Poezie In de wachtzaal van mijn oogchirurg 2010-06-17 Verandering Er is niets anders dan deze bomen, zo groen, geduldig en gelukkig, dit gras, gemaaid en met.
Download ReportTranscript Poezie In de wachtzaal van mijn oogchirurg 2010-06-17 Verandering Er is niets anders dan deze bomen, zo groen, geduldig en gelukkig, dit gras, gemaaid en met.
Slide 1
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 2
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 3
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 4
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 5
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 6
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 7
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 8
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 9
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 10
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 11
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 12
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 13
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 14
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 15
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 16
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 17
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 18
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 19
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 20
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 21
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 22
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 23
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 24
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 25
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 26
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 27
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 28
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 29
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 30
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 31
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 32
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 33
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 34
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 35
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 36
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 37
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 38
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 39
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 40
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 41
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 42
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 43
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 44
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 45
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 46
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 47
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 48
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 49
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 50
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 51
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 52
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 53
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 54
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 55
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 56
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 57
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 58
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 59
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 60
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 61
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 62
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 63
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 64
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 65
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 66
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 67
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 68
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 69
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 70
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 71
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 72
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 73
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 74
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 75
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 76
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 77
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 78
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 79
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 80
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 81
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 82
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 83
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 2
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 3
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 4
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 5
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 6
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 7
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 8
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 9
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 10
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 11
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 12
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 13
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 14
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 15
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 16
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 17
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 18
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 19
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 20
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 21
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 22
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 23
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 24
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 25
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 26
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 27
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 28
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 29
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 30
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 31
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 32
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 33
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 34
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 35
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 36
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 37
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 38
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 39
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 40
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 41
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 42
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 43
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 44
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 45
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 46
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 47
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 48
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 49
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 50
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 51
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 52
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 53
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 54
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 55
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 56
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 57
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 58
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 59
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 60
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 61
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 62
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 63
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 64
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 65
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 66
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 67
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 68
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 69
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 70
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 71
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 72
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 73
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 74
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 75
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 76
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 77
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 78
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 79
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 80
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 81
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 82
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.
Slide 83
Poezie
In de wachtzaal van mijn oogchirurg
2010-06-17
Verandering
Er is niets anders dan deze bomen,
zo groen, geduldig en gelukkig,
dit gras, gemaaid en met zichzelf tevreden,
waarop mijn stille voeten treden,
en deze hoge lucht, met duizend ogen,
die als een moeder naar mij kijkt,
wier kind ik ben, op wie ik lijk,
geborgen in haar verre zorgzaamheid.
Er is niets anders - en gelukkig maar dan dit in ogenblikken verdeelde
en zelf ook ogenblikkelijke jaar,
die stille stormvlaag van momenten
waardoor ik in een glimlach of een zucht
verander, met herinnering aan wie ik was
voordat mijn voeten traden op het gras,
voordat ik naar de bomen en de lucht
het hoofd ophief en ik ze zag.
Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Moeders en zonen (1962)
De blijde tuin
De rozen, leliën en anjelieren
hebben den tuin met geurge lucht gevuld,
waarin op zachten adem gras en bloemen tieren,
die gij vol vreemd gepeins vertreden zult.
Want licht bedronken van die milde aromen,
ligt aan uw borst 't verlangen als een pijn:
waarheen gaan in den nacht uw jonge droomen?
van welke verre ster zoekt gij den schijn?
Hier geurt de thijm; gij ziet de lamp ontsteken;
de wind wordt koel; de zomer eindigt vroeg;
een vogel zwijgt; -- waarom, hart, wilt gij breken
en is die blijde tuin u niet genoeg?
Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1930)
Nog vlaagt de wind om u zijn vlagen,
regen valt om u zijn val,
immer cirekelen de dagen
tussen hemel en heelal.
Zelden mag het hart verwijlen
bij uw schaarse tederheid,
zelden als een zwaluw zeilen
door een tijdeloze tijd,
als gij in de zachte dalen
regen stilt en regens stuwt,
en de wind tot ademhalen,
enkel maar tot adem luwt.
Strand uw lichaam, zee uw zinnen,
gij mijn ongeregeld tij,
hart, dat doelloos moet beminnen,
speelbal u en drijfhout mij.
Mies Bouhuys (1927)
uit: Ariadne op Naxos (1948)
La Frontera van Lhasa de Sela
Hoy vuelvo a la frontera
Otra vez he de atraversar
Es el viento que me manda
Que me empuja a la frontera
Y que borra el camino
Que detrás desaparece.
Me arrastro bajo el cielo
Y las nubes del invierno
Es el viento que las manda
Y no hay nadie que las pare
A veces combate despiadado
A veces baile
Y a veces ... Nada
Hoy cruzo la frontera
Bajo el cielo
Bajo el cielo
Es el viento que me manda
Bajo el cielo de acero
Soy el punto negro que anda
Al las orillas de la suerte.
