral een oplossing om niet te moeten kiezen
vooraleer ik zeker weet wat ik wil. Indien ik je elke woensdagavond blijf ontmoeten en
Karel aan het lijntje houd, verlies ik bij hem al mijn geloofwaardigheid. En ik ben niet
zeker genoeg van mezelf om nu een definitieve keuze te maken.’
‘En wat met John Haenens en Bert?’
‘Met Bert kan ik nog wel een beetje kat en muis spelen. Maar John zal ik
inderdaad best op de lange baan schuiven. Tot na Parijs.’
‘Je doet alsof je zo zeker bent die beurs te krijgen.’
‘Nogal, ja.’ Ze lachte een beetje cynisch. Toen ze het gezicht van Dirk
zag, voegde ze er vlug aan toe: ‘Je moet weer niet het ergste gaan denken, Dirk.
Vrouwelijke charme alleen al kan in de meeste gevallen volstaan.’
Het leek overduidelijk dat er van vrijen niets in huis zou komen.
Ze had voor een grote pizza gezorgd. Terwijl die in de microgolf
opwarmde, dekte ze de tafel. ‘In Parijs hoop ik meer informatie vinden om die
kunstenaars en hun milieu beter te leren kennen. Heb jij me niet gezegd dat alles wat
geschreven en gepubliceerd wordt over kunstenaars zeer onvolledig en eenzijdig is?
Alsof de meeste biografen niet een kat een kat durven noemen en de gortige kantjes
van hun idool graag achterwege laten.’
‘Of bang zijn om voor vulgair door te gaan’, antwoordde hij, denkend aan
het 'urinoir'.
‘Misschien ook ontmoet ik er iemand waarmee ik helemaal opnieuw kan
beginnen met een schone lei, zonder hinderlijke herinneringen en wederzijdse oude
grieven. Hoewel ik mijn verleden niet wens te begraven of te verstoppen. Wie me niet
kan nemen zoals ik ben voor de relatie die ik met hem wil aangaan, moet maar
iemand anders zoeken. Ik weet nu wat ik waard ben en dat ik een man enorme
sensaties kan bezorgen. Een vrouw is een koninklijk geschenk voor wie haar naar
waarde weet te schatten.’ Ze luisterde maar half naar het antwoord van Dirk die niets
anders kon dan daar mee in te stemmen, hoewel hij dacht dat ook een man een
koninklijk geschenk kan zijn.
Na het eten bleef Dirk niet lang meer. Karin maakte inderdaad geen
uitnodigende ‘avances’ en zelf was hij door alles wat ze gezegd had niet in staat om
enig initiatief te nemen. Hij dacht aan Calaf die Turandot alleen maar liefdevol wilde
omarmen en wou geen misbruik maken van hun overeenkomst om elke woensdag te
vrijen.
‘Houd je me op de hoogte over hoe je relatie met Karel verder verloopt?’
vroeg hij bij het afscheid.
‘Natuurlijk. Je bent hier nog steeds welkom. Ten slotte heb ik heel wat van
jou opgestoken, ook over kunst.’ Bij dat laatste lachte ze even. Ze ging nog mee tot
aan de buitendeur en daar kreeg hij drie kusjes op zijn wangen.
71
Terug thuis ging hij op de canapé liggen om na te denken. Wat indien
Karin inderdaad voor zes maanden naar Parijs ging? Hoe zou hij dat overleven? En
daarna was er kans dat ze met die Karel optrok. Of indien ze toch voor hem koos,
zou ze er misschien een vrijgevochten leventje willen op na houden. Zou hij niet beter
afhaken? Maar wat daarna?
Het zou een echt rouwproces worden indien hij besliste definitief met haar
te breken. Zelfs die zes maanden afwezigheid zouden moeilijk te verwerken zijn. Hij
besefte nu dat hij soms wat gemakkelijk aan rouwende patiënten gezegd had:
‘Binnen twee jaar kan jouw wereld er gans anders uitzien en zal je zelf een ander
mens zijn. Het komt er alleen op aan die rouwperiode te overbruggen, door enerzijds
toe te geven aan het verdriet om het verlies en anderzijds toch te proberen zo zinvol
mogelijk bezig te blijven.’ Nu zou hij dat zelf moeten zien waar te maken. Maar hoe?
Toch beginnen met een soort a posteriori dagboek van zijn relatie met haar? Om het
bij haar terugkeer te presenteren als een pleidooi pro domo?
Anderzijds was hij nu wel een beetje uitgekeken op de kunst. Met Karin
zou hij zijn hele leven ronddraaien in die wereld van beeldtaal en ongewone
communicaties die oscilleren tussen egotripperij en sociale gedrevenheid, waarbij
creativiteit onttrokken wordt aan de levensnoodzakelijke bezigheden en waar hij bij
heel wat bekendheden enorm veel narcisme wist of kon vermoeden.
