PENSIOEN PERIODIEK 131 Afkoop Loonstamrechten Voor de
Download
Report
Transcript PENSIOEN PERIODIEK 131 Afkoop Loonstamrechten Voor de
PENSIOEN PERIODIEK 131
Volentibus nil arduum
Waar een wil is is een weg
Maar dat de pensioenmaterie complex is en steeds complexer wordt, blijkt maar weer eens uit de onderwerpen in
deze Pensioen Periodiek. Vanaf 2015 een franchise afhankelijk van het gehanteerde pensioensysteem! Is op elke
afkoop van een loonstamrecht in 2014 wel de 80% faciliteit van toepassing? Complexe zaken waarbij Pensioen
Perspectief graag uw gids is, door het complexe pensioenlandschap.
Afkoop Loonstamrechten
In onze Pensioen Periodiek special nr. 129 van februari 2014 zijn wij ingegaan op de gepubliceerde Vraag &
Antwoorden van de Belastingdienst inzake afkoop loonstamrechten (vraag & antwoord 14-001 en 14-002).
Op 29 april 2014 heeft de Belastingdienst Vraag & Antwoord 08-033 gepubliceerd inzake omzetting ingegane
stamrechten. Dit Vraag & Antwoord is voor het eerst gepubliceerd in 2011 en thans opnieuw gepubliceerd. Dit
Vraag & Antwoord lijkt ook van belang te zijn bij afkoop van ingegane loonstamrechten.
De wijzigingen ten opzichte van 2011 zijn dat in de aanhef artikel 39f Wet op de Loonbelasting 1964 is opgenomen
en waar eerder 65-jarige leeftijd stond, staat nu de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet.
In het Vraag & Antwoord wordt aangegeven dat een stamrecht dient in te gaan ten behoeve van de nabestaande
bij overlijden van de (ex)-werknemer. Een eenmaal ingegaan stamrecht kan niet meer omgezet worden in een
uitgesteld stamrecht. Voorts kan de nabestaande niet zonder fiscale gevolgen de begunstiging wijzigen of afzien
van de stamrechtuitkeringen.
Met name dat laatste kan nog wel van belang zijn bij de keuze of een ingegaan loonstamrecht ten behoeve van de
nabestaande in 2014 wordt afgekocht. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat de 80% afkoopfaciliteit in 2014 niet van
toepassing is op afkoop van een dergelijk ingegaan nabestaanden stamrecht. Let dus op bij afkoop van een dergelijk
stamrecht en vraag vooraf goedkeuring aan de bevoegde inspecteur.
Ons inziens zou ook een nabestaande van de 80% faciliteit gebruik moeten kunnen maken. Wij zien niet in waarom
onderscheid aangebracht zou moeten worden tussen (ex)-werknemer en nabestaande.
Voor de Adviespraktijk
Bepaal op correcte wijze de afkoopwaarde van het loonstamrecht en leg deze ter goedkeuring voor aan de
bevoegde inspecteur;
Redactie
mr. A. (Alfred) Milius FB
mr. J.W. (Hans) Lovink
[email protected]
De Horsterkamp 12
7251 AZ Vorden
Tel: (0575) 55 30 50
Barbara Strozzilaan 101
1083 HN Amsterdam
(020) 240 22 93
ONDANKS DE ZORGVULDIGE WIJZE WAAROP ONZE BERICHTGEVING TOT STAND KOMT KAN GEEN AANSPRAKELIJKHEID VOOR EVENTUELE (DRUK)FOUTEN WORDEN AANVAARD.
PENSIOEN PERIODIEK 131
In 2014 kan eenmalig gebruik worden gemaakt van de 80% faciliteit;
Is er sprake van een afkoop door een nabestaande, vraag dan expliciet om toepassing van deze 80%
faciliteit;
Voor overige aandachtspunten bij afkoop, zie onze PP special nr. 129;
Hulp nodig bij het berekenen van de afkoopwaarde? ☏
Wijziging minimale AOW-franchise per 01-01-2015.
Per 01-01-2015 wijzigt de bij pensioenopbouw minimaal in aanmerking te nemen AOW-franchise. Voortaan wordt deze
gebaseerd op een nieuwe norm en wordt deze afhankelijk van het gekozen pensioensysteem!