Vandaag keer ik terug naar de grens
Nogmaals moet ik oversteken
Het is de wind die me beveelt
Die me voortstuwt naar de grens
En die de weg uitveegt
Die achter mij verdwijnt
Ik sleep me voort onder de hemel
En de koude wolken van de winter
Het is de wind die hen beveelt
En er is niemand die hen tegenhoudt
Soms een meedogenloos gevecht
Soms al dansend
En soms … niets.
Vandaag steek ik de grens over
Onder de hemel
Onder de hemel
Het is de wind die me beveelt
Onder een staalblauwe hemel
Ik ben het zwarte puntje dat daar loopt
Naar de drempel van het geluk.
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
En dan het bericht dat deze speciale vrouw
op de avond van 1/01/2010, weer een gren
Kroop de mist
Kroop de mist tussen de bomen?
Dan is het herfst.
Vloog de bonte kraai over het dak?
Dan is het herfst.
Zaten de blaren als vanen aan de takken?
Dan is het herfst.
Jan Hanlo (1912-1969)
Morgen in de bergen
De zilvren morgen steeg over het dal,
Het leek of aan de steenen rozen bloeiden,
De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden
Als witte anemone' in 't licht heelal.
Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide
Als zuiver-blanke room van wal tot wal,
Tot het op eens in overvollen val
Het vale meer met brandend goud besproeide.
Zoo stijgen zacht de schimmen uit mijn donker,
Tot zij voor de' adem van den dag verzinken,
Zoo bloeit een bloem uit elken zonneflonker,
Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken
Ligt voor iedereen - o! hoor stil, wat klonk er:
Is het een mensch, die uit dat hart komt drinken?
C.S. Adama van Scheltema
Foto genomen op mijn pelgrimstocht naar Compostela
(1877-1922) Eerste oogst (1912)
Moeder
(extract)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Foto van onderweg naar Finis terra
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mens zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als 't eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Een gedicht
Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt - het is een S.O.S.haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.
M. Vasalis (1909-1998)
uit: De oude kustlijn (2002)
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten
Ik zal u niet meer in de tuin ontmoeten.
De perken zijn er leeg en op de paden
Verstierf het schuif'len van uw kleine voeten
Bij het gehuiver van de laatste bladen.
Ik zal u niet meer zien, u niet meer groeten,
Zal eenzaam door de fletse velden waden
En altijd dromen, altijd denken moeten,
Dat niet mijn liefde bloeien zal in daden.
Ik zal de vijver nu alleen bezoeken.
Zij blijft mij lokken als uw klare ogen.
Als ik mij naar haar spiegel heb gebogen,
Zal ik mijn beelt'nis strelen of vervloeken?
Al zou mijn aangezicht mij dan bekoren,
Gij en de wind zullen mijn peinzen storen….
Bij het overlijden van mijn
moeder
Jan Spierdijk (1919-1997)
uit: Sonnetten en andere verzen
(1946)
Vader
Vader naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? ...
Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?
nav het overlijden van mijn moeder (93)
Jacqueline van der Waals
(1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)
Bij sterren en sneeuw
Zij herkende hem niet bij sterrenlicht
(hij had haar bij donker herkend) Zij vroeg den weg naar zijn huis; haar stem
leek zijn naam ontwend.
Hij wees een andren weg, en dacht:
ik had haar bij donker herkend Later sloeg hij zijn groot raam
(buiten vloog toen sneeuwjacht)
op de haak, en riep haar naam
luid uit in de nacht.
Zij kwamen nergens ooit meer saâm.
Sneeuw waait wild en zacht.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
Grensgeval
Achter duizend luiken huiselijke geluiden,
men eet er, zingt er, timmert, krakeelt.
Leeg web van stegen onder de zon.
Mijn schaduwgang die uitmondt
in bewassen treden naar een water, zwart.
Hemelhoog nabij de overzij, muziek
uit huizenwand, geloken duizend luiken.
Ik ben voorbij en wil niets liever
dan als eeuwig laatste der gearriveerden
hier bestendig onbehuisde zijn.
Anneke Brassinga (1948)
uit: Timiditeiten (2003)
Nietsvermoedend
Daarnet passeerde je het huis
Waar je later komt te wonen,
Waar je elke steen zult kennen
En elke kleur en elk geluid,
Waar je bomen zult zien groeien
Door de ramen in de zomer,
Waar je kinderen zult krijgen
En zult waken aan hun ziekbed;
Dat zal daar allemaal gebeuren,
Je fietste er langs en herkende het niet.
Rudy Kousbroek (1929-4 april 2010)
uit: Dierentalen en
andere gedichten (2003)
Gij zult niet eenzaam zijn
Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.
Tu ne seras pas seul
Tu ne seras pas seul : Oublie ta douleur.
La floraison des herbes et des fleurs
n’est arrêtée qu’un moment,
et le vigne bourgeonne au printemps
quand du sud le vent jeune reviendra.