De gesprekken met haar hadden hem voldoende inzicht bijgebracht. Voor
eigen gebruik had hij nu wel een definitie die hem de kunst liet zien als een complexe
vorm van communicatie door middel van een specifieke beeldtaal, met een latente en
een manifeste inhoud, waarmee de maker een boodschap of een zekere visie
uitdrukt en een zeker contact beoogt met zijn omgeving en de wereld. Elk voorwerp
dat zijn ‘functionaliteit’ verloren heeft of ervan ontdaan wordt, kan daarvoor gebruikt
worden. Een straaljager of een auto evengoed als een Afrikaans masker of een
flessenrek. De ‘doodgewone’ installaties van Guillaume Bijl waren in het verlengde
van de readymades van Duchamp ook niet veel meer dan een soort ‘gevonden
voorwerpen’ die als kunst konden gepresenteerd worden omdat ze geen gewone
dagdagelijkse ‘functionaliteit’ hadden. En net als bij Duchamp had het eigelijk
volstaan één of twee van die installaties te maken: de overige waren onmiddellijk ‘oud
nieuws’, ‘déjà vu’.
De meeste antieke voorwerpen die we nu voor kunst houden, hadden
vroeger ook een religieuze of andere functie die in beeldtaal uitgedrukt werd. De
prachtige Mesopotaamse gevleugelde stieren met een mensenhoofd drukten met die
drie symbolische tekens een combinatie uit van snelheid, kracht en wijsheid, en
dienden om aldus de kwade geesten af te schrikken. De Egyptische
muurschilderingen en reliëfs in de graven en tempels dienden om de afgestorvenen
ten dienste te zijn of om de levenden te onderrichten en de koningen te eren. Ze
hebben voor ons die ‘functionaliteit’ verloren en zijn nu kunst, net zoals de Afrikaanse
voorouderbeeldjes en maskers. Ook bij ons diende kunst veelal om koningen en
rijken te epateren, of om hun macht of de leer van godsdiensten te etaleren, of om
rituelen mee te bedrijven. Pas later meer om de makers ervan toe te laten zichzelf in
de wereld te positioneren of hun visie op die wereld te ventileren. En nu ook om
professionele curiositeitenmakers toe te laten op de markt te komen en hun eigen
enorme ego onder de aandacht van het publiek te brengen, om te pronken met hun
werken zoals een pauw zijn staartveren opzet. In excessieve gevallen lijkt dat creëren
bijna op een neurotische dwangmatigheid, terwijl het bij sommige anderen een
noodzaak wordt omdat ze nu eenmaal artiest zijn, zelfs al zijn ze uitgepraat, of omdat
ze, vooral begaan met de kunstmarkt, een uitgebreid ‘studiebureau’ of zelfs meerdere
‘productie-eenheden’ moeten aan het werk houden, en daarbij zoveel mogelijk poen
willen scheppen.
Hij had voor zichzelf voldoende inzicht opgedaan in de essentie van kunst.
Om dat hoofdstuk af te sluiten kon daaruit een definitie gedistilleerd worden die goed
aansloot bij de semiotiek. En wat de facultatieve esthetische aspecten, de
kwalitatieve hoedanigheden van kunstwerken betrof, volstond het om om aan de
klassieke schoonheidsnormen zoals compositie, kleurenrijkdom, lijnenspel
enzoverder, de meer actuele facetten van vernieuwing en grenzenverleggen,
tijdgeestweergeven, onthutsen en verbluffen en al dies meer toe te voegen, om aan
de ontvanger van de artiestieke communicatie toe te laten daarin helemaal subjectief
en veelal intuïtief zijn eigen waardeschaal en voorkeuren te laten gelden. De
voorbijgaande modes in de kunst kunnen daarbij bepaalde facultatieve aspecten
positief of negatief sanctionneren. Daarvoor zorgt de hele troep die daar belang bij
heeft. Maar iedereen moet voor zichzelf uitmaken wat hij kunst vindt en of hij dat zelf
wil bepalen of liever luistert naar wat anderen hem voorzeggen.
Die studie die Karin voorhad, kon wel interessant worden. Ongetwijfeld
was het voor een deel de onderlinge dialoog door middel van hun kunstwerken die de
creativiteit binnen het Parijse artistieke milieu stimuleerde, terwijl het nu eerder
winstbejag en economische druk is die de curiositeitenmakers aanspoort tot allerlei
spitsvondigheden en vormexperimenten om hun ‘productie-eenheden’ rendabel te
houden. Maar wat Karin verder met haar studie deed, was haar zaak, en wat anderen
over kunst dachten, kon hem voortaan gestolen worden.
Hij moest terug autonoom worden. Niet al zijn eieren in de mand van Karin
leggen. Zelf ook een misschien tijdelijke relatie beginnen? In afwachting van wat?
Wat zou hij met zijn eigen leven aanvangen? Hij kon maar moeilijk terug naar dat
oppervlakkige leventje met gelegenheidsliefjes.
