G uido ezelle 1.5.1830-27.11.1899 Vereniging Aldichter Woensdag 14 mei 2008 Maar eerst even dit... •West-Vlaams kent een dubbele ontkenning •Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.) verschijnt er.

Download Report

Transcript G uido ezelle 1.5.1830-27.11.1899 Vereniging Aldichter Woensdag 14 mei 2008 Maar eerst even dit... •West-Vlaams kent een dubbele ontkenning •Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.) verschijnt er.

Slide 1

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 2

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 3

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 4

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 5

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 6

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 7

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 8

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 9

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 10

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 11

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 12

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 13

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 14

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 15

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 16

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 17

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 18

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 19

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 20

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 21

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 22

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 23

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 24

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 25

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 26

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 27

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?


Slide 28

G

uido
ezelle

1.5.1830-27.11.1899

Vereniging Aldichter
Woensdag 14 mei 2008

Maar eerst even dit...
•West-Vlaams kent een dubbele ontkenning
•Bij ontkenningswoorden (niet, nooit, niemand, niets, geen, enz.)
verschijnt er “en” voor de persoonsvorm.
•Gezelle’s vader noemde zich “Pier Jan die geen Fransch en kan”
•Soms zelfs alleen “en” zonder “niet”

Gij zegt dat ‘t vlaamsch te niet zal gaan: ‘t en zal!
dat ‘t waalsch gezwets zal boven slaan: ‘t en zal!
Dat hopen, dat begeren wij:
dat zeggen en dat zweren wij:
zoo lange als wij ons weren, wij:
‘t en zal, ‘t en zal, ‘t en zal!

Het leven van Guido Gezelle
•1830: Geboren te Brugge op 1 mei als oudste kind van Monica Devrieze en Pieter Jan Gezelle
•1830: In september maakt België zich los van Nederland
•1831: Op 21 juli wordt Leopold de eerste koning der Belgen

•1846: Leerling aan het Kleinseminarie in Roeselare.
•1850: Studie aan het Grootseminarie in Brugge.
•1854: Leraar aan het klein-seminarie te Roeselare, priesterwijding op 10 juni.
•1857: Leraar van de poësis-klas.
Schrijft “Dien avond en die rooze” voor zijn leerling Eugeen van Oye
•1859: Einde Poësis-klas
•1860: Overplaatsing naar Brugge, onderrector Engelse kostschool
•1861: Leraar in de wijsbegeerte en onderrector Seminarium Anglo-Belgicum.
•1865: Onderpastoor van Sint-Walburga.
•1872: Naar Kortrijk: aangesteld als onderpastoor in de O.-L.-Vrouw-parochie.

•1889: Directeur van een kleine kloostergemeenschap van Fransche nonnen.
•1899: Terug naar Brugge: Rector van het aristocratische klooster van kanunnikessen,
het English Convent. Overleden op 27 november.
•1926: Zijn geboortehuis is sinds 1926 ingericht als Gezellemuseum.
•1930: Brugge heeft voor Gezelle een standbeeld opgericht

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten,
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uitgedronken;
maar nooit een uur zoo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om
u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.

Nog nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
wie zal dit kwaad genezen?
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ’t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
’t en waren ik ’t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
dien avond – en – die rooze!

Guido Gezelle 1-11-1858

Guido Gezelle 14-2-1871.

Rim Sartori 1972

’t Regent, regent

’t dondert rondom mij;
bliksemflitsen
flikkeren rondom mij,
hagelvlagen
vagen rondom mij;
’t breken beken
water rondom mij!

Guido Gezelle
1860-1872

Het werk van Guido Gezelle
•1858: Kerkhofblommen en Dichtoefeningen.
•1860: XXXIII kleengedichtjes
•1862: Gedichten, Gezangen, Gebeden.
•1871: De doolaards in Egypten. naar het Engelsch van J.M. Neale
•1877: Van den kleenen hertog. [Naar Ch.-M. Yonge].
•1882: Uitstap in de warande.
•1880: Liederen, eerdichten et reliqua.