Tu ne seras pas seul: le rossignol chantera.
(eigen vertaling)
Anton Van Wilderode
Troost voor mezelf, gevoelens van mijn pelgrimstocht naar Compostela
Oneigene
Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
't is al zoo van buiten, 't is
al zoo van bin':
't ligt alles daar bloot op mijn handen!
Dan, weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heette ik mijn
oneigene ik late u, ... gaat reizen!
Guido Gezelle (1830-1899)
uit: Gedichten, gezangen
en gebeden (1862)
Lof van mijn Land
Dit is het land waar ik geboren ben,
en ook zal sterven naar Gods wil.
Hier groeit geen boom, noch ligt een steen,
die ik niet ken.
Het land is mild en trouw,
voor elken man die het bemint,
er is geen mensch, geen vriend, geen vrouw,
wier liefde niet een einde vindt;
er is alleen het land, mijn land dat blijft,
om in te liggen als het leven zelf
verloren drijft.
Verliezen is ons lot en ook verloren gaan,
vraag van mijn hart niet meer dan schuim en asch,
ik schimp soms op mij zelf, die onvoldaan,
gelijk een keerende herfstwind was.
En leedvermaak is schrijnender dan veel verdriet,
als men alleen nog om zich zelven lacht,
en om geen dingen meer,
en om de menschen niet.
Alleen maar om dien andere in mij,
die zich aan land noch lucht gewent,
en almaardoor aan 't vragen blijft,
of er geen ander land bestaat
dat hij veel beter kent...
Het Fado-lied dat altijd in mij zingt
André Demedts
(1906-1992)
In afwachting
Een nachtwacht zat des nachts te wachten.
Nooit had een nachtwacht zo'n verdriet.
Want, schoon hij wist dat hij moest wachten,
Waarop hij wachtte wist hij niet.
En als niet Rembrandt was gekomen,
Getooid met een fluwelen hoed,
Dan had die nachtwacht nooit geweten
Waarop een nachtwacht wachten moet.
Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Volksliedjes uit
Zaandonderland (1971)
Peinzerij
Ik hoor van al het nieuw een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in 't rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.
Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minne slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van 't hart aan en één luistert
En weemoed ruischt in 't looverspel der boomen.
Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van 't leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons geen toekomstdroomen in het wijde zweven.
Nine van der Schaaf (1882-1973)
uit: Naar het onzichtbare (1929)
stilleven
Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader
thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter
nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -
Gerrit Kouwenaar (1923)
uit: het bezit van een ruïne (2005)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwerversliefde
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.
Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
nav mijn pelgrimstocht naar Compostela
Zwervers
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den legen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
een zeer verloorne, een vluchtig mens,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan een droomenovervleugeld man.
Adriaan Roland Holst
(1888-1976)
De blijde boodschap
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht : "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al :
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af :
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve (1923)
uit : Het zingend hart (1973)
De piggelmees
In het land der Kopkenonders,
niet so gak fer fan de see,
woont 'n tweespan gakke donders:
Hupse Ko en Hupse Kee.
En ze wonen daar al jaren,
aje mie geleuve wil,
of 't tortelduven waren
in een ouwe duventil.
En wij, wij leren hier 'n lesje,
lieve lezers, klein en groot:
Liefde overwint op aarde,
inclusief de woningnood.
John O'Mill (1915)
uit: Tafelrijmvet (1958)
Todo pasa
Todo pasa y todo queda,
pero lo nuestro es pasar,
pasar haciendo caminos,
caminos sobre la mar.
Nunca perseguí la gloria,
ni de jar en la memoria
de los hombres mi canción;
yo amo los mundos sutiles,
ingrávidos y gentiles,
como pompas de jabón.
Alles gaat voorbij en alles blijft
maar ons lot is voorbijgaan
voorbijgaan al trekkend langs de wegen
langs wegen over de zee
Nooit heb ik roem nagestreefd
noch geprobeerd mijn lied
in de herinnering van de mensen
te laten voortbestaan
ik hou van een subtiele
lichte, luchtige en vriendelijke wereld
als zeepbellen...
Me gusta verlos pintarse
de sol y grana, volar
bajo el cielo azul,
temblar súbitamente
ik hou ervan hen te zien verkleuren
y quebrarse...
met tinten van grond en granaat,
en van hun zweefvlucht onder een hemel van azuur
Nunca perseguí la gloria....
en ze plots uit elkaar te zien spatten
nav mijn pelgrimstocht naar
Compostela
Eigen foto van onderweg
Nooit heb ikAntonio
roemMachado
nagestreefd...
Nacht
De nacht heeft zacht den dag geweerd,
en stilte binnen huis gebracht.
Hier slaapt mijn pijn als op een vacht,
gelijk een hond rust bij den heerd.
En zachter doezelt alles in:
mijn denken, voelen, liggen lam.
