Document 6104411
Download
Report
Transcript Document 6104411
I
Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat
Ri|ksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA
In dit werkdocument wordt de visie van de auteur(s) weergegeven, niet die van het Ministerie van Verkeer
en Waterstaat.
The views expressed in this document are the authors or authors' own. not those of the Department of
Transport, Public Works and Watermanagement.
ministerie van verkeer en waterstaat
Cl
rijkswaterstaat
riza
rijksinstituut
voor integraal zoetwaterbeheer
en afvalwaterbehandeling
tel. 03200-70411, fax. 03200-49218
doorkiesnummer 03200-70702
j C - Rijluwaterstaat/RIZA
Rijksinstituut voor
Integraal Zoetwaterbeheer en
Afvalwaterbehandeling
Documents tie
Poittxa 17
8200 AA Lcfyitvl
Onderzoek naar radioactieve stoffen in
Rijkswateren.
Resultaten 1992
WERKDOCUMENT 95.092X
auteur<s)
datum
E.J. de Jong
W. Luttmer
B. van Munster
1995
riza
Inhoud
SAMENVATTING
5
1. INLEIDING
1.1 Doel van de rapportage
1.2 Bronnen van radioactieve stoffen in het aquatisch milieu
9
9
9
2. MEETPROGRAMMA
2.1 Meetlocaties en-frequentie
2.2 Compartimenten
2.3 Bemonsteringsmethoden
2.4 Parameters
2.4.1. Radiochemische parameters
2.4.2 Systeem-eigen parameters
2.5 Toetsing van meetwaarden aan normen
13
13
15
16
16
16
17
17
19
3. MEETMETHODEN
3.1 Oppervlaktewater
3.1.1 Totaal-a. totaal-S en rest-S
3.1.2 Tritium
3.2 Zwevend stof en waterbodem
3.2.1 Totaal-a, totaal-S en rest-S
3.2.2 Gamma-metingen
3.2.3 Lood- en Polonium
3.2.4Systeem-eigen parameters
3.3 Verwerking van resultaten
19
19
19
19
19
19
20
20
20
21
4. RESULTATEN EN DISKUSSIE
4.1 Water
4.1.1Totaal-Alpha-straling
4.1.2 Rest-beta-straling
4.1.3 Tritium
4.1.4Overige nucliden
4.1.5 Verschillen tussen steek- en verzamelmonsters
4.2 Zwevend stof
4.2. l.Alfa-straling.
4.2.2. Beta-straling
4.2.3 Individuele nucliden
4.3 Sediment
4.4 Besmettingsbalans cesium
23
23
23
23
36
36
36
37
37
41
41
50
53
5. AANBEVELINGEN
55
LITERATUUR
57
riza
SAMENVATTING
De belangrijkste conclusies uit het monitoringsprogramma
zoete en enkele brakke wateren zijn:
van radioactieve stoffen in
Totaal-alpha-aktiviteit
In de waterfase komen verhoogde concentraties van totaal-alpha-aktiviteit voor in de
Westerschelde en de Nieuwe Waterweg. De jaargemiddelde voor deze twee lokaties
liggen boven de algemene milieukwaliteitsnormen (MILBOWA-grenswaarden) van 100
Bq/m\ en bedragen respektievelijk 259 Bq/m3 en 107 Bq/m3. Voor het eerst in vijf jaar
is de concentratie in de Roer onder de MILBOWA-grenswaarde, namelijk 77 Bq/m3.
In de rest van Nederland varieren de jaargemiddelden van 30 tot 62 Bq/m3.
In 1992 werd voor het eerst het zwevend stof in de Nieuwe Waterweg geanalyseerd op
de aanwezigheid van radioactieve stoffen. De hoogste gehaltes alfa-straling in Nederland worden op deze locaties vastgesteld (jaargemiddelde van 1062 Bq/kg). Andere
locaties met hoge jaargemiddelden zijn Schaar van Ouden Doel in de Westerschelde
en Vlodrop in de Roer, met respectievelijk een jaargemiddelde van 762 en 663 Bq/kg.
De jaargemiddelde activiteitsconcentratie van alpha-straling in de bovenste laag van de
waterbodem ligt de meeste Nederlandse wateren rond 700 Bq/kg. Alleen in het
Usselmeer en het Noordzeekanaal zijn de gehalten lager (309 Bq/kg).
Rest-beta-aktiviteit
Na de kernramp in Tsjernobyl in 1986 zijn zeer hoge concentraties van rest-betaaktiviteit gemeten. Al in 1987 zijn de concentraties op de normale niveau's teruggekomen. Op alle locaties liggen de concentraties voor de rest-6-aktiviteit in de waterfase
onder de MILBOWA-grenswaarde van 1000 Bq/m3. In de Nieuwe Waterweg, de
Westerschelde, het Kanaal van Terneuzen naar Gent en het Noordzeekanaal zijn de
concentraties het hoogst, respektievelijk liggen de jaargemiddelden op 252. 175, 127 en
121 Bq/m3. Voor de overige locaties in Nederland varieren de jaargemiddelden tussen
20 en 58 Bq/m3. In 1991 zijn relatief hoge maxima voor het rest-beta-concentratie in
de Buurserbeek (350 Bq/m3 in September) en Sas van Gent naar (343 Bq/m3 in juni)
geconstateerd. Voor de Rijn, Maas, Nieuwe Waterweg, Haringvliet en Usselmeer is
een afnarne van de concentratie rest-beta gecontateerd. Een trendanalyse voor restbeta-aktiviteit wordt voor deze locaties aanbevolen.
Tritium
In 1992 heeft de tritium-concentratie in water van de Maas een lager jaargemiddelde
(18.8 kBq/m3), dan de afgelopen twee jaar. In de loop van de tijd varieerde het jaargemiddelde in de Maas tussen 16 en 32 kBq/m3. Een andere locatie met een hogere
tritium-concentratie is Schaar van Ouden Doel met jaargemiddelde van 12,2 kBq/m3.
De hogere concentraties worden veroorzaakt door lozingen van kerncentrales. Voor
het stroomgebied van de Rijn liggen de waarden een factor 2 a 3 lager dan in de
Maas en Westerschelde (3-9 kBq/m3). De laagste tritium-concentraties komen voor in
de Buurserbeek (2,9 kBq/m3). In geheel Nederland liggen de jaargemiddelde tritiumconcentraties ver onder de MILBOWA-grenswaarde van 200 kBq/m3.
riza
Totaal-beta-aktiviteit
In het zwevend stof wordt uitsluitend het totaal beta-straling gemeten. In dit compartiment is de correctie voor de bijdrage van K-40 niet ontwikkeld. De jaargemiddelden in
het zwevend stof van Nederlandse wateren liggen tussen 616 en 950 Bq/kg. De
gehalten in het slib van het Usselmeer zijn laag.
In Nederland is het jaargemiddelde van de totaal beta-aktiviteit in de de waterbodem
vergelijkbaar met de gehaltes in het zwevend stof en ligt gemiddelde op 750 Bq/kg.
alleen in het Usselmeer ligt het gehalte lager (540 Bq/kg).
Cesium-isotopen
Het grootste deel van de cesiumisotopen is afkomstig uit depositie als gevolg van het
ongeval met de kerncentrale in Tsjernobyl. Een gering deel is afkomstig uit lozingen
van kerncentrales. De gehalten in het zwevend stof in de sedimentatiegebieden zijn
beduidend hoger dan op de ingangen van Nederland. In sedimentatiegebieden varieert
het jaargemiddelden voor Cs-137 van 47 tot 93 Bq/kg, terwijl het jaargemiddelde bij de
ingangen tussen 25 en 38 Bq/kg lagen. Een verklaring voor de verhoogde gehalten in
de sedimentatiegebieden
is uit nalevering uit de waterbodem door diffussie en
opwerveling van bodemdeeltjes. De concentraties Cs-137 vertonen nog steeds een
dalende trend; op alle locaties ligt het jaargemiddelde lager dan in 1991. De Cs-137gehalten zijn nog niet op een stabiel niveau gekomen. De gehalten van Cs-134
beginnen de detectiegrens van 1 Bq/kg te naderen. De gehalten van het isotoop
Cs-134 liggen veel lager dan Cs-137, maar vertonen dezelfde verschillen tussen de
locaties.
De veldgegevens van 1986 tot en met 1991 van het sediment onderzoek zijn in een
apart rapport voor het Usselmeergebied en voor het Noordelijk Deltabekken gepubliceerd. In 1992 is de horizonale en verticale verspreiding overeenkomstig het sedimentatiepatroon. De gehaltes in de bodem varieeren in het algemeen van de detectiegrens
( < 2 Bq/kg) tot 95 Bq/kg. In een steekmonster op de locatie Ul in het Usselmeer is in
de bovenste laag een gehalte van 220 Bq/kg vastgesteld. Dit is hoger dan in het jaar
van de besmetting (1986) is gemeten. Er is niet direct logische verklaring voor dit hoge
gehalte te geven.
Uit de besmettingsbalans van cesium in het Usselmeer blijkt, dat vanuit de bovenstroomse gebieden wordt nog steeds Cs-137 aangevoerd. Ook is in alle jaren is de inen uitgaande vrachten van het Ketelmeer zijn nagenoeg gelijk, waaruit blijkt dat geen
accumulatie plaats vindt.
De uitgaande vracht van het Usselmeer is groter dan de ingaande vracht. In de loop
van de tijd wordt dit verschil kleiner. Direct na het opgeval in Tsjernobyl was het
verschil een factor 3 tot 4. Uit dit verschil blijkt dat in het Usselmeer uitspoeling
plaats vindt.
Cobalt-isotopen
Co-60 en Co-58 zijn beide activeringsprodukten uit kerncentrales. Voor de meeste
Nederlandse wateren liggen de gehalten nabij of onder de detectiegrens van 2 Bq/kg.
Opvallend zijn de verhoogde gehalten in de Maas bij Eijsden. Sinds de monitoring in
1976 begon, zijn in de zomermaanden beduidend hogere gehalten vastgesteld, dan in
de overige maanden van het jaar. In 1989 werden zelfs waarden van 1600 Bq/kg Co-58
riza
en 100 Bq/kg Co-60 vastgesteld. Het jaargemiddelde
voor Co-58.
voor 1992 bedraagt
15 Bq/kg
Polonium
De hoogste gehalten Po-210 komen voor bij Sas van Gent en Schaar van Ouden Doel
met een jaargemiddelden van respektievelijk 357 en 299 Bq/kg. Ook de aktiviteitsconcentraties bij Eijsden zijn hoog (136 Bq/kg). Voor de overige locaties varieert het
jaargemiddelde van 58 tot 81 Bq/kg. Po-210 komt vrij bij de verwerking van fosfaaterts. Er is geen verband tussen de gemeten totaal-alpha-straling en het gehalte
polonium.
Aanbevelingen
Om de gevolgen van de lozingen van de fosfaatertsverwerkende industrie vast te
stellen wordt aanbevolen om de radionucliden uit de enkele nucliden uit U-238-reeks
op een beperkt aantal locaties met een frequentie van 6 keer per jaar te monitoren.
Door de chemische eigenschappen kan radium in de waterfase worden gemeten en
lood en polonium in het zwevend stof.
Strontium-90 wordt voornamelijk door kerncentrales geloosd. Gezien de chemische
eigenschappen kan dit nuclide het beste in de waterfase worden gemeten. Monitoring
op een beperkt aantal locaties met ee frequentie van 6 keer per jaar wordt aanbevolen.
Op de locatie Buurserbeek worden geen andere parameters door RIZA gemeten.
Indertijd is de locatie is geselecteerd om de lozingen van een Duitse kerninstallatie te
volgen. Er worden zeer lage gehalten van radioactieve stoffen in de Buurserbeek
aangetroffen. Bij de afwegen van de verschillende belagen is besloten om deze locatie
te laten vervallen.
Het is noodzakelijk om metingen in het Usselmeergebied voor te zetten. De locatie
Usselmeer IJ23 is een verplichting in het nationaal meetprogramma van de CCRX. De
belasting van het Ketelmeer en Markermeer verschilt van het Usselmeer. Daarom is
een voortzetting van de monitoring van belang. Bovendien is voor de interpretatie van
de accumulatie van Cs-137 in het Usselmeer de metingen in het Ketelmeer van
belang.
In het huidige voorstel van de optimalisatie van het meetprogramma wordt de locatie
Vuren de monitoring voor deze locatie gestaakt. Het is een verplichting in IRCverband. Ook de verzamelmonsters op Lobith en Eijsden zijn uitsluitend internationale
verplichtingen. In de internationale leaders is besloten dat de metingen op de locatie
Vuren vervallen. De metingen in de verzamelmonsters in Lobith en Eijsden blijven
voorlopig gehandhaaft.
In het huidige meetprogramma worden de metingen voor totaal-alfa, rest-beta, totaalbeta en tritium met een hoge frequentie uitgevoerd op de locaties Lobith, Eijsden.
Maassluis en Schaar van Ouden Doel. Zonder dat het jaargemiddelde statistisch
gezien veranderd, kunnen de meetfrequenties verlaagd worden tot 13 keer per jaar.
In het kader van de algemene milieukwaliteit en achtergrondsmetingen t.b.v. kernongevallenbestrijding wordt wordt aanbevolen om voor wateren, die nog niet bemonsterd
worden. elk jaar projectmatig op een aantal locaties metingen te verrichten Hierbij
kan ook metingen in het compartiment waterbodem worden betrokken.
Voor de parameters totaal-alfa en rest-beta in water en eventueel cesium in zwevend
riza
zouden voor enkele locaties met een tijdreeksanalyse
trendmatige veranderingen.
8
worden geanalyseerd
op
riza
1. INLEIDING
1.1 Doel van de rapportage
In deze nota worden de meetresultaten van radioactieve stoffen in zoete Rijkswateren
en enkele brakke wateren gegeven. Het is een voortzetting van de vorige rapportage
met de doelstelling om jaarlijks alle radioactiviteitsmetingen van RIZA te rapporteren.
Voor het grootste deel worden de metingen verricht in het monitoringsprogramma om
de trendmatige ontwikkelingen in de toestand van het watersysteem te signaleren.
Hiermee is het mogelijk om vastgesteld beleid te evalueren en de doelmatigheid van
getroffen beheersmaatregelen te beoordelen. Tevens is bedoeld als controle-monitoring om de aktuele toestand van het watersysteem vast te stellen en te toetsen of aan
bepaalde normen wordt voldaan. In dit monitoringsprogramma wordt uitvoering
gegeven aan afspraken die met diverse instanties zijn gemaakt, zoals de Coordinatie
Commissie voor de metingen van Radioactiviteit en Xenobiotische stoffen (CCRX), de
Internationale Rijn Commissie (IRC) en de Technische Maas en Schelde Commissies.