In zijn job kon hij problemen helpen oplossen. Hij had daarbij al dikwijls
gemerkt dat er een reële behoefte was aan goede zelfhulpgroepen voor
alleenstaanden. ‘De sociale actie is als een vroedvrouw’, had hij ooit ergens gelezen,
‘ze helpt om van het kraakbeen van de gevestigde orde voldoende opening te
bekomen om de toekomst zo pijnloos mogelijk ter wereld te helpen brengen.’ Het zou
niet slecht zijn zich voortaan wat meer sociaal te engageren. Misschien kon hij een
praatgroep opstarten. Niet een club voor yuppies die zich elk weekend aangenaam
willen amuseren en daarbij af en toe een nieuwe partner opdoen, maar een echte
zelfhulpgroep waar goede gesprekken konden gevoerd worden en waar er achteraf
gelegenheid zou zijn voor gezamelijke ontspanning. Hij wist dat vooral alleenstaande
jonge vrouwen met kinderen daar behoefte aan hadden. Ze hebben het meestal niet
breed genoeg om zich een dure contactclub of andere ontspanning te permitteren.
Het zou hem zelf ook helpen om het alleenzijn te verwerken. En wie weet,
ontmoette hij er geen betere partner dan Karin. Een goede relatie biedt sensationele
ervaringen, geborgenheid en comfort. En dan kan het absurde van Camus ‘de pot
op’.
72
De vrijdagavond en de zaterdagmorgen belde hij haar toch weer op om te
vragen telefonisch in contact te blijven wanneer ze in Parijs was. Maar zonder
succes. Hij probeerde ook te beginnen aan het verhaal over zijn relatie met haar,
maar wiste telkens weer uit wat hij niet goed genoeg vond als begin.
Na een middagmaal, opgewarmd in de microgolf, ging hij op de canapé
liggen voor een siësta en om te bedenken wat hij kon doen om de rest van de dag of
van het weekend door te brengen. Hij dacht aan de kastelen van de Loire, maar het
was al te laat om daar nu nog naartoe te gaan. Dat was iets wat hij vroeger wel eens
had willen doen. Waarom schoot hem dat nu te binnen?
Hij had gedroomd van een kasteel, een donjon die oprees uit het water. De
laatste tijd had hij niet veel aandacht meer besteed aan zijn dromen omdat de relatie
met Karin zelf voldoende stof tot nadenken gaf. De donjon van zijn droom was leeg,
spookachtig, en herinnerde hem aan een strofe van een gedicht dat hij tijdens zijn
studentenjaren geschreven had op een thema dat door de leraar opgegeven was:
‘Toen ging ik op de donjon staan en staard’ over de gouwen. Ik ben het leven
ingegaan, alleen, zonder getrouwen’. De rest van het gedicht herinnerde hij zich niet
meer en dat die donjon ook wel een fallisch symbool was, leek hem nu niet echt
belangrijk.
Lieten zijn vroegere fantasmen rond de buurvrouw Milena niet vermoeden
dat er een voorgeprogrammeerd gedrag stak in de manier waarop hij relaties
aanging? Waren de breuk met Ludwina en de latere afstandelijke lat-relaties met de
interimgrietjes niet ook vanuit dat perspectief te bekijken? ‘Einsamkeit hat viele
Namen …’ Moest hij niet in zijn verste jeugdherinneringen gaan zoeken naar de
oorzaak van deze ingesteldheid?
Misschien kon hij zijn ouders nog eens gaan bezoeken om van zijn
moeder wat meer te vernemen over zijn kinderjaren. Ze was altijd zeer weigerachtig
geweest om daarover te praten.
Hij belde hen op en het kwam zijn moeder goed uit, want ze was konijn
aan het klaarmaken voor de volgende dag. Als hij kwam bijzitten zouden ze er niet de
halve week van moeten eten.
Hij probeerde ook nog eens tevergeefs of Karin niet zou opnemen en toen
hij daarna terug op de canapé ging liggen viel hij tenslotte toch in slaap.
Hij werd pas wakker toen het al bijna tijd was voor het avondnieuws. Hij
stak dan maar de tv aan en bracht de hele avond door met zappen van het ene
programma naar het andere. Terwijl hij nog af en toe Karin opbelde, zonder enig
resultaat.
Ook de volgende morgen deed hij dat opnieuw. Maar ze nam nog steeds
niet op. Na het ontbijt en wat lusteloos heen en weer lopen in zijn appartement
vertrok hij tenslotte naar zijn ouders.
Bij het aperitieven werd er over koetjes en kalfjes gepraat en kon Dirk
schijnbaar achteloos vragen of de overburen nog steeds dat nieuwe geloof
aanhingen. Blijkbaar waren ze nog steeds even hard gelovig en was er ook nog een
derde kindje bijgekomen. Na de soep werden zijn vragen meer concreet en
toegespitst op zijn eigen kinderjaren. Na wat aandringen kreeg hij zijn moeder toch
zover dat ze vertelde hoe hij, twee jaar oud, gedurende de moeilijke periode van haar
miskraam toevertrouwd werd aan haar jongere zuster Lena. Die leed aan leukemie
en had niet lang meer te leven. Ze zou zelf nooit kinderen hebben en daarom hadden
ze hem wat langer bij haar in het huis van hun ouders gelaten. Lena had hem
gekoesterd als haar eigen kind en had zelfs af en toe een soort ritueel uitgevoerd
alsof ze hem zelf ter wereld bracht. De grootmoeder had daar niet zwaar aan getild
en er eerder mee gelachen. Maar Dirk merkte dat zijn moeder daar op zijn minst een
zeer ambivalent gevoel over had. Ze had hem pardoes teruggehaald. Daarna had het
maanden geduurd vooraleer hij weer reageerde als haar kind en was hij wat stil en
eenzelvig gebleven.