•1886: The Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch, origineel van
Henry W. Longfellow
•1893: Tijdkrans.
•1897: Rijmsnoer om en om het jaar
•1899: Goddelijke beschouwingen. [Van G.-J. Waffelaert, uit het Latijn vertaald].
•1901: (postuum): Laatste Verzen .
•1908: (postuum): De ring van ’t kerkelijk jaar. proza

Song of Hiawatha

Through the tranquil air of morning,
First a single line of darkness,
Then a denser, bluer vapor,
Then a snow-white cloud unfolding,
Like the tree-tops of the forest,
Ever rising, rising, rising,
Till it touched the top of heaven,
Till it broke against the heaven,
And rolled outward all around it.
En de rook ging traagzaam opwaarts,
door de windloosheid des morgens,
eerst een lintje blauwen rooks maar,
dan veel dichtere en zwaardere walmen,
dan een sneeuwwit wolkgevaarte,
lijk ‘nen bosch vol dennenboomen,
immer rijzend, rijzend, rijzend,
ont wanneer ‘t, den hemel rakende,
afsloeg, en lang alle wegen
heel de locht vol rook gespreid had.

Kuikens bij Gezelle
Kiekskes, nauwlijks uit de schale,
hadden ook al elk hun tale,
wrochten ook al even goed
met den bek en met den voet,
want zij liepen weg al piepen
en zij kropen weêr al kriepen:
"kriep!" in moeders pluimen rok,
die van blijdschap klokte: "klok!"
Ach! het moederlijk beminnen!
Zoetjes streelde zij ‘t naar binnen,
zoo daar een van heel den hoop
kijkend uit heur vlerke kroop.
Guido Gezelle, 1855-56 Pachthofschilderinge

Eendagskuiken
(Annemieke van Rooijen)
Dat er zoiets is als een bestaan
wist ik pas aan het eind
en dat het leven moeite kost
zoals het hakken in de eierschaal
maar wel de moeite waard en
dat je warm moet blijven.
Dat er zoiets was als vingers,
onverschillig snel betastend
en vallen zonder fladderen
moest wel verkeerd zijn.
Dat dit het was en niet meer.

BONT E ABE ELE N
bij Gezelle

Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder.
Wit en grauw, zoo, door de lucht,
"bonte-abeelt" de duivenvlucht.

Grauwe abeel.
Kruising tussen twee soorten gaf jou
het grijze onderkleed, deed het heftigst
trillen bedaren. Blaft er een hond aan je voet?
Geliefde arbor populi, met glanzend gezicht
fluister je als een jonge minnaar, beweeg je
in april wanneer je rode katten kleuren
roezemoezend als je met winden stoeit.
Trots deel je je erfgoed in het valseizoen.
De naakte winter noodt tot bomendromen
en mijmering. Je kale takken tikken
een verhaal van eeuwen her, zwaarden
en schilden, huizen en vloeren onverteerbaar
door het vuur, papier en klompen voor
een klepperende dans.

Guido Gezelle, 12-2-1897.
Annemieke van Rooijen

2006

Masterclass
Elke ochtend na de winderige uittocht
van mensen van tienhoog
treedt rust in op de galerij
zingt in de verlaten keuken
de gekooide.
Dwars door de ruit breken
zijn loopjes en trillers.
Hij krijgt bezoek: een spreeuw
strijkt op de ballustrade neer
en luistert en probeert
het gele meestertje te imiteren.
Steeds luider klinkt nu het gezang
van binnen en van buiten
als strijden twee giganten.
De eenzame kanarie leeft weer op.
De vrije vogel lijkt de kou,
de anderen, het harde leven
te vergeten
in dat duet op hoog niveau.
Elke dag is hij er weer.
Annemieke van Rooijen ’07/’08

DIE VERSCHGEROERDE GROND
hij riekt zoo goed,
zoo vruchtbaar, in de lonken
des zonnekens weêr opgestaan,
gelaafd en zatgedronken,
aan ’t zog, dat hem de borst
heeft toegestaan

der beke, die daar kwelt,
en blinkt, vol moedervochten,

DE VERSGEROERDE GROND
hij riekt niet goed,
zo weeïg, uit zijn bonken
van polderklei verspreidt de walm
van stoppels en van stronken
in zompig zog zich in
de herfst die kalm

begonnen is, maar zwelt
en kwelt wie niet kan vinden

en die de goede lochten

beschutting tegen winden,

des lentenweders wekt,

wier stormkracht heeft geknakt

in 't eerste kruiduitslaan!

Guido Gezelle, september 1881

de allerlaatste halm!