Voor een gering deel worden de metingen verricht voor een project om de gevolgen
van de kernramp in Tsjernobyl te evalueren [8]. In 1992 heeft de bemonstering voor
het laatst plaats gevonden. In [6] zijn de resultaten tot 1991 geinterpreteerd. In deze
nota bevat een evaluatie van de laatste meetresultaten. Verder geeft het een aanbeveling voor een vervolg monitoringsprogramma. De gegevens worden gebruikt voor de
modelering van Cs-137 in het Usselmeergebied [11|.
1.2 Bronnen van radioactieve stoffen in het aquatisch milieu
Radioactieve stoffen komen van nature voor. Daarnaast worden door menselijk
handelen radionucliden in het milieu gebracht. In deze paragraaf wordt aangegeven
welke stoffen voor het aquatische milieu van belang zijn. Tevens wordt de herkomsi
van de stoffen aangegeven. Voor radioactieve stoffen bestaat geen "No-effect-level".
Ook bij lage concentraties kunnen deze stoffen een bedreiging voren voor mens en
milieu. In monitoringsprogramma's wordt onderzocht hoe groot de gevolgen zijn van
reguliere lozingen voor de concentraties in het aquatische milieu.
Vanaf de vorming van de aarde zijn radioactieve stoffen in de natuur aanwezig. Een
aantal van deze primordiale radionucliden hebben een zeer lange halveringstijd en
vervallen via een reeks van dochternucliden. Een voorbeeld is U-238 met een
halveringstijd van 4,5 IO9 jaar met dochters als U-234 (2,5 10s jaar), Ra-226 (1,6 IO3
jaar), Rn-222 (3,8 dagen), Pb-210 (22 jaar) en Po-210 (138 dagen). Andere belangrijke
primordiale nucliden zijn Th-232 en U-235 beide met een lange vervalreeks. en K-40
en Rb-87, welke direct vervallen tot stabiele isotopen.
In de natuur komen ook radionucliden voor van cosmogene oorsprong, die door
kernreacties in de bovenste luchtlagen worden gevormd. Enkele voorbeelden van deze
nucliden zijn H-3 en C-14.
Menselijke aktiviteiten resulteren in een herverdeling en verplaatsing van bovengenoemde radioactieve stoffen. De ontstane concentratieverhogingen worden "technisch
riza
Tabel 1. Bronnen van radioactieve stoffen in het aquatisch milieu
radionucliden
|Bron
IKerninsiallaties
Cs-134, Cs-137. sV%,
1-131, H-3, Co-58, Co-60, Mn-54,
Cr-51,Te-59, Nb-95
Industrie
nucliden uit de uraan-238 en Thorium-232 reeks (Ra-226, Pb-210,
Po-210)
Ziekenhuizen en Laboratoria
H-3, C-14, P-32, S-35,
Ca-45, 1-131 etc.
COVRA (Centrale Opslag Van Radi- alle eerder opgesomde nucliden
oactief Afval)
verhoogde natuurlijke aktiviteit" genoemd. Voorbeelden van zulke verhogingen zijn:
kali- en fosfaatmeststoffen, afval als vliegas van kolencentrales en fosfogips uit de
fosfaatindustrie. Voor het aquatisch milieu zijn Ra-226, Pb-210 en Po-210 de belangrijkste technische verhoogde natuurlijke nucliden.
Naast deze "natuurlijke" radioactiviteit worden kunstmatige radionucliden onderscheiden. Tijdens de bovengrondse kernwapenproeven in de zestiger jaren en andere
militaire activiteiten zijn een aantal langlevende nucliden in het milieu gebracht. Op
dit moment zijn C-14, Cs-137, Sr-90 en H-3 nog van enige invloed op de Nederlandse
stralenbelasting.
Verder worden door kerninstallaties radioactieve stoffen in het milieu gebracht. Voor
het aquatisch milieu betreft het vooral lozingen van H-3, Cs-137, Co-58, Co-60, Mn-54
en Cs-134. In Nederland betreft het slechts 5 lokaties; Borssele, Doodewaard, Petten,
Delft en Almelo. Langs de rivieren Maas en Rijn staan in de omringende landen tal
van kernenergiecentrales, waarvan de geloosde nucliden in het water voorkomen. De
lozing naar het aquatisch milieu worden gerapporteerd aan de betrokken ministeries
|5, 13, 14, 15, 22). Verder worden radioactieve stoffen in de grensoverschrijdende
wateren Roer, Buurserbeek en Westerschelde geloosd.
Bij de grote reactorongevallen Windscale (Engeland, 1957), Three Miles Island (New
York, 1979) en Tsjernobyl (Oekralne, 1986) zijn radioactieve stoffen in het milieu
gekomen. Alleen het laatste grote ongeluk leidde tot een een wijd verspreide depositie
en besmetting van relatief langlevende nucliden, waarvan Cs-137 de belangrijkste is.
In Nederland wordt al het nucleaire afval verwerkt door de Centrale Organisatie voor
Verwerking van Radioactief Afval (COVRA) te Petten. Veel van de radioactieve
stoffen worden in containers boven land opgeslagen. Een gedeelte van de stoffen
worden als afvalprodukt van een verwerkingsmethode geloosd op het oppervlaktewater.
Ziekenhuizen en radionuclidenlabotoria lozen volgens hun vergunning radioactieve
stoffen op het riool. Hoewel elke vergunninghouder een nauwkeurige boekhouding
heeft van de lozingen, vindt geen totaal rapportage plaats. De schattingen omtrent
10
deze bron zijn gebaseerd op de maximale limieten. De belangrijkste radioactieve
stoffen van laboratoria zijn 1-131 en H-3. Verder spelen C-14, P-32, S-35, Ca-45,
Cr-51, Fe-59, Ni-63 en 1-125 een rol in het afval van laboratoria. In ziekenhuizen
worden Ga-67, In-Ill, 1-131 en Tl-201 geloosd [12).
Samenvattend kunnen vier bronnen worden onderscheiden, die direct radioactieve
stoffen lozen in het aquatische milieu. Radioactieve stoffen die in de atmosfeer terecht
komen, kunnen na depositie ook in het aquatisch milieu komen. De relevante nucliden
zijn opgenomen in tabel 1.
11
riza
2. MEETPROGRAMMA
2.1 Meetlocaties en -frequentie
In vergelijking met het voorafgaande jaar is het meetnet voor monitoring van het
zwevend stof enkele locaties toegevoegd. Voor de locaties Maassluis, Noordzeekanaal
en Vuren is de aanbeveling uit de nota [10) overgenomen en zijn naast de metingen in
het compartiment water, ook metingen in het zwevend stof uitgevoerd. Voor beide
compartimenten is de locatie Hagestein toegevoegd.
In het monitoringsprogramma
worden op alle belangrijke grensoverschrijdende
rivieren en de belangrijke overgangen van het binnenwater naar de zee analyses
uitgevoerd. Op de locatie Buurserbeek worden uitsluitend radiochemische parameters
bepaald. In Duitsland worden door de industrie radioactieve stoffen op de Buurserbeek geloosd. Voor andere parameters om de milieukwaliteit te bewaken wordt aan
deze locatie geen prioriteit toegekend. Het nucleair onderzoekscentrum te Julich en
de kolenindustrie in Duitsland lozen radioactieve stoffen op de Roer, waardoor de
locatie Vlodrop van belang wordt geacht. De locatie Vuren is een afspraak in het
kader van de IRC. Op de meeste locaties worden metingen in de compartimenten
zwevend stof en water uitgevoerd.
Grensoverschrijdende locaties zijn:
- Eijsden (Maas)
- Lobith (Rijn)
- Schaar van Ouden Doel (Westerschelde)
- Sas van Gent (Kanaal van Terneuzen naar Gent)
- Vlodrop (Roer)
- Buurserbeek
Meetpunten voor de uitgaande waterstromen zijn:
- IJ 23 (Usselmeer)
- Maassluis (Nieuwe Waterweg)
- KM2 (Noordzeekanaal)
- Haringvlietsluizen (Middelharnis en Bovensluis)
Overige locaties:
- Vuren
- Hagestein
De meetfrequentie is afhankelijk van de prioriteitstelling van de locatie. De minimale
frequentie is vier tot zes per jaar. Op de meeste locaties is de meetfrequentie eens per
maand. Op punten, waar regelmatig verhogingen zijn geconstateerd is de frequentie
eens per veertien dagen tot eenmaal per week.
Het niet-routinematige meetprogramma van het onderzoek heeft het doel om de verspreiding en het gedrag van de radionucliden, die na Tsjernobyl zijn vrijgekomen te
bestuderen. Het bevat locaties op de grote sedimentatiegebieden in Nederland, zoals
het Usselmeergebied (Usselmeer, Ketelmeer en Markermeer) en het Noordelijk
Deltabekken (Haringvliet). Het onderzoek bevat naast de compartimenten water en
13
riza
Tabel 2. Meetprogramma van het monitoringsprogramma
1992
De metingen in zwevend stof te Eijsden dienen in de maanden mei, juni, juli wekelijks
worden bemonsterd.
De metingen zijn ingedeeld in 3 pakketten. namelijk:
pakket 1: H-3, Alfa, Beta, Rest-beta, K-40
pakket 2: Pb-210
pakket 3: Gamma (= Co-50, Co-60, Cs-134, Cs-137, 1-131, Mn-54, Po-210)
m betekent mengmonster
D betekent daagseverzamel monster
de overige monsters zijn steekmonsters
Bij de metingen in het zwevend stof moet ook de volgende algemene parameters
worden bepaald: OC, AC, %DS, en de korrelgrootverdeling (KGVs).
IfTocht
|01-13
02-01
03-01
03-04
03-03
03v-I
04-01
04-10
04V-01
11A-10
\l-66
22-01
23-01
31-01
omschrijving
compartiment
Njieuwe Waterweg (Maas- water
sluis)
zwevend stof
Haringvlietsluis
water
zwevend stof
Lobitli
water
zwevend stof
Hagestein
water
zwevend stof
Vuren
water
zwevend stof
Lobith Hani
water verzamelmonsters
Eijsden
water
zwevend stof
Vlodrop
water
zwevend stof
Eijsden
water (verzamelmonsters)
Schaar van Ouden Doel
water
zwevend stof
Jsselmeer IJ23
water
zwevend stof
Noordzeekanaal K2
water
zwevend stof
Sas van Gent
water
zwevend stof
Buurserbeek
water
14
».
.5
P3
p4
13
25
12
26
26
6
4
13
3
12
5
26
6
6
14
6
14
5
6
32
13
5
32
l3
16
5
13
4
13
16
26
13
24
6
25
5
13
4
13
6
4
5
J
4
riza
Tabel 3. Meetprogramma van het onderzoeksproject
In het onderzoek worden drie compartimenten onderzocht op de radiochemische
parameters alfa, beta en gamma straling. In de compartimenten zwevend stof en
waterbodem worden ook de volgende parameters bepaald anorganisch koolstof,
organisch koolstof, droge stofgehalte, en de korrelgrootteverdeling.
Verder worden op twee lokaties driehoeksmosselen onderzocht op de aanwezigheid
van gammastraling.
De meetfreq uentie is voor de diverse lokaties is als volgt:
omschrijving
water
12-02
Usselmeer Yl
4
2
12-06
Usselmeer Y50
4
2
12-11
Usselmeer IJ23
24-05
Markermeer
(=Y111)
13-06
zwevend
stof
waterbodem
2
Mill
4
2
Ketelmeer IJ12
( = K12)
Ketelmeer Y001
2
13-31
Ketelmeer Y004
2
02-01
Haringvlietsluis
4
02-04
Haringvliet bovensluis
4
2
2
zwevend stof, ook de waterbodem. In 1992 is dit onderzoek worden gerapporteerd [2).
Langdurige monitoring in de waterbodem wordt niet van belang geacht, zodat dit stuk
onderzoek in 1993 is afgesloten.
Een totaal overzicht van meetlocaties en frequenties van de twee projecten zijn
opgenomen in tabel 2 en 3 en de figuren 1 en 5. De meeste bemonsteringen zijn
steekmonsters. Echter op de locaties Eijsden en Lobith worden in het kader van
internationale afspraken ook verzamelmonsters genomen.
2.2 Compartimenten
Het aquatische milieu kan worden onderscheiden in water, zwevend stof en waterbodem. Het water is het compartiment van waaruit direct de blootstelling met radioactieve stoffen plaats vindt naar de mens en organismen. Hierbij kan worden gedacht aan
functies van het water als drinkwater, viswater, zwemwater en water voor waterorga-
15
riza
Tabel 4.
Vuistregels voor de monstering in diverse compartimenten
aan de hand van de distributiecoeffient.
(Uit [7); biz. 24)
verdel ingscoeffient logk^
> 330 I/g
>7
>3l/g
< 330 1/g
>5
<7
<3l/g
<5
Icompartiment
Izwevend stot of
[waterbodem
oppervlaktewater en/of
zwevend stof en/of
|waterbodem
[oppervlaktewater
nismen.
Sommige radioactieve stoffen komen in te lage concentraties in water voor om te
worden gedecteerd. Ze hechten zich zo sterk aan vaste deeltjes in het water (zwevend
stof). dat detectie in zwevend stof wel mogelijk is. Het zwevend stof is de basis voor
een toekomstige waterbodem. Op de langere termijn zijn de geloosde radioactieve
stoffen ook in de waterbodem aantoonbaar.
Als indicator voor het gedrag van een stof wordt de verdelingscoeffient (Kd) genomen.
Voor de bemonstering in de verschillende compartimenten worden vuistregels
gehanteerd, zoals is weergegeven in tabel 4 |7|. De meeste verdelingscoeffienten van
radioactieve stoffen liggen tussen de 3 en 330 I/g, zodat op grond van de stofeigenschappen monitoring in alle compartimenten gewenst is [18).
2.3 Bemonsteringsmethoden
Voor de bepalingen in het water zijn steekmonsters genomen. Alleen op de locaties
Lobith en Eijsden worden ook bepalingen met verzamelmonsters verricht i.v.m.
internationale afspraken. Het zwevend stof wordt door middel van een doorstroomcentrifuge verzameld. Voor monsters van de waterbodem is de boxcorer gebruikt.