Zijn vader luisterde zonder veel commentaar mee, maar herinnerde zich
dan ook een anecdote. Toen Dirk vijf of zes jaar was had hij ooit met de handen op
de rug en agressief naar haar omhoog kijkend tegen zijn moeder gezegd: ‘Ge zijt gij
geen baas van mij!’. Op haar vraag wie er dan wel baas was over hem, had hij
zonder verpinken geantwoord: ‘God’. Blijkbaar zat Die toen ver genoeg om er geen
last van te hebben.
Hoe was hij er later toe gekomen om die godsdienst overboord te gooien?
Je wordt er van jongsaf aan beetje bij beetje ingeluisd als bij hypnose, en de
mystificatie doet naar antwoorden zoeken voor alle tegenstrijdigheden en
onmogelijkheden die zich voordoen, tot de maat vol is of er een storende factor van
buitenaf de betovering verbreekt. Dan komt de demystificatie als een grondzee alle
kunstige constructies wegspoelen. Met de kunst gaat het misschien op een bijna
identieke manier. Er gaat een zekere hypnose uit van kunstwerken die je
aanspreken, en van de sfeer die errond gecreëerd wordt. Zolang het de spuigaten
niet uitloopt, kan men zelfs de excessen van de curiositeitenmakers en de erudiete
woordenkramerij van de exegeten blijven slikken. Maar voor hem was blijkbaar het
ogenblik van de demystificatie gekomen en keek hij nu naar dat milieu van
professionelen en kunstconsumenten als naar de vroegere Romeinse lucullische
veelvraten. De confrontatie af en toe met goede kunstwerken was natuurlijk zinvol,
maar overconsumptie leek hem nu eerder afstompend te werken.
Na het eten, terwijl zijn moeder afruimde en wat ordende, trokken Dirk en
zijn vader zich terug in de veranda om de laatste Finse sigaar op te roken. Om ook
hem wat meer aan de praat te krijgen, herinnerde hij zijn vader eraan hoe ze hem
vroeger in het college vijf bewijzen van het bestaan van God hadden voorgelogen.
‘Ja, de leraar godsdienst had dat in Rome zo geleerd en we moesten alle vijf die
bewijzen glad van buiten kennen’ beaamde zijn vader, aandachtig de rook van zijn
sigaar nakijkend. ‘Sindsdien is de leer wat aangepast en wordt er aanvaard dat het
bestaan van God niet kan bewezen worden. Maar het kan ook niet bewezen worden
dat Hij niet bestaat, voegen ze er vlug aan toe. We kunnen ons duizenden dingen
inbeelden waarvan niet kan bewezen worden dat ze niet bestaan. Niemand heeft zich
ooit geëxcuseerd voor al de leugens die ze mij in mijn jonge jaren hebben
ingehamerd’.
Blijkbaar had het zijn moeder goed gedaan eens te kunnen praten over die
dingen die ze waarschijnlijk ook voor zichzelf verdrongen had. Toen Dirk na het
avondeten afscheid nam, drong ze aan dat hij wat meer op bezoek zou komen. Hij
beloofde dat graag te zullen doen. Had ze gevoeld dat hij het wat moeilijk had? Zijn
vader beperkte zich tot een ietwat steviger handdruk dan gewoonlijk.
Terug thuis belde hij weer herhaaldelijk Karin op. Ze was duidelijk afwezig.
Tussendoor ging hij in oude familiefoto’s en andere souvenirs zoeken naar een spoor
van die jongere tante Lena. Maar hij vond niets. Hij wist dat ze een paar jaar na de
miskraam van zijn moeder gestorven was. Zijn moeder had blijkbaar een moeilijke
relatie gehad met haar zuster, die omwille van haar ziekte veel meer aandacht
gekregen had en daarna in zekere zin haar kind afgenomen had. Dirk had niet naar
details durven vragen, maar misschien had Lena hem bij het mimeren van de
bevalling tussen haar benen gelegd, of op haar naakte buik, of hem laten zuigen aan
de droge tepels van haar borsten. Was er een fysieke gelijkenis tussen Lena, Milena
en Karin? Of had Milena door het liefdevol vertroetelen van haar kinderen hem
onbewust aan Lena herinnerd? Mi-Lena. Mijn Lena. Hij had blijkbaar een Lena voor
zichzelf gewild zoals die buurvrouw ‘eigendom’ was van haar man… Had hij dàt
onbewust voorgehad met Karin? Ook indien zij niet helemaal ongelijk had wanneer
ze dat beweerde, was hij daar nu in elk geval zeker aan voorbij.
Hij ging pas na middernacht slapen en de volgende morgen belde hij
opnieuw zodra hij opstond en ook voor hij naar het UZ vertrok. Nog steeds
vruchteloos.