Niels Blomberg, 21 maart 2008

GOD IS DAAR,
Of de zegen met het Alderhoogste

klopt en klopt op uw’ herten weder,
buigt en bidt en klopt en ziet
naar den grond, in den hemel niet :

Klinkt en rinkelt de heldere belle,

buigt, onkundigen, buigt, geleerden,

klinkt de klenkerende autaarschelle,

buigt, vernederden, buigt, vereerden :

bonst het ronkende klokgeklop,

God is daar! Hij rijst... Hij daalt,

reekt het riekende reukvat op,

en Zijn goudene krone straalt

rukt het rookende reukvat neder,

weg end weder voor die schouwen

rukt en rinkel’et weg end weder,

en zijn’ oogen op durft hou’en,

slaat het wentelend orgelspel,

kruisgewijs, ende... G o d i s d a a r,

drukt de dreunende terden fel,

Jesus, God en mensch voorwaar,

doet de bronzene monden spreken,

God, met lichaam, ziel en leven,

dat de daverende ruiten breken,

God, voor Wien al de engelen beven,

dat de kerke vol klanken komt,
en van zwellende zangen dromt,
buigt uw biddende hoofden neder,

liggende rondom ’t altaar :
buigt u, buigt u... G o d i s d a a r !
Guido Gezelle, 28-3-1859

MAART IS DAAR

Knoppen knappen, knoppen springen,
vogels fluiten, vogels zingen

Warme wind in kale kruinen
wil de lente rondbazuinen,
tak op tak als trommelstok,
vliegend vaandel in de nok.
Voor de weggedooide schotsen
komen krinkelende kabotsen.
Onder water heeft de puid
reeds de lente ingeluid.
Er is bloesem, er zijn blaadjes,
leven kruipt uit hoeken, gaatjes;
al wie ’s winters heeft gevast

wordt met een ontbijt verrast.

uit het zuiden teruggekeerd;
alles klinkt en kwinkeleert.
Juicht gekomenen, juicht ontwaakten,
juicht door lentezon geraakten:

Maart is daar! zij rijst... zij daalt,
en haar gouden zonlicht straalt
over weiden die verwachten
minder lange koude nachten,

minder honger: Maart is daar!
Er zit leven in het jaar.
Winterstilte is versplinterd,
Koning Winter uitgewinterd,
Moeder Lente roert haar snaar,
zingt haar metten: Maart is daar!
Niels Blomberg, 15 april 2008

Wat hangt gij daar te praten
aan die blomme, o bruine bie;

TIPILA PALUDOSA

waarop, waaruit, waarover
ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en
met uw' tonge al ingegaan;
gij het eraan geroken
en van alles aan gedaan,
daarom, daarin, daarover,

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

op uw' vlerken alle twee:
ik wonder hoe die blomme u
laat geworden, zoo ter lee!
Och, ware ik in heur' plaatse, ik
hiet u varen, en ik sloot
zoo seffens al dat werk, al

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

dat geruchte uit mijnen schoot,
en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en
uit mijn zunne, dat ik zie:
houdt op, en laat mij werken,
of ik strale u!" zei de bie.
Guido Gezelle, 13/6/1882
daarom: daarom(heen)
ik hiet u varen: ik beveel u weg te gaan
zunne: zon
ik strale u: ik steek u

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan
Niels Blomberg, 10 mei 1999

Gezellemuseum

Standbeeld

PAUZE

Gezellehof

•Brugge
•(Roeselare ontbreekt)
•Kortrijk

•Schelde, grensrivier
•Leije, stroomt door Kortrijk.
Bezongen door Gezelle.
•Leije en Schelde komen samen in
Gent (Oost-Vlaanderen)
•De zee. Heeft Gezelle die ooit
gezien?

West-Vlaams
•Gesproken in West- en Frans
Vlaanderen (donkerblauw)
•Gezelles gedichten in het WestVlaams

•Verzamelde 150,000 “papierlingskes”
met woorden
•Heden ten dage: West-Vlaamse
wikipedia met bijna
3000 artikelen.