2.4 Parameters
2.4.1 .Radiochemische parameters
Radioactieve stoffen bestaan uit kernen, die geen evenwichtige samenstelling van
protonen en neutronen hebben. Door deze instabiliteit vervallen ze tot andere stoffen
onder uitzending van "deeltjes" met een bepaalde massa en/of energie. Er worden drie
soorten straling onderscheiden:
Alfa: Dit zijn He~+-deeltjes. Door hun grote massa hebben ze een klein
doordringingsvermogen. Ze komen bijv. niet door een blad papier of de
huid. Ook de dracht door lucht is zeer gering. De radiotoxiciteit bij
inwendige bestemming is groot.
Beta: Dit zijn elektronen of positronen. Ze kunnen afhankelijk van hun
energie tot ca 1 cm in het lichaam dringen.
16
riza
Gamma: Energie-rijke fotonen, met zeer geringe massa. Ze hebben een
zeer groot doordringingsvermogen.
Radioactieve stoffen vervallen tot andere isotopen, die soms zelf weer radioactief zijn.
Zeer zware radioactieve stoffen kunnen splijten tot meerdere radioactieve elementen.
In de eerste plaats worden zogenaamde totaal parameters (totaal-alpha, totaal-beta)
bepaald en eventueel rest-beta ( = totaal-beta vermindert met beta-straling van K-40)
berekend. De beta-straling van tritium is zeer zwak in wordt niet in de totaal-betameting verrekend. Deze parameter wordt met een aparte meetmethode bepaald.
Totaal parameters geven slechts een beperkte informatie. Een sterke verhoging geeft
slechts aan dat een grote lozing van radioactieve stoffen heeft plaats gevonden. Een
goede inschatting van de risico's kan slechts gegeven worden met behulp van concentraties van individuele nucliden. Deze informatie wordt ondermeer verkregen door
gamma-spectrometrische bepalingen. Van de individuele nucliden zijn voor de kerninstallaties de stoffen H-3, Cs-137, Cs-134, Mn-54, Co-58, Co-60 en Sr-90 van belang.
Voor de lozingen van de industrie zijn vooral Ra-226, Pb-210 en Po-210 belangrijk om
de gehalten van de individuele stoffen te bepalen.
2.4.2 Systeem-eigen parameters
Systeem-eigen parameters be'i'nvloeden de concentratie aan radioactieve stoffen. In het
compartiment water is vooral het zwevend stof gehalte van belang. Andere systeemeigen parameters zijn: zuurstof, zuurgraad, saliniteit, geleidendheid, temperatuur.
doorzicht, opgelost organisch koolstof en het biochemisch zuurstof verbruik.
Voor het zwevend stof en waterbodem zijn ook de volgende parameters nodig om de
gegevens te interpreteren: percentage organisch koolstof, en de korrelgrootteverdeling
kleiner dan 63 ,um. Andere belangrijke parameters zijn: natgewicht, percentage
anorganisch koolstof, de overige korrelgrootteverdelingen. Voor radioactieve stoffen is
nog geen standaardisatiemethode ontwikkeld.
Tabel 5.
Waterkwaliteitsnormen
(uit derde nota waterhuishouding)
Totaal-a
rest-g
Tritium
0.1 Bq/1
_|
1,0 Bq/1
500.0 Bq/1
2.5 Toetsing van meetwaarden aan normen
Milieukwaliteitsnormen zijn alleen vastgesteld voor het oppervlaktewater voor totaal
parameters en tritium (tabel 5) [19). De Algemene waterkwaliteitseisen (AMK-eisen)
zijn verdeeld over twee lijsten: M-lijst en I-lijst. Voor de M-lijst stoffen geldt dat ze
genormeerd worden naar standaard omstandigheden voor het compartiment. Deze
17
riza
omrekening van meetgegevens wordt uitgelegd in (23). Voor I-lijst stoffen, waartoe
radioactieve stoffen behoren is deze normering niet verplicht. Wel kunnen extreme
gehalten worden verklaard uit systeem-eigen-parameters, waarbij de genoemde
omrekeningswijze een goed handvat biedt.
18
riza
3. MEETMETHODEN
3.1 Oppervlaktewater
3.1.1 Totaal-a. totaal-S en rest-S
De totaal-a, totaal-B en rest-B activiteiten worden bepaald volgens de indampmethode.
Hierbij wordt een hoeveelheid ongefiltreerd gehomogeniseerd water direct drooggedampt op een telschaal van 20 cm diameter tot een indamprest van maximaal 2,5
gram. Meestal wordt uitgegaan van 2 liter water.
De activiteiten worden gemeten met behulp van een doorstroom proportionele telbuis.
De telopbrengst van de totaal-a-aktiviteit wordt gecalibreerd met natuurlijk uranylacetaat als ijkstandaard, waarbij voor (zelf)absorptie wordt gecorrigeerd. De telopbrengst
van de totaal -S-aktiviteit wordt gecalibreerd met kaliumchloride. De rest-S-aktiviteit
wordt bepaald door van de totaal-S-aktiviteit die van natuurlijk kalium (K-40) af te
trekken. De concentratie kalium wordt vlamfotometrisch, afgeleid van NEN 6642
bepaald. De concentratie K-40 wordt hieruit berekend, volgens NEN 5627. Onder
deze omstandigheden ligt de detectiegrens voor totaal-a tussen 3 en 10 Bq/m3 en die
voor totaal-B en rest-B tussen 10 en 20 Bq/m3 bij een betrouwbaarheidscoeffient (K)
van 3.
3.1.2 Tritium
De meetmethode voor tritium is volgens NEN 6420. Het alkalisch gemaakte watermonster wordt gedestilleerd. Voor het telpreparaat wordt 10 ml destilaat gebruikt. De
activiteitsconcentratie van tritium wordt door middel van vloeistofscintillatietelling
bepaald.
De gemeten tritium activiteitsconcentratie wordt voor radioactief verval gecorrigeerd
naar de bemonsteringsdatum. De detectiegrens bedraagt onder deze meetomstandigheden ongeveer 5000 Bq/m3.
3.2 Zwevend stof en waterbodem
De zwevende stof- en de waterbodemmonsters worden zonodig eerst gezeefd over een
grove zeef om grote bestanddelen te verwijderen. Daarna worden de monsters
gevriesdroogd en gehomogeniseerd door ze fijn te malen.
3.2.1Totaal-a. totaal-S en rest-E.
Voor de telling van de totaal-a en totaal-B activiteiten wordt een dunne laag slibpoeder van maximaal 2,5 gram aangebracht op een ingevette telschaal. De telling wordt
uitgevoerd met behulp van een doorstroom proportionele telbuis. Telling en calibratie
zijn identiek als bij oppervlaktewater. De detectiegrens bedraagt onder de meetomstandigheden voor de totaal a-aktiviteit ongeveer 10 tot 40 Bq/kg en voor de totaal Saktiviteit 20 tot 50 Bq/kg droge stof (K = 3).
19
riza
3.2.2 Gamma-metingen
De bepaling van de afzonderlijke gamma-emitters is gebaseerd op NEN 5629. De
detectie van gamma-emitters gebeurt met een high-purity-coaxial-Ge(P-type)-halfgeleiderdetector gekoppeld aan een meerkanaalsanalysator en een geautomatiseerde
gegevensverwerking voor identificatie van de individuele nucliden en concentratiebepalingen. Het spectrum van 80 tot 2000 keV wordt in 4096 kanalen opgenomen. Het
gemeten bianco achtergrondspectrum wordt van het spectrum van het monster
afgetrokken. De gemeten activiteiten van de aangetoonde radionucliden worden voor
radioaktief verval gecorrigeerd naar de monsterdata. De detectiegrens varieert,
ondermeer afhankelijk van de hoeveelheid van het beschikbare materiaal, de gecalibreerde meetgeometrie en de teltijd en bedraagt ongeveer 2 tot 5 Bq/kg.
Het gehalte K-40 in zwevend stof wordt via gammaspectrometrie bepaald.
3.2.3 Lood- en Polonium
De eerste voorbehandeling voor de bepaling van de activiteitsconcentratie van Po-210
in zwevende stof en waterbodem monsters is analoog aan de totaal a en S procedure.
Na ontsluiting van ± 2 gram analysemonster wordt het Po-210 via een plating stap op
een telplaatje gebracht. Voor het vaststellen van het chemisch en het telrendement
wordt Po-208 als interne tracer gebruikt. Het telpreparaat wordt met behulp van een
alpha-spectrometrie opstelling geteld. Het resulterende spectrum wordt met behulp
van een software pakket geinterpreteerd en het aktiviteitsgehalte berekend. De
berekende Po-210 activiteitsconcentratie wordt voor radioaktief verval gecorrigeerd
naar de platingsdatum. De detectiegrens (K = 3) bedraagt voor de gekozen meetomstandigheden ongeveer 5 Bq/kg.
De vermelde resultaten van de Po-210 aktiviteitsconcentraties gemeten in 1991 zijn
zogenaamde som Po-210 aktiviteitsconcentraties. Hiermee wordt bedoeld dat de
gemeten Po-210 aktiviteitsconcentraties afkomstig zijn van zowel het aanwezig Pb-210
alswel het vrij aanwezige Po-210 in het analysemonster op de datum van de plating.
Vanaf de tweede helft van 1992 zal in de analysemethode via afscheiding en een
ingroei periode, zowel de Pb-210 alswel de Po-210 activiteitsconcentraties afzonderlijk
worden geanalyseerd.
3.2.4Svsteem-eigen parameters
De korrelgrootteverdeling in het zwevend stof wordt bepaald met behulp van een
optische methode in een Malvern meetopstelling.
De organische en anorganische koolstofgehalten werden bepaald met behulp van een
C/N analyzer [3].
20
riza
3.3 Verwerking van resultaten
In navolging van het RIVM zijn voor de berekening van de maand- en kwartaalgemiddelden zijn metingen onder de detectiegrens gelijk gesteld aan de detectiegrens.
De jaargemiddelden zijn met behulp van een paarsgewijze vergelijking met een LSDtoets geanalyseerd met een onbetrouwbaarheidsdrempel van 0.025. Meestal is goed
voldaan aan de voorwaarden van normaliteit van de gegevens en homogeniteit van de
varianties. Alleen voor die locaties waar de meetfrequentie lager dan 13 maal per jaar
konden de analyses eigenlijk niet worden uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek
op de locaties in het Usselmeer Ul en IJ50 zijn daarom niet in de analyses opgenomen. De waarde van de statistische verwerking is gebruikt als eerste aanzet voor een
trendanalyse en verschillen in gehalten te interpreteren. Bewust is gekozen voor een
zeer lage onbetrouwbaarheidsdrempel om slechts grote verschillen aan te tonen.
21
riza
•
.MAASSLUIS,
HARINGVLIETSLUISX
"V
\
_VUREN
•.VLODROP
*"VT
SASVGENT
rf
***\ ."
i/
M
fl
EIJS
Figuur
*
•••••.
:
"*•.
•
_„••
_••
1. Ligging meetlocaties in het
compartiment water
22
riza
4. RESULTATEN EN DISKUSSIE
4.1 Water
De lokaties voor analyses in ongefiltreerd water zijn weergegeven in figuur 1. De
resultaten van de metingen voor de verschillende lokaties zijn opgenomen in een
werkdocument [9]. Afhankelijk van de meetfrequentie en in de CCRX gemaakte
afspraken zijn de gegevens in werkdocument [9] weergegeven als maand- of kwartaalgemiddelden. In de figuren 2 t/m 4 zijn overzichten opgenomen om de trendmatige
veranderingen van de afgelopen jaren te volgen voor resp. de aktiviteitsconcentratie
van totaal-alpha-straling, rest-beta-straling en tritium. Tenslotte worden in tabellen 6
t/m 8 vanaf 1985 overzichten gegeven van jaargemiddelde concentraties.
4.1.1 Totaal- Alpha-stral ing
Relatief hoge concentraties van alfa-straling komen voor in de Westerschelde (Schaar
van Ouden Doel) en de Nieuwe Waterweg (Maassluis) (tabel 6, figuur 2). De
concentraties varieerden 96 tot 410 Bq/m3 in de Westerschelde en 51 en 200 Bq/m3 in
de Nieuwe Waterweg. De jaargemiddelde concentratie voor deze twee lokaties liggen
boven de algemene milieukwaliteitsnormen (MILBOWA-grenswaarden)
van 100
Bq/m3, namelijk 259 Bq/m3 voor de Westerschelde en 107 Bq/m3 voor de Nieuwe
Waterweg. De verhoogde concentraties zijn voor deze lokaties een gevolg van de
lozingen door de fosfaatverwerkende industrie. Als een gevolg van de lozingen bij de
kolenwinning in Duitsland zijn de concentraties bij Vlodrop hoog en de afgelopen vier
jaar boven de MILBOWA-grenswaarde. In 1992 varieert de waarden tussen 57 en 130
Bq/m3 en is het jaargemiddelde 77 Bq/m3. In de rest van Nederland varieert de
jaargemiddelde concentratie van 30 tot 59 Bq/m3.
Evenals het vorig jaar is de totaal-a-aktiviteit in het Kanaal van Terneuzen naar Gent
laag. Het jaargemiddelde is 59 Bq/m3. Deze was in 1990 nog relatief hoog (96 Bq/m3)
was en net onder de MILBOWA-grenswaarde lag. Op de locaties Eijsden, Lobith,
Usselmeer, Ketelmeer, Markermeer, Haringvlietsluis, Maassluis en Sas van Gent is in
de loop van de tijd een afnemende trend waar te nemen. Het wordt aanbevolen om
volgend jaar de metingen met een tijdreeksanalyse te toetsen.
4.1.2 Rest-beta-straling
Op alle locaties liggen de concentraties voor de rest-S-aktiviteit onder de MILBOWAgrenswaarde van 1000 Bq/m3 (tabel 7, figuur 3). In de Nieuwe Waterweg (Maassluis),
Westerschelde (Schaar van Ouden Doel), Kanaal van Terneuzen naar Gent (Sas van
Gent) en Noordzeekanaal zijn de concentraties het hoogst, respektievelijk liggen de
jaargemiddelden op 252, 175, 127 en 121 Bq/m3. Voor de overige locaties in Nederland varieren de jaargemiddelden tussen 20 (Haringvliet) en 50 Bq/m3 (Vlodrop),
hetgeen ongeveer een factor anderhalf lager is in vergelijking met de eerdergenoemde
locaties.
23
riza
mm
BuurnrBnk
Uont bl I Cl|.d.n
700
»00
•00
I
1
3
J-
JOO
400
—
I
soo
•
200
100
400
;
200
Joo
r-*^TE-*-n:
• "• • .
0
•
•-
•
.