-- Is dit het einde of het begin
der smart die al mijn hope nam?
Nooit heb ik mij zo kalm gevoeld
-- Hoe voel ik me in uw schoot bevrijd,
o Nacht, die mijne wonden koelt
en laafnis voor mijn zonden zijt.
Adolf Herckenrath (1879-1958)
uit: Van licht en schaduw (1932)
Hebben en Zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid de andre schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Geciteerd doorTheo de Boer (1932)
uit: Dagblad Trouw, artikelenreeks: “Denken over gedichten”
De Eend
Een eend die langs de zon vloog
Scheerde rakelings langs mij
Hij klapwiekte in eenzaamheid
Naar de zee
Ik zag zijn ogen glanzen
Zo dicht langs mij vloog hij
De zonsondergang deed zijn veren
In volle luister kleuren
Ik hoorde ‘t zingen van zijn vleugels
Het lied van de vlucht
Doorbrak de stilte van de wereld
Die de nacht verwachtte
Ik voelde het leven in zijn borst
Zo dicht bij mij
En in mijn buurt de pijn de vreugde
Dat zulk een pracht bestaat
De duinen, de zonsondergang
De eend – en ik
Als waren we een, bewogen we
Tijdloos door de lucht
Jane Goodall
uit: Het boek van de schoonheid en de troost
Kinderspel
Er schemert om dit denken zonder doel
een stilte, waarin klokgetik verzandt.
Ik staar in het loodgrijze licht en voel
mij door herinneringen overmand.
-- Spelende in het warme, diepe bed
heb ik de dekens over mij gespannen:
een sultan is in de woestijn verbannen.
Een vos sluipt naar zijn hol met sluwen tred -Is dit voorbij? Ben ik teruggekeerd?
Wat is aan mij geschied, sinds ik verdreven
werd uit dat zorgeloos en zonnig land?
Tegen het leven is geen droom bestand.
En hiervan is alleen overgebleven
een schuw herinn'ren bijna ongedeerd.
Anthonie Donker (1902-1965)
uit: Grenzen (1928)
Het verloren eiland
Helder en dromerig en alleen
zal zij nog wel op dat eiland wonen,
golven als paarden eromheen
en aan den einder wolken als tronen.
Helder zingend onder mijn zeil
kwam ik, en heb haar strand betreden -heimzee zong zich uit naar heil:
meer dan een leven is het geleden.
Meer dan een leven -- het zeil verdween;
een heilloos zwerk heerst zonder tronen -Voorbij de dood bleef er een alleen
op een helder eiland wonen.
A. Roland Holst (1888-1976)
Foto
Mijn moeder heeft de foto uitgekozen
die na zijn dood het meeste op hem lijkt.
Naarmate langzaam de meedogenloze,
mij nog veranderende tijd verstrijkt,
fixeer ik hem steeds meer in deze pose;
het raam, de stoel, het boek dat hij bekijkt,
en al mijn komende metamorfosen
worden door mij aan dit portret geijkt.
Straks ben ik even oud als hij op deze
foto. Nog even, en wat is geweest
wordt weer zoals het was in den beginne:
Dezelfde sluitertijd. Ik zit te lezen
in deze kamer, en het licht valt binnen
door een verdwenen raam waarbij hij leest.
Jean Pierre Rawie (1951)
uit: Geleende tijd (1999)
Denkend aan mijn overleden vader (iets wat ik
dagelijks sinds 35j doe)
November
Het regent en het is november;
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove herinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.
J.C. Bloem (1887-1966)
Uit: Media Vita, 1931
De grassen
Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.
Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.
Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.
Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.
En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.
Ida M. Gerhardt (1905-1997)
uit: Buiten schot (1947)
Maanlicht
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen
Als feller kaarsen in dien schijn:
De ziel herdenkt heur lang verlangen
In nietsverlangend zaligzijn:
Alsof van achter diepe slippen
Haar doolend tasten eindlijk vond
Met hare warme blinden lippen
Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven
Wij op in duizelhellen schrik:
O kort en onbegrensd beleven
Van eeuwigheid in oogenblik!. . .
Het maanlicht vult de zuivre heemlen
Met glanzende geheimenis,
De luisterblauwe verten weemlen
Van Die alom en nergens is.
P. C. Boutens (1870-1943)
uit: Vergeten liedjes (1909)
Nacht-stilte
Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door den nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht....
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtsche streken,
Klaar als ster in licht zoû breken,
Zonder smet van taal of teeken
God in elk van ons.
P. C. Boutens (1870-1943)
toelichting
Lethe
Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.
Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.
Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe !
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:
een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.
Pierre H. Dubois (1917-1999)
Pakjesavond
Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag
Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,
Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,
Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.
Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
De laatste dagen
en de laatste vragen
van het geleden jaar
staan voor de deur,
de bomen kouder
en de dromen ouder
maar de verwachting
nog vol gloed en kleur
want wij geloven:
het licht van boven
is niet te doven
stelt niet teleur
voor alle vragen
van alle dagen
achter de einder
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (1988)
Foto
Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.
Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Met een klank van hobo (1981)
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zij geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.
En in dit land zijn avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn an'dre muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen ...
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: En wat dan nog? (1950)
Almere
De zwanen zwemmen windstil in Almere.
Rietkragen fluisteren. Het avondlicht
schildert de grote ruime hemel dicht
met kleurig goud tussen de wolkenveren.
Zilveren vliegtuigen die hoog passeren,
worden elk een knipogend landingslicht,
een nieuwe ster. De nacht heeft geen gewicht.
Een vleermuis tuimelt langs de coniferen.
Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad.
Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen.
Het land uit zee ligt open, krijgt een naam.
Op zand met schelpen groeit een tuin, langzaam.
Tussen de werkelijkheid en de wensen
maken we dagelijks ons eigen pad.
Maria van Daalen (1950)
uit: De wet van behoud van energie (2007)
88
(8)
De stemming evenwel is minder blij
Als 88 op de leeftijd slaat
Dan wordt het allemaal wat schemerachtig
De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat
De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig
Het spreken wordt ook minder consistent
Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig
Straks is men nog, wie weet, incontinent
Dan is de levensvreugde wel voorbij
Maar 88 is een mooi getal
Dat weten wij dan toch in elk geval
Drs. P (1919)
uit: 88 (2008)
terwijl ons haar dunner wordt
terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen
terwijl het beschutte plekje
onder de bomen lokt
terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen
lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende handen
terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen
je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer
terwijl dit alles
terwijl de apen lachen
terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt
terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt het graf in
blijven de apen jong en lachen
wordt de honger van de apen groter
lachen de apen
blijft de woede jong
terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten
Tsead Bruinja (1974)
uit: Angel (2008)
Waarheen is zij, die u heeft verlaten
wijl zij geen staamlenden droomer achtte,
gij, die daar stralende door de straten
dwaalt als een mens, die geen mens meer ziet?
'Ik weet het niet, maar een stem die lachte
achter dat raam waar wij eenmaal zwegen
- doch wat is zeker in wind en regen het leek haar stem, maar ik weet het niet.'
En waar is zij, die gij hebt verstoten,
droomer van trotsch, binnen wereld's oorden
stervend gedoemd nu de wolken sloten
voorlangs de poort van uw avondrood?
'Zij is, als liefde mijn wroeging hoorde,
onder dat zeil onzer eerste droomen
scheepgegaan, en voorgoed ontkomen
naar lichter kusten voorbij den dood.
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Voorbij de wegen (1920)
Afrekening
Mijn leven is in krijt geschreven
Wat stof is er gebleven
Een zwart bord en wat vegen
Mijn leven is in spijt geweven
Wat rafels zijn gebleven
Een kil kleed in de regen.
Mijn leven is in mist verdwaald
Ik heb de oever niet gehaald,
Mijn hoorn heeft het begeven.
Mijn leven heeft me uitbetaald,
Ik heb mijn loon niet afgehaald,
Rente voor bitter leven.
nav van mijn veel te vroege
brugpensionering
El verdadero dolor es el que se
Gerard Moors (16/12/1945- )
23/09/2002-18/12/2008
Melancolia
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.
C. Vosmaer (1826-1888)
Zilverig waast
Zilverig waast, op vochtig kruid en bruine bladen
't IJle herfstlicht onder 't bleke blauw.
Mijmerend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw.
En nu ruist, uit glans en dauw en trillend lover,.
De ijle herfstwind mijn gepeinzen stil, Alles geeft zich in gelijk vertrouwen over
Aan de zelfde, zuivere levenswil.
P.N. van Eyck (1887-1954
Een man vond een engel
Een man vond een engel, ergens achteraf,
laten we vechten, zei de man,
dat is goed, zei de engel
de man vocht met hem,
behaalde een overwinning op hem,
verscheurde hem,
veegde hem op, gooide hem weg,
boende de vloer
tot er geen spoor meer van hem over was,
wreef in zijn handen
en dacht niet meer aan hem
en de engel glimlachte
en tilde de man op, tussen twee vingers,
bekeek hem met verbazing
en ook enige ontroering,
liet hem in een afgrond vallen
en de man viel en viel,
terwijl hij dacht dat hij liep
en dat het zomer was
en dat de toekomst hem veel beloofde.
Toon Tellegen (1941)
uit: Stof dat als een meisje (2009)
Over kale vlakte van mijn hart
Over kale vlakte van mijn hart
draven twee paarden.
Wie zijn deze paarden?
Zijn het de laatste wilde haren
van deze grijsaard?
Twee op hol geslagen paarden,
een witte en een zwarte, draven
over kale vlakte van mijn hart.
Zijn het twee verloren liefdes?
Of zijn ze de ontembare Liefde en
de onbeheersbare Dood?