Tijdschriften
•1860-1868: Reinaert de Vos : een zondagblad voor verstandige lieden: Bijdragen
van Gezelle
•1864-1872: weekblad ’t Jaer 30't Jaer 30 of politieke wegwyzer voor treffelyke
lieden ; vanaf 1870 ’t Jaer 1870: politieke journalistiek
•1865-1871: geïllustreerde weekblad Rond den Heerd, Een leer-en leesblad voor
alle lieden : heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden
•1873-: Journalist en publicist in de Kortrijkste krant De Vryheid, later de Gazette
van Kortryk
•1881-1895: Loquela: Taalkundig tijdschrift
•1885–1899: Dit is de nieuwe Vlaamsche Duikalmanak ofte Plukalmanak […].
•1890-: Biekorf. Dat is een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen.
Volkskundig tijdschrift

Het leven
Het leven is een’ krijgsbanier,
door goede en kwade dagen
gescheurd, gevlekt, ontvallen schier,
kloekmoedig voorwaarts dragen..

De roodzwartgeblakerde spiegel

Mijn leven is een spiegel,
en mijn dagen lijken op ballonnen.
Elke avondschemering hoor ik hen ontploffen.
Het geluk prikt met haar naald de rode ballonnen
en verdriet de zwarte ballonnen.

Men tuimelt wel, en wonden krijgt
men dikwijls, dichte en diepe...
‘t en vlucht geen weerbaar man, die wijgt,
of hem de dood beliepe
Het leven is... geen vrede alhier,
geen wapenstilstand vragen:
het leven is de Kruisbanier
tot in Gods handen dragen!
Guido Gezelle

Ik ruim met stoffer en blik
de ledematen van mijn dagen op.
Wanneer de avond opkomt,
zie ik de rode en zwarte ballonnen.
Met bloemenbloed en slangenspuug,
bespetteren ze mijn levensspiegel.

Mijn leven is een roodzwartgeblakerde spiegel.
Mijn dagen zijn ballonen.
Ze zweven voor de spiegel.
Oren dicht!
Rezart Palluqi 03-04-08

ALS DE ZIELE LUISTERT

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!
Guido Gezelle (1859)

Tik Tak
De ziel hekelt de menselijke talen.
Naar de hartkloppen wil hij luisteren.
Naar het geruis van de bloedaders...
...daarin varen geen schepen met sceptische kapiteins.
De ziel hekelt de gedachten.
Wanneer ze als stormen, wakker worden,
verstopt de ziel zich in de oksels
en roept zachtjes: Rustig aan, mens!
Ik kan niet naar je hartkloppen luisteren:
Tik tak! Tik Tak
Tik Tak heet mijn taal...
Rezart Palluqi

Leest ’t is de mens
Hoort ‘t is de wind
Hoort, ‘t is de wind, ‘t is de wind, ’t is de wind, en
zoekende zucht hij om ruste te vinden,
overal rond, en en vindt geene, nooit:
of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen,
of hij de torren hun toppen afwaait,
of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen,
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
of hij de schepen daarbinnen begraaft,
of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind, en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’a
sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

Guido Gezelle 1859

Kunstwerk op foto: Frans van der Ven

En gelijk zo de mensen, de sprakende mensen,
die smachten naar macht over wensen,
die bezaaien de gronden met drift,
elkander bestokend met kakel en kift
om wat is en toch nood wordt gemist de mensheid bestaat en kan niet gewist:
geen opstand of oorlogse toestand,
geen koersval, doodsteek of bosbrand
kan stoppen de voortgang der benige lieden,
ze geschieden, geschieden, geschieden
dat het een lust heeft, vervullend de steden,
de wereld verstoppend, ze vertreden
de rozen, de bomen, voor hen zijn de zeeën niet
heilig,
de ruimte naar sterren gigantisch schijnveilig
voor de helpende hand van de mens,
de toekomst makende homo sapiens.
Maar sprak Iets dat boven ons staat dat
het stopt, dan stopt het . . . zo gaat dat.
2008 – Hein Walter

God en godsdienst
•Naast natuur is God een belangrijke inspiratiebron, vaak gecombineerd: de schoonheid van de schepping
•Daarnaast was Gezelle een conservatieve katholiek die ook politiek actief was
•1878-1884: Schoolstrijd tussen liberalen en katholieken:
–1830: Belgische scholen met katholiek karakter
–1878: Liberale regering: scheiding van kerk en staat, neutrale scholen.
–Katholieken vechten om 'de ziel van het kind' en tegen 'scholen zonder God'.
–Leraren, ouders en kinderen van staatsscholen worden geëxcommuniceerd
–Staatsscholen liepen leeg
–1884: katholieke regering. De liberalen kwamen 30 jaar niet meer aan de macht