• i l t i l MT Ml
•
•»•
' M'•.l ,
1
•MO
"af.**.
mi
atartrnf
Harlngvllat
ij4».lm..r
700
(IJ23)
700
I-
— 400 h
—
SOO
1
400
JOO
200
00
100
0
m
' • • • '" " * ' " m*''
W
T S I W '
i
0
rnT
:
IMM
i
-
•PaMvWpl
tVatvam van, l o r a a x x U r l i a f
Rl|n bl| Lobith
I I
S*7i-Vi
»#t*l
r
- • ' . i v
•*«
i . i . •«. •
momi
mi
• • I T ' •1-H'fJ}' r t a j
Nlauwo Wrjlarwag bl| Moa»»lul«
700
•00
\ soo
i
I~
400
400
i soo
l•
soo
100
200
o
i
a%
100 '
0
a
-
.*
P*H • * • ! , ' J "
. '
'
»»5
i»M
M7
100
.'._—= rr e
*•.' ;*--V-.«';\".». tf H *
I*M
&7J-?l?si vf*i*i'/
• 41
M0
Wil
0
Ml
Bl
»44
M7
ntt~'
mml mo'
M I ' MJ '
M u m van ka>
M u m v«« >»riaa>n« uri»e
Figuur 2. T o t a a l - A l p h a - a k t i v i t e i t in de loop
van de tijd op verschillende locatie
AMK -
norm : jaargemiddelde
24
1 0 0 Bq/rrr
riza
Noordzaakanoal (KM
2)
Sou
v o n G»rrl
TOO
•oo
•00
I-
— 400
1-
\Z
l
o
J 200
200
no
•
•
•
•{- - -
1,
IS
100
'+
m
0
mi
MI
IMO
'
0
iSJT
M »
M 4
"T-St
'•44
'
•M
»•©
' • •
-1
~.
fttl
Iff!
Ml
Ml
Datum van i i m M t v i » |
Wattanchaldo
bij Schaar
van Oudon Do»l
Roar
bl| Vlodrop
'00
•oo r
5-i
-
I
1
I
o
400
\*»
"
200
J200
100
100
0
Mi ' * i i 'M7 I M '
Datum van
Wool
MI'
MO'
0
mi'
MI'
MS ' M4
HI
m*
ia—
IMO
Datum tan > i m - a « r .
fctm—l»rlwf
bij V u r . n
| -
i
200
100
.
o
•IS
M4
IM)
V
IMf
Datum van
• - *-.
i a I I a
S / ',
a
»••
IMO
.
^.
.
a ,
.
Ml
aamanalarlna.
Figuur 2. (vervolg) T o t a a l - a l p h a - a k t i v i t e i t in
loop van de tijd op verschillende
locaties.
AMK -
norm: jaargemiddelde
25
1 0 0 Bq/m 3
J
riza
BuursarBaak
Moat
IMvlmum In 19(6: M U
%oJ*
bl| Ellidon
Mailmum In 1S8B: 4 * 4 S B q / n
100
SOO
400
400
"E
lxK>r
c
200
100
M S ' HJaVt
If**-1
M7
nil
MO
IMl
'"M S; •_
til
M
''"^'''''"^^P^^^-'s:
M4
M*
M0 i
MT
Daytum van aamanrlarlnf
Datum vwa bamanvtvrlna
Harlngvllat
(Mlddalhornls)
Uilllmitr
Ho.lmum In 1986: 25IJ B q / m '
100
_
500
400
. 4 0 0
500
I*.
•E
i
•
1
c
a
200
ii 2oo
100
;
2 - > ^ * ^ y . > > : .-••
•IS
l*M
M7
M l
Kit
KM
(IJ23)
Moslmum In 198B: 2354 Baj/m 1
1
j
j
1
J W*
•
.
" • .
_• — 1
••'.ss;:'-'-":
0
M l IM2
Ml 1
M4
1447 MM
«••
TttO
~^-*a"
IMl
••»:
Datum van aamanalarlno
Datum von btmomtvlng
Rijn b l | Lobith
NlaU«a
14a..mum In 1986: 2334 B q / m '
Wotarwag
b l | Maassluis
Mailmum In 198S: 1132 B q / m '
100
100
400
"E
i
500
I 200
- •/••
MBS
MM
MB 7
MU
MSB MB0 M l
MS
MB!
MB4 M 7
M4~'
Ma'
Itao'
MBl' M 2 '
Datum von aamanvtarlnf
Datum van bamontUrlng
Figuur 3. R e s t - b e t a - a k t i v i t e i t in de loop van
de tijd op verschillende locaties.
26
riza
Noordraakonoal
(KM2)
Sas van Gant
Uo.imum In 1986: 330 i q / m '
Mailmum In 198«: 4 4 0
ioa
M/
m
'
500
¥
2
500
200
OO
MB7 ' MSB "*
Mil
M»o'
M*l
MBS
M2
M4
MST
MSB
MB
MO
Datum van bantam taring
Datum van •omanatarlna.
W«st«rteh«ld« bl| Schaar van Oud*n Doal
Roar bl| Vlodrop
Moilmum In 1986: 330 t q / m '
Ml
M»2
Moilmum In 1988: 8 3 0 . t q / m 1
500
400
i.
500
a
o
i
200
a
|o
u
took
0
MS
MM
MB7
MM '
Ml»
MBo' M l
Ml
Datum van aamanatarlna.
Datum van btmomlvrlng
Waal bl| Vuran
9Nr
400
"E
S.
500
c
200
too
MBS
MM
M7
MM
MSB
MBO
MB!
MB2
Datum van kamanalarlnf
Figuur 3. (vervolg) R e s t - b e t a - a k t i v i t e i t
van de tijd op verschillende
locaties.
27
in de loop
riza
BuursarBaak
Maas b l | Cl|sd«n
M
to
•0
10
7
,0
70
>
60
7
.r «
s
B
—
3
40
50
|
50
o
20
"
20 h
I
30
50
—
ja
•
-
'0
.
.I
' -
0
MBS
MM
MB7
•0
•
•'- . ' • ,
.•
MM
i
Mil
•
"•••*
I ' 'a
MM
MtT
0
M2
MBS
MB
M7
MM
MM
MM
MB I
MB!
Datum van bamonvtarlng
Datum van bamandarlng
Harlngvllot b l | Mlddolharnls
Ussalmaar (IJ23)
so
M
•0
B0
70
\ 7°
•0
^ «
so
Ji
—
3
40
5
f
30
30
J
10
u
MB7
IBM
MBI
50
*o
M
10
to
MM
•,>'•Ml
Ml
0
MM
..at^r^*rs-s*rh**
MM
MM
Ml
mi
Datum van bamanrtarUif
Datum van bamantlarliva
Rl|n b l |
M7
Lobith
Nlauava Wotarwag b l | Moasalull
M
•0
>
¥
.0
_? « •
M
•1
~ 50
9
| 40
JM
u
70
—
50
!
40
I 50
u
20 h
<
"• TZr
•IBS
10
MM
B T " " - ' " ' . ^ ^ . .
M87
MM
MSB MM
MBI
MS
MBI
aJy?^^^>VVa\r^ti^-^
MM
MT
MB
MM
MO
Ml
M2
Datum van aamanatarmf
Datum van bamonatarlng
Figuur 4. Tritium—aktiviteit in de loop van de
tijd op verschillende locaties.
28
riza
Noordzoakonool
(KM2)
Saa von Cant
to
BO
B0
70
70
60 h
40
50
10
40
40r
50
50
20
10
»r
o
JO
0
MBS
MM
MB7
MM
MS4
MM
MBI M 2
i-- T . •:
J_^J—
3*5MM
MB7 MM
Ml
M2
Datum van bamanrlarlnf
Datum van bamanitvring.
Wastarschalda bl| Schaar
••V.V »s •
'
a-J
van Oudan Doal
Ro»r bl| Vlodrop
M
to
7 '°
•
M
~
50
,
40
a
. •
o
10
»
M«5
MM
MB7 MSB - '
Bit
0
MM'
•
MBS
M4
-rr+^nm^r, r£-/
^MB7v ^
r p-~^—r
MM
MM MM M l S M T
Dotwfff v«n vMAwji^vrlnf
Ootum von bamanatarlrag
Wool bl| Vuron
10
10
1
70
*
•0
J>
30
•o
to
1
30
a
20
'0
0
I
1M7
ItU
«•»
fttO
(Muni »on btmorviU'ln-g
Figuur 4. (vervolg) T n t i u m - a k t i v i t e i t in de loop
van de tijd op verschillende
locaties.
29
riza
4B
r-l
ON
O
i—i
RI
ti
IB
M
u l
m
•»
f i
ta
RI
"
o
H
r*S
-o
ON
ON
Ov
P-l
xs
n
X)
RI
S
?
as
ON
m
.-3
XI
M
M
RI
.-3
•9
-SO
u.
fS
•V
f l
vO
vO
r-l
X.
"
p~
ON
•o
zz
-3
zz
Oi
u-l
ca
•d
ON
u-l
PM
2
J^
O
p~
fl
-3
ui
O
a
OV
f l
3
49
CO
P-l
vO
.9
ri
X)
©
f i
x>
u
•*
u
so
f l
r~
T
x.
BJ
i
O
ia
-3
CJ
X3
CO
CO
Oi
UP|
—
—
2
u
XI
m
CO
ro
P-J
XI
OB
XI
M
pp~
•o
y
RI
IVJ
XI
RI
OB
rn
JB
RI
X]
0)
XI
RI
R)
O
f-i
•»
f .
o
4B
RI
u
P-
v-i
1 °»
^
•a
CO
-a
ON
vO
PM
u-l
O
p-i
vO
f*3
X)
ca
2
p-
-s
TJ
•a
X!
co
V
XJ
RI
aO
n>
RI
TJ
a
>
as
so
as
r~-
x;
IB
-O
•at
x:
1
NO
f l
•
so
T
ca
a
n
•o
ss
u
X)
RI
Si
-3
-o
so
pi
1
RI
V
-si
u
-J
s
C>i
CO
f i
P-J
u-l
^3
r«
—
a.
3
o
X>
Bl
u
^
X)
rs
RI
u
a
XS
XI
RI
X5
U
e
oo
00
ON
T
•
as
IB
m
•o
RI
•at
C4
u-l
RI
M
vo
P"
zz
P-l
c-l
PI
8
•
zz
CO
CO
TJ
m
VO
P"
x;
r»
—
cn
PM
O
X>
m
00
P-
.•a
—
x>
JO
RI
•H
0)
J-J
r—
oo
m
X)
RI
u
-J
r;
•*
la-l
•O
«l
m
M
A
T
T
P-
vo
CO
|
-Q
19
n>
M
1"
•af
£
XS
RI
XI
RI
ro
a
VI
ca
JB
la-1
Oi
ON
u
5
f i
ON
•I
CM
CJ
SO
SO
ON
m
•o
u
o
V
-a
la-1
OO
ON
_
JTJ
p-
so
a
xi
li
CJ
r-i
lan
•9
u
-C>
I
•-a
n
^
f—l .
R<
X)
J*5
ON
•»
«
M
vo
pso
XI
u
ON
»©
s
2
X)
_
vo
ZZ
_
Ov
a
M
ca
•~)
3
T
P-4
CJ
XI
RI
£
£
4-J
oo
X)
CO
RI
U
P00
• a
_
—
ca
2
•a
U
vO
•BM
cj
£
vO
00
i
is
-3
c i
u-l
f l
i n
-o
O
iu
1
•a
CJ
CJ
—
rz
-0
ss
r-i
f i
Ov
T
•J
—
H
OJ
TJ
TJ
•H
£
1)
-J
ifl
U
1/1
IO
J
T3
^3
|
I)
lag
3
3
fl
ca
§
">
SO
3
c
1
•J
ia
1
i
9
CO
ui
Ul
u
u
E
1
•a
-5
3
5
Ul
a
RI
2
30
s
I
iM
i
u
o
O
>
S
>
a
CJl
u
3 ^c
J=
CJ
o
<si -a
—
O
I
>
e
0
k3
riza
•a
P-J
Oi
Ol
5
H
A
ss
en
<9
CO
-°
ca
PI
ft « is fl
CO
2?
Ov
Ol
s A
Ol
Oi
f l
"»
vO
Ol
•*
so
n
it
so
Oi
CN
so
ON
8
—
< v°iO
x>
XS
u-l
OV
so
«
M.
vO
ON
SS
f l
co
ca
p»
O
pa
S
A
r-
CO
ca
«'
co
1u-l
u
CO
0
p-
u
35 A
POV
CO
3
-«
" 2
«J
CO
01
-°
5
*
A
»
p-
CM
u-i
P-
X>
CO
Xi
CO
CO
8
A
13
P.
-°
5
RI
*
3
ca
CO
ca
"
s fl
co
u-l
s fl
XI
XS
so
Ov
f l
"
—
f i
as
00
CO
"
f l
CO
"a
as
CN
OO
°
CO
CN
ON
•»
f l
-O
A
JB
"
«
00
_,
X)
CO
XI
"
3
A
2
u.*»
—
•
3
3
CQ
a
u
-o
aB
•51
m
laf
>
V
00
1
1
S
e
afl
0
"
in
u-i
P-t
*
U
XI
CO
™
-O
p»
r-
u-l
00
tN
0
-r
n
«
-°
2
U
V
N
T3
c-i
2
*
i
2
—*
z
31
a.
a
1
>
-
—a
"
O
ID
CJ
j-
CO
-°
•0
f l
S
•M
1/1
'•3
*>1
3
u
f l
i.
-g
BJ
|
fl
00
2
XI
CJ
O
Pvl
ul
O
u
0
p-l
Pvl
P-l
cn
T
_
Oi
•"
XS
CO
A
CO
ia
XS
vO
NO
-°
ca
CO
CO
p~
ON
'
CO
CO
CO
•"=
a -a 2
CO
ON
'5
Jtl
U
n fl
(TJ
ia
Ol
-
5
0
pg
CO
°° -a
00
CO
CO
s fl
<J
P-J
CO
RI
p*
**
Xi
M
u-l
RI
SO
"
•*
CO
CO
Oi
0
- *0,
0
f l
—
CO
RI
CO
CO
§
*
4
•a
CO
c
u
3
>
"S
100
°
p-l
3
1
0
O
ii
>
fl
I 8
64
SaQ
X!
C
31
EUS
•:;
Figuur 5. Ligging meetlocaties in het
compartiment zwevend stof
32
riza
XI
ca
p-l
Ov
Ov
Ov.
X)
CO
«
P-.
P-J"
P-"
XI
CO
x>
ca
CO
J
x>
ca
u
SO.
—
fl
P~"
f l
P-J.