Walter Palm (1951)
uit: Sierlijke golven krullen van plezier (2009)
De verschijning
Zij....zij, naar wie ik nauw meer durfde hopen
Zag ik in de open glazen deur verschijnen:
Zij hief haar hand en hield de lange lijnen
Der witte, waaiende gordijnen open,
En zag mij aan en lachte en eindloos hopen
Wondde mijn weemoed met haar ijle pijnen....
Toen ging zij....'k zag haar gaan en ver verdwijnen:
't Licht woei den dag lang waar zij had geloopen.
En nog in de avond zat ik waar haar luister
Lichtend verschenen was voor mijn verlangen -En hoorde 't sluimrend loveren gefluister
Buiten....en zag het onbewogen hangen
En soms even bewegen van de lange
Blanke gordijnen in het koele duister....
Adriaan Roland Holst (1888-1976)
uit: Verzen (1911)
De draad van Ariadne
Grijs de middag, grijs de luchten, grijs
en allengerhand vereenzaamd 't hart,
dat zich steeds weer in zichzelf verwart,
op dezelfde moedeloze wijs.
En de linnen luchten, vochtig-strak,
staan gespannen over 't wijde land.
En ik zoek met aarzelende hand
waar de draad van Ariadne brak.
En mijn vingers onder 't jachtig-ruwe
van de hartklop, die mij voort blijft stuwen,
tasten koortsig, koortsig in het kluwen...
Pierre H. Dubois (1917-1999)
uit: Quia absurdum (1947)
De jachthoorn
Hoort gij den jagershoren,
die galm op weergalm helmen doet,
door kalmen avond boren
in ver en langgerekt getoet?
Wat kan de ziel bekoren
als 't lied, zoo treurig en zóó zoet,
dat uit dien jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet?
O vlakke Demerboorden,
o weide, in warmen doom verbreid,
waar al mijn droomen gloorden
van liefde en levenszaligheid!
'k Zie gansch die jeugd herboren,
met d'onvoldanen droomenstoet,
wanneer de jagershoren
daar toet in 't langgerekt getoet.
Ik kan de verzen van Van Langendonck niet herlezen, zonder
telkens weer dat gebogen bleke voorhoofd te zien, waar het
tragische lot met zijn griffel in gegroefd had, en die geestig-zachte
ogen, dien moeden, tegelijk schuwen en trouwhartigen blik, waar
soms een vreemde gloed in brandde.
- August Vermeylen
Nu speelt de jagershoren
het stille en innig minnelied;
nog enkle tonen smoren
in diepgedragen zielsverdriet.
Welle eens, in vollen vrede,
en trille in 't snarenrijk gemoed,
als zangerige avondbede
dat eindloos goed en zoet getoet.
(1901)
Prosper van Langendonck (1862-1920)
't Is stil in Amsterdam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
De auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
De stad behoort nu nog
Aan een paar enkelingen
Zoals ik
Die houden van verlaten straten
Om zomaar hardop
In jezelf te kunnen praten
Om zomaar hardop te kunnen
zingen
Want de auto's en de fietsen
Zijn levenloze dingen
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
En godzijdank niemand
Die ik tegenkwam
't Is stil in Amsterdam
De mensen zijn gaan slapen
Ik steek een sigaret op
En kijk naar het water
En denk over mezelf
En denk over later
Ik kijk naar de wolken
Die overdrijven
Ik ben dan zo bang
Dat de eenzaamheid zal blijven
Dat ik altijd zo zal lopen
Op onmogelijke uren
Dat ik eraan zal wennen
Dat dit zal blijven duren
Als de mensen zijn gaan slapen
't Is zo stil in Amsterdam
Ik wou
Dat ik nu eindelijk iemand
tegenkwam
Ramses Shaffy (1933-2009)
Winterstilte
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.
Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)
Lentelied
Wij fietsten over dijken in een witte zon,
zij zomers transparant, ik uitgewinterd pas,
en alles was weer net zoals het eerst begon:
krooswater, bloesems, ooien, onbetreden gras.
De lucht was iel en broos, de kreupeltakjes bros
in de nog wakke beemd waardoor wij blootsvoets waadden,
maar het gezang van lentegalen in het tsjiftsjafbos
verlokte ons naar 't mos, dat wij bevreemd betraden.
We aten appels in de glooi van een taluud,
waarna wij prille netels gaarden in het moer;
betoverd keken wij naar 't duiken van een fuut,
totdat het veer ons naar Sint-Bernards oever voer.
Zij wees mij blauwe schroefjes van de maagdenpalm
nabij de moede muren van een ouw' abdij.
Wij schreden binnen onder bronzen klokkengalm
en doolden door de gangen in een monnikspij. .
En toen ontsteeg ik willig wat mij aards verbond:
een jonge vrouw, de voorjaarstooi, dit mijmer-oord,
want alles werd weer net zoals het ooit ontstond:
uit niets, uit on-geluid schiep iets mijn eerste woord.