73
Het duurde tot de dinsdagavond vooraleer ze hem zelf opbelde. ‘Van bij
haar moeder’, zei ze. Ze was voorbereidingen aan het treffen om naar Parijs te gaan.
Haar moeder zou haar daarheen brengen met de wagen. Ze was praktisch zeker van
de beurs en haar vader had financiële steun toegezegd. Ze zou de volgende dag niet
op haar studio zijn, want ze had beloofd aan Karel, die ze ook niet meer zou
ontmoeten voor haar vertrek, dat ze ‘op weduwschap’ zou leven tot ze een definitieve
beslissing kon nemen. En in Parijs wilde ze onbereikbaar zijn. Ze zou er in ‘volledige
onthouding’ leven.
‘Je mag me wel zelf opbellen, Karin, indien je onze dialoog over kunst wilt
verder zetten of inlichtingen nodig hebt,’ probeerde Dirk toch nog.
‘Ik denk dat ik nu genoeg weet over jouw definitie van kunst en jouw meer
psychologische benadering.’
‘Mijn definitie sluit ook aan bij jouw semiotics. Ze is zo ruim dat ze voor
allerlei vormen van plastische kunst kan opgaan, en ook voor allerlei creaties zoals
kindertekeningen, werken van schizofrenen, volkskunst, “art brut” en zo meer.’
‘Ik houd het voorlopig bij de kunst als een specifieke soort van beeldtaal.’
‘Verkeerstekens zijn ook een specifieke vorm van beeldtaal. Maar de
symbolen ervan hebben elk een éénduidige overeengekomen betekenis. Wàt maakt
de beeldtaal van kunst juist zo speciaal?’
‘Misschien vind ik dat wel uit tijdens mijn opzoekingswerk in Parijs,’
antwoordde ze ontwijkend.
‘Het specifieke van een kunstwerk is dat de auteur met een complexe,
gelaagde communicatie, een gestalt, een taaldaad stelt in beeldtaal met een eigen
idioom, een eigen symboliek, die zeer individueel kan zijn maar ook kan behoren tot
een bepaalde groep, een “school”, een cultuur. In die gestalt kunnen we vier
verschillende niveaus onderscheiden, die in meerdere of mindere mate aan bod
komen …’
‘De vier niveaus van Dirk,’ onderbrak ze hem op een ietwat ironische toon
alsof ze dat al tot vervelens toe had moeten horen.
‘Die elkaar onderling beïnvloeden, betekenis geven aan het geheel en er
specifieke connotaties van terugkrijgen,’ ging hij onverstoorbaar verder. ‘Een latent
min of meer onbewust nivau, een manifest niveau van tekens en symbolen, een
communicatieniveau waarmee de auteur een zeker contact beoogt met zijn
omgeving, en een vierde niveau waarin elke kunstgenieter de ontvangen
communicatie voor zichzelf herschept met zijn eigen inhouden.’
‘Die symbolen moeten niet noodzakelijk op “freudiaanse verdrongen
inhouden” terug gaan, het kunnen ook gewoon onbewuste inhouden zijn die niet uit
het persoonlijke onbewuste van de artiest komen, maar uit het collectieve!’
‘Ze kunnen inderdaad ook komen uit de collectieve inhouden van de
cultuur waarin de kunstenaar leeft, maar ze krijgen toch een persoonlijke connotatie
mee. Uit het individuele of collectieve onderbewustzijn komend, drukken symbolen
volgens Jung een psychische werkelijkheid uit die aangevoeld wordt in haar
dynamische uitwerking, doch relatief onbekend blijft, als een soort samenvatting van
een psychische toestand die mogelijks een verstoord evenwicht of zelfs een mislukte
aanpassing aan de omgeving kan zijn. We kunnen het onbewuste via die beeldtaal
beter leren begrijpen, waarbij soms een hele reeks communicaties en symbolen van
die eigen beeldtaal van de kunstwerken nodig is om tot bewuste kennis van de
verborgen inhoud te komen.’
‘En daarmee heeft de kunstenaar dan zijn eigen bewuste of onbewuste
bedoelingen,’ deed ze weer alsof ze een lesje opzegde.
‘En elke ontvanger maakt er ook een eigen persoonlijke creatie mee indien
hij ontvankelijk is voor de taaldaad in kwestie.’
‘Dat is dus jouw definitie van kunst? Heb je nu niet de pretentie het beter te
weten dan Jan Hoet die beweert niet te weten wat kunst is?’
‘Dat zal wel een boutade van hem zijn. Hij heeft het geluk gehad zijn jeugd
door te brengen in Geel, waar schizofrenen opgenomen zijn in gezinnen en meeleven
met de hele gemeenschap. Daar heeft hij ongetwijfeld veel specifiek symbolisch
gedrag gezien en een intuïtief aanvoelen van symbolentaal aangekweekt. Maar hij is
er, spijt zijn toenmalige en later veelvuldige contacten met kunst en kunstenaars,
wellicht niet toe gekomen daaruit een theorie en een definitie te distilleren. Hij is
bovendien ook, net zoals iedereen, onderhevig aan storende invloeden die zijn
oordeel en zijn intuïtie kunnen op een dwaalspoor zetten.’