In cijfers (bedragen 2014)
Verzekerde regelingen
Eindloon
Middelloon / beschikbare premie
Tot en met 2014
€ 13.449,-€ 13.449,--
Vanaf 2015
€ 14.204,-€ 12.552,--
Verschil
+ € 755,-- € 897,--
Eigen beheer
Eindloon
Middelloon / beschikbare premie
Tot en met 2014
€ 19.619,-€ 19.619,--
Vanaf 2015
€ 20.721,-€ 18.312,--
Verschil
+ € 1.102,-- € 1.307,--
Nieuwe norm
Uit o.a. de memorie van antwoord van 7 april jongstleden blijkt dat vanaf 01-01-2015 voor het vaststellen van de
minimale AOW-franchise wordt uitgegaan van een nieuwe norm.
Tot op heden bedraagt de minimale AOW-franchise 100/70 van de gehuwde AOW. De factor 100/70 is gebaseerd op
het uitgangspunt dat in 35 jaar met een opbouwpercentage van 2% een pensioen kan worden opgebouwd van 70%
van het laatst genoten loon (eindloonsysteem).
Vanaf 01-01-2015 wordt het uitgangspunt dat in 40 jaar met een opbouwpercentage van 1,875% een pensioen kan
worden opgebouwd van 75% van het gemiddeld genoten loon (middelloon). Als gevolg hiervan wordt de factor
100/75. Hierdoor daalt de minimale AOW-franchise voor middelloon- en beschikbare premieregelingen (zie
hierna).
Minimale franchise voortaan afhankelijk van het gekozen pensioensysteem!
Naar aanleiding van de geconstateerde wijziging van de norm hebben wij diverse vragen gesteld aan het CAP. De
belangrijkste vraag was of er bij het vaststellen van de minimale AOW-franchise voortaan een norm per
pensioensysteem gehanteerd gaat worden. Dit blijkt het geval te zijn.
Voor eindloonregelingen wordt het uitgangspunt dat in 40 jaar met een opbouwpercentage van 1,657% een
pensioen kan worden opgebouwd van 66,28% van het laatst genoten loon (eindloon). Als gevolg hiervan wordt de
factor 100/66,28. Hierdoor stijgt de minimale AOW-franchise voor eindloonregelingen.
Het onderscheid maken tussen de minimale franchise in eind- en middelloonregelingen is zoals bekend nieuw en
naar onze mening ongewenst.
Voor de adviespraktijk
Het hanteren van een norm per pensioensysteem leidt tot de volgende complicaties/vraagpunten:
Hoe moet in een eindloonregeling worden omgegaan met de franchise stijging. Bij een gelijkblijvend salaris
daalt hierdoor de pensioengrondslag. Afhankelijk van de pensioen-toezegging zal dan wel/niet sprake zijn van
een negatieve backservice (aantasting van de opgebouwde aanspraken). Ter info: in veel regelingen is
toegezegd dat de opgebouwde rechten gerespecteerd worden indien sprake is van een salarisdaling.
In veel beschikbare premieregelingen is sprake van een op eindloonbasis verzekerd partner- en wezenpensioen
bij overlijden voor de pensioendatum. Volgens het CAP dient dan voortaan rekening gehouden te worden met
2 minimale AOW-franchises (€ 12.552,-- voor het spaardeel en € 14.204,-- voor het risicodeel).
PENSIOEN PERIODIEK 131
Nieuwe premiestaffels, bij pensioenopbouwpercentage van 1,875% middelloonregeling
Vooruitlopend op de aanname van de wetsvoorstellen (kamerstukken 33 610 en 33 847) zijn middels een bijlage bij
een Nadere Memorie van antwoord (kamerstukken 33 847 – F) en een Vraag & Antwoord op de
belastingdienstpensioensite (V&A 14-004) nieuwe premiestaffels gepubliceerd. Na aanname van de wetsvoorstellen
zullen de nieuwe premiestaffels geformaliseerd worden middels een beleidsbesluit.
Wijzigingen ten opzichte van vorige premiestaffels
De nieuwe premiestaffels zijn ten opzichte van de vorige premiestaffels (Besluit 12 februari 2013, nr.
BLKB2013/43M) op de volgende punten aangepast:
Het ambitieniveau is verlaagd van 2,15% naar 1,875% middelloon
De overlevingstafel is geactualiseerd naar GBM/GBV 2007/2012
De in de berekeningen gehanteerde AOW-franchise is gebaseerd op een in 40 jaar op te bouwen
ouderdomspensioen van 75% van het gemiddelde loon (40 x 1,875% = 75%).