De puid, laatste strofe (herfst 1881)
Zoo doet de Staat :
hij zal, hij wilt, hij gaat,

hij moet, al kan hij niet, God, Kerke en al vervangen ;
de scholen, dat is hij ; het Recht, ’t is hij ; ’t belangen,
van mensche en dier, ’t is hij; ’t is hij die ’t, al meteen,
dat rept en roeren kan, dat groot is en dat kleen
zal wenden doen en gaan ! Dat, elk verwondert :

het springt een bliksem en... De god ligt afgedonderd

ZELFPORTRET
Je bent een vreemde voor me, Guido
Jouw huis is niet dat van mij, met
Te veel deuren die altijd open staan.
Je woont in een land ver weg, al

Wat daar waait is zachter dan een zuchtje.
Onze zon lijkt dezelfde, bij jou schijnt
Hij ongebroken. Geen andere bloei
Ken je, dan wat zich opent voor God.
Maar wat blijft dicht, wanneer we je
Woorden afstoffen? Ben je echt, die
Ik ook kan zijn, of doe je (welk poeder)
Alsof? Om je heen zie ik een muur.
Ja Guido, je bent me vreemd. Kom,
Laat me je omarmen en schuilen
We samen tegen de laatste wind Onder je zwarte rok, je hoge dak.
Cees Noordhoek

EGO FLOS
Ik ben een blomme
en bloeie voor uwe oogen,
geweldig zonnelicht,
dat, eeuwig onontaard,
mij, nietig schepselken,
in 't leven wilt gedoogen
en, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.
Mijn leven is
uw licht: mijn doen, mijn derven,
mijn' hope, mijn geluk
mijn eenigste en mijn al;
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?
Dan zal ik voor...
o neen, niet voor uw oogen
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen;
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan!
Guido Gezelle 17/11/1898

IK BEN LOS
Geweldig zonnelicht
Laat me in je binnengaan
Dan zal ik aan jou
En, na dit leven, mijzelf
Maar altijd naast jou, naast jou
Mijn hoofd te slapen aanbieden.
Om daarna, om de beurt,
Wanneer jij, zon, weer bent opgestaan,
Wakker geworden, mij te dwingen
Ook een keer wakker te worden
En dan de krant open te slaan
En in de avond te dichten dat blad
En te bloeien voor jouw ogen
O nee, niet voor jouw ogen
Maar voor die in bloei staan
Steeds in dat eeuwig licht
Dat als een onblusbare spaarlamp
Mijn mijngangen verlicht
En mij, nietig schepseltje
Dat altijd en eeuwig naar boven graaft
Omdat het anders niet groeien wil
Met het leven wilt besproeien
Ik ben een bloem, ik ben los.
Cees Noordhoek

Broeds
O, zacht kippenlief, hoe stil
zit je al wekenlang te broeden in het stro.
Ik hoor je niet, waar is je tok
toch gebleven? Alleen
een klok verlaat je snavel af en toe.
Je wacht en wil de warmte hoeden
die je perste uit je witte lijf.
Je laat het gaan, de korrels
en het pikken van zus Sjaan.
O, zacht kippenlijf, je hebt
de warme hanenbuik gemist
en je weet het niet.
Niets dan broeden maakt je kouder
dan je levenloze ei
onder je kippenkontje in het stro
en jij weet het niet.
Ik wil niet wachten
op het breken van je oog.
Hé, mijn dichterke, hoe stil
en stijf je mijmering. Kom
uit je hok. De tafel is gedekt
voor twee.

Frouke Hansum

HET SCHRIJVERKE (Gyrinus Natans)
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!“
Guido Gezelle 1857?

Onze benen willen lopen.
Brommende, grommende motordieren
willen heuvels, zand en diepe plassen;
storten zich op Almere-Poort,
paradijs op zondag in de zon.
Ronde poten rennen cirkels,
sproeien modder
in het rond, even rusten
op hun kont
en opnieuw
rennen ronde poten cirkels.

Wat zijn jullie en waarom dat grommen
hier op zondag in de zon?
Boos misschien of weggevlucht
of sproeien jullie van geluk?
Waarom is dit jullie paradijs?
Mijn stem is te zacht.
Wij lopen door, over de geluidswal
naar het schrijfkanon:
Waarom
Geïnspireerd door Het Schrijverke van Guido Gezelle
is dit
Schrijfkanon van Peter Zegveld
Frouke Hansum
jullie paradijs?