Herman J. Claeys (1935-2009)
Errata*)
Voor
Voor
Voor
Voor
'kussen' lees: 'kussens',
'vliegen' lees: 'liegen',
'van jou' lees: 'van niemand',
'nood' lees: 'wet'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'nu' lees: 'later',
'later' lees: 'nooit',
'weten' lees: 'vergeten',
'waarom' lees: 'daarom'.
Voor
Voor
Voor
Voor
'stenen' lees: 'brood',
'trouwen' lees: 'branden',
'jong' lees: 'oud',
'zwijgen' lees: 'goud'.
'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.
*) In de geest van Paul Muldoon
Rudy Kousbroek (1929-2010)
uit: Dierentalen en andere gedichten (2003)
Het feest van mijn voetenen
Als ik in de dorrebladerenhopen
van mijn lakens schuif,
van hun fluisterende stemmen
goedheid afsmekend en slaap,
zijn het mijn voeten die vrolijk zijn.
Zij hebben elkaar,
zij zijn een dartel liefdespaar.
Van lopen hebben zij dan
niet het minste verstand.
Zij krommen zich wellustig,
zij zoenen elkanders holten,
zij tellen elkanders tenen
vol toeweiding en lachen daarbij.
Ach, zij zijn zo ver van mijn allenig
hoofd, dat ook vannacht wel weer
zal blijven hout hakken
en in kaplaarsen stappen.
Hoe kan ik het overhalen om zoetjes
en dood de stroom af te drijven
achter mijn verliefde voeten aan?
Catharina Kortebos (1916-?)
Danslied
Zei niet Uw stem : de vogel danst,
Het loover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst,
De wind, de wolk, de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand,
Daarin gleed warm mijn rechterhand,
En velen volgden, tot een band
Van dansers slingerde over 't land.
De laatste tranen op mijn wang
Verwoeien in dien rondegang,
Mijn polsklop, eerst zoo luid en bang,
Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En 'k wist heel blij, voor altijd, gánsch,
Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan den trans
Dat alles goed wordt in den dans.
Aart van der Leeuw (1876-1931)
uit: Herscheppingen (1916))
Geen ootjes, s.v.p.
Gij waart de lust van mijn leven,
O vrouw, die ik niet meer bemin.
Ik heb u alles gegeven
En maakte u tot mijn vorstin.
Ik gaf u een zilveren badkuip,
Robijn gaf ik u en smaragd.
Doch gij hebt al mijn geschenken
Naar de bank van lening gebracht.
Gij hebt mij links laten liggen
(Waar onze matras het meest kraakt).
Gij hebt mij in 't ootje genomen
En van alles een potje gemaakt.
En kan ik het potje vergeven
-- O potje, o bron van verdriet! -Het ootje neem ik u kwalijk,
Het ootje vergeef ik u niet.
Daan Zonderland (1909-1977)
Uit Brabant
(maar even goed uit Limburg)
Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukklen samen voort hun leven lang.
Paard en boer ken ik
J.B.Schepers (1865-1937)
uit: Zelfkeur (1907))
Sotto voce
Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.
Maria Vasalis
uit: Vergezichten en gezichten,
Van Oorschot 1954
De zomers
Klaprozen, korenbloemen, barstenvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Kees Stip (1913-2001)
uit: Au! de rozen bloeien (1983)
Ek betreur jou
Ek betreur jou wasige liggaam
blou soos jou oë wasig en wyd die see
My hand van stof
kan jou nie behoed nie
kan skaars die pad verander
waarop jou neerslagtige voetstappe
moet rus in wier
My hand van stof
kan die rotse nie trotseer nie
Maar die meeue kan
.
Ingrid Jonker
(1933-1965)
Uitreiking van de diploma's
Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.
Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.
Hoe argeloos naief was ik
hoe groen,
hoe hulpeloos en kwetsbaa
Die kwetsbaarheid is er no
met alle littekens aan de bin
Maar 't is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.
Nu slaat voor 't laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.
Willem Wilmink
(1936-2003)
Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in.
Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
.
Rutger Kopland
(1934)
Raad
Neem nooit een dichter, m'n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op...
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt
(1911-1995)
Liefdes geur in de dingen
Zóó dierbaar zijn de dingen mij geworden,
waarin herinnering is opgehoopt:
het huisraad, het gerei, de klok die loopt
door het bestel der langgewende orde; -zóó verteederd verwijlt blik en gedachte
bij hun gedienstige gestaltenis,
dat ik soms twijfel: werden zij tot machten
waartusschen de ziel zèlf gekluisterd is?
Maar neen, ik weet: alléén omdat zij vingen
den langen straal van liefdes licht aanschijn,
is 't, dat gedachte en blik de stomme dingen
liefkoze', of zij levende wezens zijn.