*. fl -
1
XS
.-a
Ju
•» ""
_
p..
Ov
Pal
xs
oo
00
Ov
TJ
CJ
«
f l
TJ
cj
_
OS
•»
p-l
RI
ca
P-J
p.
fl
u
PB
P»
r-"
XI
CO
x\
XI
u
fl
"CO
ITS
fl
-O
Ol
U
-NT
p.
ra
u
u-i
x>
ca
X)
ca
» -s
*1 x^
CO
x>
CO
XI
ca
XI
PM.
id
v—
*. fl
pi
U
Ov
oo"
u-i
ON
"»
vO*
ul
J3
CO
XS
• *
P-J
X)
ca
X)
ca
2 1
XS
ca
"°
*
»
u-T
CO
fl *
-°
ca
fl
CO
o
CO
° "*> ""
fl "1
fi*
"
p..
CO
*
rr
-°
"3
o
Oi
_
p-l
<a
_
-a
ON
m
&
* fl
"*"
o"
ON
c*l
oo
o
<-. -s
Pvl
vo"
ca
2
X)
CO
"*. "°
Pvl.
f l
00
ca
ca
00
"".
00
a0
ca
XS
10
CJ
x>
u-i
isX>
CO
"»
aO
CO
CO
CO
a*?
so.
_
XS
cn
oo
p>
a
fl
fl
X>
C*l
-o
00*
ca
-o
so
-1 -8
00*
X)
CO
SO
NO
*
f l
"0
XI
CO
f l
oo.
p.
^ 1
U-l
-8
fl
f i
ro
00
OV
r-j"
ca
00
CO
_
«-
XS
x>
"»
ON
"O
CO
Pvl"
CO
f l
so
CO
so
JJ
ca
fi
Ov
XI
p-
P-J
X)
n>
CO
Ov
CO
CO
fl"
oo"
CO
«1 -3
00
-a-
«
-a
- -s
vO
CM
XI
XI
u-l
-
Ol
o
so
1
.2
nr
°
pvl
<"
p-l
Ul"
"a
jtJ
9
•J
|
8
ul
3
3
SO
Q
C
cu
x>
•o
ul
•;-i
U
a.
0
|
>
>
O
=
g
3
>
9
>
fl
fl
CO
33
cj
<">
T -3
1-
Pal
1
i
I
J3
"2
a
8
z
M
CO
2
as
•0
cn
M
CN
a
ul
5
"SO
>
ca
in
L.
3
v
y
e
E
2
tj
ul
^
riza
Moos bij Ei'isdan
Ri|n bl| Lobith
1500
•
1000
1000
»* .
**i*"
4.
It
. a""
soo
^
'
/'
;
/
•a
86
87
88
D a t u m van
89
*\
90
•
91
86
92
87
Datum van
bamonitarlnfl
IJjjalmaar
88
IJ23
89
91
92
91
92
aamanitartf
K.t.lma.r
ISOO
90
(K12)
ISOO
y
IOOO
1
3
I
SOO
\
86
87
88
89
90
91
86
92
87
88
89
90
Datum van aamonltarlna.
D a t u m von b«monataring
Uarkarmaar
Wastarschalda bl| Schaar •van Oudan Doal
(Mill)
1SO0
ISOO
a-*
9
looo
1
r^\
•
J
•y.
500
86
87
88
89
90
wo
\
91
86
92
87
88
89
90
91
92
Datum van a a m a n a t a r l n f
Datum van bamonilarlna
Figuur 6. Totaal a l p h a - a k t i v i t e i t in zwevend
stof in de loop van de tijd op
verschillende locaties.
34
riza
Harlngvllat (Mlddalharnls)
Harlngvllat (Bovansluls)
rsoo
y looo
ISOO
•
•
V
soo
•
•
86
87
88
89
90
91
V
"SOO
soo
86
92
87
88
89
90
91
Datum van aamanttarlnf
Datum von aamantlarlng
Roor bij Vlodrop
tSOO
•
tOOO
soo
"0686
8787
888
89
990
9191
92
Datum van aamanitaring
Figuur 6 (vervolg). Totaal a l p h a - a k t i v i t e i t
zwevend stof in de loop van de
tijd op verschillende locaties.
35
92
riza
Als gevolg van de kernramp in Tsjernobyl zijn in 1986 zeer hoge concentraties van
rest-beta-aktiviteit gemeten. Al in 1987 zijn de concentraties op de normale niveau's
teruggekomen.
4.1.3 Tritium
Tritium heeft een lage radio-toxiciteit en vanwege de relatief hoge concentraties
uitgedrukt in kBq/m\ Ondanks de lage radiotoxiciteit van tritium is monitoring
noodzakelijk voor de bewaking van de lozingen van kerncentrales en om de verspreiding na de lozing te kennen [20]. Tritium kent geen sorptie aan zwevend stof en wordt
uitsluitend in de waterfase gemeten. De hoogste concentraties worden gemeten in de
Maas bij Eijsden. De jaargemidddelde tritium-concentratie in de Maas is lager dan in
de voorafgaande twee jaar (18.8 kBq/m3). De afgelopen jaren varieerde het jaargemiddelde in de Maas tussen 16 en 32 kBq/m3 (figuur 4, tabel 8).
Een andere locatie met een hoge tritium-concentratie is Schaar van Ouden Doel met
een jaargemiddelde van 12,2 kBq/m''. De hogere concentraties worden veroorzaakt
door lozingen van kerncentrales.
Voor het stroomgebied van de Rijn liggen de waarden een factor 2 a 3 lager dan in de
Maas en Westerschelde (3-9 kBq/m'). De laagste tritium-concentraties komen voor in
de Buurserbeek (2,9 kBq/m'). De achtergrondsconcentratie voor tritium wordt geschat
op 20 - 100 Bq/m', hetgeen onder het detectieniveau van 1 kBq/m' ligt [17]. In geheel
Nederland liggen de tritium-concentraties ver onder de MILBOWA-grenswaarde van
200 kBq/m'.
4.1.4Overige nucliden
Op het moment worden de concentraties van andere individuele nucliden in de
waterfase niet bij RIZA vastgesteld. Voor een aantal relevante nucliden is deze
analyse niet zinvol, omdat de concentraties van deze stoffen onder de detectiegrens
liggen. Alleen voor de nucliden Sr-90 en Ra-226 zijn de concentraties zodanig dat
trendmatige monitoring voor Maas. het kanaal van Terneuzen naar Gent, Westerschelde en Roer, een goede aanvulling is op het huidige meetprogramma. Op het RIVM
zijn deze twee stoffen voor de eerste drie genoemde locaties al sinds 1975 gemeten.
Voor de Roer zijn de stoffen in 1982 in het monitoringsprogramma opgenomen. In het
meetprogramma vanaf 1993 zijn deze analyses opgenomen in het monitoringsprogramma van RIZA.
4.1.5 Verschillen tussen steek- en verzamelmonsters
Op de locaties Eijsden en Lobith worden twee soorten monsters genomen. Volgens de
afspraken in nationaal verband worden steekmonsters genomen, terwijl in internationale overeenkomsten
14- of 28-daagse verzamelmonsters zijn afgesproken. De
verzamelmonsters zijn een betere indicatie voor de gemiddelde waterconcentratie in
een bepaalde tijdsperiode. De steekmonsters kunnen meer extreme situaties weergeven. Dit is ondermeer bij het tritium-concentraties te Eijsden te zien. De jaargemiddelden van beide meetmethoden blijkt dat statistisch gezien geen verschillen bestaan
(tabel 9). Bovendien blijkt uit tabel 9 dat de meetfrequentie van de steekmonsters
verlaagd kan worden tot 13 keer per jaar |9|.
36
riza
Tabel 9.
Verschillen tussen jaargemiddelden alfa-activiteit in steekmonsters met minder waarnemingen en in verzamelmonsters.
N
gemiddelde
minimum
maximum
Eijsden
1991
Steekmonsters
25
30
1
57
Steekmonsters
\:
31
14
57
Verzamelmonsters
27
34
1
130
Steekmonsters
24
35
4
84
Steekmonsters
! !
31
8
69
Verzamelmonsters
25
28
r^i
120
Steekmonsters
26
69
25
190
Steekmonsters
13
69
25
190
Verzamelmonsters
14
69
33
220
Steekmonsters
26
56
24
110
Steekmonsters
12
51
32
69
Verzamelmonsters
13
45
18
83
1992
Lobith
1991
1992
4.2 Zwevend stof
De lokaties voor analyses in zwevend stof zijn weergegeven in figuur 5. De resultaten
van de metingen voor de verschillende lokaties zijn opgenomen in een werkdocument
[9]. Afhankelijk van de meetfrequentie en eerder gemaakte afspraken zijn de gegevens
in [9] weergegeven als maand- of kwartaalgemiddelden. In de figuren 6 t/m 10 zijn
overzichten opgenomen om de trendmatige veranderingen van de afgelopen jaren te
volgen. Tenslotte worden in tabellen 10 t/m 15 overzichten gegeven van jaargemiddelde gehaltes opgenomen van de afgelopen 6 jaar en het jaargemiddelde voor respectievelijk alpha, beta en cesium-137 en cobalt-isotopen.
4.2.1. Alfa-straling.
In 1992 is het zwevend stof in de Nieuwe Waterweg bij Maassluis voor het eerst
37
riza
Uooi
bl|
Cl|sd*n
Rijn b l |
Mo»lmum In I M f : 107300 9 a / k f l
ISOO
ISOOr
S
1000
5
3
Lobith
ktailmum In 19SB: 88000 Sq/ko
>ooo
soo
soo
147
IBBB
Datum
van
IBBB
IBBO
IBB1
IBBB
IBB2
»U
»•>
IBM
IBB I
»»J
1BBI
tt.J
Datum van aaamantlarlnf
bamanalarlng
IJjsalmaar
at!
(U23)
KataltTiBBr
(K12)
Maximum In 1986: 2670 Bq/kg
ISOO
•000
soo
ISB7
H6I
Datum von
IBBB
IBBO
IBB I
IBBB
>BB2
IBBB
Datum von
bamonttarlna
Mork.rm.tr
IBB7
(Mill)
WasttrBchalda
U a u i m u m In 1986: l « 8 0 B q / k g
IBBB
IBS*
aamanatarlna
bl| Schoor
van Oudan
Ooal
Mailmum In i»8«: 1100 a q / k j ,
rjoo
ISOO
•ooo
500
soo
BBS
IBS7
IBBB
IBBB
IBBO
IBB1
IBB7
<v»2
1.44
D a t u m van
Datum van Bomonitarlnj
MSB
IBBO
IBB I
aamanatarkif
Figuur 7. Totaal b e t a - a k t i v i t e i t in zwevend
stof in de loop van de tijd op
verschillende locaties.
38
».J
wmmmmmmmmm
I nza
Harlngvllat (Middtlhornls)
Harlngvllat (Bovansluls)
ISOO r
WOO
•
VOOO
s
*
i
SOO
I
IBBB
IBB7
IBM
IBBB
tSBO
soo
I
IBB I
BM7
IBB:
IBBB
Datum van
Dalum van aaman.tarlng
»..
HBO
IBB I
JjMamantta'Jnf
Roar bij Vlodrop
ISOO
&
soo
tBB7
IBM
IBBB
IBBO
IBBI
1BB2
Datum van kamaniiarlng
Figuur 7 (vervolg). Totaal b e t a - a k t i v i t e i t
zwevend stof in de loop van de
tijd op verschillende locaties.
39
riza 1
•m
C
>
i
4
s
•H
X
ca
01
cr
po
o
u
a
•a
a
>
0)
3
1
rvi
n
ov
3v
"T
o-
•»
ca
a
ca
fl °N
1 2
Ol
u-i
T
rs
Ov
CO
-3
-O
T
O
oo
u-i
-3
»
VI
-X
vO
Ov
OJ
vO
ca
ca
ca
u-i
•g
u
O
Ol
•»
-O
ca
ca
-3
00
Cl
Ov
O
ca
.-a
ca
1
ca
•J
Jo
91
fa.
ca
rrj
s 1
ss
ca
•O
00
r»
•T
ca
u
oj
vO
f-v
•J
-Zi
XI
ca
ca
-
ci
vO
vO
ca
T3
•J
Ov
t—
rOv
vO
ca
XI
O
Cl
IBM
"
ON,
O
.5
JQ
ca
~Zi
zi
*CN
"
N
ca
©
(I
5v
Ov
or~
Cl
•g
X
ro
OJ
u-l
x
rss.
vo
ca
-j
o
X
Bf
ca
ss
n
—
t
K
ca
•a
Ov
vO
Cl
Ov
oo
ca
x>
(J
«
•3
*
Cl
"
H
>
x>
•J
ca
x
-X
03
ca
ca
t*3
I
TI
Ov
OO
Ov
u-l
rM
vO
-a
5?
ca
U1
X
rr-
•O
cn
ca
O
OJ
r~
u-i
vO
Cl
ca
*J
u-l
vO
u-l
J3
•O.
00
o
oo
©
a
oo
zz
ui
«•
Ol
it.
X)
CJ
0)
U
H
ro
J3
It
01
XI
(I
rOO
Ov
Ov
OO
ca
•->
-o
O
u-i
Ul
ca
Xi
s 2
vO
CJ
vO
K
11 <7l
o
r3
u
CJ
r-
vO
r-
u-l
X
ca
-T
rn
r-
p«
ca
*e
s "
c*
«
IB
Cl
CB
•
IB
o
r~
oo
ss
ss
o
Cl
"
•»
-a
H
E
u
U
O
3
ca
J
u
.a
a
c
3
">
lai
u
ii
C
0
c/l
-u
3
JC.
3
S
|
zz
zz
—
H
ha
"J
_«;
a*
s
o
r.
a'-I
1
>
o
Q
c1
•A I
i
z
40
o.
s
1
>
8
y
c
w
£
u
i
fl
X
"a
3
2
riza
geanalyseerd op de aanwezigheid van radioactieve stoffen. Voor alfa-straling is dit
duidelijk een noodzaak, omdat zeer hoge gehalte totaal-alfa-aktiviteit in dit water zijn
vastgesteld. Het jaargemiddelde is 1062 Bq/kg. Ook de jaargemiddelden bij de locaties
Schaar van Ouden Doel en Vlodrop zijn hoog (respektievelijke jaargemiddelden 762
en 663 Bq/kg; figuur 6 en tabel 10). De verklaring van deze verhoogde gehalten zijn
eveneens de lozingen van de industrieen.