‘En de readymades van Duchamp, beantwoorden die dan al of niet aan
jouw definitie?’ vroeg ze nu op een wat ernstiger toon.
‘Als ze werkelijk beantwoorden aan de omschrijving die Duchamp ervan
geeft, zijn ze eigenlijk zelfs geen beeldtaal. Maar net zoals de installaties van Bijl
blijken ze meestal wel een eigen inhoud of betekenis te hebben of mee te krijgen, die
hen tot symbool maakt van iets meer of iets anders dan hun vroeger functioneel
gebruik. Elk voorwerp dat ontdaan wordt van zijn oorspronkelijke functionaliteit kan
als symbool opgenomen worden in de beeldtaal van de kunst. “Decontextualiseren”,
noemt men dat tegenwoordig. Het volstaat om een voorwerp uit zijn samenhang weg
te halen en het in een museum of in een tentoonstelling te plaatsen om het in de
categorie kunst op te nemen. Zodat ik moet toegeven dat de “fontaine” van Duchamp
en de ergernisgevende installaties van Guillaume Bijl voor sommigen inderdaad
kunst zijn.’
‘En Delvoye en Fabre?’
‘Jammergenoeg beantwoorden hun fratsen ook gedeeltelijk aan mijn
definitie. Maar je luistert beter niet naar hun gelul. Er bestaat ook kunst met veel
pretentie, maar met een zeer laag artistiek gehalte. Je kunt die voor mijn part
“pokerkunst” of “kwakzalverij” noemen. De meningen daarover kunnen heel erg
verdeeld zijn: men kan Marina Abramovic om haar “performances” een neurotische
trut noemen met een onverzadigbaar ego, maar de suggestieve sfeer die rond haar
persoon gecreëerd wordt, blijkt bij veel mensen te werken. Voor hen is haar gedoe
kunst, terwijl al wie er voor zichzelf geen vierde niveau van wil maken er ironisch over
doet of er door geërgerd wordt. Ik heb de indruk dat sommige mensen uit de
kunstwereld soms meehelpen om de mystificatie bij argeloze toeschouwers in de
hand te werken, terwijl ze er heimelijk een eigen mening over hebben. “Ongelovige
kunstgoeroes” kunnen bijdragen tot de mystificatie bij goedgelovige kunstgenieters
zoals ooit een leerling-sjamaan die de bedriegelijke trucjes van zijn leermeester
overnam, vast kon stellen dat die bij sommige patiënten werkten.’
‘Je slaagt er dan toch niet in het kaf van het koren te scheiden met je
definitie! Ik vrees trouwens dat je vecht tegen de bierkaai. Tegenwoordig worden
zelfs videogames in het Newyorkse prestigieuse Moma museum tentoongesteld.’
‘Inderdaad. Met de gegeven stereotiepe figuurtjes en symbolen kan de
gamer daarmee voor zichzelf een verhaal creëren en er emoties in investeren. Ik
weet niet of de auteur daar onbewuste inhouden in verwerkt heeft, maar ik zou
geneigd zijn het te vergelijken met stationromannetjes en banale soaps waarbij
sommige lezers en kijkers voor zichzelf ook heel wat emotionele situaties kunnen
beleven. Dat kan inderdaad wel allemaal onder mijn definitie van kunst vallen, maar
men mag het toch met een kritisch oog op zijn kwaliteit beoordelen. Wanneer
verkondigd wordt dat men open moet staan voor verandering, voor alles en nog wat,
hoor ik mystificaties prediken, om alle kritische benadering te overdonderen.
Kunstuitingen moeten ook open staan voor kritiek. Kunst kan verandering brengen in
de cultuur, maar alles wat zich aandient of verandering brengt, is daarom nog geen
kunst.’
‘Dan zitten we toch weer met het onderscheid tussen Kunst-met-eenhoofdletter en minderwaardige creaties.’
’De kwaliteit van kunstwerken en hun gehalte aan kunst kan inderdaad
variëren en bepaald worden aan de hand van verschillende criteria, eigen aan elk
onderdeel van de definitie, en verschillend van cultuur tot cultuur en zelfs van
persoon tot persoon. De individuele appreciatie gebeurt meestal intuïtief en spontaan,
maar kan beïnvloed worden door een algemene consensus of door de mening van
“kunstkenners met gezag”.’
‘Vroeger zocht men de essentie van kunst in de esthetiek. Kunst werd
bijna tot in het sacrale toe opgevijzeld.’
‘Inderdaad. Maar sedert Duchamp blijken vele esthetische aspecten geen
‘conditio sine qua non’ meer te zijn voor kunst. Dat zijn maar mogelijke appreciaties
meer, cultuurgebonden en zeer subjectief. Naast “schoonheid” en ambachtelijke
perfectie, hebben we nu ook “schokeffecten en onthutsen”, “Zeitgeist uitstralen” of er
tegenin gaan, “grenzen verleggen”, en zo verder. Allemaal facultatieve aspecten van
kunst die te maken hebben met de kwaliteit van de uiterlijke verschijningsvorm, maar
die niet bepalend zijn voor wat kunst eigenlijk is. De veelheid van objectieve
kwalitatieve eigenschappen kan op een subjectieve wijze geappreciëerd worden door
de ontvankelijke ontvanger en door de kunstwereld positief of negatief worden
gesanctionneerd.’