Nieuwe premiestaffel
In tabel 1 zijn de nieuwe premiepercentages van (de meest gehanteerde) staffel II weergegeven bij een rekenrente
van 4% (geen toetsing fiscale bovenmatigheid) en 3% (op bepaalde momenten toetsing fiscale bovenmatigheid).
Tabel 1
Leeftijdsklassen
15 tot en met 19
20 tot en met 24
25 tot en met 29
30 tot en met 34
35 tot en met 39
40 tot en met 44
45 tot en met 49
50 tot en met 54
55 tot en met 59
60 tot en met 64
65 tot en met 66
Staffel II
4% rekenrente
4,1%
4,7%
5,7%
6,9%
8,4%
10,2%
12,5%
15,4%
18,9%
23,6%
27,7%
Staffel II
3% rekenrente
7,2%
8,0%
9,3%
10,8%
12,5%
14,6%
17,0%
19,8%
23,3%
27,7%
31,5%
Zie voor alle staffels www.belastingdienstpensioensite.nl/V&A14-004
Voor de adviespraktijk
Toets de staffel van uw cliënten aan de nieuwe premiestaffels om vast te stellen of een aanpassing van de
pensioenregeling voor 01-01-2015, met instemming van de OR en individuele deelnemers, noodzakelijk is.
Kijk voor de benodigde aanpassingen niet alleen naar de staffel maar ook naar:
De benodigde invoering van een maximum pensioengevend salaris van € 100.000,--;
Het opbouwpercentage voor de bepaling van het nabestaandenpensioen;
Het pensioensysteem/de franchise voor de bepaling van het nabestaandenpensioen. Indien het
nabestaandenpensioen op eindloonbasis wordt vastgesteld dient de franchise hiervoor vanaf 01-01-2015
minimaal € 14.204,-- (2014) te bedragen.
Netto lijfrente en uitvoering
Als het aan de plannen van het Kabinet ligt, dan is fiscaal gefacilieerde pensioenopbouw over loon boven de €
100.000,- vanaf 01-01-2015 niet meer mogelijk. Het wetsvoorstel ligt thans ter goedkeuring bij de Eerste Kamer.
Voor het deel van het inkomen boven de € 100.000,-- komt een netto spaar variant: de netto lijfrente. Vanuit het
netto loon kan gespaard worden, waarbij voor het gespaarde bedrag een box III vrijstelling wordt geïntroduceerd.
Op pensioendatum kan met het gespaarde bedrag een netto lijfrente worden aangekocht. Wordt geen lijfrente
aangekocht dan wordt achteraf op basis van een forfaitaire berekening de Box III vrijstelling teruggenomen.
PENSIOEN PERIODIEK 131
Wie mag een netto lijfrente aanbieden? In eerste instantie zouden alleen verzekeraars een netto lijfrente mogen
aanbieden. Na discussie en aanpassingen is thans voorgesteld dat alle soorten pensioenuitvoerders (verzekeraars,
pensioenfondsen en banken) een netto lijfrente mogen aanbieden. Eigen beheer valt daar niet onder. De DGA kan
derhalve geen netto lijfrente in eigen beheer vormen. Het gaat om uitvoerders zoals vermeld in artikel 3.126 en
3.126a Wet IB.
Er komen straks twee varianten:
Netto “lijfrente” in de tweede pijler, mogelijkheid om collectief aan te bieden door werkgever;
Netto lijfrente in de derde pijler, individueel door werknemer af te sluiten.
Voor de Adviespraktijk
Informeer uw klanten/werkgevers om de komende pensioenaanpassingen;
Voor pensioenopbouw boven de € 100.000,-- is vanaf 2015 geen ruimte meer;
Werknemers zullen hiervoor een compensatie willen;
Deze compensatie kan in loon, maar ook bijvoorbeeld in een netto lijfrente, al dan niet collectief aan te
bieden door werkgever;
De compensatie is vaak op premieniveau. Maar let op: premie is niet gelijk aan gemis pensioenopbouw
(denk aan bijvoorbeeld doorsneepremies bij een BPF);
Let met name op de nabestaandendekking. Er valt een gat in de dekking, aangezien de dekking boven €
100.000,-- vervalt;
Er is verschil tussen pensioen en lijfrente, hoewel alles netto “lijfrente” wordt genoemd. Denk bijvoorbeeld
aan de mogelijkheid van al dan niet medisch keuren;
Breng de risico’s en wijzigingen bij uw klanten/werkgevers tijdig in kaart! Wij helpen u graag.