Lage gehaltes totaal-alfa-aktiviteit komen voor in het Usselmeer en het Noordzeekanaal van respektievelijk een jaargemiddelde van 130 en 218 Bq/kg. In de rest van
Nederland varieert het gehalte totaal-alfa-straling tussen de 474 en 588 Bq/kg. De
verschillen in gehaltes tussen de verschillende locaties zijn in overeenstemming met de
metingen in de water-fase. In de loop van de tijd zijn er geen trendmatige veranderingen op getreden (figuur 6. tabel 10, [9|).
4.2.2. Beta-straling
In tegenstelling tot de waterfase. waar ook het rest-beta-gehalte wordt bepaald, wordt
in het zwevend stof alleen totaal beta-straling gemeten. Er is geen rekenmethode
ontwikkeld om de invloed van K-40 op het totaal-beta-gehalte in zwevend stof te
elimeren. De jaargemiddelden in het zwevend stof van Nederlandse wateren liggen
tussen 357 en 950 Bq/kg. De gehalten in het slib van het Usselmeer zijn laag (figuur 7
en tabel 11). Hoge gehalten zijn vastgesteld voor de Rijn bij Lobith en het Haringvliet.
4.2.3 Individuele nucliden
Met gammaspectrometrie werden in 1990 in het zwevend stof uitsluitend individuele
nucliden gemeten, die afkomstig zijn uit kerninstallat.es. Deze nucliden ontstaan als
produkt van kernsplijting of door activering (invangen van een neutron).
Andere isotopen, die in het zwevend stof van belang kunnen zijn Pb-210 en Po-210,
die worden geloosd door industrieen. Deze moeten met een andere meetmethode
worden vastgesteld. In 1991 is een aanvang gemaakt om ook bij RIZA deze nucliden
trendmatig te monitoren door de som-parameter Po-210 te bepalen. In 1993 zullen de
gehalten van deze twee nucliden afzonderlijk worden vastgesteld.
Cesium-isotopen
Het grootste deel van de cesium isotopen zijn afkomstig uit depositie als gevolg van het
ongeval met de kerncentrale in Tsjernobyl. Een gering deel is afkomstig uit de tabel
41
riza
•H
•J
e
>
8
4
ca
cn
-at.
Ol
Ov
Ov
vO
ca
J=
vO
Ov
00
ca
•->
—
Ov
P*
-O
ca
ca
u
-23
g
©
•~i
OO
ca
s
-o
O
vn
ca
°
u
~23
Cl
o
Ol
f"
ca
00
ca
ui
u-i
r-
ca
<J
a n
IB
Cl
00
_
_
CB
O
u
ca
XI
ca
vO
CN
vO
O
Cl
Ov
ca
.a
ca
ca
XI
ca
ia
ca
T3
B
Ov
Ov
'J
ci
Ov
t>
2 *
•
-
u
>
©
rOv
_
ca
«
•fl
cj
X
00
Ov
vO
t—
ca
ca
00
X
$
TT
m
3J
>
II
Cvl
c
ca
XI
ca
ca
ca
ca
•H
8
Ov
Ov
Cl
ss
•T
s
JB
00
^
I—1
00
00
rCl
Ov
zz
.O
oo
v
oo
vn
Cl
00
-
XI
u-i
m
00
Cvl
vO
00
—
O
re
T
OJ
U
>
ca
i-l
Jc.
X
ca
ta
fl
i
-0
u
Ov
so
:>
Cl
or~
n
3
i-l
V
ca
ooo
z.
s a
00
o
:»
"
1)
•o
13
iJ
ca
ov
s
JO
-
O
Cl
—
~
a_J
ca
X
u-i
o
—'
—•
•J
J-J
ca
oo
o-
XI
ia
ca
at
rM
Ov
o
X
Cl
oo
.-3
s
X
in
O
ui
r%
-
XI
u
oo
OJ
O
ta
ca
X
oo
00
XI
'J
XI
s
2
u-i
90
l-a
©
o
—
re
—
i-H
rO
J3
.n
ia
CJ
u
ce
0)
vO
oo
Ov
OJ
•0
s
ro
©
oo
T
t"»
U-l
—'
—*
'J
u
Cl
vO
1-
o
re
8
ri
f -0
0
r-
P4
—.
•H
B
u
a
9
to
U
13
Local ie
w
ci
cj
-o
it.
">
oo
c
i
s
u
1
ZZ
8
3
c
c
6
M
M
V
fa
i
s
42
z
= =
O
a-
a.
o
J=
c
cX-S
u
1
1
>
3
c
(J
u
1
riza
-o
•a
ca
a
rO
>
OJ
Ov
Ov
Qi
ul
OJ
ca
£
u~i
Ul
ca
ca
•-
W-a
•o
u-i
»
Cl
ca
-a
Cl
Ov
ca
«
rT
ca
ca
O
OJ
©
ci
ca
"2
r-
•a*
Ov
T
T
2
VM
u
o
ci
1
C
0
V
TJ
JO
ca
ca
Ov
Ov
u-i
Ol
re
u-i
ca
cj
o-
vO
vO
aO
ca
CB
ca
'J
Cl
*r
ca
.•a
JO
Ov
"3
o
o
Ol
vO
ia
ca
O
CM
o
<•">
aO
C3
OJ
©
•fl-
XI
ea
—
CO
•
U-l
•af
2-.
01
cr
pa
ca
s
o
u
Ov
oo
re
OJ
-zi
•J
00
OJ
—
03
-a
C
OJ
ca
s
ta
ca
u
V-
!J
OO
u-i
u-l
BJ
-°
3
—
1
X
X)
ca
>
ca
JB
ca
ca
ia
ta
OJ
Ov
OO
Ov
o
re
t—
Cl
vn
ta
cj
X>
re
00
oo
•9
Ov
00
ZZ
_
'J
XI
ca
Cl
o-
OJ
oo
Ol
-°
OJ
T
•
u
©
*r
R
a^
£
•*1
CJ
tl
-g
oao
Ov
oo
re
tm
Cl
Ol
Cl
XI
H
Cl
r-
ot
ca
ca
Xl
Ov
x>
O
Cl
ot
C i
XI
x>
J
a£
vn
u-l
T3
—I
rO
•C
CJ
Xt
u
u
986
01
XJ
rs
CN
"•
Cl
re
u-l
Cl
O
•J
u-i
Ov
Ov
o
re
c
30
00
vO
V
re
' i
-a
•H
£
I)
a
13
E*
1
1 Keielmeer
a
I Havringvlici
,-N
V
J-i
1
3
o
M
La
•J
0
-5
i
re
ul
E
u
-o
li
s
-s c
c3-g
8
5
E^I==
z
-
43
a.
o
1
>
U
|
y
W-J
if
=2
B
u
ul
y
ca
J4
S
8
Z
i riza
MS
Moo. bij Cl|sd«n
Rl|n bl| Lobith
Moilmum In 1986: 39886 B q / k g
Uailmum In IBBB: 7211 B V ' B
ISO
sso
JOO
•
ISO
•
JOO
:'.
ISO
•
s
at 100
200
*•
,
ISO
too
M
I
.* •2"\
•i
a"
•
'•'
so
50
i^"^ -•, .2"—_: _,' *-r •
"-•
0
tt»7
TfM
V%M
•*•»
»f»0
•
f m i» * *•
*.\"^*.*
»t»1
ni
IJ.jBlmoar
(IJ
•47
ltt2
23)
IBM
aamanttarlnf
Mailmum In U J j . j g g Bq/kg
IM
sso
JOO
JOO
ISO
X
200
|
tSO
•
ISO
« m
j
too
*
210
1
\
200
.
\
_
.
^
so
H
0 i
o
MB
IBB7
IBM
IBBB
IBBO
IBB I
IBB2
Markarmaar
_i
i
IB47
1
IBBB IBBB
Datum van
Datum van banvonglarlna.
(Mill)
WastBrschBlda
Moilmum In 1986: IJJ8 Bq/kg
•
1
IBBO
I
JSO
SOO
SOO
—
BB
2SO
200
i?
200
• •I
2S0
so
aamanclarlna
bl| Schoor
von Oudan
'
W)
3
»0
50
0
0
•MB
IBB.
IBBB
Datum
van
IBBB
IBBO
TBBI
BV———J
IBBS
Mailmum In 1986: BJ B q / k g
SM
1 2
*Jt*
KatalmaBr (K12)
Bq/kg
_
s
at«l
Datum van
Moilmum In 1986: 844
•
*^SiSaJ«>W»
i _
Datum »#* b#mon*ttKlng
1
\
•00
IBB2
KU7
MSB
IBBB
>B t o
mi
D a t u m v a n aamanalartnaj
bamamtaarlng
Figuur 8. Gehalte C e s i u m - 1 3 7 in zwevend
stof in de loop van de tijd op
verschillende locaties.
44
Ooal
riza
Horlngvllat
sso
(Ulddalhorrtls)
Harlngvllat
•
(Bovanslula)
550
soof
500
~- 2S0
a»
o
m
<
2S0
- v .
g
200
1
BM
|
•
1
•
so
0
IB44
IBS7
IBM
IBBB
IBBO
IBB1
.
no
wo
50
0
MM
-H7
t»U
«••
*tfO
tMI
D«turn van ••m*mt*rtAf
Datum von aamanalarlng
Roar
200
bl| Vlodrop
sso
soo
•5 "°
M
g
200
•
f
*
ISO
-90
50
0
__•"
I
——a t
w
a
..^-
m» *w
, 1
•!
ttto
.
—
twt
mt
Datum v«n MffMnitatrlrtg
Figuur 8 (vervolg). Gehalte c e s i u m - 1 3 7
zwevend stof in de loop van de
tijd op verschillende locaties.
45
riza
lozingen van de kerncentrales. De gehalten in de sedimentatiegebieden zijn beduidend
hoger dan op de ingangen van Nederland. De jaargemiddelden voor Cs-137 waren
voor de sedimentatiegebieden 55, 47, 47, 56, en 93 Bq/kg voor respectievelijk Haringvlietsluis Middelharnis, Haringvliet Bovensluis, Usselmeer. Ketelmeer en Markermeer
(figuur 8 en tabel 12). De gehalten in het slib van de ingangen bedroegen 25, 38, 20,
en 30 Bq/kg voor respectievelijk Eijsden, Lobith, Schaar van Ouden Doel, en Vlodrop.
De uitgangen Noorzeekanaal en Maassluis liggen niet in sedimentatiegebieden. De
gehalten op deze locaties liggen in dezelfde orde van grootte als de ingangen, namelijk
Maas bl| Ellsdan
Mailmum In 1089: 1600 Bq/kg vaar Co-58
•
Co-SB
o
Co-«0
Rl|n bl| Lobith
•
200
Co-68
»
Co-«0
200
•
m
*.
*
4
«*fe
•S
*
87
88
*£— &?
8JT
i
i.
"* A
*B6
90
87
88
89
.*_-.90
Datum van aamanatarlng
Datum van btmanilarlng
W a j t a r j c h a l d a bl| Schoar van 0ud«n Oosl
•
Co-5»
*
Co-«0
200
wo
sr^aa
%6
87
88
Datum van
89
90
91
feamanalarlng
Figuur 9. Concentratie van t w e e c o b a l t isotopen in zwevend stof in de loop
van de tijd op verschillende locaties.
46
riza
respektievelijk 30 en 27 Bq/kg. Een verklaring voor de verhoogde gehalten in de
sedimentatiegebieden is nalevering uit de waterbodem door diffussie en opwerveling
van bodemdeeltjes. In het Rijn stroomgebied zijn hogere gehalten vastgesteld, dan
voor de Maas en Westerschelde. hetgeen in overeenstemming is met de verspreiding
van de vrijgekomen nucliden van de kernramp in Tsjernobyl in 1986 voor de diverse
stroomgebieden.
De gehaltes Cs-137 vertonen nauwelijks meer een dalende trend; op de meeste
locaties is een nieuw evenwicht ingesteld. Het nieuwe evenwichtsniveau ligt ongeveer
een factor 2 hoger, dan voor de kernramp in Tsjernobyl.
De gehaltes van Cs-134 liggen grotendeels onder de detectiegrens van 1 Bq/kg.
Tabel 13. Gemiddeld gehalte van twee cobalt-isotopen in zwevend stof [Bq/kg] in de
loop van de tijd.
Locatie
1989
1990
1992
1991
Co-58
Eijsden
526
b
a
| Lobith
5
72
a
b
a
a
4
46
a
b
a
a
3
2
a
b
a
a
Schaar van
Ouden Doel
15
3
a
a
a
2
a
a
a
Co-60
Eijsden
38
b
a
Lobith
6
6
a
a
b
a
a
Schaar van
Ouden Doel
22
5
7
a
ab
a
3
a
a
a
7
a
22
a
b
b
a
a
25
5
a
a
a
5
a
a
Cobalt-isotopen
Co-60 en Co-58 zijn beide activeringsprodukten uit kerncentrales. Voor de meeste
Nederlandse wateren liggen de gehalten nabij of onder de detectiegrens van 2 Bq/kg.
47
riza
Opvallend zijn de verhoogde gehalten in de Maas bij Eijsden. Sinds de monitoring in
1989 geintensiveerd, zijn elk jaar in de zomermaanden beduidend hogere gehalten
vastgesteld, dan in de overige maanden van het jaar. De oorzaak is vermoedelijk een
schoonmaak van een kerncentrale. In 1989 werden zelfs waarden hoger dan 1600
Bq/kg Co-58 en 900 Bq/kg Co-60 vastgesteld |4]. Begin juli 1992 werd door RIVM in
een steekmonster een gehalte van 2700 Bq/kg Co-60 vastgesteld [16J. Hoewel in de
zomermaanden is de meetfrequentie verhoogd van eens per veertien dagen naar eens
per week, is deze verhoging niet door RIZA geconstateerd. Het jaargemiddelde voor
1992 bedraagt 15 Bq/kg voor Co-58, beduideld hoger dan de andere locaties (figuur 10
en tabel 13). In de loop van de tijd is er een dalende trend. De jaargemiddelde
gehalte voor Co-60 vertoont weinig verschil met de voorgaande twee jaar (22 Bq/kg).
Uit Duits onderzoek blijkt dat de cobalt-isotopen in het water van de Rijn voornamelijk afkomstig zijn van de Zwitserse en Franse kerncentrales in het stroomgebied van
de Rijn (21].