‘Het lijkt wel een ei van Colombus. Een hoedje waaronder je inderdaad
van alles kan vangen. Maar het is dus toch nog steeds de belangrijkheid van wat
uitgedrukt wordt en de kwaliteit van de vormgeving die het verschil maken.’
‘Inderdaad. En die kwaliteit hangt af van allerlei factoren: de gestalt kan al
dan niet coherent zijn, met onderdelen die een sterke compositie of een minder
goede samenhang vertonen; de communicatie kan zeer belangrijk zijn, of uit puur
tijdverdrijf of ruimte- en tijdopvulling bestaan; het idioom is origineel en persoonlijk, of
banaal, geïmiteerd, “déjà vu”, enzoverder. De kunstgenieter voelt daarbij zelf aan wat
hem aanspreekt en bepaalt voor zichzelf wat hij waardevol vindt. Of hij coloriet en
compositie bij voorbeeld meer of minder belangrijk vindt dan onthutsende
vernieuwingen. Daarbij kan hij zich natuurlijk ook vergissen: als hij maar één creatie
ziet uit een reeks passe-partouttrucjes van Delvoye, of van de honderden
zeefdrukken van Warhol, of van massaproducten van Hirsch en zelfs van sommige
routineproducten van Picasso, kan hij zichzelf wijs maken voor een uniek werkstuk te
staan.’
Haar stem klonk al heel wat aangenamer en zelfs geïnteresseerd toen ze
het gesprek een andere wending gaf: ‘En passen toneel en film ook in jouw definitie?’
‘Die bestaan toch ook uit een opeenvolging
Gecontextualiseerde beelden zou je kunnen zeggen.’
van
beelden!
‘En literatuur?’
‘Die werkt ook op onze ver-beelding. Daarbij moet de lezer bij zichzelf de
opeenvolging van beelden die de schrijver bedacht heeft, reconstrueren.
Contextualiseren? Maar ik geef toe dat literatuur ietwat anders is dan plastische
kunsten, en misschien meer te maken heeft met specifieke hersenvelden. Er bestaan
ook veel verschillende vormen… Daarover zou ik zelf eerst wat moeten nadenken.’
‘En muziek?’
‘”La musique nous prend aux tripes”, heeft Claude-Levi Strauss, dé
belangrijke structuralist ooit gezegd. Misschien veroorzaakt die opeenvolging van
klanken wel heel diepe, eerder lichamelijke gewaarwordingen die beneden het
bewustzijn beelden en gevoelens genereren, waarvan we ons vaagweg bewust
worden. Nog intenser soms dan plastische kunsten kunnen doen.’
‘En architectuur?’
‘Naar mijn eerder bescheiden mening, zou architectuur in de eerste plaats
functioneel moeten zijn, maar veel gebouwen worden tegenwoordig geconcipieerd
als reusachtige beeldhouwwerken. Die kunnen dan wel kunst zijn, maar ze lijken mij
meer op reusachtig suikergebak dat vooral dient om toeristen aan te trekken als
vliegen. Toeristen aantrekken is trouwen de voornaamste functie geworden van de
meeste nieuwe musea.’
‘Heb jij werkelijk een antwoord op alle mogelijke vragen, Dirk?’
‘O nee! Zeer zeker niet!’
‘Ik wil in elk geval voor mezelf uitzoeken wat de antwoorden zijn op
sommige van mijn vragen. Misschien kunnen we verder discussiëren na mijn verblijf
in Parijs.’
‘Zes maanden is enorm lang…’
‘Daar zal je niet van sterven Dirkje. De soldaten in de oorlog moesten vaak
veel langer wachten, en dan nog in erbarmelijke omstandigheden. Je bent, zoals
velen van ons, eigenlijk een luxebeestje, gewoon aan een gemakkelijk leventje. En je
vindt dat dat het normale is. Maar dat is niet zo!’
Die ongewone uitval van haar maakte hem een ogenblik sprakeloos. Ze
maakte daar gebruik van om vlug afscheid te nemen en de hoorn neer te leggen.
74
Maar na enkele weken kwam er opeens toch een brief uit Parijs.
‘Beste Dirk,’ schreef ze .
‘Ik heb in Parijs een échte kunstenaar ontmoet! Hij is op een zeer nederige
manier bijna als de God van Genesis. Uit chaos creëert hij structuren! Hij giet en
mengt weerbestendige verf over grote doeken waarover hij met borstels en allerlei
andere dingen tekeer gaat. Hij verknipt die doeken daarna enigszins en legt de
lappen buiten, blootgesteld aan de weersomstandigheden van vier à vijf zomers en
winters, en aan alles wat ze maar kan overkomen. Hij loopt er over en danst er soms
op. Geleidelijk aan brengt hij er wat structuur in, soms met bijkleuren, soms met wat
summiere tekens. Meestal, maar niet altijd komt er door die samenwerking tussen
hem en de natuur iets goeds te voorschijn. Terwijl andere artiesten copiëren wat ze
om zich heen zien, daaruit wat selecteren, of in het beste geval herscheppen wat ze
zien, creëert Marc zelf een cosmos waarin hij samen met de natuur iets helemaal
nieuws voortbrengt. Hij is één en al creativiteit.