Tot geen afgod werd mij hun lijflijkheid,
maar zij zoog in zóó zoete liefdesgeuren
dat uit hen àl het liefst en zoetst gebeuren
mijns levens opstaat, en zich om mij vleit.
Henriette Roland Holst
(1869-1952)
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
(1884-1965)
Ek het gedink
Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:
Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel …
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.
Nou weet ek is ons lewens soos ’n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.
(soos=zoals)
Ingrid Jonker (1933-1965)
Windliedjie
Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?
Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?
Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!
Ingrid Jonker (1933-1965)
De Gelatene
Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.
Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.
Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.
Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.
J.C. Bloem
(1887-1966)
Zomeravond
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: De hovenier (1961)
Bij het opruimen van het ouderlijk huis
De zoldertrap kraakt nog eenmaal als ik mijn kamer opzoek.
In het bed slaapt weemoed onder een sprei van jaren. Buiten
drijven wolken voort. Een duif rommelt in de dakgoot, slaat
zijn vleugels uit. Ik stoot de wekker van het nachtkastje,
rinkelend breekt de dag aan: lachen spelen, altijd spelen.
En steeds doemt de nachtmerrie op, draken en helse ondieren
Hopjes, flikjes en boterbrokkentroost in moederkoekenhuisje.
Maar wel je melk opdrinken en je bord spinazie leeg.
Met de tijd valt de kast, door vader getimmerd, open.
Brengt seizoenen voor de geest, vriendjes en spiegels,
in de grandioze staat het mogelijke open te houden,
het nimmer tot een conclusie brengen. Alom het jong
klapwiekend hoog en droog onder de pannen, buiten schot.
Een levenslang groeiend besef geborgen te zijn.
Mark van Tongele (1956)
uit: Ademruis (2011)
De zeer oude zingt
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
Lucebert (1924-1994)
Sonnet
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal
Hélène Swarth (1859-1941))
een mooie dag om stilte te verscheuren
een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.
het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.
Ramsey Nasr (1974)
uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)
Ramsey Nasr was aanwezig op de Dam
tijdens de Herdenkings- plechtigheid op
4 mei jl. Hij stond op enkele meters van
de schreeuwende verstoorder, en werd
zelf meegesleurd in alle paniek.
Omhuld van nev’len lagen de landouwen;
de bosschen had een sluier stil omspreid
en uit de stilte steeg een blind vertrouwen
in het weerkeren van de vruchtbaarheid.
De regen viel; zijn zacht-egale suizen
vulde de wereld en zijn spinsel hing
aan verre kimmen. In hun stille kluizen
werkten de geesten van de opstanding.
O milde lucht en gezegende regen
en moederlijke schoot die baren gaat
der aarde … o Beeld van ieder groot bewegen
dat uit de stille verzonkenheid ontstaat.
Door u zijn de verstarringen geweken
en werd weer vloeibaar wat gestolten was;
in verre velden murm’len kleine beken
en een groen waas doortrekt het vale gras.
O zoete hoop die oud is als het leven
en al zijn schepselen te zamen bindt, –
gij kunt de moede harten niet begeven,
gij moeder van vertrouwen, groot en blind.
Henriëtte Roland Holst-van der Schalk
(1869-21/11/1952)
Ik ne mag thi kussjan
Ik kan je niet kussen
de zomer kan de winter niet kussen
we kunnen alleen dansen
zoals de zomer om de winter danst
thik kussjan
Sumar ne mag wintar kussjan
Wii mugun al-aina danson
Also sumar umbi wintar dansot
Uit Canvasprogramma:
In de uitzending werd de vraag gesteld
hoe het Nederlands vroeger klonk. 500
jaar geleden. 1000 jaar ?. 1500 jaar ?
de Leidense professor Michiel de Vaan
ontwikkelde een methode om daar
achter te komen. Zo moet het 1500 jaar
geleden geklonken hebben.
http://www.youtube.com/watch?v=_rfxtA
zrpQs&feature=player_embedded
.
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
– omdat zij sterk verschijnt – wel heel mijn leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst (1888-1976)
Wat rest ..
Wat rest van 't brede haar en bittere gouden ogen,
En van de woorden en van de gebaren
En van de droevigheden en van al het staren
Om dit dat alles was en is vervlogen.
Wat meer dan rozen in den storm gebogen
En bladerloos geschud boven de eigen blaren,
En oude tederheden, die geteisterd waren
Met droefenis en die geen troost vermogen.
En soms, in 't bleke bliksemen na de vlagen:
De kering van het licht, de eb en vloed
Van oeverloze wateren en een dagen,
Een kim. een eiland door één ster behoed:
Stilte, en als de ziel haar verren tocht mag wagen
Bleef daar al wat verdween en eeuwig leven moet.
J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
Einde
Poetry is an echo,
asking a shadow to dance.
Carl Sandburg
Goede gedichten
veranderen de
Martinus
Nijhoff (1894 - 1953)
eenzaamheid.