Tabel 14. Gemiddeld gehalte 1-31 in zwevend stof in de loop van de tijd
Lokatie
1989
Eijsden
171
1990
b
a
53
a
55
a
Lobith
19
20
a
ab
56
ab
b
b
4
a
Vlodrop
1992
1991
7
a
a
a
b
a
a
b
43
6
a
10
a
•
a
a
Overige nucliden met gammaspectrometrie
Jodium heeft een halfwaardetijd van 8,05 dagen en vervalt snel tot een stabiel
element. De gemeten gehalten worden gecorrigeerd voor het verval, maar bij een
lange wachttijd tussen bemonstering en analyse treden onnauwkeurigheden op. Voor
de meeste lokaties zijn de gehalten onder de detectiegrens van 2 Bq/kg. Opvallend is
het hogere gehalte in de Maas bij Eijsden voor 1-131 (tabel 14) [9|.
Ook voor de locatie Vlodrop ligt het jaargemiddelde boven de detectiegrens. De
lozing is waarschijnlijk afkomstig uit een kerncentrale. Op de andere locaties worden
soms gehalten even boven de detectiegrens gemeten.
In 1992 zijn van de overige individuele nucliden alleen voor mangaan-54 gehalten
boven de detectiegrens geconstateerd op de locatie Vuren. Eijsden en Lobith. Het
hoogste gehalte van 49 Bq/kg is vastgesteld in een steekmonster bij Eijsden. In het
48
riza
Tabel 15. Gemiddeld gehalte Po-210 in zwevend stof |Bq/kg] in de loop van de tijd.
Lokatie
N
gemiddelde
minimum
maximum
Hollandsch Diep
4
81
76
85
Eijsden
5
136
86
171
Hagestein
4
67
56
77
Haringvliet
3
76
49
118
Ketelmeer
3
73
70
76
Lobith
5
65
51
68
Markermeer
3
80
54
122
Maassluis
4
247
190
359
Noordzeekanaal
4
72
46
85
Sas van Gent
2
357
353
360
Schaar van Ouden
Doel
4
299
250
337
Vlodrop
5
64
53
86
Vuren
5
58
50
66
merendeel
Bq/kg.
van de steekmonsters
liggen de gehalten onder de detectiegrens
van 1
Polonium
De frequentie van de metingen van het radioactief polonium-gehalte laat te wensen
over. Op grond van twee tot vijf waarnemingen per jaar kunnen de locaties onderling
nauwelijks worden vergelijken. De hoogste gehalten Po-210 komen voor bij Sas van
Gent en Schaar van Ouden Doel met jaargemiddelden van respectievelijk 357 en 299
Bq/kg. Ook de aktiviteitsconcentraties bij Eijsden zijn hoog (136 Bq/kg; (tabel 15).
Voor de rest van Nederland varieert het jaargemiddelde gehalte van 58 tot 81 Bq/kg.
Po-210 komt vrij bij de verwerking van fosfaat-erts. Er is geen verband tussen de
gemeten totaal-alpha-straling en het gehalte polonium.
Vorig jaar is gestart met de metingen van polonium. In vergelijking met het vorig jaar
liggen voor alle locaties de resultaten op hetzelfde niveau. Sinds 1987 zijn op de
de locaties Eijsden, Lobith, Schaar van Ouden Doel en Vlodrop door het RIVM
metingen van Po-210 in zwevend stof verricht. Er zijn geen opvallende verschillen
tussen de metingen van de twee instituten. In de loop van de tijd zijn ook geen
veranderingen opgetreden (CCRX-rapportages, bijvoorbeeld [5]].
49
riza
4.3 Sediment
De resultaten van de metingen zijn opgenomen in (9|. In tabel 16 is een samenvatting
van deze resultaten opgenomen. Het diepte-profiel voor cesium-isotopen voor enige
locaties is in figuur 10 opgenomen.
4.3.1 Alfa en beta-straling
De laagste activiteitsconcentraties voor zowel alpha-straling, als beta-straling komen
voor in het Usselmeer. De waarden die voor de loactie IJ23 zijn vastgesteld zijn niet
representatief voor de bodem in het Usselmeergebied [2]. In 1992 bedraagt de gemiddelde alpha-straling in de bovenste 5 cm in dit gebied 309 Bq/kg en 540 Bq/kg voor
beta-straling. In het Haringvliet en Ketelmeer lagen de alpha-straling gehalten
gemiddeld op respektievelijk 670 Bq/kg en 730 Bq/kg. Voor beta-straling waren de
gehalten respektievelijk 735 en 790 Bq/kg. Deze verschillen tussen de locaties is is
overeenstemming met de metingen in het zwevend stof.
4.3.2Cs-137
De concentraties voor Cs-134 zijn door zijn halfwaardetijd van 753 dagen op veel
locaties onder de detectiegrens. Echter Cs-137 is nog steeds in het sediment aantoonbaar. De hoogste concentraties zijn vastgesteld in het Noordelijk Deltabekken, hetgeen
waarschijnlijk door nalevering van bovenstrooms sediment wordt veroorzaakt (figuur
10, tabel 16). De interpretatie van de gegevens is niet gemakkelijk, omdat er steeds
twee maal per jaar eeri monster is genomen. Soms treden grote verschillen in resultaten tussen deze twee waterbodemmonsters op.
Noordelijk Deltabekken
In de Lek bij Hagestein treedt bij lage afvoer sedimentatie op en bij hoge afvoer
resuspensie. De gehalten in de waterbodem over de bodemlagen 0-2,2-5,5-10, 10-15
en 15-20 cm zijn in de loop van tijd ongeveer gelijk. Ook in 1992 is Cs-137 homogeen
verdeelt over deze verschillende bodemlagen en varieert het gehalte tussen 55 en 95
Bq/kg (figuur 10).
In het Hollandsch Diep op de locatie Bovensluis treedt sedimentatie op, hetgeen blijkt
uit de veranderingen van de korrelgrootteverdeling in de bodemlagen 0-25 cm. In 1989
en 1990 bestond de laag 10-25 nog uit zand, terwijl uit de metingen van de laatste
twee jaar blijkt dat deze laag netals de laag 0-10 uit slibrijk materiaal bestaat met een
korrelgrootteverdeling van deeltjes kleiner, dan 16 /xm van 30-40%. De sedimentatiepiek uit 1986 ligt in de bodemlaag 10-15 cm en bedraagt 75 Bq/kg.
Op de locatie Haringvliet treedt regelmatige sedimentatie en resuspensie op afhankelijk van het spui-regiem. De gehaltes in de bovenste laag van de waterbodem vertonen
regelmatig verhogingen. Dit kan zowel door resuspensie ontstaan, als door nalevering
uit bovenstroomse gebieden. De gemiddelde netto-sedimentatie-snelheid tussen 1986
en 1992 op 10 cm geschat. Dit komt redelijk overeen met de plaats van het sedimenta-
50
riza
Tabel 16. Gemiddelde gehalten van verschillende radioactiviteitsparameters
bovenste 5 cm van de bodem [Bq/kg].
Lokatie
alfa
beta
Cs-134
Cs-137
Hollandsch Diep
692
818
2,5
42,4
Haringvlietsluis
542
624
3
19,8
Ketelmeer IJ001
761
865
3,5
57,8
Ketelmeer IJ004
706
715
3,6
37,7
3,6
62,5
Lek bij Hagestein
Usselmeer Ul
345
527
6,4
104,5
Usselmeer U50
273
552
2,2
42
Usselmeer IJ23
40,5
214
2
9,7
Markermeer
800
612
2
3,6
Mill
in de
tiefront tussen de 10-15 cm (figuur 10).
Usselmeergebied
Lokatie IJ001 in het Ketelmeer ligt in een diepe geul, waar voortdurend sedimentatie
optreedt. In 1992 ligt het front uit 1986 onder de 25 cm en is de bemonsteringstechniek met de boxcorer niet geschikt om deze bodem te onderzoeken. Het gehalte in de
bovenste 5 cm neemt nog steeds af en bedraagt in 1992 58 Bq/kg. Tussen de verschillende bodemlagen over een diepte van 25 cm treden op deze locatie geen grote
verschillen op en is deze laag homogeen gemengd (figuur 10).
Op de locatie IJ004 in het midden van het Ketelmeer treedt zowel sedimentatie als
resuspensie op. De toplaag is niet geheel gemengd en in de toplaag zijn hogere
gehalte vastgesteld (figuur 10).
Op de locatie Ul in het noordelijk deel van het Usselmeer is in een monster in de
bodemlaag 0-2 cm een zeer hoog gehalte Cs-137 geconstateerd van 220 Bq/kg. Zelfs
direct na het ongeval zijn in het Usselmeer zulke hoge gehalten gemeten. Helaas zijn
in 1992 geen andere monsters van deze bodemlaag geanalyseerd. Hierdoor is het
moeilijk een verklaring van dit resultaat te geven. Naast toeval kan dit hoge gehalte
ontstaan door een nieuwe afzetting van materiaal uit bijvoorbeeld bij Ketelmeer
(figuur 10).
Op de locatie IJ50 in het zuidelijk deel van het Usselmeer ligt het sedimentatiefront
op een diepte onder de 25 cm. Tussen de bodemlagen in de eerste 25 cm van de
bodem zijn nauwelijks verschillen. Hoewel er een kleine piek te zien is in de bodemlaag 10-15 cm. De gehalten varieren van 36 tot 75 Bq/kg (figuur 10).
51
riza
Can—*,**
.
Hollandsch Diep
Bovensluis
Ketelmeer
IJ001
Usselmeer
IJ1
8
0.-137 |Ba/k«l
I
I
1
CimmalraH. Ca-1>7 [ k V k t l
raJka C - 1 5 7 (Ba/k|J
1
8
8
( t i l l
8
1 8
—a
m""
I
i
\
8
\
*
J
8
\
\
»
\
a
i
r
\
?
t
\
1.
•
•«
r
1
1
3
i
a
r:
»
Usselmeer
IJ50
aj»a C.-l>7 ( a a / h f )
8
8
8
8
C-»m*ta*v*
8
8
c
' • a * . C-1S7 |Baikal
CB-U7 [ M / h | ]
8
8
§
8
8
8
8
8
8
!
•
•
V
\
/
?
\
i •
*
Haringvliet
Haringvlietsluis
Kete Imeer
IJ004
V
i •
»
1
\
*
i
/
I
•
/
/
i
.
Lek/Hagestein
lariat C.-137 [Sa/kal
.
8
8
;
•
«*
Figuur
10. Concentratie van
C s - 1 3 7 in de w a t e r bodem op verschillende
locaties.
\
I8 •
a
\ -
\
i
•
8
/
•
H
52
i
1
8
1
I
riza
4.4 Besmettingsbalans cesium
In [2[ is een besmettingsbalans gemaakt voor Cs-137 in het Ketelmeer en het Usselmeer met de gegevens tot 1990. De jaarvrachten voor de in- en uit-gaande stromen
zijn als volgt berekend:
jaarlast = {[Cs-137 zwevend stof] * ZS + [Cs-137 zwevend stof]/ Kd} * Q * t
waarin:
jaarlast : Totale vracht Cs-137 [Bq]
[Cs-137 zwevend stof] : gehalte Cs-137 in zwevend stof [Bq/kg]
ZS : concentratie zwevend stof in water [kg/m3]
Kd : verdelingscoefficient Cs-137 [nrVkg]
Q : debiet [m'/s]
t : tijd [s]
In tabel 17 is de besmettingsbalans uit [2] aangevuld met de gegevens uit 1991 en
1992. Als ingang van het Ketelmeer is de locatie Kampen gekozen. Omdat geen
metingen van Cs-137 voor deze locatie in zwevend stof zijn verricht, is deze gelijk
gesteld aan de gehalten bij Lobith. Als uitgang van het Ketelmeer en ingang van het
Usselmeer is de locatie Ketelbrug, K12 genomen. Voor de berekening van de uitgang
van het Usselmeer de concentratie zwevend stof net het gehalte Cs-137 op de locatie
U23 genomen en de gezamelijke debiet van de afsluitdijk bij de locatie Ul en IJ2.
Uit de berekening blijkt:
Vanuit de bovenstroomse gebieden wordt nog steeds Cs-137 aangevoerd.
In alle jaren is de in- en uitgaande vrachten van het Ketelmeer zijn
nagenoeg gelijk, waaruit blijkt dat geen accumulatie plaats vindt.
De uitgaande vracht van het Usselmeer is groter dan de ingaande vracht.
In de loop van de tijd wordt dit verschil kleiner. Direct na het opgeval in
Tsjernobyl was het verschil een factor 3 tot 4. De laatste twee jaar
bedraagt het verschil een factor 1,5 tot 2. In het Usselmeer vindt uitspoeling plaats.
In het Usselmeergebied is nog geen nieuw evenwicht opgetreden. Het wordt aanbevolen om de monitoring in deze wateren nog enige jaren te handhaven.
53
riza
rH
03
TJ
o
rH
JJ
•r-i
U
CQ
fl
\
O
CN
T
CQ
r-l
-H
• — '
fl
fl
3
o
rH
+
c
cu
a
E
10
CN
o
r-l
+
+
a
u
rn
i - i
in
(N
*
CM
SO
o
rH
+
Cd
CN
O
*
•3"
o
+
u
«J*
r>
-
ro
m
-«-
^
CO
>•»
m
1E
—•
4J
CU
•H
-Q
c
CU
r>
r>
»»•
•3-
ro
ro
as
ro
ro
CM
i-H
i-H
U0
ro
ro
cn C+O•
a
u o
ro
-Q
H
0J
xJ
0>
Ui
%
in
ro
O
rH
o
r-l
+
Cd
+
u
«r
CM
i-H
rCO
3
H
XI
\D
o
rH
o
r-i
+
Cd
CM
ro
a.
in
+
Cd
CM
r>
"J-r
o
O
rH
—
+
+
Cd
+
O
r-\
+
o
H
+
Cd
o
Cd
in
CO
C-
VO
vC
rH
so
vO
ro
r-l
r-l
SO
SO
O
H
r>
CN
CO
«»•
«J«
ro
rro
o
o
+
CO
o
r-l
rS
o
rH
Cd
o
CN
•3
H
rH
-
a.