Als een grote rommelzooi liggen zijn “werken in uitvoering” verspreid over
een grote tuin. Het is als een orkest, zegt hij, waarvan hij nu eens dit en dan weer dat
instrument aan bod laat komen. Hij is als een Adam zonder zondeval, groot en sterk,
de creatie waarin hij geworpen is enthousiast verder zettend. En ik voel me als een
Eva die daaraan mag deelnemen. We dansen soms samen op blote voeten in de verf
van de natte doeken. We wentelen in die chaos tot hij in een of ander doek een
structuur begint te zien, die hij dan verder uitwerkt.
Marc is niet opgegroeid in een overbeschut vrouwelijk milieu, maar kon als
kind wel goed tekenen. Na zijn middelbare studies heeft hij een reis naar Europa
ondernomen. Hij is een Amerikaan van Scandinavische afkomst. Waar hij in zijn
thuisland hoogstens eens een huis van honderd jaar oud had gezien, is hier een
wereld voor hem open gegaan. Hij heeft de grotten van Lascaux en Altamira bezocht,
en is twee jaar lang blijven rondzwerven in het ‘oude Europa’, en in bijna de hele
wereld, zodat hij heel wat bagage opgedaan heeft en zich een wereldburger en zelfs
een bewoner van de cosmos voelt. Met een jeugdig enthoesiasme, (jij zou misschien
zeggen Amerikaanse naïviteit) is hij dan naar het ‘California College of arts and
Crafts’ gegaan en na zijn graduaat teruggekeerd naar Frankrijk om zich hier in ‘the
unlimited semiosis of art’ te werpen.
Ik ben natuurlijk door de knieën gegaan voor zo’n nieuwe, spontane,
exploderende ervaringen. Er zal voorlopig niets terecht komen van mijn vergelijkende
studie over de motivaties van impressionisten en conceptuelen. Ik leef helemaal in
het nu. Ik weet niet hoelang deze relatie zal duren en hoe Marc verder zal evolueren
in en door zijn werk. Hij spreekt smalend over collega’s die uitgepraat zijn en verder
zichzelf plagiëren, of anderen die toegeven aan mode en marketing. Zelfs de
impressionisten die de wereld en wat ze zagen om zich heen herschiepen in hun
werk, moeten voor hem onderdoen: hij creëert vanuit een soort magma, vanuit chaos
een eigen cosmos. Ik ben enorm benieuwd om samen met hem mee te maken hoe
hij en wij verder zullen evolueren. We creëren namelijk ook samen een nieuwe
wereld, onze wereld. Met een relatie is het eigenlijk ook zo dat uit de ontmoeting van
twee mensen een nieuwe wereld ontstaat. Daarom is het goed dat beiden zo vrij
mogelijk aan die samensmelting beginnen. Neem dit nu niet te persoonlijk, maar het
is niet goed jonge wijn in oude zakken te doen, zoals de bijbel zegt. Want die kunnen
niet of minder goed de werking van de jonge wijn absorberen.
Ik weet niet of ik nog terugkom, noch wanneer. Ik zal hier een job zoeken
om in onze financiële behoeften te helpen voorzien. Misschien inviteer ik je later wel
eens, maar met Karel zal ik nu definitief moeten breken. En jij moet je definitie van
kunst misschien nog eens herzien. Het creatieve aspect van de communicatie komt
naar mijn gevoel niet voldoende naar voor in je definitie. De kunstenaar spreekt niet
alleen in een eigen “taal”, hij creëert een eigen “vocabulaire”, en soms een nieuwe
visie en een eigen cosmos. Dat is heel wat straffer dan wat vormkunsten en
pietluttige curiositeiten maken. Misschien volstaat het “de communicatie die een
taaldaad stelt” te vervangen door “de communicatie die een eigen taal en een nieuwe
visie of wereld creëert.” Want iemand die aan zijn partner een betekenisvol schilderij
cadeau doet, stelt ook een taaldaad. Maar een kunstenaar doet natuurlijk veel meer
dan dat, Door middel van zijn taaldaden creëert hij iets dat in mindere of meerdere
mate nieuw is.
Met hartelijke groeten,
Karin.’
Ze had het laatste woord. Misschien was zijn definitie ook nog verder
vatbaar voor correcties. En misschien was er nog hoop op een vriendschappelijke
relatie met haar en haar Marc. Want er stond een tegenadres op de omslag die een
atelier vermeldde in de ‘Rue de la Goutte d’Or’ in Parijs.
1996-2014
Met dank aan Marleen Vroman en Stefaan Calu.
PS: wie dit verhaal wil verder zetten van uit een der personages, mag dat zeker doen.
Het zou me interesseren te vernemen hoe het verder met hen kan gaan.