-
Cd
O
in
«
rH
cn
rH
r>
r•*
CM
•*
ro
ro
ro
ro
CM
rH
ro
r-l
in
ro
01
a
E
CN
I")
rH
in
«*•
+
CO
i-H
t-j
-«.
rH
i-J
(0
-«i
cu
a
o
rH
rH
rro
rH
1
01
CJ
as
ro
CM
l-H
in
r-l
in
so
in
aj<
m
CN
CM
co
so
rH
CN
CM
in
•3*
ro
•3"
CN
co
SO
in
«*
ro
•CM
CN
co
m
•#
u-l
OJ
•H
U
fl
-H
-J
u
V
C
V
u
•0
o
c
o
o
3
a
---i
Kl
E
cr
ca
—
* '
G
CU
c
cu
a
a
E
ro
CN
"3
E
fl
fl
X
*
rH
LH
0
J
V
B
H
u
oo
oo
3
'fi
c
Tl
H
TJ
-a
90
DI
c
g)
£
vO
rH
ro
ro
r>
CN
ro
O
CN
CN
r>
CN
rH
r-l
r-i
in
H
H
ai
u
^H
«
x:
cu
O
SO
rH
ro
ro
o
ro
o
ro
•*
in
o
CO
o
CM
CM
in
r>
TJ
c
tl
r—•«
C
rH
>
u
2
"•N*
cu
a
N
o.
e
*—*
CN
r-l
l
ro
E
fl
Ui
X,
M
»
m
'4-1
i
0
n
-J
ai
cn
rH
CN
CO
O
SO
ro
co
•*
rO
u
s
1)
to
>
u
i-t
xz
V
o
3
N
Oi
cr
CO
^^
as
CO
Ir
co
SO
SO
vD
in
in
«a"
CN
Dl
3
i—,
J«.
V ,
ro
CM
U
ca
a) TJ
CN
r3
U
-Q
x:
4-1
rH
-H
CU
-Q
0
J
o>
ro
CN
»3
1—t
«
•1)
ca
u
CO
CN
0
u
v
CN
ro
c
cu
a
E
r>
co
CTl
CM
r-t
cn
CO
rH
rH
CM
CM
i—1
CN
CM
CM
rH
rcn
CO
3
IH
o\
-Q
rH
CM
CO
0*1
rH
o
— i
CM
CM
r-l
CM
CM
rH
CN
CM
CM
H
-H
0>
r>
co
E
CM
r-l
cu
i—t
CO
CQ
3
OJ
\
M
•J
0)
4J
fl
m
o
CM
CM
r-i
a—1
:*.
|
54
CM
CO
CM
rH
o
CM
CM
r-l
rH
CM
CM
r-l
CN
CM
CM
r^
nza
5. AANBEVELINGEN
Metingen van Ra-226 en Sr-90 in water en Pb-210 en Po-210 in zwevend stof
Voor het milieu is monitoring van radionucliden van belang, die van nature in het
milieu voorkomen, maar door menselijke aktiviteit verhoogd worden. Hierbij kan
gedacht worden aan de fosfaatertsverwerkende industrie en de verwerking van kolen.
Door deze aktiviteiten komen uit de U-238-reeks de nucliden Ra-226, Pb-210 en
Po-210 vrij. Door de chemische eigenschappen kan radium in beter in de waterfase
worden gemeten en lood en polonium in het zwevend stof. In 1991 is een aanvang
gemaakt met de metingen van Po-210. Voor veel locaties laat de frequentie van de
metingen te wensen over, waardoor de locaties onderling nauwelijks kunnen worden
vergeleken. Vanaf 1993 zullen naast polonium, ook de gehalten aan lood worden in
het zwevend stof op de locaties Lobith. Eijsden, Maassluis, Schaar van Ouden Doel,
Haringvlietsluis, Noordzeekanaal, Sas van Gent en Vlodrop worden bepaald. De
metingen voor radium worden vanaf 1993 voor de locaties op dezelfde locaties
verricht, behalve Haringvlietsluis en Noordzeekanaal.
Strontium wordt voornamelijk door kerncentrales geloosd. Door de chemische
eigenschappen van het nuclide moet Sr-90 in de waterfase van de monitoringsprogramma's worden opgenomen. Vanaf 1993 worden bij het RIZA deze metingen voor
Eijsden, Lobith, Maassluis, Schaar van Ouden Doel, Sas van Gent en Vlodrop verricht.
Locaties
In de huidige opzet van een geoptimaliseerd meetnet in Rijkswateren is het voorstel
om de metingen bij Vlodrop, Buurserbeek en Hagestein te laten vervallen [1]. In de
Roer bij Vlodrop worden jaarlijks verhoogde gehalten totaal-alfa-aktiviteit vastgesteld,
die de MILBOWA-grenswaarde overschrijden. Voor de monitoring van radioactieve
stoffen is dit punt van belang om een goed overzicht te geven voor de belasting in
Nederland. Zowel metingen in het zwevend stof en het water zijn beiden van belang
met een frequentie van 13 keer per jaar. Deze metingen zijn een verplichting in het
kader van het nationaal milieumeetnet van de CCRX.
De gehalten van radioactieve stoffen in de Buurserbeek zijn laag. Er kunnen echter
door Duitse kerninstallaties radioactieve stoffen worden geloosd. Uit oogpunt van
bewaking wordt een bemonstering van belang geacht. Tevens is de locatie Buurserbeek een goed referentiepunt voor de rest van Nederland met een lage stralenbelasting. Andere locaties kunnen ook deze indicatieve funktie verzorgen. Bij de afweging
van de verschillende belangen is besloten om in 1993 de locatie Buurserbeek te laten
vervallen.
In het radioactiviteitsmonitoringsprogramma is de locatie Hagestein gekozen als een
uitgaande stroom in Nederland. In het meetprogramma t.b.v. onderzoek is sinds 1986
de locatie Hollandsch Diep ( = Haringvliet, Bovensluis) bemonsterd. In het geoptimaliseerde programma is een keuze gemaakt voor het Hollandsch Diep [1]. Om zoveel
mogelijk bij dit meetnet aan te sluiten wordt aanbevolen om de metingen in het
Hollandsch Diep voort te zetten en op te nemen in het monitoringsprogramma van
1993, i.p.v. de locatie Hagestein. Echter bestaan er nagenoeg geen statistische
verschillen tussen de metingen op de locaties Hagestein, Hollandsch Diep en Haringvlietsluis. Hierdoor zouden de metingen op Hagestein en Hollandsch Diep kunnen
55
riza
vervallen (tabellen 10 t/m 12).
Het is noodzakelijk om metingen in het Usselmeergebied voor te zetten. De locatie
Usselmeer U23 is een verplichting in het nationaal meetprogramma van de CCRX. De
belasting van het Ketelmeer en Markermeer verschilt van het Usselmeer. Daarom is
een voortzetting van de monitoring van belang. Bovendien is voor de interpretatie van
de accumulatie van Cs-137 in het Usselmeer de metingen in het Ketelmeer van
belang. Deze locaties IJ23, K12 en M i l l moeten in het monitoringsprogramma
worden opgenomen.
In het huidige voorstel van de optimalisatie van het meetprogramma wordt de locatie
Vuren de monitoring voor deze locatie gestaakt [1]. Het is een verplichting in IRCverband. Ook de verzamelmonsters op Lobith en Eijsden zijn uitsluitend internationale
verplichtingen. In de internationale kaders is besloten dat de metingen op de locatie
Vuren vervallen. De metingen in de verzamelmonsters in Lobith en Eijsden blijven
gehandhaaft. Er bestaan geen statistische verschillen tussen de steekmonsters en
verzamelmonsters. De voorkeur bestaat om de verzamelmonsters te laten vervallen.
Meetfrequentie
In het huidige meetprogramma worden de metingen voor totaal-alfa, rest-beta, totaalbeta en tritium met een hoge frequentie uitgevoerd op de locaties Lobith, Eijsden,
Maassluis en Schaar van Ouden Doel. Zonder dat het jaargemiddelde statistisch
gezien veranderd, kunnen de meetfrequenties verlaagd worden tot 13 keer per jaar.
Achtergrondsmetingen
Metingen in het water en zwevend stof op de ingangen (Lobith, Eijsden, Schaar van
ouden Doel, Sas van Gent, Vlodrop) en uitgangen (Maassluis, Haringvliet, Hollandsch
Diep, Usselmeer) en de kwetsbare gebieden (Ketelmeer, Markermeer) worden
jaarlijks uitgevoerd. Er wordt aanbevolen om voor de overige wateren elk jaar
projectmatig op een aantal locaties metingen te verrichten in het kader van kennis van
de milieukwaliteit en achtergrondsmetingen t.b.v. kernongevallenbestrijding. Hierbij
kan ook metingen in het compartiment waterbodem worden gevoegd.
Interpretatie van meetgegevens
Bij de verwerking van de gegevens 1993 zouden voor de parameters totaal-alfa en
rest-beta in water en eventueel cesium in zwevend op enkele locaties met een
tijdreeksalyse een statistische verwerkingsmethode voor trendanalyse worden geanalyseerd. Voor totaal-alfa komen de locaties Eijsden, Lobith, Usselmeer, Ketelmeer.
Markermeer, Haringvlietsluis, Maassluis en Sas van Gent in aanmerking. Voor restbeta zijn de locaties in de Rijn, Maas, Nieuwe Waterweg, Haringvliet en Usselmeer
zijn een afnarne van de concentraties gecontateerd. Met een tijdreeksanalyse kan voor
cesium worden nagegaan of de niveaus een nieuw evenwicht hebben bereikt.
56
riza
LITERATUUR
| 1]
[ 2]
[ 3]
[ 4)
[5]
[6]
[ 7]
[ 8]
[ 9]
[10]
[11]
Adriaanse, M (1993). Optimalisatiestudie
routinematig onderzoek
kwaliteit rijksbinnenwateren. Deel 1: Hoofdraport. RIZA nota nr.
92.055.
AquaSense (1992) Verspreiding van radioactieve stoffen in het Usselmeergebied en het Noordelijk Deltabekken na Tsjernobyl, 1986-1991. In
opdracht van: Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA. Rapport 92.0286-B
Beurkens, J.E.M.; Hulscher, J.E.M. ten; Velde, L.E. van der (1988).
Verspreiding van microverontreinigingen in Ussel, Ketelmeer en Usselmeer. DBW/RIZA werkdocument nr. 88.062x
Breukel, R.M.A. (1989). Radioactiviteit in de Maas. Verslag van een
calamiteit in de zomer van 1989. DBW/RIZA Werkdocument 89.127x,
29 p.
CCRX (1990) Jaarverslag 1990 van CCRX-werkgroep Meettechnieken
Radioactiviteit. Door de CCRX verzamelde resultaten van metingen van
de radioactieve verontreiniging van de biosfeer in Nederland in 1990.
CCRX-rapport nr. MR 91-02, 92 p.
Comans, R.N.J.; Hailer, M.; Weijden, C H . van der (1989). Reversibiliteit van cesium interaktie met kleimineralen, gesuspendeerd slib, en
sediment van Nederlandse waterbodems. Eindrapport cesium project. In
opdracht van DBW/RIZA onder contractnr. DB-255, 75 p.
CUWVO (1990). Aanbeveling voor het monitoren van stoffen van de Mlijst uit de derde Nota waterhuishouding. Aanbevelingen voor het
bemonsteren, analyseren, beoordelen en presenteren van de kwaliteit
van oppervlaktewater, waterbodems en zwevende stof. Coordinatie
commissie uitvoering wet verontreiniging oppervlaktewater - werkgroep
V, 90 p.
Hettling, H.K. (1987) Radioactiviteit na "Tsjernobyl". Cesium-verspreiding in Rijkswateren t.g.v.het "Tsjernobyl" ongeval: eerste resultaten en
aangepast onderzoeksplan
D.B.W./RIZA. D.B.W/RIZA notitie nr.
87.014x,25 p.
Jong, E.J. de; Luttmer, W.J.; Munster, G. van (1993). Meetgegevens
radioactiviteit in het aquatisch milieu in de jaren 1991 en 1992. RIZA
werkdocument 93.xxx
Jong, E.J. de; Luttmer, W.J.; Leijen, A. van; Munster, G. van (in prep.).
Onderzoek naar radioactieve stoffen in Rijkswateren. Resultaten 1991.
RIZA nota.
Jong, E.J. de; Leijen, A. van; Molen, D.T. (in prep). Toepassing van
model IMPAQT voor de verspreiding van Cs-137 in het Usselmeer en
het Ketelmeer. RIZA nota.
57
riza
[12]
[13]
[14|
[15]
[16]
[17]
[18|
[19|
[20|
[21]
[22]
[23]
Jong, P. de (1988). Emissie- en productnomen. Puclicatiereeks Stralenbescherming nr. 1988/39E, VROM. Leidschendam, 66 p.
Koolwijk, A.C.;Drost, R.M.S. (1991). Onderzoek naar de radioactiviteit
van afvalwater van de kerninstallatie Doodewaard. Resultaten over 1990.
RIVM rapport nr. 249102007, 18 p.
Koolwijk, A.C.;Drost, R.M.S. (1991). Onderzoek naar de radioactiviteit
van afvalwater van de kerninstallatie Borssele. Resultaten over 1990.
RIVM rapport nr. 249102008, 18 p.
Koolwijk, A.C.; Drost, R.M.S. (1991). Onderzoek naar de radioactiviteit
van afvalwater van het ECN te Petten. Resultaten over 1990. RIVM rapport nr. 249102009, 18 p.
Kwakman, P.J.M.; Aldenkamp, F.J.; Vries, L.J.; Drost. R.M.S.; Graber.
M.H.; Koolwijk, A.C.;Ockhuizen, A. (1993). Monitoring of radioation in
atmosphere, water and a foodchain. Results in 1991 in The Netherlands.
RIVM-rapport nr. 749204004.
Laane, R.W.P.M. (1992). Backgrond concentrations of natural compounds in rivers, sea water, atmosphere and mussels. Report DGW92.033.
Lembrechts, J.F.; Koster (1989). Radionuclide-specifieke parameterwaarden voor biosfeertransport- en stralingsdosisberekeningen. Eindrapportage VEOS-project. RIVM-rapport nr. 72851008, 37 p.
Ministerie van V&W (1989). Derde nota waterhuishouding. Beleidsnota
voor de Tweede kamer vergaderjaar 1988-1989 nr. 21 250. SDU, 'sGravenhage, 297 p.
Mundschenk, H.; Krause, W.J. (1991). Behaviour and radiological
significance of tritium from nuclear power plants and other sources in
the Rhine river basin. J. Environ, radioactivity (14) : 341 - 360.
Mundschenk, H. (1992). Study of the long-range effects of radioactive
effluents from nuclear power plants in the Rhine river using 58Co and
^Co as tracers. J. Environ, radioactivity (15) : 51 - 68.
Sonderen, J.F van; Drost, R.M.S.. Graber; M.H. , Ockhuizen; A.;
Koolwijk, A.C. (1991). Onderzoek naar de radioactiviteit van oppervlaktewater. Resultaten over 1990. RIVM rapport nr. 249102006, 27 p.
Venema, R. (1991). Kwaliteit Zwevend stof 1988-1990. De kwaliteit van
het zwevende stof in de Rijkswateren. RIZA nota nr. 91.040.
58